Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2008:BD7422

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
03-06-2008
Datum publicatie
16-07-2008
Zaaknummer
AWB 08-457 AW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Ambtenarenrecht. Verzoek tot uitstel functioneel leeftijdsontslag van vrijwillig politie-ambtenaar. Het besluit om het uitstel voor de duur van één jaar te beperken is onvoldoende gemotiveerd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Amsterdam

Sector Bestuursrecht Algemeen

meervoudige kamer

UITSPRAAK

in het geding met registratienummer AWB 08/457 AW

van:

[eiser], wonende te [woonplaats],

eiser,

vertegenwoordigd door mr. W. Klein,

tegen:

de Korpsbeheerder van de politieregio Amsterdam-Amstelland,

verweerder,

vertegenwoordigd door mr. A. de Leeuw.

1. PROCESVERLOOP

De rechtbank heeft op 31 januari 2008 een beroepschrift ontvangen gericht tegen het besluit van verweerder van 29 januari 2008.

Het onderzoek is gesloten ter zitting van 22 mei 2008.

2. OVERWEGINGEN

Eiser, geboren op 28 oktober 1947, is werkzaam als vrijwillig politie-ambtenaar.

Op 28 oktober 2007 heeft eiser de voor zijn functie geldende leeftijd voor functioneel leeftijdsontslag van 60 jaar bereikt. Voor het bereiken van de zestigjarige leeftijd heeft eiser verweerder verzocht om uitstel van ontslag te verlenen.

Bij brief van 15 oktober 2007 is namens eiser bezwaar gemaakt tegen het niet tijdig nemen van een beslissing op de aanvraag van 14 november 2006.

Bij besluit van 18 oktober 2007 heeft verweerder spijt betuigd omtrent de vertraging in de besluitvorming en uitstel van het functioneel leeftijdsontslag tot 1 november 2008 verleend.

Eiser heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt en daarbij gesteld dat hij het recht heeft om tot

1 november 2012 door te werken.

Bij besluit van 29 januari 2008 heeft verweerder - in navolging van het advies van de Hoorcommissie - het bezwaarschrift tegen het niet tijdig nemen van een besluit op het verzoek gegrond en voor het overige ongegrond verklaard. Hierbij heeft verweerder overwogen dat hem op grond van artikel 38 van het Besluit rechtspositie vrijwillige politie (hierna ook: Brvp) de bevoegdheid toekomt om al dan niet op het verzoek tot uitstel in te gaan (de zogenoemde discretionaire bevoegdheid). Dit geldt ten aanzien van de inzet van vrijwillige ambtenaren nadat zij de zestigjarige leeftijd hebben bereikt en tevens voor een te hanteren einddatum voor het uitstel van ontslag. Bij het besluit van 18 oktober 2007 heeft verweerder rekening gehouden met het vermoedelijk kort daarop vast te stellen beleid tot het afbouwen van de inzet van de vrijwillige politie.

Eiser stelt dat verweerder uitgaat van een onjuiste uitleg van artikel 38 van het Brvp. Gelet op de toelichting op artikel 88 van het Besluit algemene rechtspositie politie (hierna ook: Barp) is slechts de gezondheidstoestand van de ambtenaar relevant bij de behandeling van een verzoek om uitstel van ontslag als bedoeld in het tweede lid van artikel 38 Brvp. Eiser is van mening dat verweerder evenmin bevoegdheid toekomt om het uitstel op voorhand voor de duur van één jaar te beperken.

De rechtbank overweegt als volgt.

Artikel 38 van het Besluit rechtspositie vrijwillige politie luidt als volgt:

1.Het bevoegd gezag verleent de vrijwillige ambtenaar, aangesteld voor de uitvoering van de politietaak, ongevraagd eervol ontslag met ingang van de eerste van de maand volgend op die waarin hij de zestigjarige leeftijd bereikt.

2.Het in het eerste lid bedoelde ontslag op zestigjarige leeftijd kan op verzoek van de vrijwillige ambtenaar worden uitgesteld mits is vastgesteld dat hiertegen geen bezwaar bestaat.

3. Voor het vaststellen van het in het tweede lid bedoelde bezwaar zijn de artikelen 88c en 50, eerste lid onderdeel g, van het Besluit algemene rechtspositie politie van overeenkomstige toepassing.

4. Na het in het tweede lid bedoelde uitstel vindt op aanvraag van de vrijwillige ambtenaar eervol ontslag plaats.

5. Het ontslag, bedoeld in het vierde lid, wordt verleend met ingang van een dag niet vroeger dan een maand en niet later dan drie maanden na de dag waarop de aanvraag om ontslag is ontvangen.

Artikel 88c van het Besluit algemene rechtspositie politie luidt als volgt:

1. Indien de ambtenaar bedoeld in de eerste volzin van artikel 88, eerste lid, te kennen heeft gegeven dat hij na het bereiken van de leeftijd van zestig jaar zijn functie wil blijven uitoefenen, is hij indien hij is ingedeeld in een salarisschaal lager dan salarisschaal 10, verplicht om uiterlijk één jaar voor het bereiken van de leeftijd van zestig jaar een vragenlijst met betrekking tot zijn gezondheidstoestand in te vullen.

2. Aan de hand van de beantwoorde vragenlijst bepaalt het bevoegd gezag, daartoe geadviseerd door de deskundige persoon of de arbodienst, of het noodzakelijk is dat de ambtenaar een arbeidsgezondheidskundig onderzoek moet ondergaan teneinde vast te stellen of de ambtenaar lichamelijk en psychisch in staat is zijn functie te blijven uitoefenen, nadat hij de leeftijd van zestig jaar heeft bereikt.

3. Onze Minister stelt regels met betrekking tot de inhoud van de in het eerste lid genoemde vragenlijst en de procedures omtrent de vragenlijst.

Bij de toepassing van artikel 38, tweede lid, van de Brvp, komt verweerder discretionaire bevoegdheid toe. Eiser kan dan ook niet worden gevolgd in zijn stelling dat verweerder uitstel moet verlenen aan de ambtenaar die daarom verzoekt en lichamelijk en psychisch in staat is zijn functie te blijven uitoefenen.

Gelet op het feit dat verweerder de bevoegdheid heeft een ontheffing te verlenen, dient de rechtbank het gebruik van die bevoegdheid terughoudend te toetsen, hetgeen betekent dat de rechtbank beoordeelt of verweerder in redelijkheid tot zijn besluit heeft kunnen komen.

De rechtbank stelt vast dat verweerder geen duidelijk standpunt heeft ingenomen met betrekking tot de vraag of eiser nu wel of niet kan doorwerken na het bereiken van de 60-jarige leeftijd.

Uit het bepaalde in artikel 38, derde lid, van de Brvp en artikel 88c van het Barp leidt de rechtbank voorts af dat de toepassing van die bevoegdheid vooral afhangt van de vraag of de ambtenaar lichamelijk en psychisch in staat is zijn functie te blijven uitoefenen. Niet betwist is dat eiser, die hangende bezwaar een vragenlijst als bedoeld in de Regeling gezondheidstoets politie van 10 september 2001 (Staatscourant 13 september 2001 nr. 177) aan verweerder heeft doen toekomen, lichamelijk en psychisch in staat is zijn functie te blijven uitoefenen. Met de vragenlijst heeft verweerder niets gedaan.

Wel heeft verweerder in het bestreden besluit gesteld dat rekening is gehouden met nog vast te stellen beleid dat vrijwillige politie slechts voor een beperkt aantal taken zal worden ingezet en in de wat latere toekomst in het geheel niet meer. Verweerder heeft zich ter zitting op het standpunt gesteld dat het belang bij toekomstige afbouw van de vrijwillige politie zwaarder weegt dan het belang van eiser bij een ontheffing voor langere duur. Uit de stukken en het verhandelde ter zitting is echter niet gebleken of en op welke termijn de taken van de vrijwillige politie worden beperkt. Evenmin is gebleken of eiser doorgaans wordt ingezet op deze taken. De rechtbank kan mitsdien niet vaststellen of verweerder in redelijkheid tot zijn besluit heeft kunnen komen om het uitstel voor de duur van één jaar te beperken.

Het vorenstaande brengt de rechtbank tot het oordeel het bestreden besluit onvoldoende gemotiveerd tot stand is gekomen. Het beroep dient daarom gegrond te worden verklaard en het bestreden besluit wegens strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) te worden vernietigd. Indien na vernietiging van een bestreden besluit aan het bestuursorgaan nog een beleids- en beoordelingsruimte toekomt, is er in het algemeen geen plaats voor toepassing van het bepaalde in artikel 8:72, vierde lid, van de Awb. Verweerder wordt daarom opgedragen een nieuw besluit te nemen met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen.

Op grond van het bepaalde in artikel 8:74 van de Awb, dient verweerder het door eiser betaalde griffierecht met betrekking tot het beroep te vergoeden. Voorts ziet de rechtbank aanleiding verweerder te veroordelen in de kosten van eiser, welke zijn begroot op € 644,- als kosten van verleende rechtsbijstand. Daarbij is 1 punt toegekend voor het indienen van een beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting in een zaak van gemiddeld gewicht (wegingsfactor 1).

Beslist wordt als volgt.

3. BESLISSING

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit;

- draagt verweerder op binnen 6 weken na bekendmaking van deze uitspraak een nieuw besluit op bezwaar te nemen met inachtneming van deze uitspraak;

- bepaalt dat regiopolitie Amsterdam-Amstelland aan eiser het door hem betaalde griffierecht ad

€ 143,- (zegge: honderd drieënveertig euro) vergoedt;

- veroordeelt verweerder in de kosten van het geding, aan de zijde van eiser begroot op

€ 644,- (zegge: zeshonderd vierenveertig euro) te betalen door regiopolitie Amsterdam-Amstelland.

Deze uitspraak is gedaan op 3 juni 2008 door mr. Y.A.A.G. de Vries, voorzitter en mrs. N.M. van Waterschoot en N.J. Koene, in tegenwoordigheid van B.O. Schaafsma, griffier, en bekendgemaakt door verzending aan partijen op de hieronder vermelde datum.

De griffier, De voorzitter,

Tegen deze uitspraak kunnen een belanghebbende en het bestuursorgaan gedurende zes weken na toezending van deze uitspraak hoger beroep instellen bij de Centrale Raad van Beroep te Utrecht.

Afschrift verzonden op:

DOC: B