Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2008:BD6649

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
11-06-2008
Datum publicatie
09-07-2008
Zaaknummer
AWB 07-1771 WWB
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

WWB. Bijzondere bijstand voor kosten opvragen medische informatie in het kader van een procedure. Kosten zien niet op medische zorg; ziektekostenverzekering geen voorliggende voorziening. Artikel 44 van de WWB ziet niet op deze situatie. Beroep gegrond; bestreden besluit vernietigd; rechtsgevolgen in stand gelaten. Geen bijzondere bijstand wordt verstrekt ter aflossing van een schuldenlast.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Amsterdam

Sector Bestuursrecht

enkelvoudige kamer

UITSPRAAK

in het geding met reg.nr. AWB 07/1771 WWB

tussen:

[eiseres], wonende te [woonplaats],

eiseres,

vertegenwoordigd door mr. H. Beekelaar,

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Amsterdam,

verweerder,

vertegenwoordigd door mr. D.A. Ahmed.

1. PROCESVERLOOP

De rechtbank heeft op 23 april 2007 een beroepschrift ontvangen gericht tegen het besluit van verweerder van 13 maart 2007, verzonden op 14 maart 2007 (hierna: het bestreden besluit).

Het onderzoek is gesloten ter zitting van 24 april 2008.

2. OVERWEGINGEN

Bij primair besluit van 11 mei 2006 heeft het Uitvoeringsinstituut Werknemersverzekeringen (hierna: UWV) een aanvraag van eiseres om een uitkering krachtens de Wet Werk en Inkomen naar Arbeidsvermogen (hierna: WIA) afgewezen. Tegen dit besluit heeft eiseres bezwaar gemaakt. Bij beslissing op bezwaar van 18 januari 2007 heeft het UWV het bezwaar ongegrond verklaard en het primaire besluit gehandhaafd. Tegen dit besluit heeft eiseres beroep ingesteld.

Op 3 november 2006 heeft eiseres een aanvraag ingediend om bijzondere bijstand ten behoeve van de kosten voor het opvragen van medische informatie. Eiseres heeft deze informatie in het kader van voornoemde bezwaarprocedure tegen het UWV opgevraagd.

Bij primair besluit van 22 december 2006 heeft verweerder de aanvraag van eiseres om bijzondere bijstand afgewezen. Tegen dit besluit heeft eiseres bezwaar gemaakt.

Bij het bestreden besluit heeft verweerder het bezwaar ongegrond verklaard en het primaire besluit gehandhaafd. Verweerder overweegt dat de aanvraag om bijzondere bijstand van eiseres is afgewezen, omdat sprake is van een voorliggende voorziening in de vorm van vergoeding door de ziektekostenverzekeraar van eiseres, Agis Zorgverzekeringen (hierna: Agis). Verweerder heeft voorts overwogen dat, nu gebleken is dat de kosten in de voorliggende voorziening niet vergoed worden, deze kosten blijkbaar als niet noodzakelijk kunnen worden aangemerkt en dus niet voor bijzondere bijstand in aanmerking komen. Ten slotte overweegt verweerder dat de aanvraag om bijzondere bijstand, in tegenstelling tot het bepaalde in artikel 44, eerste lid, van de WWB, is gedaan nadat het recht van eiseres op bijstand is ontstaan. De noodzaak van de kosten kan achteraf niet meer worden vastgesteld, aldus verweerder. Ten slotte overweegt verweerder dat eiseres in het kader van de beroepsprocedure bij het UWV een beroep kan doen op het bepaalde in artikel 1 Besluit Proceskosten Bestuursrecht (hierna: BPB) en zodoende de door haar gemaakt kosten als proceskosten kan opvoeren.

In beroep heeft eiseres het volgende aangevoerd. De stelling van verweerder dat er een voorliggende voorziening is, is onjuist. Nu uit de van Agis verkregen informatie blijkt dat kosten voor het opvragen van medische informatie in geen enkele situatie voor vergoeding in aanmerking komen, kan Agis niet worden aangemerkt als een toereikende en passende voorliggende voorziening, aldus eiseres. Voorts merkt eiseres op dat de stelling van verweerder dat zij de kosten reeds voorafgaand aan de aanvraag heeft gemaakt, onjuist is. De kosten voor het opvragen van de medische informatie waren immers door haar gemachtigde en niet door eiseres zelf aan de desbetreffende instanties voldaan. Nu bij het opvragen van de medische informatie niet bekend is of de kosten in rekening worden gebracht en zo ja, hoe hoog deze kosten zullen zijn, is het bovendien niet mogelijk om voorafgaand bijzondere bijstand aan te vragen. Hierbij merkt eiseres op dat verweerder niet consequent met haar eigen beleid omgaat. In de situatie waarin voor een gevoerde procedure een eigen bijdrage voor een klant wordt vastgesteld, wordt voor deze bijdrage ook na vaststelling pas om bijzondere bijstand verzocht. Ten slotte acht eiseres de verwijzing door verweerder naar het gestelde in artikel 1 van het BPB niet legitiem.

Verweerder brengt in het verweerschrift naar voren dat de kosten waarvoor bijzondere bijstand is aangevraagd ruimschoots voor de datum van de aanvraag waren voldaan. Nu er in feite sprake was van een aanvraag in de kosten van een schuld, vormt artikel 13, eerste lid, aanhef en onder f, van de WWB een belemmering voor bijstandsverlening. Verweerder verwijst in dit kader naar een uitspraak van de Centrale Raad van Beroep (hierna: CRvB) van 24 april 2007 (LJN: BA5332). Verweerder merkt voorts op dat het feit dat de exacte hoogte van de in rekening te brengen kosten op het moment van het opvragen van de medische informatie niet bekend was, geen belemmering vormt voor het doen van een aanvraag.

Naar aanleiding van het verweerschrift brengt eiseres nog naar voren dat zij van mening is dat geen sprake is van een schuld in de zin van artikel 13, eerste lid, aanhef en onder f, van de WWB. In ieder geval heeft verweerder onvoldoende onderzocht of aan eiseres in dat geval op grond van artikel 28, tweede lid, onder d, van de WWB bijstand kon worden verleend.

De rechtbank overweegt als volgt.

Ingevolge artikel 35, eerste lid, van de WWB heeft de alleenstaande of het gezin recht op bijzondere bijstand voor zover de alleenstaande of het gezin niet beschikt over de middelen om te voorzien in de uit bijzondere omstandigheden voortvloeiende noodzakelijke kosten van het bestaan en deze kosten naar het oordeel van het college niet kunnen worden voldaan uit de bijstandsnorm, de langdurigheidstoeslag, het vermogen en het inkomen voor zover dit meer bedraagt dan de bijstandsnorm, waarbij artikel 31, tweede lid, en artikel 34, tweede lid, niet van toepassing zijn. Het college bepaalt het begin en de duur van de periode waarover het vermogen en het inkomen in aanmerking wordt genomen.

Ingevolge artikel 15, eerste lid, van de WWB bestaat geen recht op bijstand voor zover een beroep kan worden gedaan op een voorliggende voorziening die, gezien haar aard en doel, wordt geacht voor de belanghebbende toereikend en passend te zijn. Het recht op bijstand strekt zich evenmin uit tot kosten die in de voorliggende voorziening als niet noodzakelijk worden aangemerkt.

De rechtbank stelt vast dat het Andreas Ziekenhuis te Amsterdam op verzoek van de gemachtigde van eiseres schriftelijke inlichtingen heeft verschaft over de medische situatie van eiseres. De gemachtigde van eiseres heeft deze informatie ingebracht in de bezwaarprocedure tegen de afwijzing van een WIA-uitkering. Het ziekenhuis heeft de gemachtigde een rekening gestuurd en de gemachtigde heeft deze kosten betaald en doorbelast aan eiseres. De aanvraag om bijzondere bijstand ziet op vergoeding van deze kosten.

De rechtbank overweegt dat een ziektekostenverzekering ziet op de dekking van kosten voor medische zorg. De kosten waar het in dit geval om gaat zijn geen kosten die nodig zijn voor medische zorg, maar zijn naar hun aard kosten voor rechtsbijstand. Het betreft immers kosten die gemaakt zijn ter onderbouwing van de stellingen in een bezwaarprocedure met betrekking tot afwijzing van een WIA-uitkering. Gelet hierop is de rechtbank van oordeel dat een ziektekostenverzekering niet kan worden aangemerkt als voorliggende voorziening in de zin van artikel 15, eerste lid, van de WWB. Verweerder heeft dit argument ten onrechte aan het bestreden besluit ten grondslag gelegd.

Ingevolge artikel 44, eerste lid, van de WWB wordt, indien door het college is vastgesteld dat recht op bijstand bestaat, de bijstand toegekend vanaf de dag waarop dit recht is ontstaan, voor zover deze dag niet ligt voor de dag waarop de belanghebbende zich heeft gemeld om bijstand aan te vragen.

Eiseres betoogt voorts dat in het onderhavige geval artikel 44, eerste lid, van de WWB niet aan bijstandsverlening in de weg staat. De rechtbank overweegt dienaangaande dat voornoemd artikel ziet op het moment van toekennen indien het college reeds heeft vastgesteld dat het recht op bijstand bestaat. Nu verweerder nooit heeft vastgesteld dat het recht op bijstand bestaat, ziet voornoemd artikel naar het oordeel van de rechtbank niet op een situatie als de onderhavige. Daarbij komt dat verweerder – in tegenstelling tot wat hij aanvoert – naar het oordeel van de rechtbank niet in de mogelijkheid is van te voren de noodzaak van de kosten vast te stellen, nu in dit geval onduidelijk was of er kosten in rekening zouden worden gebracht door de betreffende instanties en zo ja, hoe hoog deze kosten zouden zijn.

Ten aanzien van de stelling van verweerder dat eiseres haar kosten middels een beroep op het bepaalde in artikel 1 van het BPB vergoed kan krijgen, overweegt de rechtbank dat de kosten overeenkomstig artikel 7:15, tweede lid, van de Awb uitsluitend worden vergoed voor zover het bestreden besluit wordt herroepen. Nu het UWV het bezwaar van eiseres tegen het afwijzen van de aanvraag om WIA-uitkering ongegrond heeft verklaard, heeft eiseres geen mogelijkheid de kosten middels een beroep op artikel 1 van het BLB vergoed te krijgen.

Uit het voorgaande volgt naar het oordeel van de rechtbank dat verweerder ten tijde van het bestreden besluit de aanvraag van eiseres om bijzondere bijstand op onjuiste gronden heeft afgewezen. Het bestreden besluit kan daarom geen stand houden en zal worden vernietigd wegens strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Awb.

De rechtbank ziet evenwel aanleiding om de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit op grond van artikel 8:72, derde lid, van de Awb in stand te laten nu verweerder dit motiveringsgebrek in beroep heeft hersteld. Daartoe overweegt de rechtbank als volgt.

Ingevolge artikel 13, eerste lid, aanhef en onder f, van de WWB heeft degene die bijstand vraagt ter gedeeltelijke of volledige aflossing van een schuldenlast en die overigens bij het ontstaan van de schuldenlast, dan wel nadien, beschikte of beschikt over de middelen om in de noodzakelijke kosten van het bestaan te voorzien, geen recht op bijstand. In artikel 49, aanhef en onder b, van de WWB is de mogelijkheid opgenomen om in afwijking van artikel 13, eerste lid, aanhef en onder f, van de WWB bijzondere bijstand te verlenen indien daartoe zeer dringende redenen bestaan en de in onderdeel a van dat artikel genoemde mogelijkheid geen uitkomst biedt.

In het verweerschrift voert verweerder aan dat er sprake is een verzoek om bijstand voor schulden, in welk geval artikel 13, eerste lid, aanhef en onder f, van de WWB aan bijstandverlening in de weg staat.

De rechtbank overweegt dat volgens vaste jurisprudentie van een schuld sprake is indien de kosten voor de dag van de aanvraag bij de belanghebbende in rekening zijn gebracht maar nog niet zijn voldaan. Zijn de kosten voor de dag van de aanvraag bij de belanghebbende in rekening gebracht en feitelijk al door een ander betaald, dan is sprake van een schuld jegens die ander, indien een verplichting tot terugbetaling jegens die ander voldoende is aangetoond.

De rechtbank stelt vast dat in de onderhavige situatie de kosten voor het opvragen van medische informatie vóór de dag van de aanvraag, te weten op respectievelijk 18 augustus, 4 september en 16 oktober 2006, bij eiseres in rekening zijn gebracht en door gemachtigde betaald. Hieruit volgt naar het oordeel van de rechtbank dat eiseres een schuld heeft jegens gemachtigde, ten aanzien waarvan een verplichting tot terugbetaling voldoende vaststaat. De rechtbank is niet gebleken dat er sprake is van een zeer dringende reden in de zin van artikel 49, aanhef en onder b, van de WWB.

Voorts overweegt de rechtbank dat op basis van de uitspraak van de CRvB van 11 december 2007 (LJN: BC0900) kan worden betwijfeld of in het onderhavige geval sprake is van “noodzakelijke kosten van het bestaan” in de zin van artikel 35, eerste lid, van de WWB. Nu de kosten van het opvragen van medische informatie niet in de opsomming van artikel 4, eerste lid, van het Besluit vergoedingen rechtsbijstand 2000 voorkomen, zou gesteld kunnen worden dat deze kosten niet voor rekening van eiseres kunnen komen en niet aan haar kunnen worden toegerekend. Hieruit volgt dat de kosten voor rekening van gemachtigde zouden moeten blijven en als niet noodzakelijk kunnen worden aangemerkt.

Nu het beroep gegrond wordt verklaard, dient verweerder het door eiseres betaalde griffierecht van

€ 39,- aan haar te vergoeden. De rechtbank ziet voorts aanleiding toepassing te geven aan het bepaalde in artikel 8:75 van de Awb en verweerder in de proceskosten van eiseres te veroordelen, welke kosten onder toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht forfaitair worden begroot op een bedrag van € 644,- (1 punt voor het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting x factor 1 x

€ 322,-). Omdat eiseres op basis van een toevoeging heeft geprocedeerd dienen de proceskosten betaald te worden aan de griffie van deze rechtbank.

Beslist wordt als volgt.

3. BESLISSING

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit;

- bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit geheel in stand blijven;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten ten bedrage van € 644,- (zeshonderd en vierenveertig euro) te betalen door de gemeente Amsterdam aan de griffier van deze rechtbank;

- bepaalt dat verweerder het door eiseres gestorte griffierecht ten bedrage van € 39,- (zevenendertig euro) aan eiseres vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan op 11 juni 2008 door mr. M. Vaandrager, rechter,

in tegenwoordigheid van mr. C.J. Baijens, griffier,

en bekend gemaakt door verzending aan partijen op de hieronder vermelde datum.

De griffier, De rechter,

Tegen deze uitspraak kunnen een belanghebbende en het bestuursorgaan gedurende zes weken na toezending van deze uitspraak hoger beroep instellen bij de Centrale Raad van Beroep te Utrecht.

Afschrift verzonden op:

DOC: B