Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2008:BD5698

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
06-02-2008
Datum publicatie
30-06-2008
Zaaknummer
347234
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Eerste en enige aanleg
Inhoudsindicatie

Vermogensbeheer, pensioenbestemming

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK AMSTERDAM

Sector civiel recht

zaaknummer / rolnummer: 347234 / HA ZA 06-2505

Vonnis van 6 februari 2008

in de zaak van

A,

wonende te ( woonplaats ),

eiser,

procureur mr. M. van Eersel,

tegen

de naamloze vennootschap

OPTIMIX VERMOGENSBEHEER N.V.,

gevestigd te Amsterdam,

gedaagde,

procureur mr. W. de Jong.

Partijen zullen hierna A en Optimix genoemd worden.

1. De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding d.d. 6 juli 2006 met producties

- de conclusie van antwoord met producties

- het ambtshalve gewezen tussenvonnis van 22 november 2006

- de conclusie van repliek met producties

- de conclusie van dupliek met een productie

- een akte uitlating producties van A

- een brief van Optimix d.d. 16 november 2007 met nadere producties

- een brief van A d.d. 19 november 2007 met nadere producties

- de pleidooien en de ter gelegenheid daarvan overgelegde pleitnotities.

1.2. Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De feiten

2.1. A heeft een beleggingsportefeuille gehad bij ING Bank te Haarlem (hierna ING) en twee andere vermogensbeheerders. Met ING had A sinds 1995 een vermogensadviesrelatie, waarbinnen hij zijn eigen beleggingsbeslissingen nam. In die periode belegde A ook in (ongedekte) opties. Vanaf 1998 belegde hij met geleend geld. Zijn accountmanager bij ING was de heer B (hierna: B).

2.2. In de loop van 2000 stapte B over naar Optimix. In oktober 2000 heeft bij A thuis een gesprek plaatsgevonden tussen A, B en een andere medewerker van Optimix, de heer C. B en C hebben toen een presentatie gegeven over de organisatie en werkwijze bij Optimix. Verder hebben zij naar de visie van A op het beleggingsbeleid gevraagd. A heeft bij die gelegenheid aangegeven een vermogensbeheerovereenkomst met Optimix te willen sluiten. Nadien hebben B of C nog enkele telefoongesprekken met A gevoerd.

2.3. Vervolgens heeft Optimix op 19 oktober 2000 het volgende cliëntenprofiel van A vastgelegd:

“Achtergrond relatie

Dhr. A is een oude relatie van B. Na het vertrek van B bij ING en het vertrek van vervanger naar Van Lanschot heeft hij een gedeelte van zijn port. Naar Van Lanschot overgeboekt.

Profiel/doelstellingen

Hij is een uiterst offensieve belegger en start met fl. 1.250 mln en wil dit met vreemd vermogen verdubbelen. Omdat hij een vervelende ervaring achter de rug heeft met Nieuwe Doelen wil hij rustig aan met ons beginnen.

Financiële achtergrond

Ik schat in gezien zijn belangen in OG en BV’s dat hij goed is voor ruim 15 mln. Vervolg stortingen komen er zeker (bij tevredenheid natuurlijk) mede gezien het feit dat hij zijn belangen in BV’s en OG wil afbouwen en vereenvoudigen.

A is ondernemer. Hij heeft o.a. een groot industriegebied ontwikkeld, is oprichter en bestuurder van de werkgeversorganisatie voor snack industrie. Mede gezien zijn enorme netwerk is hij een zeer interessante klant.

Hij woont net buiten ... Hier heeft hij 25 jaar geleden 11.000m gekocht en daar een huis op laten bouwen.”

2.4. Daarna heeft Optimix een schriftelijke “vermogensbeheerovereenkomst”

(hierna: de overeenkomst), inclusief bijlagen, opgesteld die uiteindelijk door A op twee punten handmatig is aangepast. A heeft de door hem aangepaste overeenkomst ondertekend en op elke pagina geparafeerd. De aanpassingen van A zijn door Optimix aanvaard, waarmee op 27 oktober 2000 de overeenkomst tussen partijen tot stand is gekomen.

2.5. Voor zover hier van belang hield de overeenkomst het volgende in:

“Ondergetekenden:

1. De heer Mr. A hierna te noemen “Cliënt” […] en

2. Optimix […]

Komen overeen als volgt:

[…]

1.1 Cliënt geeft hiermede opdracht en volmacht aan Optimix, die deze aanvaardt, om namens Cliënt en voor diens rekening en risico te verrichten alle beheer- en beschikkingshandelingen waaronder mede begrepen belegging en alle daaruit voortvloeiende handelingen en administratie van de in Bijlage 1 bij deze overeenkomst gespecificeerde vermogensbestanddelen op het moment van ondertekening van deze overeenkomst en de toegestane categorieën van beleggingstransacties waarvoor de volmacht van de Cliënt geldt.

[…]

1.3 Optimix is – met inachtneming van hetgeen bepaald is in artikel 2 van deze overeenkomst – bij de uitvoering hiervan geheel vrij in het beleggingsbeleid […]

2. Doelstellingen

2.1 Optimix zal bij ondertekening van deze overeenkomst in overleg met Cliënt een schriftelijke opgave opstellen waarin de uitgangspunten en doelstellingen van Cliënt terzake van het beheer van het vermogen zijn omschreven, welke opgave als Bijlage 2 aan deze overeenkomst zal worden gehecht.

[…]

7. Aansprakelijkheid

7.1 […]Optimix zal niet aansprakelijk zijn voor schade als gevolg van waardevermindering en/of door Cliënt geleden verliezen of welke andere oorzaak dan ook, behalve indien en voorzover komt vast te staan dat de schade rechtstreeks het gevolg is van een toerekenbare tekortkoming van Optimix bij de uitvoering va deze overeenkomst met Bijlagen.

[…]”

2.6. Bijlage 1 bij de overeenkomst hield, voor zover hier van belang, in:

“DE BIJ ARTIKEL 1 BEDOELDE VERMOGENSBESTANDDELEN VAN CLIËNT ZIJN:

Circa fl 1.250.000,- aan liquiditeiten […]”

2.7. Bijlage 2 bij de overeenkomst hield in:

“Het beleggingsbeleid zal voornamelijk gericht zijn op (internationale) aandelenbeleggingen. Het kortstondig aanhouden van liquiditeiten als transactiekas en/of veilige haven in tijden van onzekerheid, is niet uitgesloten. De portefeuille heeft een lange beleggingshorizon. In principe mag te portefeuille tot 100% van de oorspronkelijke inleg worden beleend zijnde maximaal voor fl. 1.250.000,- ”

2.8. Bijlage 3 bij de overeenkomst hield voor zover hier van belang in:

“[…] Aan alle vormen van beleggen zijn risico’s verbonden. […] De risico’s zijn afhankelijk van de belegging. Een belegging kan in meer of mindere mate speculatief zijn. Meestal geldt dat een belegging met een hoger verwacht rendement grotere risico’s met zich brengt. […]”

2.9. De handmatige aanpassingen door A in de oorspronkelijk door Optimix opgestelde overeenkomst hebben erin bestaan dat A in Bijlage 1 heeft aangegeven dat, anders dan Optimix had voorgesteld, debetstanden aangehouden mochten worden. Verder heeft hij de door Optimix voorgestelde vergoedingstructuur vervangen door een “nader vast te stellen performance fee”. Die performance fee is uitgewerkt in een zogeheten side letter behorend bij de overeenkomst, die op 9 november 2000 door partijen is ondertekend. De aldus overeengekomen vergoedingstructuur komt - kort gezegd - neer op een halvering van de door Optimix voorgestelde vaste beheertarieven, met daar tegenover een extra beloning van 5% van de jaarlijkse waardestijging van de portefeuille vanaf >5% tot 10% en 10% van de jaarlijkse waardestijging vanaf >10%.

2.10. Na aanvang van de beheerrelatie heeft A nog enkele malen telefonisch contact gehad met C. Verder is A door Optimix op de hoogte gehouden van de uitvoering van het overeengekomen vermogensbeheer door middel van transactieoverzichten, maandelijkse portefeuille-overzichten, kwartaal- en jaaroverzichten en performancerapporten. Daarnaast heeft A maandelijks een strategiebrief van Optimix ontvangen, waarin Optimix de door haar gehanteerde strategie uiteenzet.

2.11. In 2001 en 2002 is de door Optimix beheerde aandelenportefeuille van A fors in waarde gedaald, met een dieptepunt in augustus 2002.

2.12. Een brief van 9 december 2002 van Optimix aan A luidde, voor zover hier van belang, als volgt:

“[…]Om ons werk als beheerder van (een deel van) uw vermogen naar beste kunnen te kunnen uitvoeren zouden wij graag over nóg meer inzicht in uw financiële situatie beschikken. Deze wens is enerzijds het gevolg van de roerige beurstijden die we recent doormaken. Anderzijds vraagt ook nieuwe wetgeving dit. […]

Wij stellen het bijzonder op prijs wanneer u de vragenlijst ingevuld en ondertekend aan ons retourneert. […] Tot die tijd hanteren wij het cliëntenprofiel zoals u dit kunt vinden linksboven het vragenformulier. […]”

Het bijgevoegde vragenformulier vermeldde, voor zover hier van belang:

“[...]

Overeengekomen beleggingsprofiel: 0-100% aandelen

Huidig beleggingsprofiel (medio december 2002): 84% aandelen

1) Wat is het doel van uw vermogen?

A) […]

B) […]

C) Opbouw of aanvulling van uw pensioenvermogen

[…]

2) Bezit u, naast de portefeuille die bij Optimix in beheer is, nog over andere vermogensbestanddelen?

A) Nee

B) Ja, ter grootte van ongeveer …% van het door Optimix beheerde vermogen

[…]”

A heeft het formulier niet getekend en niet retour gezonden.

2.13. Bij brief van 25 juni 2003 heeft de toenmalige raadsman van A Optimix aansprakelijk gesteld voor de volgens A buitensporige waardevermindering van zijn beleggingsportefeuille.

2.14. Eind februari 2006 heeft A de overeenkomst beëindigd. De waarde van de portefeuille bedroeg op dat moment minder dan de helft van het beginvermogen.

3.

Het geschil

3.1. A vordert bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, veroordeling van Optimix tot betaling van € 353.287,-, althans € 222.370,-, vermeerderd met buitengerechtelijke incassokosten ad € 3.803,-, wettelijke rente en proceskosten.

3.2. A legt aan zijn eis ten grondslag dat Optimix toerekenbaar te kort is geschoten in de nakoming van haar verplichtingen uit de overeenkomst en/of onrechtmatig heeft gehandeld. Hij verwijt Optimix dat zij heeft nagelaten het beleggingsbeleid te baseren op een adequaat beleggingsprofiel van A. Ook indien moet worden aangenomen dat Optimix haar beleid mocht baseren op de in de overeenkomst neergelegde kaders, dan acht A de uitvoering van dat beleid ondeugdelijk. Meer specifiek verwijt hij Optimix dat zij:

a. het beschikbare vermogen van A vrijwel volledig heeft belegd in (internationale) aandelen;

b. geen adequate spreiding van aandelen over de sectoren heeft aangehouden;

c. in strijd met eerdere beloftes onvoldoende in kwaliteitsaandelen heeft belegd;

d. zonder redelijk doel een deel van het vermogen in eigen beleggingsfondsen heeft belegd, teneinde zoveel mogelijk provisie te verdienen;

e. gedurende een lange periode van dalende koersen en grote onzekerheid geen beschermingsmaatregelen heeft genomen;

f. heeft nagelaten A deugdelijk te informeren en met hem in overleg te treden over de ontwikkelingen in de markt, de (voorziene) prestaties van de portefeuille en de mogelijkheden tot wijziging van de portefeuille en bescherming tegen buitensporige verliezen;

g. heeft verzuimd A te waarschuwen, zowel bij aanvang als tijdens het beheer, voor de risico’s die waren verbonden aan het gevoerde beleggingsbeleid.

3.3. A stelt als gevolg van het door Optimix gevoerd vermogensbeheer schade te hebben geleden die hij begroot op het verschil tussen de door Optimix gerealiseerde waarde van de belegging per 28 februari 2006 en het fictief te behalen resultaat bij een juist en passend beleid, te weten:

primair: het resultaat bij een 70% belegging in aandelen overeenkomstig de MSCI World Index en 30% belegging in obligaties overeenkomstig de CBS-obligatie-index tot 01 januari 2004 en vanaf die datum overeenkomstig de rendementsontwikkeling van de jongste staatsobligatie, zijnde € 353.287,00;

subsidiair: het resultaat bij een 100% belegging overeenkomstig de MSCI World Index, zijnde € 222.370,00.

3.4. Optimix voert verweer. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4. De beoordeling

beleggingsdoelstelling en -bestemming

4.1. Partijen hebben een vermogensbeheerovereenkomst gesloten op basis waarvan Optimix zelfstandig en naar eigen inzicht het vermogen van A zou beleggen. Bij de uitvoering van die overeenkomst diende Optimix te handelen overeenkomstig hetgeen een redelijk handelend en redelijk vakbekwaam vermogensbeheerder betaamt. Dat brengt onder meer met zich dat Optimix bij A voldoende informatie moest inwinnen om zich ervan te vergewissen dat het door haar ten behoeve van A te voeren beheer aansloot bij zowel het doel dat A met het te beleggen vermogen voor ogen stond als de door A voorziene bestemming van het te beleggen vermogen.

4.2. Niet in geschil is dat het beleggingsbeleid zoals dat in de overeenkomst is vastgelegd – voornamelijk gericht op (internationale) aandelenbeleggingen en met de mogelijkheid van een effectenkrediet tot 100% van de oorspronkelijke inleg - moet worden aangemerkt als zeer offensief. Optimix stelt dat dat beleid op nadrukkelijke wens van A tot stand is gekomen. A bestrijdt dat niet. Hij erkent ook dat de overeenkomst, inclusief de in bijlage 2 opgenomen doelstelling, een juiste weergave is van hetgeen voorafgaand aan het sluiten daarvan met Optimix is besproken. A stelt echter aan Optimix te hebben aangegeven dat zijn inleg bestemd was voor zijn oudedagsvoorziening, althans dat Optimix dit had moeten begrijpen of door middel van eigen onderzoek en gedegen bevraging van A boven tafel had moeten krijgen.

4.3. Optimix betwist dat A ooit heeft medegedeeld dat het door hem ingelegde vermogen een pensioenbestemming had. Integendeel, A heeft bij Optimix aangedrongen op een offensief beleggingsbeleid en zich akkoord verklaard met de wijze waarop dat beleid en de beleggingsdoelstelling is verwoord in de overeenkomst. A heeft het offensieve karakter zelfs aangescherpt door de mogelijkheid van debetstanden te bedingen alsmede een vergoedingstructuur te verlangen die de beheerder expliciet aanmoedigt om een bovengemiddelde waardevermeerdering van de portefeuille na te streven.

Optimix meent dat er geen aanleiding bestond om er desalniettemin vanuit te gaan dat, dan wel nader te onderzoeken of het door A ingelegde vermogen een pensioenbestemming had. Uit de bij B op basis van de voorafgaande vermogensadviesrelatie bij ING bestaande kennis, alsook uit de gesprekken voorafgaand aan de overeenkomst kon en mocht Optimix immers begrijpen dat A een vermogend man was, die behalve bij Optimix ook een beleggingsporteuille aanhield bij één of meerdere andere vermogensbeheerders. Bovendien bleek A een goed opgeleide en maatschappelijke actieve man te zijn die op grond van zijn - bij Optimix bekende - beleggingsverleden bij ING kon worden aangemerkt als een ervaren belegger. A had bij ING gedurende vijf jaren zelf zijn beleggingsbelissingen genomen, volgde daarbij een offensieve strategie en was bekend met de risico’s van bepaalde effecten en van het beleggen met geleend geld.

Het door A gewenste en door Optimix vastgelegde beleid paste dan ook bij zijn risicobereidheid en financiële positie, zoals die voor Optimix kenbaar was bij het aangaan van de overeenkomst. Tegen die achtergrond was Optimix niet gehouden tot nader onderzoek naar of intensievere bevraging van A, aldus nog steeds Optimix.

4.4. Gelet op deze gemotiveerde betwisting door Optimix had het op de weg van A gelegen om zijn stelling, dat hij melding heeft gemaakt van een pensioenbestemming, nader te concretiseren en te onderbouwen. Temeer, nu A dat eerst in deze procedure aanvoert en daarvan bijvoorbeeld in de aansprakelijkstelling van 25 juni 2003 (zie hiervoor 2.14) geen melding maakt.

Nu hij dat nalaat en daarvan ook overigens niet blijkt uit de door hem overgelegde stukken, kan de juistheid van de juistheid van die stelling niet worden uitgegaan.

4.5. De stelling dat Optimix desondanks had moeten begrijpen dat, dan wel had moeten onderzoeken of het ingelegde vermogen een pensioenbestemming had, kan A ook niet baten. Uit de enkele omstandigheden dat A bij het aangaan van de overeenkomst 53 jaar oud was, overging van een adviesrelatie bij de ING naar een beheerrelatie bij Optimix en had aangegeven bij Optimix rustig aan te willen beginnen, kan die conclusie niet worden getrokken. Door verder uitvoerig te betogen dat Optimix op onderdelen een verkeerde voorstelling had van het vermogen van A en van zijn maatschappelijke functies, gaat A voorbij aan de kern van de zaak. Hij laat namelijk onbetwist, althans onvoldoende gemotiveerd betwist, dat hij voor zijn pensioen niet (in belangrijke mate) afhankelijk was van het door Optimix beheerde vermogen. Bovendien laat zijn betoog onverlet dat hij een dusdanige opleiding en ervaring (zowel maatschappelijk als financieel) had, dat van hem verwacht mocht worden dat hij het belang ervan zou inzien om de beweerdelijk door hem voorziene pensioenvoorziening expliciet te melden - zoals Optimix terecht heeft tegengeworpen - en in verband daarmee aan te dringen op een (veel) behoedzamer beleggingsbeleid.

4.6. De stelling dat Optimix haar zorgplicht tegenover A heeft verzaakt bij de vaststelling van het beleggingsbeleid treft dus geen doel.

4.7. Ter beoordeling staat vervolgens of Optimix het overeengekomen beleid deugdelijk heeft uitgevoerd.

4.8. De rechtbank stelt voorop dat A door ondertekening van de overeenkomst aan Optimix de vrije hand heeft gegeven bij de keuze van de wijze van belegging en herbelegging van het in beheer gegeven vermogen. Dit brengt mee dat uit het enkele feit dat de waarde van de portefeuille van A is gedaald, niet kan worden afgeleid dat Optimix tekort is geschoten in de nakoming van de overeenkomst. Teminder, daar het overeengekomen beleid was gericht op een lange beleggingshorizon. De kwaliteit van het door Optimix gevoerde beheer kan dan niet worden beoordeeld op basis van de resultaten in een periode van slechts vijf jaar.

4.9. Tegen deze achtergrond zal de rechtbank de specifieke verwijten van A hierna puntsgewijs beoordelen.

asset allocatie

4.10. Het verwijt dat Optimix het beschikbare vermogen van A overwegend in (internationale) aandelen heeft belegd, faalt reeds daarom, omdat Optimix daartoe op grond van de overeenkomst gehouden was.

sectorallocatie

4.11. A verwijt Optimix voorts dat zij in de beleggingsportefeuille teveel in ICT aandelen heeft belegd - tot meer dan 50% van de portefeuille - en dan met name in de periode dat in die sector de grootste verliezen werden geleden. Optimix stelt daar tegenover dat de portefeuille van A, zoals alle portefeuilles van Optimix, standaard opgebouwd was volgens de sectorindeling van BMI/Citigroup. Daarbij heeft zij over- en onderwegingen aangebracht ten opzichte van genoemde referentie-index om de kans op een beter resultaat dan die index te vergroten. De overweging in de ICT-sector is volgens Optimix nooit buitensporig geweest, niet ten opzichte van BMI/Citigroup, noch ten aanzien van andere relevante referentie-indices. Zij legt daartoe een overzicht over (productie 4 bij antwoord), waarin de opbouw van de portefeuille van A wordt afgezet tegen verschillende referentie-indices in de periode van 30 december 2000 t/m 31 maart 2003. Overigens betwist Optimix dat op een bepaald moment meer dan 50% van het door A ingelegde vermogen in de ICT-sector zou zijn belegd. Het percentage heeft ten hoogste een korte tijd rond een derde van de portefeuille geschommeld, aldus Optimix. Ter staving daarvan legt zij een overzicht over van de sectorspreiding van de portefeuille van A in de periode van 30 december 2000 t/m 31 maart 2003 (productie 5 bij antwoord), waarin zowel de spreiding van de individuele aandelen als die van de verschillende beleggingsfondsen wordt weergegeven.

4.12. Niet in geschil is dat Optimix - gegeven de vrije hand, de beleggingsdoelstelling en –horizon - niet alleen de vrijheid had, maar zelfs de plicht om binnen redelijke grenzen af te wijken van de door haar gehanteerde internationale aandelenindices teneinde het beoogde betere beleggingsresultaat te behalen. Optimix heeft gemotiveerd uiteengezet en cijfermatig onderbouwd waarom de overweging in de ICT-sector naar haar mening, met de kennis van toen, nooit onredelijk is geweest, noch in absolute aantallen noch als percentuele afwijking van de referentie-indices. Gelet daarop had het op de weg van A gelegen om concreet aan te geven op welke punten en waarom de analyse van Optimix naar zijn stelling onjuist zou zijn of waarom de absolute omvang van het ICT-gedeelte of de afwijking daarvan ten opzichte van de referentie-indices op enig moment de grenzen van het redelijke zou hebben overschreden. Hij heeft dat echter niet gedaan.

kwaliteitsaandelen

4.13. Ook de stelling dat Optimix in strijd met haar belofte (direct of indirect) heeft belegd in ondernemingen die geen gezonde winstgroei en cashflow, geen dominante marktpositie en/of geen sterk management hadden, wordt onvoldoende concreet door A onderbouwd. Algemene verwijzingen naar de beweerde aard van sommige fondsen kunnen daartoe niet volstaan.

beleggingsfondsen

4.14. A verwijt Optimix verder een deel van zijn vermogen te hebben belegd in beleggingsfondsen en dan ook nog deels in een Optimix huisfonds. Dat was niet in het belang van A, aangezien het beschikbare vermogen voldoende was om rechtstreeks in de betreffende sectoren te beleggen. Bovendien liet Optimix A op die manier dubbel betalen, te weten de eigen beheervergoeding plus de doorberekende beheerkosten van het betreffende beleggingsfonds, aldus A.

Optimix stelt daar tegenover dat A vanaf de aanvang van de relatie ervan op de hoogte was dat deels via beleggingsfondsen zou worden belegd. Zij verwijst daartoe naar de door A overgelegde presentatie van Optimix aan A in oktober 2000 (zie hiervoor 2.3) alsmede naar de overeengekomen vergoedingstructuur in de side letter bij de overeenkomst (zie 2.10). In die side letter is bovendien expliciet opgenomen dat over het deel van het vermogen dat belegd is in huisfondsen van Optimix, geen beheervergoeding verschuldigd is. Van dubbele kosten was bij de belegging in huisfondsen dus geen sprake.

Bij andere beleggingsfondsen was dat wel het geval. Optimix stelt echter dat de totale kosten van aan- en verkopen via beleggingsfondsen lager zijn dan de kosten van het individueel aan- en verkopen van kleine aantallen aandelen. Dit, omdat beleggingsfondsen op veel grotere schaal handelen en de kosten door een groot aantal beleggers wordt gedragen. Gelet daarop achtte Optimix het in bepaalde gevallen verstandiger om te beleggen in beleggingsfondsen om zo tegen relatief lage kosten een goede spreiding in de portefeuille te kunnen bewerkstelligen.

A heeft de juistheid van het door Optimix gestelde niet inhoudelijk betwist, zodat daarvan wordt uitgegaan.

beschermingsmaatregelen

4.15. A meent voorts dat Optimix ten tijde van het instorten van de “nieuwe economie”, in elk geval vanaf de eerste helft van 2002, beschermingsmaatregelen had moeten nemen om buitensporige waardevermindering van de portefeuille te voorkomen.

Optimix stelt dat ook te hebben gedaan. Zo heeft zij het gebruik van effectenkrediet teruggedraaid tot nihil en vanaf februari 2002 juist liquiditeiten aangehouden, oplopend tot bijna 35% van de portefeuille in juli 2002. Ter onderbouwing daarvan brengt zij een samenvatting in het geding van de maandelijkse cashpositie binnen de portefeuille van A over de totale looptijd. Verder meent Optimix dat zij, gegeven de destijds gangbare inzichten en opvattingen in de sector, het ICT-belang voldoende voortvarend heeft teruggebracht.

A brengt daar niets tegenin, maar volhardt slechts in zijn stelling, zonder nadere onderbouwing, dat beschermingsmaatregelen achterwege zijn gebleven en dat Optimix pas eind 2002 iets voorzichtiger is gaan opereren. Ook dit verwijt mist dus voldoende feitelijke onderbouwing.

informatievoorziening en waarschuwing tegen risico’s

4.16. De stelling van A, dat Optimix hem onvoldoende heeft geïnformeerd over en gewaarschuwd tegen de ontwikkeling van de portefeuille, gaat ten slotte niet op.

De rechtbank wijst in dat verband op hetgeen in 2.11 is vastgesteld omtrent de periodieke berichtgeving door Optimix alsmede op wat hiervoor in 4.5 is overwogen ten aanzien van de opleiding en ervaring van A. Tegen die achtergrond kan, zonder nadere onderbouwing, die ook hier ontbreekt, niet worden aangenomen dat Optimix tekort is geschoten in haar informatieplicht. Het enkele feit dat in de periodieke rapportage geen referentie-indices waren opgenomen, maakt dat niet anders. Niet betwist is immers dat die indices, zeker voor iemand met de opleiding en ervaring A, eenvoudig toegankelijk waren, terwijl bovendien in deze procedure niet is vast komen te staan dat Optimix in onredelijke mate van die indices is afgeweken. Optimix was, anders dan A stelt, evenmin gehouden eigener beweging met hem in contact te treden om te bezien of hij wellicht een ander beleggingsbeleid wenste. Het was immers aan Optimix om, zoals zij ook heeft gedaan, binnen de in de overeenkomst vastgestelde kaders - offensieve beleggingsstrategie met een lange beleggingshorizon - zelfstandig en naar eigen inzicht het in beheer gegeven vermogen te beleggen. Daarbij lag het op de weg van A om, indien hij zich naar aanleiding van de uit de maandelijkse rapportages blijkende ontwikkeling van de portefeuille niet langer met het vastgelegde beleggingsbeleid kon verenigen, Optimix te verzoeken dat beleid aan te passen. Dat heeft hij echter niet gedaan.

Ook de stelling dat Optimix hem onvoldoende zou hebben gewaarschuwd voor de aan zijn beleggingen verbonden risico’s kan A - zo al juist - niet baten. Gesteld noch gebleken is dat en in hoeverre A onvoldoende inzicht zou hebben gehad in de aan het in de overeenkomst vastgelegde en vervolgens uitgevoerde beleggingsbeleid verbonden risico’s. Onder deze omstandigheden kan zonder nadere toelichting, die ontbreekt, niet worden aangenomen dat een meer uitdrukkelijke waarschuwing van de zijde van Optimix tot een keuze voor een ander, minder risicovol beleggingsbeleid zou hebben geleid.

4.17. Het voorgaande leidt tot de slotsom dat de vorderingen moeten worden afgewezen.

4.18. A zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van Optimix worden begroot op:

- vast recht 4.667,00

- salaris procureur 8.000,00 (4,0 punten × tarief EUR 2.000,00)

Totaal EUR 12.667,00

Zoals door Optimix gevorderd, wordt de kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad verklaard.

5. De beslissing

De rechtbank

5.1. wijst de vorderingen af,

5.2. veroordeelt A in de proceskosten, aan de zijde van Optimix tot op heden begroot op EUR 12.667,00,

5.3. verklaart dit vonnis wat de kostenveroordeling betreft uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. G.W.K. van der Valk Bouman, mr. S.F. van Merwijk en mr. A.W.H. Vink en in het openbaar uitgesproken op 6 februari 2008.?