Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2008:BD7222

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
25-04-2008
Datum publicatie
15-07-2008
Zaaknummer
AWB 05-512 AOW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Artikel 25 van het Administratief Akkoord is niet van toepassing op beslissingen op bezwaar. Rechtstreekse toezending van de beslissing op bezwaar aan betrokkene in Marokko is juiste wijze van bekendmaking.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

Rechtbank Amsterdam

Sector Bestuursrecht Algemeen

meervoudige kamer

UITSPRAAK

in het geding met reg.nr. AWB 05/512 AOW

tussen:

[eiser], wonende te [woonplaats],

eiser,

en:

de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank, gevestigd te Amstelveen,

verweerder,

vertegenwoordigd door mr. P.C.J. van de Nes.

1. PROCESVERLOOP

De rechtbank heeft op 27 januari 2005 een beroepschrift ontvangen gericht tegen het besluit van verweerder van 15 november 2004 (hierna aangeduid als: het bestreden besluit).

Het onderzoek is gesloten ter zitting van 11 maart 2008.

2. OVERWEGINGEN

Bij besluit op bezwaar van 15 november 2004 heeft verweerder het bezwaarschrift van eiser – gericht tegen de beschikking van verweerder van 27 november 2003 – kennelijk ongegrond verklaard. Verweerder heeft daartoe overwogen dat niet gebleken is dat eiser verzekerde tijdvakken heeft opgebouwd op grond van de AOW. Tegen dit besluit heeft eiser een beroepschrift ingediend. De rechtbank heeft dit beroepschrift op 27 januari 2005 ontvangen.

De rechtbank heeft het beroep van eiser bij uitspraak van 23 mei 2006 kennelijk niet-ontvankelijk verklaard. De rechtbank heeft daartoe als volgt overwogen. De termijn voor het indienen van een beroepschrift eindigde op 27 december 2004. Nu eisers beroepschrift op

17 januari 2005 is verzonden en op 27 januari 2005 ter griffie van de rechtbank is ontvangen, is het beroepschrift niet tijdig ingediend. De rechtbank is niet gebleken van omstandigheden op grond waarvan niet-ontvankelijkverklaring achterwege dient te blijven, zodat geen sprake is van een verschoonbare termijnoverschrijding.

Tegen deze uitspraak heeft eiser een verzetschrift ingediend.

Bij uitspraak van 2 juli 2007 heeft de rechtbank het verzet gegrond verklaard. De rechtbank heeft hiertoe overwogen dat aanleiding wordt gezien om een nader onderzoek te verrichten naar de ontvankelijkheid van het beroep.

De uitspraak van de rechtbank van 23 mei 2006 is ingevolge het bepaalde in artikel 8:55, zevende lid van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) vervallen en de rechtbank heeft het onderzoek voortgezet in de stand waarin het zich bevond.

De rechtbank overweegt als volgt.

De rechtbank dient vooreerst de vraag te beantwoorden of het beroepschrift van eiser binnen de daartoe gestelde termijn is ingediend.

In verband met het antwoord op deze vraag heeft de rechtbank verweerder bij brief van 6 juli 2007 een aantal vragen gesteld met betrekking tot de wijze van bekendmaking van het bestreden besluit. Verweerder heeft bij brief van 19 september 2007 deze vragen van een antwoord voorzien.

In verband met de ontvankelijkheid van het beroep, zal de rechtbank zich allereerst buigen over het antwoord op de vraag of artikel 25 van het Administratief Akkoord van toepassing is bij de bekendmaking van een beslissing op bezwaar, zoals in onderhavig geval.

Artikel 25 van het Administratief Akkoord met betrekking tot de wijze van toepassing van het op 14 februari 1972 te Rabat ondertekende Algemeen Verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en het Koninkrijk Marokko inzake sociale zekerheid (hierna: het Administratief Akkoord) luidt als volgt.

Hoofdstuk 4. Ouderdom en overlijden

De Sociale Verzekeringsbank neemt een beslissing op de aanvraag. Deze beslissing, waarin de rechtsmiddelen en beroepstermijnen vermeld worden, wordt aan het Marokkaanse verbindingsorgaan toegezonden. Dit orgaan stelt de aanvrager ervan in kennis in zijn moedertaal door middel van een samenvatting waarbij de beslissing wordt gevoegd. De beroepstermijnen vangen eerst aan op de datum waarop de aanvrager de samenvatting ontvangt.

De rechtbank overweegt ten aanzien van de toepasselijkheid van artikel 25 van het Administratief Akkoord als volgt.

Voornoemde bepaling is tot stand gekomen voordat de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in werking is getreden. Vóór de inwerkingtreding van de Awb werd door verweerder – zoals ter zitting is verklaard – de “voor beroep vatbare beslissing” (vbvb) via het Marokkaanse verbindingsorgaan verzonden. Hiertegen stond beroep open. In zijn brief van 19 september 2007 aan de rechtbank heeft verweerder geantwoord dat de beslissing op bezwaar rechtstreeks aan betrokkene wordt toegezonden.

Ter zitting heeft verweerder verder verklaard dat bij de totstandkoming van het nieuwe Marokkaanse Verdrag in 1996 tussen de Verdragspartijen niet is gesproken over een aanpassing van artikel 25 van het Administratief Akkoord in het licht van de Awb. Verweerder heeft ter onderbouwing hiervan verwezen naar de brief van het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 10 september 2007, welke verweerder bij brief van 19 september 2007 heeft overgelegd. Uit deze brief blijkt dat de Directeur Sociale Verzekeringen van voornoemd ministerie van mening is dat verweerder artikel 25 van het Administratief Akkoord op een juiste wijze toepast.

Naar het oordeel van de rechtbank dwingt de tekst van artikel 25 van het Administratief Akkoord – gelet op voorgaande – niet tot een dubbele bekendmaking in die zin dat verweerder naast het primaire besluit, ook het besluit op bezwaar via het Marokkaanse verbindingsorgaan aan betrokkene zou moeten verzenden.

De rechtbank constateert vervolgens dat de Verdragspartijen kennelijk ondanks de inwerkingtreding van de Awb, geen aanleiding hebben gezien de terminologie als gebruikt in artikel 25 van het Administratief Akkoord aan de met de Awb ingevoerde bezwaarprocedure aan te passen. In dat licht kan uit de term “beroepstermijn” niet worden afgeleid dat verweerder het besluit op bezwaar (in plaats van het besluit in primo) via het Marokkaanse verbindingsorgaan dient te verzenden.

Gelet op bovenstaande komt de rechtbank tot de conclusie dat verweerder het bestreden besluit – door dit rechtstreeks aan eiser toe te zenden – op de juiste wijze bekendgemaakt heeft. Nu artikel 25 van het Administratief Akkoord niet van toepassing is op besluiten op bezwaar, dient de bekendmaking immers te geschieden volgens het bepaalde in artikel 3:41 van de Awb. Volgens deze bepaling geschiedt bekendmaking van besluiten door toezending of uitreiking.

Ingevolge artikel 6:7 van de Awb bedraagt de termijn voor het instellen van beroep zes weken. Deze termijn vangt aan met ingang van de dag na die waarop het besluit (op de juiste wijze) is bekendgemaakt, te weten op 16 november 2004. De termijn voor het instellen van beroep eindigde in onderhavig geval op 27 december 2004.

Het beroepschrift is – zoals blijkt uit de poststempel op de envelop, waarin het zich bevond – op 17 januari 2005 verzonden. Het beroepschrift is op 27 januari 2005 ter griffie van de rechtbank ingekomen. Nu het beroepschrift na 27 december 2004 ter post is bezorgd, is het beroepschrift niet tijdig ingediend.

Op grond van het bepaalde in artikel 6:11 van de Awb blijft ten aanzien van een na afloop van de termijn ingediend beroepschrift niet-ontvankelijkverklaring op grond daarvan achterwege indien redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de indiener van het beroepschrift in verzuim is geweest.

De rechtbank is niet van omstandigheden gebleken op grond waarvan niet-ontvankelijkverklaring achterwege zou moeten blijven. De griffier heeft eiser bij brieven van 28 december 2005 en 30 januari 2006 verzocht om aan te geven wat de redenen van de te late indiening van het beroepschrift zijn geweest. Bij de brief van 28 december 2005 heeft de griffier een Franse vertaling meegezonden. Eiser heeft niet gereageerd op deze brieven.

Gelet op het vorengaande zal de rechtbank het beroepschrift niet-ontvankelijk verklaren. De rechtbank ziet geen aanleiding om gebruik te maken van de bevoegdheid tot veroordeling in de proceskosten. Evenmin is een grond aanwezig om te bepalen dat het griffierecht moet worden vergoed.

3. BESLISSING

De rechtbank:

- verklaart het beroep niet-ontvankelijk.

Deze uitspraak is gedaan op 25 april 2008 door mr. H.J. Tijselink, voorzitter en mrs.

J.F.A.M. Graafland en C.G. Meeder, in tegenwoordigheid van mr. R. Grimbergen, griffier, en bekendgemaakt door verzending aan partijen op de hieronder vermelde datum.

De griffier, De voorzitter,

Tegen deze uitspraak kunnen een belanghebbende en het bestuursorgaan gedurende zes weken na toezending van deze uitspraak hoger beroep instellen bij de Centrale Raad van Beroep te Utrecht.

Afschrift verzonden op:

DOC: B