Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2008:BD7213

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
19-06-2008
Datum publicatie
15-07-2008
Zaaknummer
AWB 08-1997 WWB
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bevoegdheidsgrondslag intrekking. In dit geval heeft verweerder naar het oordeel van de voorzieningenrechter ten onrechte besloten de bijstand met toepassing van artikel 54, vierde lid, van de WWB in te trekken nu het recht op bijstand gedurende meer dan acht weken is opgeschort. Indien verweerder in de beslissing op bezwaar alsnog artikel 54, derde lid, aanhef en onder a, van de WWB aan de intrekking ten grondslag legt, dan zal verweerder de na de hersteltermijn verstrekte gegevens bij zijn besluitvorming moeten betrekken.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Amsterdam

Sector Bestuursrecht

voorlopige voorzieningen

UITSPRAAK

in het geding met reg.nr. AWB 08/1997 WWB

tussen:

[verzoeker], wonend te [woonplaats],

verzoeker,

vertegenwoordigd door mr. W. Hoebba,

en:

het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam,

verweerder,

vertegenwoordigd door K.C. Mormon.

1. PROCESVERLOOP

De rechtbank heeft op 23 mei 2008 een verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening ontvangen. Dit verzoek hangt samen met het bezwaarschrift van verzoeker van 23 mei 2008, gericht tegen het besluit van verweerder van 14 april 2008.

Het onderzoek is gesloten ter zitting van 19 juni 2008.

2. OVERWEGINGEN

Ingevolge artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd wordt in de hoofdzaak, op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

Verzoeker ontving een bijstandsuitkering op grond van de Wet werk en bijstand (WWB).

Bij besluit van 31 maart 2008 heeft verweerder, op de grondslag van artikel 54, eerste lid, van de WWB, de uitkering van verzoeker met ingang van 1 februari 2008 opgeschort, omdat verzoeker de inkomstenverklaring over februari 2008 niet had ingezonden.

In het besluit heeft verweerder verzoeker opgeroepen voor 9 april 2008, om dan alsnog zijn inkomstenverklaring af te geven.

Verzoeker is niet gekomen op de oproep voor 9 april 2008.

Verweerder heeft vervolgens bij besluit van 14 april 2008, op de grondslag van artikel 54, vierde lid, van de WWB, de bijstand van verzoeker met ingang van 1 februari 2008 ingetrokken.

Verzoeker heeft tegen dit laatste besluit tijdig bezwaar gemaakt.

Tevens vraagt verzoeker, gezien zijn financiële noodsituatie, om een voorlopige voorziening te treffen die inhoudt, naar de voorzieningenrechter begrijpt, dat aan verzoeker voorschotten worden verstrekt in afwachting van de op het bezwaar te nemen beslissing.

De voorzieningenrechter overweegt het volgende.

De voorzieningenrechter stelt vast dat verzoeker niet is verschenen, en zich ook niet heeft afgemeld, voor de oproep op 9 april 2008, die was opgenomen in het opschortingsbesluit van 31 maart 2008.

Dat betekent dat verweerder in beginsel bevoegd was om de bijstandsuitkering met ingang van de ingangsdatum van de opschorting, op grond van artikel 54, vierde lid, van de WWB, in te trekken.

De voorzieningenrechter stelt verder vast dat vanaf de ingangsdatum van de opschorting,

1 februari 2008, tot het moment waarop verweerder het besluit van 14 april 2008 heeft genomen, waarbij verweerder de bijstand heeft ingetrokken, meer dan acht weken zijn verstreken.

In artikel 54, eerste lid, van de WWB is bepaald dat verweerder het recht op bijstand voor de duur van ten hoogste acht weken kan opschorten.

Nu verweerder deze termijn van acht weken heeft overschreden, heeft de voorzieningen¬rechter ernstige twijfels of verweerder van zijn bevoegdheid om, op grond van artikel 54, vierde lid, van de WWB de bijstand in te trekken, een juist gebruik heeft gemaakt.

Indien verweerder, zoals deze ter zitting heeft gesteld, alsnog artikel 54, derde lid, aanhef en onder a, van de WWB aan de intrekking van de bijstand ten grondslag zou leggen, dan wordt van belang dat verzoeker, weliswaar na de hersteltermijn, alsnog zijn inkomstenformulier heeft ingeleverd. Verweerder zal dan, anders dan bij een intrekking op grond van artikel 54, vierde lid, van de WWB, deze omstandigheid alsnog bij zijn besluitvorming moeten betrekken.

Op grond van de alsnog overgelegde inkomstenverklaring ziet de voorzieningenrechter vooralsnog niet dat verweerder een beslissing tot intrekking zal kunnen baseren op de overweging dat het recht op bijstand niet meer kan worden vastgesteld. Ook van een andere intrekkingsgrond is vooralsnog niet gebleken.

Op grond van het voorgaande is de voorzieningenrechter van oordeel dat het belang van verzoeker, mede gezien zijn - door verweerder niet betwiste - financiële noodsituatie, aanleiding geeft om de gevraagde voorziening toe te wijzen.

De omstandigheid dat verzoeker naderhand nog een nieuwe aanvraag heeft gedaan, welke tot nieuwe verwikkelingen heeft geleid, laat de voorzieningenrechter buiten beschouwing, omdat zonder de thans in het geding zijnde intrekking geen nieuwe aanvraag noodzakelijk zou zijn geweest.

De voorzieningenrechter zal verweerder op na te melden wijze veroordelen in de kosten.

3. BESLISSING

De voorzieningenrechter:

- wijst het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening toe;

- bepaalt dat verweerder aan verzoeker voorschotten verstrekt naar de voor hem toepasselijke norm, met ingang van 23 mei 2008, tot zes weken nadat verweerder op het bezwaar tegen het besluit van 14 april 2008 heeft beslist;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van verzoeker, begroot op € 644,- (zegge: zeshonderdvierenveertig euro), te betalen door de gemeente Amsterdam aan de griffier van deze rechtbank;

- bepaalt dat de gemeente Amsterdam het door verzoeker betaalde griffierecht tot een bedrag van € 39,- (zegge: negenendertig euro) vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan op 19 juni 2008, door mr. J.P. Smit, voorzieningenrechter,

in tegenwoordigheid van mr. S. Horio, griffier,

en bekendgemaakt door verzending aan partijen op de hieronder vermelde datum.

De griffier, De voorzieningenrechter,

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.

Afschrift verzonden op:

Doc: B