Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2008:BD7409

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
16-06-2008
Datum publicatie
16-07-2008
Zaaknummer
AWB 08-1851 HOREC
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Intrekking exploitatievergunning op grond van de APV. Gelet op de aangetroffen hoeveelheid softdrugs op de tweede etage boven de coffeeshop, ruim boven de in de Richtlijnen van de Procureurs-Generaal vastgestelde maximum handelsvoorraad van 500 gram, is door verzoeker in strijd gehandeld met de Richtlijnen. Overtreding van de Richtlijnen vormt op zichzelf al een bedreiging voor de openbare orde en/of het woon- en leefklimaat als bedoeld in artikel 3.2, achtste lid, onder b, van de APV. Verweerder was derhalve bevoegd de exploitatievergunning in te trekken. Het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening wordt dan ook afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Amsterdam

Sector Bestuursrecht Algemeen

Voorlopige voorzieningen

UITSPRAAK

in het geding met reg. nr. AWB 08/1851 HOREC

van

[verzoeker], wonende te [woonplaats], handelend onder de naam coffeeshop

“[naam]”, gevestigd te Amsterdam,

verzoeker,

vertegenwoordigd door mrs. A. Moszkowicz en T. Nieuwburg,

tegen:

de burgemeester van Amsterdam,

verweerder,

vertegenwoordigd door mr. H.C. van Esseveldt en S. Haavekost.

1. PROCESVERLOOP

Ter griffie van de rechtbank is op 14 mei 2008 een verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening ontvangen. Dit verzoek hangt samen met het beroepschrift van verzoeker van 28 april 2008, gericht tegen het besluit van verweerder van 20 maart 2008 (hierna: het bestreden besluit).

Het onderzoek is gesloten ter zitting van 29 mei 2008.

2. OVERWEGINGEN

Bij besluit van 25 januari 2007, verzonden op 12 april 2007, is aan verzoeker een vergunning voor het exploiteren van de coffeeshop “[naam]” aan de [adres] (hierna ook te noemen: de coffeeshop) verleend.

Op 16 mei 2007 heeft verzoeker samen met zijn vennoot [p[persoon 1] een aanvraag voor een exploitatievergunning ingediend. Bij besluit van 15 juni 2007 heeft verweerder de aanvraag buiten behandeling gesteld omdat [persoon 1] zich als vennoot had teruggetrokken. Vervolgens heeft verzoeker als eenmanszaak op 18 juni 2007 een aanvraag ingediend.

Op 17 juli 2007 heeft de politie een onderzoek ingesteld naar de woningen die boven de coffeeshop zijn gelegen. Daarbij is op de tweede etage van het pand een hennepplantage en een hoeveelheid softdrugs aangetroffen. In het kader hiervan hebben verzoeker en zijn broer [persoon 2] ten overstaan van de politie verklaringen afgelegd, die zijn neergelegd in processen-verbaal van 17 en 18 juli 2007. Naar aanleiding van de onderzoeksbevindingen heeft de politie verweerder bij brief van 23 juli 2007 verzocht tot het nemen van een bestuurlijke maatregel inzake de exploitatievergunning van de coffeeshop.

Vervolgens heeft verweerder aan verzoeker bij brief van 10 augustus 2007 kenbaar gemaakt voornemens te zijn de aangevraagde vergunning te weigeren in verband met het aantreffen van de wietplantage en de hoeveelheid softdrugs, alsmede het vermoeden dat sprake is van schijnbeheer. Verzoeker heeft naar aanleiding hiervan zijn zienswijze kenbaar gemaakt.

Bij besluit van 24 oktober 2007 heeft verweerder verzoeker een vergunning voor de exploitatie van de coffeeshop geweigerd. Daarbij heeft verweerder bepaald dat de gedoogstatus voor de coffeeshop komt te vervallen en dat onder aanzegging van bestuursdwang verzoeker de exploitatie binnen 6 weken na verzending van het besluit dient te staken en gestaakt te houden.

Tegen dit besluit heeft verzoeker bezwaar gemaakt.

Bij besluit van 21 december 2007 heeft verweerder het besluit van 24 oktober 2007 ingetrokken omdat de aanvraag van 18 juni 2007 niet had hoeven te worden ingediend aangezien verzoeker reeds beschikte over een vergunning van 12 april 2007. Nu verzoeker zowel de houder is van de vergunning van 12 april 2007 als degene die in mei 2007 de aanvraag heeft ingediend, wordt de vergunning van 12 april 2007 op dezelfde gronden als genoemd in het besluit van 24 oktober 2007 ingetrokken. Daarbij heeft verweerder bepaald dat de gedoogstatus voor de coffeeshop komt te vervallen en dat onder aanzegging van bestuursdwang verzoeker de exploitatie binnen 6 weken na verzending van het besluit dient te staken en gestaakt te houden.

Tegen dit besluit heeft verzoeker bezwaar gemaakt.

Bij het bestreden besluit heeft verweerder verzoekers bezwaar tegen het besluit van 24 oktober 2007 niet-ontvankelijk verklaard. Verweerder heeft daartoe overwogen dat aangezien met het besluit van 21 december 2007 het besluit van 24 oktober 2007 is ingetrokken, verzoeker geen belang meer heeft bij de inhoudelijke behandeling van zijn bezwaar tegen dit besluit.

Verzoekers bezwaar tegen het besluit van 21 december 2007 is door verweerder ongegrond verklaard. Verweerder heeft met betrekking tot de formele punten van bezwaar overwogen dat verzoeker niet in zijn belang is geschaad doordat hij niet in de gelegenheid is gesteld om zijn zienswijze omtrent het besluit van 21 december 2007 kenbaar te maken en door het stellen van een termijn van vier dagen voor het indienen van de aanvullende gronden van bezwaar tegen dat besluit, nu verzoeker op de hoorzitting van 13 februari 2008 (alsnog) zijn standpunten uiteen heeft kunnen zetten. Het gebrek is derhalve in bezwaar hersteld.

Met betrekking tot de inhoudelijke punten van bezwaar heeft verweerder overwogen dat verzoeker bedrijfsmatig wiet boven de inrichting heeft geteeld om zo de coffeeshop te bevoorraden. Dit strafbare feit op grond van artikel 3 van de Opiumwet verdraagt zich niet met de exploitatie van een coffeeshop. Voorts is op 17 juli 2007 op de tweede etage boven de coffeeshop in totaal 1698 gram softdrugs aangetroffen. Dat is meer dan de in de Richtlijnen voor het opsporings- en strafvorderingsbeleid inzake strafbare feiten van de Procureurs- Generaal van 11 september 1996 (hierna: de Richtlijnen) vastgestelde maximum handelsvoorraad van 500 gram. Overtreding van de Richtlijnen vormt eveneens een bedreiging voor de openbare orde en/of het woon- en leefklimaat in de nabijheid van de coffeeshop als bedoeld in artikel 3.2, achtste lid, onder b, van de Algemene Plaatselijke Verordening (APV). De aard en ernst van het strafbare feit bestaande uit het bedrijfsmatig telen van hennep in samenhang bezien met de aanzienlijke overschrijding van de handelsvoorraad, rechtvaardigen volgens verweerder de intrekking van de exploitatievergunning voor onbepaalde tijd.

Voorts heeft verweerder overwogen dat het, gelet op de verklaringen van verzoekers broer tegenover de politie en verweerder op 16 juni 2007 en het geheel van feiten en omstandigheden waarin de broer als exploitant of beheerder van de coffeeshop naar buiten is getreden, aannemelijk is dat de broer de feitelijke eigenaar van de coffeeshop is en er sprake is van schijnbeheer van verzoeker. De subsidiaire grond voor intrekking van de exploitatievergunning, artikel 1.7, tweede lid, onder a, van de APV, wordt dan ook eveneens door verweerder gehandhaafd.

Verzoeker kan zich niet verenigen met het bestreden besluit en heeft gesteld dat hij door de intrekking van zijn exploitatievergunning (en daarmee de sluiting van de coffeeshop) inkomsten van circa € 40.000,- per maand misloopt.

Verzoeker heeft aangevoerd dat het feit dat hij tijdens de hoorzitting de gelegenheid heeft gehad om zijn bezwaren nader toe te lichten niet afdoet aan de zeer korte termijn die hij heeft gehad om zijn aanvullende gronden tegen het besluit van 21 december 2007 in te dienen. Voorts is de procedure, doordat verzoeker niet in de gelegenheid is gesteld voorafgaand aan het besluit van 21 december 2007 een zienswijze in te dienen, versneld waardoor verzoeker eerder met een definitief besluit c.q. een besluit op bezwaar en alle gevolgen van dien is geconfronteerd.

Voorts heeft verzoeker aangevoerd dat de intrekking van de exploitatievergunning ten onrechte is gebaseerd op het proces-verbaal van 17 juli 2007 nu deze betrekking heeft op de tweede etage van het pand waarin de coffeeshop gevestigd is. De coffeeshop zelf is niet doorzocht. Dat boven de coffeeshop een grote hoeveelheid softdrugs is aangetroffen betekent niet dat deze voor bevoorrading van de coffeeshop bedoeld is geweest. Derhalve is geen sprake van schending van de Richtlijnen en ook niet van een gevaar voor de openbare orde en/of bedreiging van het woon-/leefklimaat. Ook is volgens verzoeker geen sprake van schijnbeheer van de coffeeshop. Deze stelling wordt enkel gebaseerd op verklaringen van de broer van verzoeker; andere bewijzen ontbreken.

Tot slot heeft verzoeker aangevoerd dat de sanctie disproportioneel is nu hij in het verleden nog nooit problemen heeft gehad met betrekking tot de exploitatie van zijn coffeeshop.

De voorzieningenrechter (hierna ook: de rechter) overweegt als volgt.

Ingevolge artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) dient te worden nagegaan of onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, het treffen van een voorlopige voorziening vereist. Bij de vereiste belangenafweging gaat het om een afweging van enerzijds het belang van de verzoeker dat een onverwijlde voorziening wordt getroffen en anderzijds het door de onmiddellijke uitvoering van het besluit te dienen belang.

Ingevolge artikel 8:86 van de Awb is de voorzieningenrechter bevoegd onmiddellijk uitspraak te doen in de hoofdzaak, indien het verzoek om een voorlopige voorziening als bedoeld in artikel 8:81 van de Awb wordt gedaan indien beroep bij de rechtbank is ingesteld en de voorzieningenrechter van oordeel is dat na de zitting bedoeld in artikel 8:83, eerste lid, van de Awb, nader onderzoek redelijkerwijs niet kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak.

De rechter zal van deze bevoegdheid geen gebruik maken nu er na de behandeling ter zitting stukken in de hoofdzaak zijn ontvangen.

Allereerst stelt de rechter vast dat blijkens de gedingstukken en de toelichting ter zitting de omvang van het geschil zich beperkt tot de ongegrondverklaring van verzoekers bezwaren tegen het besluit van 21 december 2007.

Formele gronden

Met betrekking tot de door verzoeker aangevoerde formele gronden overweegt de rechter het volgende. Vaststaat dat verzoeker een zeer korte termijn is gegund (vier dagen) om aanvullende bezwaargronden tegen het besluit van 21 december 2007 in te dienen en dat verzoeker geen gelegenheid is geboden om een zienswijze over dit besluit in te dienen. De rechter is echter vooralsnog van oordeel dat niet is gebleken dat verzoeker hierdoor in zijn belangen is geschaad. Daartoe neemt de rechter in aanmerking dat de feitelijke grondslag van het besluit van 21 december 2007 identiek is aan die van het ingetrokken besluit van 24 oktober 2007. Verzoeker heeft in het kader van dat besluit voldoende gelegenheid gehad om zijn standpunt naar voren te brengen. Zo is het in verband met het voornemen tot de weigering van de exploitatievergunning op 20 augustus 2007 het dossier door de raadsman van verzoeker ingezien. Vervolgens heeft verzoeker op 7 september 2007 een schriftelijke zienswijze ingediend en op 24 september 2007 een mondelinge zienswijze gegeven. Bovendien heeft er op 13 februari 2008 een hoorzitting plaatsgevonden waar verzoeker zijn standpunten uiteen heeft kunnen zetten en had verzoeker ook later - tot het nemen van de beslissing op bezwaar – nog nadere gronden kunnen aanvoeren.

Materiële gronden

Ingevolge artikel 1.7, tweede lid, onder a, van de APV kan vergunning of ontheffing worden ingetrokken of gewijzigd indien ter verkrijging daarvan onjuiste of onvolledige gegevens zijn verstrekt.

Ingevolge artikel 3.2, achtste lid, onder b, van de APV kan de Burgemeester de exploitatievergunning tijdelijk of voor onbepaalde tijd geheel of gedeeltelijk intrekken of wijzigen als aannemelijk is dat de houder of leidinggevende betrokken is of hem ernstige nalatigheid kan worden verweten bij activiteiten als bedoeld in artikel 13b, eerste lid, van de Opiumwet, bij activiteiten als bedoeld in artikel 2.7, eerste lid, van deze verordening, of bij andere activiteiten in of vanuit het horecabedrijf die een gevaar voor de openbare orde opleveren en/of een bedreiging vormen voor het woon- en leefklimaat in de omgeving van het horecabedrijf, dan wel indien naar zijn oordeel de wijze van bedrijfsvoering of het levensgedrag, als bedoeld in het derde lid, een dergelijk gevaar of een dergelijke bedreiging vormen.

In de Richtlijnen is – voor zover hier van belang – met betrekking tot gedoogde coffeeshops bepaald dat tegen een handelshoeveelheid onder het maximum in beginsel niet wordt opgetreden en dat de voorraad in elk geval de 500 gram niet te boven zal gaan.

Uit het door [persoon 3], hoofdagent van de Politie Amsterdam-Amstelland op ambtsbelofte opgemaakte en ondertekende proces-verbaal van bevindingen van 29 augustus 2007, blijkt onder meer het volgende.

Naar aanleiding van informatie van de Criminele Inlichtingen Eenheid (CIE), dat een bewoner van het pand, de heer [persoon 2], op de [adres], in het bezit zou zijn van een vuurwapen, is een onderzoek ingesteld naar dit pand. Op 17 juni 2007 is op de tweede etage van het pand een hennepplantage aangetroffen. Uit de verklaringen van [persoon 2] (lees: verzoekers broer), [persoon 4] en [verzoeker] (lees: verzoeker) blijkt dat de op de tweede etage aangetroffen hennep en hasjiesj van/voor de inrichting op de begane grond zijn en dat de exploitant van de inrichting de tweede verdieping van het pand van zijn broer huurt. Totaal is er aan softdrugs aangetroffen: 12 plakjes geperste hasjiesj (totaal 338 gram), 1,36 kilo gedroogde hennep (het aangeboden monster bevatte 66,0 gram hennep) en 112 hennepplanten in bakken/potten (het aangeboden monster bevatte 63,6 gram hennep). Omdat er van de 1,36 kilo gedroogde hennep en de 112 hennepplanten een monster is genomen kan gesteld worden dat de totale hoeveelheid softdrugs meer dan respectievelijk 66,0 en 63,6 gram is. Aangezien de totale hoeveelheid softdrugs die is aangetroffen op de tweede etage zeker meer dan 467,6 gram (338,0 totale hoeveelheid + 66,0 monster + 63,6 monster) moet zijn, kan gesteld worden dat de inrichting op 17 juli 2007 meer dan de toegestane hoeveelheid van 500 gram heeft gehad.

Blijkens het politierapport van 23 juli 2007 heeft laboratoriumonderzoek van de politie uitgewezen dat de aangetroffen softdrugs hasjiesj en hennep betroffen.

Blijkens de processen-verbaal van 17 en 18 juli 2007 heeft verzoeker verklaard dat hij de eigenaar van de coffeeshop is en dat hij een vergunning heeft voor alles dat is aangetroffen. Verzoeker heeft voorts verklaard dat hij het hele pand huurt, behalve de eerste etage. De wietplantage die op de tweede etage is aangetroffen is van hem en de bedoeling daarvan is om daarmee de coffeeshop te bevoorraden. Verzoeker heeft verklaard dat hij op die manier de teelt uit het verdomhoekje wil halen.

Er bestaat geen aanleiding om te twijfelen aan de bovengenoemde processen-verbaal. Overigens is door verzoeker ook niet bestreden dat bij het onderzoek op de tweede etage van het pand een hennepplantage alsmede een grote hoeveelheid hasjiesj en hennep is aangetroffen.

Wel heeft verzoeker ter zitting de aangetroffen hoeveelheid softdrugs bestreden, nu er in eerste instantie sprake was van 467,6 gram. Uit het bovengenoemde proces-verbaal van bevindingen van 29 augustus 2007 blijkt echter dat er bij die berekening werd uitgegaan van monsters, zodat naar voorlopig oordeel van de rechter voldoende vaststaat dat het gaat om een hoeveelheid van in totaal 1698 gram (338 gram hasjiesj en 1360 gram gedroogde hennep). Vaststaat dat deze hoeveelheid meer is dan de in de Richtlijnen vastgestelde maximum handelsvoorraad voor een coffeeshop van 500 gram. Dat de softdrugs niet was verpakt in kleine eenheden doet daar niet aan af.

Verzoeker heeft betoogd dat de intrekking van de vergunning ten onrechte is gebaseerd op het proces-verbaal van 17 juli 2007 nu deze betrekking heeft op de tweede etage van het pand waarin de coffeeshop gevestigd is en de coffeeshop zelf niet is doorzocht. Naar voorlopig oordeel van de rechter kan dit standpunt niet slagen gelet op verzoekers verklaringen van 17 en 18 juli 2007 dat de wietplantage die op de tweede etage is aangetroffen van hem is en de bedoeling daarvan is om daarmee de coffeeshop te bevoorraden. Ook verzoekers standpunt dat hij niet verantwoordelijk is voor de aangetroffen hoeveelheid softdrugs kan om die reden niet slagen. Bovendien staat vast dat de softdrugs in de door verzoeker gehuurde ruimte is aangetroffen. Naar voorlopig oordeel van de rechter staat verzoekers betrokkenheid bij zowel de wietplantage als bij de aangetroffen hoeveelheid softdrugs dan ook voldoende vast.

Gelet op de aangetroffen hoeveelheid softdrugs, ruim boven de in de Richtlijnen vastgestelde maximum handelsvoorraad van 500 gram, is door verzoeker in strijd gehandeld met de Richtlijnen. Dit levert op zichzelf reeds een gevaar voor de openbare orde en/of het woon- en leefklimaat in de nabijheid van de coffeeshop op, aangezien handel in softdrugs sec, gelet op de strafbaarstelling daarvan in de Opiumwet, reeds een bedreiging van de openbare orde betekent. Dat, zoals verzoeker heeft gesteld, de exploitatie van zijn inrichting geen concrete overlast veroorzaakt, doet hieraan dan ook niet af.

Daarnaast is door verzoeker door het bedrijfsmatig telen van hennep in strijd gehandeld met het in artikel 3 van de Opiumwet opgenomen verbod. Daarmee staat verzoekers betrokkenheid bij “andere activiteiten” als bedoeld in artikel 3.2, achtste lid, onder b, van de APV vast. De redenen die verzoeker voor de aanwezigheid van de hennepplantage had – wat daar ook van zij - doen daar niet aan af.

Gelet op de aard en ernst van de bovengenoemde feiten, in onderlinge samenhang bezien, heeft verweerder naar het voorlopig oordeel van de rechter in redelijkheid tot het standpunt kunnen komen dat intrekking van de exploitatievergunning voor onbepaalde tijd op grond van artikel 3.2, achtste lid, onder b, van de APV gerechtvaardigd was.

Het standpunt van verweerder dat de broer van verzoeker feitelijk de eigenaar van de coffeeshop is en dat er sprake is van schijnbeheer – dat als subsidiaire grond voor intrekking van de exploitatievergunning dient - behoeft dan ook geen bespreking.

Gelet op voorgaande overwegingen zal het bestreden besluit naar verwachting in beroep stand houden. Er is dan ook geen aanleiding een voorlopige voorziening te treffen. Het verzoek daartoe wordt dan ook afgewezen.

Er bestaat geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling. Evenmin is grond aanwezig om te bepalen dat het griffierecht dient te worden vergoed.

3. BESLISSING

De voorzieningenrechter:

- wijst het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening af.

Deze uitspraak is gedaan op 16 juni 2008 door mr. T. van Muijden, voorzieningenrechter,

in tegenwoordigheid van mr. K.D. Jibodh, griffier,

en bekendgemaakt door verzending aan partijen op de hieronder vermelde datum.

De griffier, De voorzieningenrechter,

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.

Afschrift verzonden op:

Coll.

DOC: B