Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2008:BD5591

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
09-06-2008
Datum publicatie
27-06-2008
Zaaknummer
awb 07-1114 csv
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Premieheffing. De werknemers hebben een arbeidspatroon, waarbij enkele maanden verblijf op een zeeschip wordt afgewisseld met enkele maanden verlof. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder de dagen van de maanden waarin de werknemers verlof genieten ten onrechte aangemerkt als loondagen in de zin van artikel 9 CSV.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Amsterdam

Sector Bestuursrecht Algemeen

enkelvoudige kamer

Uitspraak

in het geding met reg.nr. AWB 07/1114 CSV

van:

Holland America Line (HAL) Beheer B.V., gevestigd te Spijkenisse, eiseres,

vertegenwoordigd door mr. N.A. van Dijk,

tegen:

de Stichting “Algemeen Ziekenfonds voor Zeelieden” (AZVZ), gevestigd te Amsterdam, verweerder, vertegenwoordigd door mr. M. Wiersma en E.W. Weisfelt.

1. PROCESVERLOOP

De rechtbank heeft op 12 maart 2007 een beroepschrift ontvangen gericht tegen het besluit van verweerder van 29 januari 2007.

Het onderzoek is gesloten ter zitting van 30 mei 2008.

2. OVERWEGINGEN

Feiten

Een aantal werknemers van eiseres werkte in 2005 aan boord van zeeschepen in een arbeidspatroon waarbij enkele maanden verblijf op een schip werden afgewisseld met enkele maanden verlof. De volgende vaar-verlofschema’s waren van toepassing:

- 4 maanden op/ 2 maanden af;

- 3 maanden op/ 3 maanden af; en

- 3 maanden op/ 2 maanden af.

Dit schema is gebaseerd op een reglement dat deel uitmaakt van de Collectieve arbeidsovereenkomst die tussen eiseres en Nautilus-NL (een werknemersvereniging voor maritieme professionals) is gesloten.

Gedurende de maanden waarin niet wordt gewerkt, wordt het loon aan de werknemers doorbetaald.

Bij besluit van 14 april 2006 heeft verweerder aan eiseres een afrekeningnota (met betrekking tot de ziekenfondspremie) over het jaar 2005 gezonden. Deze afrekeningsnota was gebaseerd op de aanname van verweerder dat de dagen van de maanden waarin de werknemers verlof genoten, moeten worden aangemerkt als loondagen in de zin van artikel 9, eerste lid, van de Coördinatiewet Sociale Verzekering (CSV).

Eiseres heeft bezwaar gemaakt tegen dit besluit. Daarbij heeft zij onder andere verwezen naar de uitspraken van de Centrale Raad van beroep (CRvB) van 28 juli 2005 (onder andere LJN: AU0332). Tevens heeft zij stukken overgelegd waaruit blijkt dat het Uitvoeringsinstituut Werknemersverzekeringen (UWV) over het jaar 2005 de verlofdagen van de werknemers niet heeft aangemerkt als loondagen in de hiervoor bedoelde zin. Eiseres heeft verzocht om teruggave van de teveel betaalde premie.

Bij het bestreden besluit is het bezwaar ongegrond verklaard en het primaire besluit gehandhaafd, waarna eiseres beroep heeft ingesteld.

Eiseres heeft zich onder verwijzing naar het repeterend karakter van de perioden waarin wel en niet wordt gewerkt op het standpunt gesteld dat het arbeidspatroon van de werknemers moet worden aangemerkt als ploegendienst. Voorts heeft zij gesteld dat de dagen waarop niet wordt gewerkt niet kunnen worden aangemerkt als verlofdagen, omdat uit het reglement bij de Cao blijkt dat de werknemers niet zelf kunnen bepalen wanneer zij verlof opnemen. Verder heeft zij gesteld dat verweerder in het bestreden besluit niet zonder meer voorbij had mogen gaan aan het standpunt van het uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen dat de dagen in kwestie niet kunnen worden aangemerkt als loondagen in de zin van artikel 9 van de CSV.

Verweerder heeft aangevoerd dat het arbeidspatroon niet kan worden aangemerkt als een ploegendienst in de zin van artikel 9, vijfde lid, CSV. In de Cao zijn de maanden “af” na de maanden “op” uitdrukkelijk gekwalificeerd als verlofdagen. Per individuele werknemer worden afspraken gemaakt over de maanden waarin wordt gewerkt en waarin verlof wordt genoten. Het verlof wordt dus niet “in ploegen” opgenomen.

Volgens verweerder zijn de verlofdagen op grond van de hierna genoemde Regeling aan te merken als loondagen. Verweerder vindt bevestiging van zijn standpunt in artikel 15, eerste lid, van de Ziekenfondswet (Zfw).

Wettelijk kader

In artikel 9 van de CSV was ten tijde van belang in het eerste en tweede lid het volgende bepaald:

1. Bij de berekening van het loon, waarnaar de premies als gevolg van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering en de Werkloosheidswet worden geheven, blijft het loon, dat bij dezelfde werkgever meer heeft bedragen dan het bedrag, dat wordt verkregen door vermenigvuldiging van een bedrag van ƒ 263,50 met het aantal dagen van het premiebetalingtijdvak, waarover de werknemer loon heeft genoten, voor dat meerdere buiten aanmerking.

2. Het bepaalde in de eerste volzin van het vorige lid vindt overeenkomstige toepassing met betrekking tot de berekening van het loon, waarnaar de premies als gevolg van de Ziekenfondswet worden geheven, met dien verstande dat, … etc.

Het derde en vierde lid van artikel 9 van de CSV bevatten franchisebepalingen ten aanzien van de premie voor de werkloosheid.

In het vijfde lid van artikel 9 van de CSV is bepaald dat indien de werknemer uitsluitend als gevolg van ploegendienst op minder dan vijf dagen per week arbeid verrichtte, hij geacht wordt over het tijdvak, waarin hij in ploegendienst werkzaam was, over vijf dagen per week loon te hebben genoten.

Bij besluit van 3 februari 2004 heeft de Minister een regeling als bedoeld in artikel 9, tiende lid, van de CSV vastgesteld, houdende verduidelijking van het begrip dagen waarover de werknemer loon heeft genoten als bedoeld in artikel 9 van de CSV. Deze regeling (Regeling Loondagen) luidt, voor zover hier van belang, als volgt:

Artikel 1

1. onder dagen waarover de werknemer loon heeft genoten als bedoeld in artikel 9, eerste, derde en vierde lid, van de Coördinatiewet Sociale Verzekering, worden verstaan:

a. dagen waarop de werknemer tegen loon heeft gewerkt of zich tegen loon voor de werkgever beschikbaar heeft gehouden;

b. dagen waarover de werknemer loon heeft genoten op grond van artikel 628, 629 of 639 van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek (BW), of op grond van naar aard en strekking overeenkomstige regelingen voor werknemers met een publiekrechtelijke dienstbetrekking;

c. dagen waarop de werknemer normaal gesproken gewerkt zou hebben maar waarop hij geen werkzaamheden verricht noch zich voor de werkgever beschikbaar houdt en waarover de werkgever, anders dan op grond van artikelen of regelingen, bedoeld in onderdeel b, wel loon betaalt;

d. dagen waarover de werknemer uitkering of toeslag als bedoeld in artikel 3a, tweede en derde lid, van de Coördinatiewet Sociale Verzekering heeft ontvangen.

2. Zo nodig in afwijking van het eerste lid wordt bij dezelfde werkgever een dag slechts eenmaal in aanmerking genomen.

Artikel 7:628 BW heeft betrekking op de loondoorbetalingsverplichting van de werkgever over dagen waarop de werknemer niet heeft gewerkt als gevolg van een oorzaak die in redelijkheid voor rekening van de werkgever dient te komen.

Artikel 7:629 BW bepaalt dat de werkgever (ten dele) het loon doorbetaalt tijdens ziekte of arbeidsongeschiktheid van de werknemer.

Artikel 7:639 BW bepaalt dat de werknemer gedurende zijn vakantie recht op loon behoudt.

In artikel 7:634, eerste lid, BW is bepaald dat de werknemer over ieder jaar waarin hij gedurende de volledige overeengekomen arbeidsduur recht op loon heeft gehad, aanspraak op vakantie heeft van ten minste vier maal de overeengekomen arbeidsduur per week of, of als de overeengekomen arbeidsduur in uren per jaar is uitgedrukt, van ten minste een overeenkomstige tijd.

Overwegingen ten aanzien van het geschil

De omstandigheid dat het UWV heeft besloten dat de perioden waarin de werknemers geen arbeid hebben verricht niet worden aangemerkt als loondagen, neemt niet weg dat verweerder een eigen verantwoordelijkheid ten aanzien van de heffing van premies heeft, en derhalve zelf een beoordeling dient te maken of hier al dan niet sprake is van loondagen. Dat verweerder in het kader van zijn besluitvorming niet is ingegaan op de argumenten van het UWV valt te billijken nu het door eiseres overgelegde besluit geen enkel inzicht geeft in de beweegredenen van het UWV.

De rechtbank is van oordeel dat aan artikel 15 van de Zfw geen argument kan worden ontleend om de perioden waarin niet wordt gewerkt aan te merken als loondagen. Welke dagen voor de premieheffing Zfw in aanmerking dienen te worden genomen, is immers specifiek in artikel 9 van de CSV uitgewerkt.

Artikel 1 van de Regeling is niet van toepassing op de dagen in de maanden waarin de werknemers niet werken wegens verlof. Er is immers geen sprake van dagen waarop de werknemers beschikbaar zijn gebleven om arbeid te verrichten, maar niet hebben gewerkt als gevolg van een omstandigheid die in de risicosfeer van de werkgever valt (artikel 1, eerste lid, onder a en b, van de Regeling waar artikel 7:639 BW wordt genoemd). Ook is er geen sprake van dagen waarop de werknemers vakantie als bedoeld in artikel 7:628 BW hebben genoten (artikel 1, eerste lid, onder b, van de Regeling). Er is hier immers sprake van compensatie in tijd vanwege het langdurige verblijf van de werknemers op schepen, en niet, of slechts zeer ten dele, van vakantiedagen waarop aanspraak bestaat als gevolg van artikel 7:634 BW. Ook is er geen sprake van dagen waarop het loon wordt doorbetaald wegens arbeidsongeschiktheid (artikel 7:629 BW). Tenslotte is er geen sprake van dagen als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder c, van de Regeling, nu de verlofdagen niet kunnen worden aangemerkt als dagen waarop de werknemer normaal gesproken zou hebben gewerkt.

Verweerder heeft gesteld dat in casu geen sprake is van ploegendienst als bedoeld in artikel 9, vijfde lid, van de CSV. Premieheffing uit hoofde van die bepaling over de perioden in geding is dan ook niet aan de orde. Volledigheidshalve merkt de rechtbank op dat gelet op de jurisprudentie niet in te zien valt waarom het arbeidspatroon van de werknemers van eiseres niet zou kunnen worden aangemerkt als ploegendienst. Een principieel onderscheid met de situatie in de offshore, waar een arbeidspatroon van 14 dagen “op” en 14 dagen “af” werd gevolgd, is naar het oordeel van de rechtbank niet aan de orde. Ook in het onderhavige geval is sprake van een repeterend patroon van perioden waarin wordt gewerkt, en waarin verlof wordt genoten. Dat met de werknemers individueel wordt afgesproken in welk vaar-verlofschema zij zullen werken, en dat niet ploegsgewijs wordt aan- en afgemonsterd, doet hier niet aan af. In de jurisprudentie wordt niet de eis gesteld dat per werkploeg afspraken worden gemaakt.

Artikel 9, vijfde lid, van de CSV biedt geen grondslag voor premieheffing over de perioden in geding, gelet op de uitspraken van de CRvB van 28 juli 2005 en 30 maart 2006 (LJN: AU0332 etc. en AW6704). Daarin heeft de Raad overwogen dat het vijfde lid, van artikel 9 van de CSV niet zo ver strekt, dat ook voor weken waarin in het geheel niet wordt gewerkt of, - anders gezegd -, waarin geen dagen zijn aan te wijzen waarover loon wordt genoten, niettemin een aantal van 5 zogeheten loondagen in aanmerking dient te worden genomen. De zinsnede “op minder dan 5 dagen per week arbeid verrichtte” impliceert dat op ten minste één dag arbeid is verricht, dan wel over ten minste één dag loon is genoten

Gezien het hiervoor overwogene is de rechtbank van oordeel dat het bestreden besluit niet berust op een deugdelijke motivering, en daarom strijdt met artikel 7:12 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Daarom zal de rechtbank het beroep gegrond verklaren, het bestreden besluit vernietigen, en verweerder opdragen een nieuw besluit te nemen. Verder zal de rechtbank op na te melden wijze beslissen over te proceskosten en het griffierecht.

3. BESLISSING

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit;

- draagt verweerder op een nieuw besluit op het bezwaar te nemen met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen;

- bepaalt dat de Stichting AZVZ het betaalde griffierecht ter hoogte van € 281,- aan eiseres vergoedt;

- veroordeelt verweerder in de kosten van het geding, aan de zijde van eiseres begroot op

€ 644,- (zegge: zeshonderd en vierenveertig euro), te betalen door de Stichting AZVZ aan eiseres.

Deze uitspraak is gedaan op 9 juni 2008, door mr. T.P.J. de Graaf, rechter,

in tegenwoordigheid van mr. R.A.M. van der Heijden, griffier,

en bekendgemaakt door verzending aan partijen op de hieronder vermelde datum.

De griffier, De rechter,

Tegen deze uitspraak kunnen een belanghebbende en het bestuursorgaan gedurende zes weken na toezending van deze uitspraak hoger beroep instellen bij de Centrale Raad van Beroep te Utrecht.

Afschrift verzonden op:

Doc:B.