Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2008:BD7275

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
29-05-2008
Datum publicatie
15-07-2008
Zaaknummer
awb 06-3032 wwb
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Eiser heeft in 1999 en 2000 van de UNCC vergoedingen ontvangen in verband in 1990 bedrijfsmatig geleden materiële schade als gevolg van de Iraakse invasie in Koeweit. Verweerder heeft op grond hiervan de bijstand over de periode (eind) 2000 tot en met 2004 ingetrokken en teruggevorderd.

De rechtbank is van oordeel dat ten aanzien van de vraag in hoeverre de vergoedingen van invloed zijn op het recht op bijstand, aansluiting moet worden gezocht bij de vaste jurisprudentie inzake schadevergoeding na ongevallen. Dit brengt mee dat, nu eisers recht op schadevergoeding is ontstaan door de Iraakse inval, de aanspraken ter zake moeten worden toegerekend aan de periode die aanvangt op de datum van de inval (althans het moment waarop ten aanzien van eiser gesproken kan worden van de schadeveroorzakende gebeurtenis). Dat is slechts anders indien er voldoende, op objectieve gegevens berustende redenen zijn om aan te nemen dat die aanspraken aan een andere, latere periode dienen te worden toegerekend. Hiervan is de rechtbank in dit geval niet gebleken.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Amsterdam

Sector Bestuursrecht Algemeen

meervoudige kamer

UITSPRAAK

in het geding met reg.nr. AWB 06/3032 WWB

van:

[eiser], wonende te [woonplaats], eiser,

vertegenwoordigd door mr. R.J. Hamerslag,

tegen:

het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam, verweerder,

vertegenwoordigd door drs. H. van Golberdinge.

1. PROCESVERLOOP

De rechtbank heeft op 7 juni 2006 een beroepschrift ontvangen gericht tegen het besluit van verweerder van 23 mei 2006 (hierna: bestreden besluit).

Het onderzoek is gesloten ter zitting van 17 april 2008.

2. OVERWEGINGEN

Eiser ontvangt met onderbrekingen sedert 1986 bijstand, laatstelijk ingevolge de Wet werk en bijstand (hierna: WWB) naar de norm voor een alleenstaande.

Blijkens een brief van het Ministerie van Buitenlandse Zaken van 4 december 1997 heeft eiser in mei 1993 een aanvraag (“claim”) ingediend ter hoogte van fl. 174.300,-, die in juni 1993 door de United Nations Compensation Commission (hierna: UNCC) in ontvangst is genomen. Deze claim betreft de schade die is geleden in 1990 als gevolg van de Iraakse invasie in Koeweit.

Bij brieven van 3 augustus 1999, 21 juni 2000 en 28 september 2000 heeft genoemd Ministerie aan eiser meegedeeld dat de UNCC aan hem de navolgende betalingen zal doen: fl. 5.395,96, fl. 57.584,30 en fl. 42.305,72 (in totaal: fl. 105.285,98).

Bij primair besluit van 25 mei 2005 heeft verweerder de bijstand van eiser met ingang van 13 december 2000 tot en met 28 februari 2004 herzien (lees: ingetrokken) en de over die periode gemaakte kosten van bijstand tot een bedrag van € 39.001,35 bruto van eiser teruggevorderd.

Eiser heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt.

Bij het bestreden besluit is het bezwaar ongegrond verklaard en het primaire besluit gehandhaafd. Aan het besluit ligt ten grondslag dat eiser geen mededeling heeft gedaan van de door hem ontvangen schadevergoeding. Nu eiser niet heeft aangetoond op grond waarvan hij in aanmerking kwam voor deze schadevergoeding en geen gegevens heeft geleverd hoe deze schadevergoeding is samengesteld, kan het recht op bijstand niet worden vastgesteld.

De rechtbank overweegt als volgt.

Ingevolge artikel 58, eerste lid, van de WWB, kan het college van de gemeente die de bijstand heeft verleend kosten van bijstand terugvorderen, voor zover de bijstand:

a. ten onrechte of tot een te hoog bedrag is verleend; (…),

f. anderszins onverschuldigd is betaald, waaronder begrepen dat de belanghebbende naderhand met betrekking tot de periode waarover bijstand is verleend, over in aanmerking te nemen middelen als bedoeld in paragraaf 3.4 beschikt of kan beschikken; (…).

Verweerder heeft eiser tegengeworpen dat hij de inlichtingenplicht (artikel 17, eerste lid, van de WWB) heeft geschonden, omdat hij niet heeft gemeld een bedrag van de UNCC te hebben ontvangen. Op grond hiervan is het recht op bijstand over de periode van 13 december 2000 tot en met 28 februari 2004 ingetrokken op grond van het bepaalde in artikel 54, derde lid, onder a, van de WWB. Verweerder heeft de over die periode ten onrechte verleende bijstand, zo begrijpt de rechtbank, op grond van artikel 58, eerste lid, onder a, van de WWB teruggevorderd.

Geconstateerd moet worden dat eiser van de UNCC een vergoeding heeft ontvangen in verband met in 1990 geleden schade als gevolg van de Iraakse inval in Koeweit. Uit de door eiser ingediende claim leidt de rechtbank af dat het vergoeding betreft van bedrijfsmatig geleden materiële schade (Individual Business Losses).

Ten aanzien van de vraag in hoeverre dit bedrag van invloed is op eisers recht op bijstand, moet aansluiting worden gezocht bij de vaste jurisprudentie inzake schadevergoeding na ongevallen (zie onder andere de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 31 maart 2005; LJN: AT3546). Dit brengt mee dat, nu eisers recht op schadevergoeding is ontstaan door de Iraakse inval, de aanspraken ter zake moeten worden toegerekend aan de periode die aanvangt op de datum van de inval (althans het moment waarop ten aanzien van eiser gesproken kan worden van de schadeveroorzakende gebeurtenis). Dat is slechts anders indien er voldoende, op objectieve gegevens berustende redenen zijn om aan te nemen dat die aanspraken aan een andere, latere periode dienen te worden toegerekend. Hiervan is de rechtbank in dit geval niet gebleken.

Het standpunt van verweerder dat bovenbedoelde jurisprudentie in het onderhavige geval niet kan worden toegepast vanwege onduidelijkheden, onder meer met betrekking tot de periode waarop de schadevergoeding ziet, wordt door de rechtbank niet onderschreven. Reden hiertoe is dat het op de weg van verweerder lag om, indien daartoe nog aanleiding was, nadere vragen aan eiser te stellen.

Het voorgaande betekent dat verweerders besluit om de bijstand over de periode van 13 december 2000 tot en met 28 februari 2004 in te trekken en de over die periode uitbetaalde bijstand van eiser terug te vorderen in rechte geen stand kan houden. Daar komt bij dat in een geval als het onderhavige de wettelijke grondslag voor terugvordering niet is gelegen in artikel 58, eerste lid, aanhef en onder a, maar in het bepaalde in datzelfde artikellid onder f, waarbij geen voorafgaand intrekkingsbesluit is vereist.

Gelet op het voorgaande komt het bestreden besluit wegens schending van artikel 7:12 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) voor vernietiging in aanmerking. Het beroep zal gegrond worden verklaard.

De rechtbank ziet geen aanleiding te bepalen dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand blijven of dat haar uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit. Verweerder zal worden opgedragen een nieuw besluit op het bezwaar van eiser te nemen met inachtneming van deze uitspraak

Op grond van het bepaalde in artikel 8:74, eerste lid, van de Awb zal de gemeente Amsterdam het door eiser betaalde griffiegeld ad € 38,- dienen te vergoeden.

De rechtbank ziet tevens aanleiding toepassing te geven aan het bepaalde in artikel 8:75 van de Awb door verweerder te veroordelen in de kosten die eiser in verband met de behandeling van het beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. Deze kosten zijn op de voet van het bepaalde in het Besluit proceskosten bestuursrecht begroot op € 644,- (2 punten x € 322,- x factor 1).

Beslist wordt als volgt.

3. BESLISSING

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit;

- bepaalt dat verweerder een nieuw besluit neemt op het bezwaar van eiser met inachtneming van deze uitspraak;

- bepaalt dat de gemeente Amsterdam aan eiser het griffierecht ad € 38,- vergoedt;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 644,-, te betalen door de gemeente Amsterdam aan de griffier van de rechtbank.

Deze uitspraak is gedaan op 29 mei 2008 door mr. T. van Muijden, voorzitter, en

mrs. L.H. Waller en G.M. Beunk, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. R.A.M. van der Heijden, griffier,

en bekendgemaakt door verzending aan partijen op de hieronder vermelde datum.

De griffier, de voorzitter,

Tegen deze uitspraak kunnen een belanghebbende en het bestuursorgaan gedurende zes weken na toezending van deze uitspraak hoger beroep instellen bij de Centrale Raad van Beroep te Utrecht.

Afschrift verzonden op:

Doc:b.