Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2008:BD5592

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
13-06-2008
Datum publicatie
27-06-2008
Zaaknummer
AWB 07/3337 WRO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Ruimtelijke ordening. Ondanks afwijking van gebiedsgerichte welstandscriteria uit de Welstandsnota, positief advies van de welstandscommissie omdat bouwplan wel voldoet aan redelijke eisen van welstand.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Amsterdam

Sector Bestuursrecht

meervoudige kamer

UITSPRAAK

in het geding met registratienummer AWB 07/3337 WRO

tussen:

[eisers], allen wonende te Hilversum,

eisers,

vertegenwoordigd door mr. J.P.P. Latour,

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Hilversum,

verweerder,

vertegenwoordigd door mr J. Oosterhof.

Tevens heeft als partij aan het geding deelgenomen:

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Interkoop Properties B.V.,

gevestigd te Maarssen,

vergunninghoudster,

vertegenwoordigd door R. Wittermans.

1. PROCESVERLOOP

De rechtbank heeft op 21 augustus 2007 een beroepschrift ontvangen gericht tegen het besluit van verweerder van 20 juli 2007.

Het onderzoek is gesloten ter zitting van 22 mei 2008.

2. OVERWEGINGEN

Bij besluit van 23 augustus 2006 heeft verweerder aan Maarssens Bouwbedrijf B.V. bouwvergunning verleend voor het oprichten van een appartementengebouw van 2 bouwlagen en daarboven een penthouse achter de villa aan [adres 1] te Hilversum. Na ontvangst van de verklaring van geen bezwaar van Gedeputeerde Staten van Noord-Holland van 30 mei 2006 heeft verweerder vrijstelling als bedoeld in artikel 19, eerste lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (WRO) verleend voor de bouw van een nieuw hoofdgebouw ter vervanging van de te slopen aanbouw van de villa. De vrijstelling is verleend omdat op het perceel volgens het geldende bestemmingsplan “Villagebied I” alleen een hoofdgebouw gebouwd mag worden, voorts ten behoeve van het overschrijden van de maximaal toegestane goothoogte van 7,5 meter tot 9,5 meter, vanwege het ontbreken van een kap en omdat de minimaal toelaatbare afstand tot de dichtstbijzijnde hoofdgebouwen aan [adres 2] niet 20 meter maar 17,5 meter wordt.

Eisers hebben bezwaar gemaakt tegen dit besluit, samengevat omdat de nieuwbouw dichter bij de omliggende gebouwen komt te liggen en niet is voorzien van een kap maar van een extra woonlaag die bovendien wordt voorzien van balkons.

Na vaststelling op 8 juni 2005 en goedkeuring op 10 januari 2006 is het bestemmingsplan “Noordwestelijk Villagebied” op 28 april 2006 in werking getreden. Bij uitspraak van 21 februari 2007 van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (LJN: AZ8996, Raad van State , 200601037/1) is het besluit van het college van gedeputeerde staten van Noord-Holland van

10 januari 2006, kenmerk 2005-29107, voor zover het betreft de goedkeuring van de plandelen met de bestemming "Wonen" die zijn gelegen in deelgebied 1, vernietigd.

Bij het bestreden besluit van 10 juli 2007 heeft verweerder onder verwijzing naar het advies van de Commissie Bezwaarschriften het bezwaar van eisers ongegrond verklaard.

De rechtbank overweegt het volgende.

Ten tijde van het bestreden besluit was voor de gronden waarop het bouwplan is gesitueerd het bestemmingsplan "Villagebied" van kracht, waarin de gronden zijn aangewezen als ‘Primair woongebied met ecologische, landschappelijke en culturele waarden’. Blijkens de plankaart van het bestemmingsplan geldt ter plaatse van het perceel de bestemming ‘Maatschappelijke doeleinden’ (‘M’). Ingevolge artikel 22, tweede lid, van de planvoorschriften is het perceel tevens bestemd voor woondoeleinden.

Van de kant van eisers is aangevoerd dat de bouwvergunning op diverse punten strijdig is met zowel het bestemmingsplan Villagebied als het in het in voorbereiding zijnde bestemmingsplan Noordwestelijk Villagebied. Gelet op de omstandigheid dat het bestemmingsplan Noordwestelijk Villagebied voor wat betreft dit perceel ten tijde van het bestreden besluit niet van kracht was, heeft verweerder naar het oordeel van de rechtbank het bouwplan terecht getoetst aan het bestemmingsplan Villagebied. Het bouwplan is op enkele onderdelen strijdig met het bestemmingsplan “Villagebied”. Om die reden heeft verweerder vrijstelling verleend.

De rechtbank stelt evenwel vast dat het bouwplan grotendeels in overeenstemming is met het bij besluit van 18 december 2007 opnieuw gedeeltelijk goedgekeurde bestemmingsplan Noordwestelijk Villagebied (ook: het nieuwe bestemmingsplan). De stelling van eisers dat het bouwplan in strijd is met dit nieuwe bestemmingsplan berust op een onjuiste feitelijke grondslag, nu dit bestemmingsplan voorziet in een bebouwingsvlak voor het appartementengebouw en het bouwplan voor wat betreft de situering, het aantal hoofdgebouwen en de bouwhoogte aan het inmiddels in werking getreden bestemmingsplan voldoet. Gelet hierop hebben eisers geen belang meer bij de bespreking van de hierop gerichte beroepsgronden.

Voor wat betreft de beroepsgronden gericht tegen een derde bouwlaag met een lessenaarsdak in plaats van een kap heeft verweerder in het bestreden besluit die keuze naar het oordeel van de rechtbank toereikend gemotiveerd, onder meer door te verwijzen naar de mogelijkheid om in het nieuwe bestemmingsplan via vrijstelling af te wijken van de uitgangspunten in de Beschrijving in Hoofdlijnen (artikel 10, vierde lid en artikel 11 van de voorschriften bij het nieuwe bestemmingsplan). Verweerder heeft er op gewezen dat een traditionele kap niet heilig is in het onderhavige plangebied en dat het bestemmingsplan vooral de reeds bestaande traditionele kappen beoogt te beschermen. Voorts heeft verweerder aangegeven dat de nadelen van een bewoonbare kap, in de vorm van aantasting van de kap door loggia’s, balkons en dergelijke zich hier niet voordoen. De derde bouwlaag is teruggelegd ten opzicht van de ondergelegen bouwlagen. De rechtbank is van oordeel dat verweerder in redelijkheid vrijstelling voor het lessenaarsdak heeft kunnen verlenen.

Eisers hebben zich op het standpunt gesteld dat het advies van de commissie voor welstand en monumenten ondeugdelijk is, dat sprake is van strijd met de gemeentelijke welstandsnota, dat ten onrechte is afgeweken van de gebiedsgerichte welstandscriteria en dat verweerder ten onrechte gebruik heeft gemaakt van de afwijkingsbevoegdheid.

Verweerder heeft erop gewezen dat de welstandscommissie een positief advies heeft uitgebracht op

18 mei 2006 en dat de welstandscommissie bij brief van 12 februari 2007 een reactie heeft gegeven op de door eisers ingebrachte bezwaren. In deze brief is uitvoerig gemotiveerd om welke redenen het bouwplan, hoewel het niet voldoet aan de gebiedsgerichte welstandscriteria uit de Welstandsnota Hilversum (met name de eis dat hoofdgebouwen nadrukkelijk georiënteerd zijn op de belangrijkste openbare ruimte) voldoet aan redelijke eisen van welstand.

De rechtbank stelt vast dat de Welstandsnota Hilversum op pagina 13 de volgende passage bevat:

“Het kan in een enkel geval voorkomen dat de gebiedsgerichte c.q. objectgerichte welstandscriteria ontoereikend of te beperkend zijn. Het kan gebeuren dat een plan wel voldoet aan redelijke eisen van welstand, maar niet aan de gebiedsgerichte c.q. objectgerichte criteria. Daarom zijn in de welstandsnota ook algemene criteria opgenomen. Daarmee kan een bouwplan geheel op zichzelf, op het eigen architectonische vakmanschap worden beoordeeld. Deze algemene welstandscriteria kunnen niet te pas en te onpas worden gebruikt. Ze zijn voor de onverwachte, experimentele of opvallende bouwwerken. Als stelregel geldt daarbij dat er hogere eisen worden gesteld aan de zeggingskracht en het architectonische vakmanschap naarmate een bouwwerk zich sterker van zijn omgeving onderscheidt. (…)”.

Gelet op deze passage is de rechtbank van oordeel dat verweerder zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat de welstandsnota zelf ruimte biedt voor afwijking van de gebiedsgerichte criteria. De rechtbank gaat er, gelet op de voorgeschiedenis van dit project, ingegeven door de wens tot behoud van de villa, van uit dat hier in redelijkheid kan worden gesproken van een onverwachte situatie als hiervoor bedoeld, waarin in redelijkheid van de gebiedsgerichte criteria kan worden afgeweken.

De rechtbank is van oordeel dat nu de welstandsnota zelf ruimte biedt voor afwijking van de gebiedsgerichte criteria en de welstandscommissie de keuze voor afwijking van de gebiedsgerichte criteria deugdelijk heeft gemotiveerd, verweerder niet onzorgvuldig heeft gehandeld door dit advies over te nemen en aan het bestreden besluit ten grondslag te leggen. De beroepsgronden dat het advies in strijd is met de welstandsnota dan wel dat dit advies inhoudelijk niet concludent zou zijn en door verweerder niet had mogen worden overgenomen, slagen mitsdien niet.

Eisers hebben er naar het oordeel van de rechtbank terecht op gewezen dat verweerder zijn besluit tot toepassing van de inherente afwijkingsbevoegdheid als bedoeld in artikel 4:84 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), niet heeft gemotiveerd. De rechtbank heeft hierboven evenwel al vastgesteld dat verweerder het positieve advies van de welstandscommissie heeft mogen overnemen en aan zijn besluit ten grondslag heeft mogen leggen. De aanwending van artikel 4:84 van de Awb was mitsdien overbodig. Nu het bestreden besluit ook zonder toepassing van artikel 4:84 van de Awb stand houdt, levert dit geen grond op voor vernietiging van het bestreden besluit.

Gelet voorts op het feit dat inmiddels een nieuw bestemmingsplan in werking is getreden dat de bestreden situering van het bouwplan toestaat, zou verweerder thans ook de gebiedscriteria uit de welstandsnota met toepassing van artikel 12, derde lid, van de Woningwet, buiten toepassing kunnen laten.

Al hetgeen eisers overigens nog hebben aangevoerd leidt niet tot een ander oordeel.

Het beroep is ongegrond. De rechtbank ziet geen aanleiding voor vergoeding van griffierecht of voor een veroordeling in de proceskosten.

3. BESLISSING

De rechtbank:

- verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan op 13 juni 2008 door mr. Y.A.A.G. de Vries, voorzitter,

mrs. N.M. van Waterschoot en N.J. Koene, rechters, in tegenwoordigheid van B.O. Schaafsma, griffier, en bekend gemaakt door verzending aan partijen op de hieronder vermelde datum.

De griffier, De rechter,

Tegen deze uitspraak kunnen een belanghebbende en het bestuursorgaan gedurende zes weken na toezending van deze uitspraak hoger beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State te ’s-Gravenhage.