Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2008:BD6639

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
26-06-2008
Datum publicatie
09-07-2008
Zaaknummer
awb 06-5152 en 07-1240 wwb
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Intrekking en grote terugvordering bijstand.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Amsterdam

Sector Bestuursrecht Algemeen

meervoudige kamer

UITSPRAAK

in het geding met reg.nrs. AWB 06/5152 en 07/1240 WWB

tussen:

[eiser], wonend te [woonplaats], eiser,

vertegenwoordigd door mr. B.G.M.C. Peters,

en:

het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam, verweerder,

vertegenwoordigd door mr. C.L. Brinks.

1. PROCESVERLOOP

De rechtbank heeft op 23 oktober 2006 een beroepschrift ontvangen gericht tegen het besluit van verweerder van 12 september 2006. Deze zaak is geregistreerd onder nummer AWB 06/5152 WWB.

Op 12 maart 2007 heeft de rechtbank een beroepschrift ontvangen gericht tegen het besluit van verweerder van 6 februari 2007. Deze zaak is geregistreerd onder nummer AWB 07/1240 WWB.

Nadat beide zaken ter zitting van 17 april 2008 gevoegd zijn behandeld, is het onderzoek in beide zaken ter zitting gesloten.

2. OVERWEGINGEN

Inzake AWB 07/1240 WWB

Bij primair besluit van 20 oktober 2006 heeft verweerder de bijstand van eiser herzien (lees: ingetrokken) over de perioden van 1 december 2000 tot en met 31 augustus 2005 en van 20 oktober 2005 tot en met 31 mei 2006. Redengevend hiertoe is dat eiser de inlichtingenplicht heeft geschonden door verweerder niet in kennis te stellen van het feit dat eiser gedurende de genoemde perioden een gezamenlijke huishouding heeft gevoerd met zijn ex-echtgenote, mevrouw [persoon 1], wonend aan de [adres 1]. Hierdoor is aan eiser ten onrechte bijstand verstrekt. De gemaakte kosten van bijstand zijn tot een bedrag van € 55.696,80 van eiser teruggevorderd. Eiser dient de vordering binnen twee weken na bekendmaking van het besluit ineens te voldoen. Niet gebleken is van dringende reden om van intrekking of terugvordering af te zien, aldus verweerder. Eiser heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt.

Bij het bestreden besluit van 6 februari 2007 heeft verweerder het bezwaar ongegrond verklaard en het primaire besluit gehandhaafd. Naar de mening van verweerder is sprake geweest van een gezamenlijke huishouding. Eiser woonde niet op het door hem opgegeven adres maar woonde in bij [persoon 1]. Verweerder heeft hierbij verwezen naar de door eiser en [persoon 1] op 30 mei 2006 afgelegde verklaringen en het verrichte buurtonderzoek rond de woning aan de [adres 1]. Er is voldoende vermogen aanwezig om de vordering ineens te voldoen, zodat het verzoek om een afbetalingsregeling niet kan worden gehonoreerd, aldus verweerder.

Eiser heeft in beroep aangevoerd dat geen sprake is (geweest) van een gezamenlijke huishouding. De echtscheiding tussen eiser en [persoon 1] is op 6 oktober 1983 uitgesproken. Uit dit huwelijk zijn drie kinderen geboren. Eiser woont als hoofdbewoner op [adres 2], waar ook hun zoon woont. Eiser verblijft ook beurtelings op het adres van hun andere twee kinderen. De enkele reden dat eiser en [persoon 1] soms samen zijn, is dus gelegen in het feit dat hun dochter nog bij [persoon 1] woont op het adres aan de [adres 1]. Eiser is voorts van mening dat verweerder de conclusies inzake de gezamenlijke huishouding niet mocht baseren op de gegevens die zijn verkregen tijdens de onrechtmatig afgelegde huisbezoeken op 18 augustus 2005 en 22 augustus 2005 op het adres [adres 2]. Zonder toestemming van eiser zijn de handhavingspecialisten op 18 augustus 2005 de woning binnengetreden, waarna zij zonder begeleiding of toestemming van de ouders twee minderjarige kinderen hebben ondervraagd. Bovendien was er geen aanleiding tot het afleggen van een huisbezoek. De verklaringen van eiser en [persoon 1] van 30 mei 2006 kunnen evenmin ten grondslag worden gelegd aan het besluit, nu ook deze verklaringen een gevolg zijn van het onrechtmatige huisbezoek op 18 augustus 2005 en deze verklaringen voorts niet in vrijheid en onder druk zijn afgelegd. Voorts stelt eiser dat hij geen vermogen heeft om de vordering ineens te voldoen. Verweerder had zijn bod van € 25.000,- tegen finale kwijting moeten accepteren, aldus eiser.

De rechtbank overweegt als volgt.

Intrekking

Bij het primaire besluit van 20 oktober 2006 heeft verweerder de bijstand ingetrokken over onder andere de periode van 1 december 2000 tot en met 31 augustus 2005. Bij besluit van verweerder van 25 augustus 2005 was de bijstand echter al ingetrokken met ingang van 1 september 2004. Naar vaste rechtspraak van de Centrale Raad van Beroep bestrijkt de intrekking in zo’n geval de periode vanaf datum intrekking tot en met de datum van het primaire intrekkingsbesluit. Mede gelet op de besluiten die nadien zijn genomen, houdt de rechtbank het er dan ook voor dat verweerder bij dit besluit van 25 augustus 2005 de bijstand heeft ingetrokken over de periode van 1 september 2004 tot en met 25 augustus 2005. Ten aanzien van laatstgenoemde periode is het onderhavige primaire besluit dan ook niet gericht op rechtsgevolg. In zoverre kan het dus niet worden aangemerkt als een besluit als bedoeld in artikel 1:3 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), waartegen bezwaar kan worden gemaakt. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder het bezwaar, voor zover dat is gericht tegen de intrekking over de periode van 1 september 2004 tot en met 25 augustus 2005, dan ook ten onrechte ontvankelijk geacht. De rechtbank zal het beroep gegrond verklaren en het bestreden besluit in zoverre vernietigen. Aangezien nog maar één beslissing mogelijk is, zal de rechtbank met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Awb zelf in de zaak voorzien en het bezwaar van eiser in zoverre niet-ontvankelijk verklaren.

De rechtbank overweegt voorts dat verweerder zich in het bestreden besluit op het standpunt heeft gesteld dat sprake is van een gezamenlijke huishouding tussen eiser en [persoon 1], omdat zij hun hoofdverblijf hebben in dezelfde woning. Voor het aannemen van een gezamenlijke huishouding is echter eveneens vereist dat sprake is van wederzijdse verzorging tussen betrokkenen, dan wel dat sprake is van een onweerlegbaar rechtsvermoeden als bedoeld in artikel 3, vierde lid, van de WWB. Verweerder heeft in het primaire besluit, noch in het bestreden besluit daaraan een overweging gewijd. Reeds hierom is de rechtbank van oordeel dat het bestreden besluit, voor zover het de intrekking voor het overige betreft, in strijd met het bepaalde in artikel 7:12, eerste lid, van de Awb niet deugdelijk is gemotiveerd. Het bestreden besluit komt dus - ook voor wat de intrekking voor het overige betreft - voor vernietiging in aanmerking.

De rechtbank ziet zich vervolgens voor de vraag gesteld of er aanleiding is om, met toepassing van artikel 8:72, derde lid van de Awb, te bepalen dat de rechtsgevolgen van het te vernietigen bestreden besluit in stand blijven, voor zover daarbij het recht op bijstand is ingetrokken over de perioden van 1 december 2000 tot en met 31 augustus 2004, van 26 augustus 2005 tot en met 31 augustus 2005 en van 20 oktober 2005 tot en met 31 mei 2006. Hiertoe wordt het volgende overwogen.

Verweerder heeft zich desgevraagd ter zitting op het standpunt gesteld dat de gezamenlijke huishouding tussen eiser en [persoon 1] moet worden gebaseerd op het rechtsvermoeden van artikel 3, vierde lid, aanhef en onder b, van de WWB en dat derhalve alleen sprake behoeft te zijn van een hoofdverblijf in dezelfde woning. Aangezien echter de uit de relatie van eiser en [persoon 1] geboren kinderen in de perioden in geding de leeftijd van 18 jaar reeds waren gepasseerd, kan in dit geval niet enkel op basis van het gezamenlijk hoofdverblijf op grond van voornoemd rechtsvermoeden worden aangenomen dat sprake is geweest van een gezamenlijke huishouding. De rechtbank verwijst hierbij naar de recente uitspraken van de Centrale Raad van Beroep van 24 april 2008 (LJN: BD0478) en 7 mei 2008 (LJN: BD2891).

In aanmerking genomen dat partijen zich reeds hebben uitgelaten over de vraag of er sprake is geweest van wederzijdse zorg in de zin van artikel 3, derde lid, van de WWB, acht de rechtbank het geraden om te bezien of er is voldaan aan de criteria voor een op voornoemd artikel te baseren gezamenlijke huishouding. Daarvoor dient te worden vastgesteld dat betrokkenen hun hoofdverblijf in dezelfde woning hebben gehad en dat zij blijk hebben gegeven zorg te dragen voor elkaar door middel van het leveren van een bijdrage in de kosten van de huishouding dan wel anderszins.

Op grond van de in het proces-verbaal van 14 juni 2006 neergelegde onderzoeksresultaten, in onderling verband bezien, is de rechtbank met verweerder van oordeel dat vast is komen te staan dat eiser gedurende de perioden in geding zijn hoofdverblijf heeft gehad in de woning aan de [adres 1]. De rechtbank hecht in de eerste plaats betekenis aan de door eiser en [persoon 1] afgelegde verklaringen op 30 mei 2006. Eiser heeft daarbij onder andere verklaard dat hij met [persoon 1] en hun dochter in december 2000 vanaf het adres [adres 2] naar de [adres 1] is verhuisd en daar tot op heden (lees: 30 mei 2006) heeft gewoond. Eiser heeft verder verklaard dat hij zich daarna wel officieel op het adres [adres 2] heeft ingeschreven en dat hij en [persoon 1] administratief nooit bij elkaar ingeschreven stonden, maar dat zij in werkelijkheid wel bij elkaar waren. De hoofdbewonersverklaring van 2 december 2000 ten aanzien van het adres [adres 2] is volgens eisers verklaring niet naar waarheid ingevuld omdat hij op die datum zijn hoofdverblijf had op de [adres 1]. Eiser heeft behalve in de woning aan de [adres 1] ook kleding liggen op het adres aan de [adres 2], zodat hij die kan laten zien als hij controle krijgt van de DWI. Ook [persoon 1] heeft verklaard dat eiser na de oplevering van de woning aan de [adres 1] in 1999 met haar is meeverhuisd en dat ze er nu (30 mei 2006) nog steeds samen wonen. Voorts zijn er verklaringen door derden afgelegd op grond waarvan eveneens de conclusie kan worden getrokken dat eiser en [persoon 1] in de perioden in geding hebben samengewoond op het adres [adres 1]. Naar aanleiding van een buurtonderzoek hebben omwonenden namelijk verklaard zowel eiser als [persoon 1] te herkennen als de bewoners van [adres 1]. Zo heeft getuige [getuige 1] op 2 mei 2006 verklaard dat zij sinds april 2000 op het adres [adres 3] woont, dat eiser en zijn vrouw en dochter naast haar op [adres 1] zijn komen wonen en dat eiser hier altijd heeft gewoond. Getuige [getuige 2] van het adres [adres 4] heeft op 3 mei 2006 verklaard dat eiser en [persoon 1] de gehele periode sinds de woningen zijn opgeleverd aan de [adres 1] hebben gewoond. De rechtbank acht ten slotte van belang dat eiser zich op het moment van zijn aanhouding op 30 mei 2006 om 07.19 uur op het adres aan de [adres 1] bevond en aldaar lag te slapen.

Het tweede criterium waaraan moet zijn voldaan, is dat van de wederzijdse zorg. Deze kan blijken uit een bepaalde mate van financiële verstrengeling tussen de betrokkenen die verder gaat dan het uitsluitend delen van de woonlasten en hiermee samenhangende lasten. Indien van een zodanige verstrengeling niet of slechts in geringe mate sprake is, kunnen ook andere feiten en omstandigheden voldoende zijn om aan te nemen dat de betrokkenen in elkaars verzorging voorzien. Een afweging van alle ten aanzien van betrokkenen gebleken feiten en omstandigheden, die niet van subjectieve aard zijn, zal bepalend zijn voor het antwoord op de vraag of aan het verzorgingscriterium in een concreet geval is voldaan. Tegen deze achtergrond acht de rechtbank van belang dat eiser en [persoon 1] tijdens hun verhoren op 30 mei 2006 hebben verklaard dat [persoon 1] de vaste lasten betaalt, dat zij samen leven van eisers uitkering, dat eiser af en toe boodschappen doet, dat eiser de auto gebruikt die op naam van [persoon 1] staat, dat eiser de aan de auto verbonden kosten betaalt, dat zij samen op vakantie zijn geweest naar Thailand en Suriname en de kosten daarvoor samen hebben betaald, dat de woning aan de [adres 1] op hun beider naam staat en dat [persoon 1] voor eiser wast en kookt. Met het voorgaande is naar het oordeel van de rechtbank - eveneens - voldaan aan het criterium van de wederzijdse zorg.

Eiser heeft gesteld dat de conclusies van verweerder zijn gebaseerd op onrechtmatig verkregen bewijs omdat alle bevindingen zijn voortgekomen uit het onrechtmatig te achten huisbezoek van 18 augustus 2005. Wat er van de (on)rechtmatigheid van bedoeld huisbezoek ook zij, de rechtbank is van oordeel dat de verklaringen van eiser en [persoon 1] op 30 mei 2006 en de verklaringen van de buurtbewoners voldoende grondslag bieden voor het oordeel dat eiser een gezamenlijke huishouding heeft gevoerd. Het stond verweerder vrij om, na het onderzoek in augustus 2005, in mei 2006 een nieuw onderzoek te doen naar de woon- en leefsituatie van eiser. De daarbij aan het licht gekomen gegevens staan niet in direct verband met het huisbezoek van 18 augustus 2005 en kunnen niet als een gevolg daarvan als onrechtmatig verkregen bewijs worden aangemerkt. Dit geldt des te meer voor de verklaring van [persoon 1], aangezien zij geheel niet betrokken is geweest bij het huisbezoek op 18 augustus 2005.

De rechtbank is ten slotte van oordeel dat niet gebleken is dat de verklaringen van eiser en [persoon 1] niet in vrijheid of onder onaanvaardbare druk zijn afgelegd. Na lezing van hun opgetekende verklaringen hebben zij volhard in hun verklaringen en heeft eiser de verklaring per bladzijde ondertekend, zodat niet aannemelijk is dat geen gelegenheid is gegeven de verklaringen te controleren op juistheid. Voor zover de opgetekende verklaringen niet exact zouden overeenkomen met de afgelegde verklaringen, bestaan er geen aanwijzingen dat de kern van de opgetekende verklaringen niet juist zou zijn.

Op grond van het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat over de hierboven aangegeven perioden is voldaan aan de voorwaarden voor een gezamenlijke huishouding in de zin van artikel 3, derde lid, van de WWB. Vanwege het bestaan van een gezamenlijke huishouding was eiser niet als zelfstandig subject van bijstand aan te merken, zodat geen recht op bijstand naar de norm van een alleenstaande bestond. Nu vast staat dat eiser verweerder niet juist heeft geïnformeerd omtrent zijn woonsituatie en hem hierdoor ten onrechte bijstand is verstrekt, was verweerder op grond van artikel 54, derde lid, aanhef en onder a, van de WWB bevoegd om tot intrekking van bijstand over te gaan. Niet is gebleken van feiten of omstandigheden op grond waarvan verweerder in redelijkheid geen gebruik heeft kunnen maken van deze bevoegdheid.

Terugvordering

Bij uitspraak van 29 januari 2007 met reg.nr. AWB 06/953 heeft de rechtbank het beroep gericht tegen het besluit op bezwaar van 5 januari 2006, waarbij het hiervoor genoemde besluit van 25 augustus 2005 tot intrekking van bijstand met ingang van 1 september 2004 is gehandhaafd, ongegrond verklaard.

Hiermee is tevens gegeven dat verweerder bevoegd was tot terugvordering van de gemaakte kosten van bijstand over de perioden van 1 december 2000 tot en met 31 augustus 2005 en van 20 oktober 2005 tot en met 31 mei 2006. De rechtbank merkt hierbij op dat ten aanzien van de periode van 1 september 2004 tot en met 25 augustus 2005 nog geen terugvorderingsbesluit was genomen. Verweerder heeft in redelijkheid gebruik kunnen maken van zijn bevoegdheid de bijstand terug te vorderen. Gesteld noch gebleken is van dringende reden op grond waarvan verweerder had moeten afzien van de terugvordering. Het beroep is dan ook in zoverre ongegrond.

Invordering

Met betrekking tot verweerders besluit inzake de invordering kan in redelijkheid niet gezegd worden dat eiser binnen de termijn van twee weken na het primaire besluit € 55.696,80 had kunnen voldoen. De overweging in het bestreden besluit dat er bij eiser voldoende vermogen aanwezig is, is niet inzichtelijk gemaakt. Verweerder zal worden opgedragen met betrekking tot de invordering een nieuwe beslissing op het bezwaar te nemen. Hierbij zal ook een beslissing moeten worden genomen op het verzoek van eiser tot vergoeding van de proceskosten in bezwaar.

Slotoverwegingen

Aangezien het beroep gegrond zal worden verklaard, stelt de rechtbank vast dat op grond van artikel 8:74 van de Awb het door eiser betaalde griffierecht ten bedrage van € 39,- door de gemeente Amsterdam dient te worden vergoed. De rechtbank ziet voorts aanleiding om verweerder te veroordelen in de kosten van verleende rechtsbijstand aan eiser, begroot op € 644,-.

Inzake AWB 06/5152 WWB

Bij primair besluit van 1 juni 2006 heeft verweerder eiser meegedeeld dat hij met ingang van 1 juni 2006 geen recht meer heeft op een bijstandsuitkering, omdat hij een gezamenlijke huishouding voert en vermogen heeft verzwegen. Eiser heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt.

Bij het bestreden besluit van 12 september 2006 heeft verweerder het bezwaar ongegrond verklaard en het primaire besluit gehandhaafd. Verweerder heeft daarbij overwogen dat eiser de inlichtingenplicht heeft geschonden door niet te melden dat hij een gezamenlijke huishouding voert met [persoon 1] en over vermogen beschikt. Op grond van de verschillende getuigenverklaringen is aannemelijk geworden dat eiser en [persoon 1] hoofdverblijf hebben op het adres [adres]. Verweerder is van mening dat het recht op bijstand per 1 juni 2006 terecht is ingetrokken op grond van artikel 54, derde lid, van de WWB.

Eiser heeft dit besluit in beroep gemotiveerd betwist.

De rechtbank overweegt als volgt.

De rechtbank constateert dat verweerder zich ook in dit bestreden besluit op het standpunt heeft gesteld dat sprake is van een gezamenlijke huishouding tussen eiser en [persoon 1] omdat zij hun hoofdverblijf hebben in dezelfde woning, maar dat wederom niet gemotiveerd is gesteld dat er eveneens sprake is van wederzijdse verzorging tussen betrokkenen, dan wel dat er sprake is van een onweerlegbaar rechtsvermoeden als bedoeld in artikel 3, vierde lid, van de WWB. Voorts is overwogen dat eiser de inlichtingenplicht heeft geschonden, maar heeft verweerder in het midden gelaten of er geen recht op bijstand bestond of dat het recht op bijstand niet is vast te stellen. Daarbij komt dat verweerder heeft gesteld dat de bijstand per 1 juni 2006 wordt ingetrokken op grond van artikel 54, derde lid, van de WWB, terwijl er in dit geval sprake is van een beëindiging. Van intrekking is sprake als een besluit tot toekenning van bijstand vanaf een in het verleden gelegen datum of over een in het verleden gelegen periode in verband met schending van de inlichtingenplicht ongedaan wordt gemaakt. In de onderhavige situatie heeft eiser geen recht meer op bijstand met ingang van de datum van het primaire besluit. Er is derhalve geen sprake van een intrekking van de bijstand, maar van een beëindiging hiervan op de voet van de artikelen 43 en 44 van de WWB (zie onder andere de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 20 juli 2006, LJN: AY5145). Verweerder heeft derhalve (ook in zoverre) een onjuiste juridische grondslag gehanteerd.

Naar het oordeel van de rechtbank komt het bestreden besluit voor vernietiging in aanmerking wegens motiveringsgebrek (schending van artikel 7:12 van de Awb) op alle genoemde punten. Het beroep is dan ook gegrond.

De rechtbank ziet niettemin aanleiding om, met toepassing van artikel 8:72, derde lid, van de Awb, de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand te laten. Hiertoe wordt het volgende overwogen.

In de door de rechtbank ter behandeling gevoegde zaak (reg.nr. AWB 07/1240 WWB), is overwogen dat tot en met 31 mei 2006 sprake is geweest van een gezamenlijke huishouding in de zin van artikel 3, derde lid, van de WWB tussen eiser en [persoon 1]. Onder verwijzing naar de overwegingen in die zaak, oordeelt de rechtbank dat ook per 1 juni 2006 sprake is geweest van een gezamenlijke huishouding. Er zijn van de zijde van eiser geen argumenten aangevoerd en ook overigens geen aanknopingspunten op grond waarvan zou moeten worden geoordeeld dat de woonsituatie per 1 juni 2006 anders zou zijn geweest dan in de voorliggende periode. Gelet hierop kon eiser per 1 juni 2006 niet als een zelfstandig subject van bijstand worden aangemerkt. Op grond van de artikelen 43 en 44 van de WWB was verweerder naar het oordeel van de rechtbank bevoegd de bijstand van eiser te beëindigen.

Aangezien het beroep gegrond zal worden verklaard, stelt de rechtbank vast dat op grond van artikel 8:74 van de Awb het door eiser betaalde griffierecht ten bedrage van € 38,- door de gemeente Amsterdam dient te worden vergoed. De rechtbank ziet voorts aanleiding om verweerder te veroordelen in de kosten van verleende rechtsbijstand aan eiser, begroot op € 644,-.

3. BESLISSING

De rechtbank:

Inzake AWB 07/1240 WWB

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit voor zover het de intrekking en invordering van bijstand betreft;

- verklaart het bezwaar, voor zover gericht tegen de intrekking van bijstand over de periode van 1 september 2004 tot en met 25 augustus 2005, niet-ontvankelijk;

- bepaalt dat deze uitspraak in zoverre in de plaats treedt van het vernietigde besluit;

- bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit, met betrekking tot de overige perioden waarover de bijstand is ingetrokken in stand blijven;

- draagt verweerder op binnen zes weken na bekendmaking van deze uitspraak een nieuw besluit op bezwaar te nemen met betrekking tot de invordering;

- bepaalt dat de gemeente Amsterdam aan eiser het door hem betaalde griffierecht van € 39,- vergoedt;

- veroordeelt verweerder in de kosten van het geding, aan de zijde van eiser begroot op € 644,- (zegge: zeshonderd vierenveertig euro), te betalen door de gemeente Amsterdam aan de griffier van de rechtbank.

Inzake AWB 06/5152 WWB

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit;

- bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand blijven;

- bepaalt dat de gemeente Amsterdam aan eiser het door hem betaalde griffierecht van € 38,- vergoedt;

- veroordeelt verweerder in de kosten van het geding, aan de zijde van eiser begroot op € 644,- (zegge: zeshonderd en vierenveertig euro), te betalen door de gemeente Amsterdam aan de griffier van de rechtbank.

Deze uitspraak is gedaan op 26 juni 2008 door mr. T. van Muijden, voorzitter, en

mrs. L.H. Waller en G.M. Beunk, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. R.A.M. van der Heijden, griffier,

en bekendgemaakt door verzending aan partijen op de hieronder vermelde datum.

De griffier, de voorzitter,

Tegen deze uitspraak kunnen een belanghebbende en het bestuursorgaan gedurende zes weken na toezending van deze uitspraak hoger beroep instellen bij de Centrale Raad van Beroep te Utrecht.

Afschrift verzonden op:

Doc:B.