Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2008:BD5729

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
16-01-2008
Datum publicatie
30-06-2008
Zaaknummer
368264
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Eerste en enige aanleg
Inhoudsindicatie

Onrechtmatige perspublicatie?

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK AMSTERDAM

Sector civiel recht

zaaknummer / rolnummer: 368264 / HA ZA 07-1166 (AV)

Vonnis van 16 januari 2008

in de zaak van

A,

wonende te Utrecht,

eiser,

procureur mr. I.M.C.A. Reinders Folmer,

tegen

de vereniging

OMROEPVERENIGING VARA,

gevestigd te Hilversum,

gedaagde,

procureur mr. M.A. de Kemp.

Partijen zullen hierna A en Vara genoemd worden.

1. De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding van 13 april 2007, met bewijsstukken,

- de conclusie van antwoord, met twee bewijsstukken,

- het tussenvonnis van 1 augustus 2007, waarbij een comparitie van partijen is gelast die op 30 november 2007 heeft plaatsgevonden en het daarvan opgemaakte proces-verbaal, met de daarin vermelde stukken.

1.2. Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De feiten

2.1. In VARA TV Magazine nummer 1 van 7-13 januari 2006 is op pagina 12, met het vervolg op pagina 95, een artikel gepubliceerd met de titel: “Rap[e]” en daarboven: “MAATSCHAPPELIJKE DISCUSSIE”, “VIDEO’S & VERKRACHTING”, “Rapclips zetten aan tot groepsverkrachting, wordt beweerd. Kan je dat zo stellen? Wie is er verantwoordelijk? En wat gaat er nu gebeuren?”. In het artikel wordt de stelling besproken dat rapclips aan zouden zetten tot groepsverkrachting. Rapclips met veel bloot en geweld zouden een zogenaamde ‘pimpcultuur’ promoten en de grens met echte pornografie opzoeken. Voornoemde zo bestempelde tendens is in het artikel verontrustend genoemd omdat rap en hiphop populair zijn onder jongeren. Daarmee zou de jeugd onder de invloed worden gebracht van de clips die seks en geweld direct en indirect zouden promoten. Op de beschuldigingen in het artikel dat platenmaatschappijen hun eigen verantwoordelijkheid in deze uit de weg zouden gaan, is gereageerd door Platenlabel Sony. Namens Sony is er op gewezen dat de beschuldigingen te extreem zijn en dat het hierbij veel meer een algemeen sociaal probleem betreft.

2.2. Direct onder de titel “Rap[e]” staat op het midden van pagina 12 een foto (hierna: de foto) van A, welke foto een zogenaamde stil is van zijn videoclip. Op de foto is A te zien met twee schaars geklede dames. Onder de foto staat: “’...’ van de rapper B”. B is de artiestennaam van A. De videoclip heeft B opgenomen en geproduceerd in opdracht en op kosten van een stuntschool voor jongeren, alwaar A ten tijde van de videoclip werkzaam was als jongerenbegeleider. Met de videoclip wilde A de stuntschool onder (probleem)jongeren naamsbekendheid geven en promoten.

2.3. A heeft geen toestemming gegeven aan Vara voor het plaatsen van de foto.

2.4. Bij brief van 19 januari 2006 heeft A Vara aansprakelijk gesteld voor de schade die hij door het artikel met de foto zou lijden.

2.5. In VARA TV Magazine van 4-10 februari 2006 is op pagina 98 de volgende tekst geplaatst:

“Rap

In VARA TV Magazine nr. 1 van dit jaar plaatsten we een artikel over het vermeende verband tussen hiphop- en r&b-clips en verkrachtingen, waarin verschillende opinies daarover aan bod komen. Een van de conclusies in dat artikel is dat zo’n verband niet zomaar is aan te wijzen. Bij het artikel plaatsten we een afbeelding uit een clip van rapper B.

Wij willen, wellicht ten overvloede, benadrukken dat wij met het plaatsen van de afbeelding, zeker ook gezien de strekking van het artikel, A geenszins in verband hebben willen brengen met ‘het aanzetten tot verkrachting’ noch met de ‘pimpcultuur’ of gangsterrap zoals in het artikel besproken.

Redactie”

2.6. De heer C, oprichter van de stuntschool heeft een ongedateerde verklaring opgesteld waarin het volgende staat vermeld:

“Ik ben C de oprichter van de eerste stuntschool in Nederland. Een tweejarige opleiding voor jongeren die verder willen in de stunt of acteer wereld. Ik heb B aangenomen om tijdens deze hele opleiding de stuntschool te promoten bij de jongeren door middel van muziek/performance. We hebben een videoclip geschoten ter promotie (gooi je wielen in de lucht). Hiernaast functioneerde B ook als jongerenwerker op de stuntschool om jongeren te ondersteunen in begeleiding. In der loop van de tijd is B in een negatief dagbeeld gezet door de media (Vara) waar hij geassocieerd werd met groepsverkrachting, waardoor hij niet meer als jongerenwerker kon functioneren op de stuntschool. De voorbeeld functie die een jongeren begeleider heeft speelt een belangrijke rol in de ondersteuning van de jongeren, want hoe moeten zij iets aan nemen van een persoon die zelf negatief belicht word. Ik denk zelf dat het moeilijk wordt voor hem om nu ergens aan de bak te komen als jongerenwerker, want iedereen in deze branche wil werken met iemand die positief bekend staat.”

2.7. Op de salarisstrook van januari 2006 van A met betrekking tot zijn dienstverband staat als datum in dienst 15 december 2005 en als datum uit dienst 30 juni 2006.

2.8. Op de salarisstrook van september 2006 van A met betrekking tot zijn dienstverband bij staat als datum in dienst 15 december 2005, en als datum uit dienst 30 september 2006.

2.9. Het dienstverband van A is geëindigd in september 2006.

2.10. Als productie 8 bij dagvaarding, bijlage 4, is een licentieovereenkomst (hierna: de licentieovereenkomst) d.d. 1 september 2004 in het geding gebracht tussen Sony Music Entertainment (Holland) B.V. en Mass Appeal Recordings. Hierin is opgenomen dat licentiegever in eigen beheer geluids- en/of audio-visuele opnamen heeft gemaakt cq zal maken met ‘De Strakste Mensen’, ook te noemen ‘Artiest’.

2.11. Bij e-mail van 12 juli 2007 heeft Juliette van den Ende, Manager Legal & Business Affairs bij Sony aan de advocaat van Vara onder meer geschreven:

“Via deze weg kan ik u berichten dat SONY BMG MUSIC ENTERTAINMENT (NETHERLANDS) BV bijgevoegde licentieovereenkomst op 4 augustus 2006 in goed overleg met Mass Appeal Recordings heeft beëindigd. Zonder op de details in te gaan, kunnen we u melden dat deze beslissing het gevolg is geweest van herprofilering van de gezamenlijke ‘lokale stal’ als gevolg van de fusie tussen Sony Music Entertainment BV en BMG Nederland BV in juli 2005. Het artikel dat is verschenen in VARA TV Magazine van 7-13 januari 2006 heeft derhalve geen enkele invloed gehad op onderhavige beslissing.”

3. De vordering

3.1. A vordert -kort samengevat- bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad:

A. Vara te bevelen om binnen drie maanden na dagtekening van dit vonnis over te gaan tot plaatsing van een rectificatie in VARA TV Magazine in de vorm van een interview als hoofdartikel van het magazine;

B. Vara te veroordelen tot betaling van een dwangsom van EUR 500,=, althans een door de rechtbank te bepalen bedrag, voor iedere dag of dagdeel dat VARA niet voldoet aan het onder sub A gevorderde;

C. Te verklaren voor recht dat Vara aansprakelijk is voor alle materiële- en immateriële schade die A als gevolg van de publicaties “Rap[e]” in VARA TV Magazine van 7-13 januari 2006 en “Rap” in het magazine van 4-10 februari 2006 heeft geleden en zal lijden;

D. Vara te veroordelen tot betaling aan A van de door A geleden materiële- en immateriële schade groot EUR 26.245,=, althans tot betaling van een zodanig bedrag als de rechtbank juist zal achten;

E. Vara te veroordelen tot betaling van de buitengerechtelijke kosten;

F. Vara te veroordelen in de kosten van het geding.

3.2. A stelt hiertoe, kort gezegd, dat publicatie van zijn foto bij het artikel in VARA TV Magazine van 7-13 januari 2006 zowel een inbreuk vormt op zijn portretrecht in de zin van artikel 21 Auteurswet, als onrechtmatig is jegens hem. Ook het tweede artikel in VARA TV Magazine van 4-10 februari 2006 is onrechtmatig jegens hem omdat dit niet beschouwd kan worden als een rectificatie van het eerste artikel, maar als een poging van Vara om ‘haar straatje schoon te vegen’. Bovendien is dit artikel mogelijk nog schadelijker voor A geweest nu in één zin wordt genoemd: “A”, “het aanzetten tot verkrachting”, “pimpcultuur” en “gangsterrap”. Ook wordt in het tweede artikel zowel de artiestennaam als de echte naam van A genoemd. Tenslotte betoogt A dat Vara onvoldoende inspanning heeft gepleegd om nadat A bij brief van 19 januari 2006 Vara had gewaarschuwd voor de negatieve gevolgen van het artikel voor hem, deze negatieve gevolgen zoveel mogelijk te beperken.

4. Het verweer

4.1. Vara heeft de vordering gemotiveerd betwist. Haar verweer komt, voor zover relevant, hierna aan de orde.

5. De beoordeling

5.1. Voorop dient te worden gesteld dat partijen van mening verschillen over het antwoord op de vraag of A ten aanzien van de gebruikte ‘stil’ uit de videoclip bescherming toekomt als bedoeld in artikel 21 Auteurswet. Volgens Vara berust het auteursrecht op de video niet bij A maar bij de stuntschool, volgens A berust het auteursrecht bij hem.

5.2. Vast staat dat het portret van A (in de vorm van de ‘stil’ uit zijn videoclip) is gebruikt door Vara zonder toestemming van A te hebben gevraagd. Of dit een schending van het portretrecht van A in de zin van artikel 21 Auteurswet betekent, kan in het midden blijven nu zowel op grond van artikel 21 Auteurswet als op grond van een onrechtmatige daad (schending van de persoonlijke levenssfeer van A in het bijzonder schending van zijn eer en goede naam) de rechtbank toe zal komen aan dezelfde belangenafweging waarbij het belang van A bij bescherming van zijn recht op eerbiediging van zijn persoonlijke levenssfeer dient te worden afgewogen tegen het recht op vrijheid van meningsuiting van Vara. Zoals de Hoge Raad bij arrest van 21 januari 1994 reeds heeft overwogen (HR 21 januari 1994, NJ 1994, 473), kent artikel 21 Auteurswet de geportretteerde een bescherming toe met name tegen inbreuken op zijn recht op eerbieding van zijn persoonlijke levenssfeer, maar dit recht heeft niet een absoluut gewicht dat in beginsel groter is dan het recht op vrijheid van meningsuiting. Er bestaat geen deugdelijke reden om, ingeval het buiten toestemming van de geportretteerde publiceren van diens portret de vrijheid van meningsuiting in conflict brengt met het recht op eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer, ter beoordeling van de vraag aan welke beide vrijheden in het gegeven geval voorrang toekomt, anders te werk te gaan dan wanneer zodanig conflict zijn grond vindt in een andersoortige publicatie, zoals die van mededelingen. Ingeval in het kader van een perspublicatie een portret zonder toestemming van de geportretteerde openbaar wordt gemaakt, onder zodanige omstandigheden dat deze openbaarmaking een inbreuk vormt op zijn recht op eerbieding van zijn persoonlijke levenssfeer, kan het antwoord op de vraag of die openbaarmaking jegens hem onrechtmatig is, slechts worden gevonden door een afweging die met inachtneming van alle bijzonderheden van het gegeven geval ertoe strekt na te gaan welke van beide fundamentele rechten in dit geval zwaarder weegt.

5.3. Derhalve zal allereerst de vraag dienen te worden beantwoord of de publicatie van het portret van A in VARA TV Magazine van 7-13 januari 2006 een schending vormt van de eer en goede naam van A. Het artikel dat Vara heeft gepubliceerd gaat over een maatschappelijke discussie omtrent de stelling dat rapclips aan zouden zetten tot groepsverkrachting. Gelet op de inhoud van het artikel, de titel(s) van het artikel en de prominente plaats van het portret van A op het midden van de pagina onder de vetgedrukte titel “Rap[e]”, is de rechtbank van oordeel dat de eer en goede naam van A door het plaatsen van de foto in deze context is geschonden.

5.4. Gelet op het voorgaande komt de rechtbank thans toe aan een afweging van de belangen, dat van A op bescherming van zijn persoonlijke levenssfeer en in het bijzonder op bescherming van zijn eer en goede naam, en het belang van Vara bij uitingsvrijheid. A had ten tijde van de publicatie succes met zijn videoclip. De clip werd uitgezonden op het tv-station de Box en heeft daar kort na het uitbrengen van de clip 3 weken op nummer 1 gestaan als de meest aangevraagde clip. Onbetwist is dat de videoclip is gemaakt in het kader van het jongerenwerk dat A bij de stuntschool verrichte. De rechtbank acht voldoende aannemelijk dat door het plaatsen van zijn portret bij het artikel de associatie is blijven hangen dat het werk van A als rapper iets te maken zou hebben met groepsverkrachting en dat dit het werk van A als jongerenwerker negatief heeft beïnvloed. Hierbij dient in het bijzonder mee te wegen dat vast staat dat A ten tijde van de publicatie van het artikel in VARA TV Magazine aan het begin van zijn carrière stond en daardoor extra gevoelig was voor negatieve publicaties rondom zijn persoon. Aannemelijk is dat artiesten met een lange reputatie beter bestand zijn tegen een (publicitair) stootje, dan beginnelingen. Artiesten die net beginnen zullen nog een goede naam dienen op te bouwen bij pers en publiek. Aannemelijk is voorts dat de publicatie in VARA TV Magazine de start van A als artiest negatief heeft beïnvloed. Ook speelt hierbij een rol dat VARA TV Magazine een hoge oplage heeft en op vele punten wordt verkocht. Bovendien vormt het artikel waarbij de foto van A is geplaatst één van de hoofdartikelen van het Magazine. De geplaatste foto wekt de suggestie dat A het prototype is van de rapper die in het artikel wordt beschreven, als een voorstander van de “pimp”-cultuur, als iemand die vrouwen als een gebruiksvoorwerp ziet. Deze suggestie is misplaatst. Hiertegenover staat het belang van Vara om bij het artikel ter illustratie een foto te plaatsen afkomstig uit een videoclip. Dat Vara hiervoor heeft gekozen is begrijpelijk. Gelet echter op de ernst van het besproken onderwerp, de titel en de subtitel, had het op de weg van Vara gelegen om ten aanzien van de te plaatsen foto uiterste zorgvuldigheid te betrachten. Het zonder toestemming van de geportretteerde artiest plaatsen van diens foto bij een artikel als dit, getuigt niet van een dergelijke zorgvuldigheid. Bovendien had het op de weg van Vara gelegen om bij het plaatsen van een foto bij een dergelijk artikel voldoende duidelijk te maken dat de geportretteerde artiest niets van doen heeft met de ernstige misstanden die in het artikel worden gesignaleerd. Dat Vara dit alles heeft nagelaten en kennelijk zo maar een foto van A heeft geplaatst bij een dergelijk artikel en zodoende A heeft betrokken in een maatschappelijke discussie waardoor hij, althans zijn werk als rapper, wordt geassocieerd met groepsverkrachting, maakt dat de belangenafweging in het voordeel van A uitvalt en dat Vara door het plaatsen van de foto onrechtmatig jegens A heeft gehandeld, zodat Vara schadeplichtig is jegens A.

5.5. Met betrekking tot de immateriële schade voert A aan dat hij in zijn kennissenkring en op straat regelmatig wordt aangesproken op het artikel. Hij wordt nog steeds gedwongen zich te verweren tegen het door Vara gecreëerde beeld dat hij zou meewerken aan een “pimpcultuur’ en daarmee zou aanzetten tot groepsverkrachtingen. Deze associatie heeft A beschadigd in zijn sociale en functionele leven, namelijk dat hij gebukt gaat onder schaamte, angst, verdriet en irritatie. Voor dit alles acht de rechtbank een bedrag aan immateriële schadevergoeding van EUR 2.000,= in overeenstemming met de wettelijke maatstaven. De rechtbank houdt daarbij rekening met de omstandigheid dat de foto slechts eenmaal is gepubliceerd.

5.6. De gevorderde veroordeling van Vara tot plaatsing van een rectificatie in VARA TV Magazine in de vorm van een interview als hoofdartikel van het magazine, acht de rechtbank niet toewijsbaar. Aan de wettelijke vereisten (zie artikel 6:167 van het Burgerlijk Wetboek) voor een door de rechter op te leggen rectificatie is niet voldaan.

5.7. Ten aanzien van de door A gestelde materiële schade heeft te gelden dat het causaal verband tussen de door A gestelde inkomensschade -A stelt dat hij vanaf januari 2006 gedurende twee jaar als jongerenbegeleider in dienst zou blijven bij de stuntschool, zodat hij 15 maanden loonderving vordert als gevolg van het beëindigen van zijn dienstverband bij de stuntschool- en de onrechtmatige publicatie van zijn portret in VARA TV Magazine nummer 1 van 7-13 januari 2006, niet aanwezig is. Uit de salarisstroken van A blijkt immers dat hij in dienst van de stuntschool was van 15 december 2005 tot 30 juni 2006, althans tot 30 september 2006. Dat A een dienstverband met de stuntschool was aangegaan tot 2008, zoals hij zelf stelt, blijkt nergens uit. De verklaring van C ondersteunt die stelling niet. Nu A per 30 september 2006 daadwerkelijk uit dienst is getreden, is het causaal verband tussen de publicatie en het beëindigen van zijn dienstverband derhalve niet aanwezig.

5.8. Ook de door A gevorderde schade groot EUR 10.000,= wegens het niet doorgaan van het uitbrengen van een tweetal videoclips zal worden afgewezen, nu het causaal verband tussen de publicatie van Vara en deze door A gestelde schade -wat daar verder ook van zij- niet aannemelijk is geworden. Dit geldt te meer daar uit de e-mail van 12 juli 2007 van Sony aan de advocaat van Vara het tegendeel blijkt. Sony geeft immers aan dat het artikel van Vara geheel geen invloed heeft gehad op de beslissing de licentieovereenkomst te beëindigen.

5.9. A vordert voorts een bedrag aan buitengerechtelijke (in¬casso)kosten. De rechtbank hanteert als uitgangspunt dat moet worden gesteld dat deze kosten daadwerkelijk zijn gemaakt. Bovendien moet het gaan om verrichtingen die meer omvatten dan een enkele (eventueel herhaalde) aanmaning, het enkel doen van een schik¬kingsvoorstel, het inwinnen van eenvoudige inlichtingen of het op gebruikelijke wijze samenstellen van het dossier. Nu A niet heeft ge¬steld dat de gevorderde kosten daadwerkelijk zijn gemaakt, zal de recht¬bank deze afwijzen.

5.10. Nu de gevorderde immateriële schade reeds thans wordt begroot en de gevorderde materiële schade zal worden afgewezen, heeft A geen belang bij de gevorderde verklaring voor recht. Deze zal dan ook worden afgewezen.

5.11. De vordering van A omtrent de publicatie in VARA TV Magazine van 4-10 februari 2006 zal eveneens worden afgewezen. Vaststaat dat over deze publicatie contact is geweest tussen de toenmalige advocaat van A en Vara. De tekst is in onderling overleg tot stand gekomen. Dat A daar niet tevreden over is en dat er kennelijk miscommunicatie heeft bestaan tussen A en zijn toenmalige raadsman, kan niet worden afgewenteld op Vara. Vara mocht er -gelet op het overleg dat had plaatsgevonden met de toenmalige raadsman van A- van uitgaan dat A het met publicatie van de tekst eens was.

5.12. Tenslotte geldt dat het belang dat A heeft bij het gevrijwaard blijven van aantasting van zijn eer en goede naam, gekwalificeerd dient te worden als een dringende maatschappelijke noodzaak in de zin van artikel 10 lid 2 EVRM.

5.13. Vara zal als de op hoofdpunten in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van A worden begroot op:

- dagvaarding EUR 84,31

- betaald vast recht 114,00

- in debet gesteld vast recht 461,00

- salaris procureur 1.158,00 (2,0 punten × tarief EUR 579,00)

Totaal EUR 1.817,31

6. De beslissing

De rechtbank

6.1. veroordeelt Vara om aan A te betalen een bedrag van EUR 2.000,00 (tweeduizend euro),

6.2. veroordeelt Vara in de proceskosten, aan de zijde van A tot op heden begroot op EUR 1.817,31, te voldoen aan de griffier door overmaking op rekeningnummer 19.23.25.728 ten name van MVJ Arrondissement Amsterdam onder vermelding van "proceskostenveroordeling" en het zaak- en rolnummer,

6.3. verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,

6.4. wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. L. Voetelink en in het openbaar uitgesproken op 16 januari 2008.?