Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2008:BD5550

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
26-06-2008
Datum publicatie
26-06-2008
Zaaknummer
AWB 08/2180
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Verzoeker betoogt dat verweerder met de buitenfunctiestelling de uitspraak van de voorzieningenrechter van 22 mei 2008 ondermijnt omdat de materiële en feitelijke uitwerking van de buitenfunctiestelling en schorsing gelijk zijn aan het eerder verleende buitengewoon verlof dat juist bij voornoemde uitspraak van de voorzieningenrechter is geschorst.

De voorzieningenrechter volgt verzoeker daarin niet en komt tot de conclusie dat verweerder in redelijkheid gebruik heeft kunnen maken van zijn bevoegdheid tot buitenfunctiestelling. Nu het besluit tot buitenfunctiestelling naar verwachting in de bezwaarfase stand zal houden, zal het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening worden afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Amsterdam

Sector Bestuursrecht Algemeen

Voorlopige voorzieningen

UITSPRAAK

in het geding met reg.nr. AWB 08/2180 AW

tussen

[verzoeker],

wonende te [woonplaats],

verzoeker,

vertegenwoordigd door mr. W. de Klein,

en

de korpsbeheerder van de politie Amsterdam-Amstelland,

verweerder,

vertegenwoordigd door mr. Y. Kuijt.

1. PROCESVERLOOP

De voorzieningenrechter (hierna: de rechter) heeft een verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening ontvangen. Dit verzoek hangt samen met het bezwaarschrift van 4 juni 2008 gericht tegen het besluit van verweerder van 2 juni 2008 (hierna: het bestreden besluit).

Het onderzoek is gesloten ter zitting van 19 juni 2008.

2. OVERWEGINGEN

Ingevolge artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) dient te worden nagegaan of onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, het treffen van een voorlopige voorziening vereist. Bij de vereiste belan¬genafweging gaat het om een afweging van enerzijds het belang van de verzoeker dat een onverwijlde voorziening wordt getroffen en anderzijds het door de onmiddellijke uitvoering van het besluit te dienen belang.

Voor zover de toetsing meebrengt dat een oordeel wordt gegeven over het geschil in de bodemprocedure, heeft dit oordeel een voorlopig karakter en is dit niet bindend voor de beslissing in de bodemprocedure.

Verzoeker is sinds 1 juli 1987 in dienst bij de (rechtsvoorganger van de) Regiopolitie Amsterdam-Amstelland en is thans in vaste dienst aangesteld als generalist in de rang van hoofdagent bij het team hondengeleiders van de Dienst Executieve Ondersteuning.

Op 6 februari 2008 is verzoeker gehoord in verband met een oriënterend feitenonderzoek naar plichtsverzuim waarbij aandacht is besteed aan omgangsvormen, groepscultuur, diensttijd-roostertijd en gebruik van dienstmiddelen. Van dit verhoor is een rapportage opgemaakt.

Bij besluit van 6 februari 2008 heeft verweerder verzoeker met onmiddellijke ingang buitengewoon verlof verleend met behoud van bezoldiging en verzoeker de toegang tot de werkplek ontzegd. Verweerder heeft daartoe overwogen dat uit onderzoek is gebleken dat een aantal hondengeleiders mogelijk in diensttijd seksuele contacten heeft gehad met een agente in opleiding. Tevens zijn er volgens verweerder aanwijzingen dat bij het team hondengeleiders sprake is van een werksfeer waardoor het melden aan leidinggevenden van misstanden of ongewenst gedrag van collega’s sterk wordt afgeremd. Uit het onderzoek is naar voren gekomen dat meerdere hondengeleiders zich mogelijk schuldig hebben gemaakt aan plichtsverzuim. Hierin ziet verweerder aanleiding om in de ontstane groepscultuur in te grijpen. Deze omstandigheden geven, naar het zich laat aanzien, aanleiding om verzoekers aanwezigheid bij de hondengeleiders voor de duur van het onderzoek ongewenst te achten, aldus verweerder.

Verzoeker heeft op 29 februari 2008 tegen dit besluit bezwaar gemaakt en op 11 april 2008 een verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening gedaan.

Bij besluit van 29 april 2008 heeft verweerder het bezwaar ongegrond verklaard. Verzoeker heeft beroep ingesteld tegen deze beslissing op bezwaar.

Bij uitspraak van 22 mei 2008 heeft de voorzieningenrechter van deze rechtbank het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening gedeeltelijk toegewezen in die zin dat het besluit van 6 februari 2008 en het besluit van 29 april 2008 met ingang van 2 juni 2008 worden geschorst tot zes weken na bekendmaking van de uitspraak op het beroep van verzoeker als eiser.

Bij het bestreden besluit heeft verweerder verzoeker op grond van artikel 84, tweede lid, van het Besluit algemene rechtspositie politie (Barp) met onmiddellijke ingang buiten functie gesteld op de navolgende gronden:

1. Verzoeker heeft zich tijdens zijn verhoor niet volledig open en transparant opgesteld. Eerst heeft verzoeker het “schaarincident” afgedaan als een verzinsel. Later heeft verzoeker toegegeven dat het schaarincident wel degelijk heeft plaatsgevonden en dat hij de initiator en de uitvoerder daarvan is geweest. Verzoeker heeft toegegeven dat hij met een collega hondengeleider, die ook gehoord zou worden door Bureau Integriteit, heeft afgesproken om een onwaarachtige verklaring af te leggen.

2. Verzoeker heeft via het voor zakelijke e-mailberichten bestemde politieaccount berichten verstuurd met een privé-karakter of waarvan de inhoud of het daarin gebezigde taalgebruik onbehoorlijk was.

3. Verzoeker heeft verklaard dat hij op verzoek wel eens collega’s heeft opgehaald van het Rembrandtplein na een avondje stappen waarna hij ze heeft gebracht naar de hondenbrigade.

4. Verzoeker heeft in zijn verhoor erkend bepalend te zijn geweest voor de sfeer en stemming bij het team hondengeleiders.

Verweerder heeft overwogen dat het gedrag van verzoeker, naar het zich thans laat aanzien, zeer ernstig plichtsverzuim oplevert en dat tot de definitieve besluitvorming het niet wenselijk is dat verzoeker weer in dienst komt gelet op het belang van het korps om slechts ambtenaren in functie te hebben waarvan de integriteit en betrouwbaarheid boven twijfel is verheven.

Ter zitting heeft verweerder desgevraagd medegedeeld dat een voornemen tot onvoorwaardelijk strafontslag van verzoeker op grond van artikel 77, eerste lid, en onder j, van het Barp zal volgen. Daarbij zal, gelet op het tijdsverloop sinds de buitenfunctiestelling, verzoeker bij wijze van nadere maatregel eveneens worden geschorst op grond van artikel 84, eerste lid, aanhef en onder b en c van het Barp, aldus verweerder. Om administratieve redenen is dit nog niet formeel bekendgemaakt, maar officiële mededeling volgt binnen enkele dagen.

Verzoeker heeft allereerst aangevoerd dat de door de rechtbank op 18 juni 2008 van verweerder ontvangen stukken als tardief buiten beschouwing dienen te worden gelaten.

De rechter onthoudt zich van een oordeel op dit punt. Zoals uit het navolgende zal blijken, kunnen deze stukken al op inhoudelijke gronden voor de oordeelsvorming in deze zaak buiten beschouwing blijven.

De rechter stelt voorop dat de buitenfunctiestelling (evenals de aangekondigde) schorsing een ordemaatregel is die moet worden bezien in relatie tot het voornemen tot strafontslag. Aan de uitoefening van verweerders bevoegdheid tot het treffen van ordemaatregelen worden dan ook minder zware eisen gesteld voor wat betreft de diepgang van het onderzoek en de toetsing van de beschikbare gegevens dan waar het betreft een in rechte aangevochten strafontslag.

Uit de dossierstukken en het verhandelde ter zitting is naar voorlopig oordeel van de rechter gebleken van ernstige aanwijzingen dat de door verweerder aan de buitenfunctiestelling ten grondslag gelegde omstandigheden zich hebben voorgedaan en dat die van zodanige aard en ernst zijn dat daaraan de kwalificatie (zeer ernstig) plichtsverzuim kan worden verbonden. Daarvoor is kennisname van de op 18 juni 2008 ontvangen stukken niet noodzakelijk. Er is geen aanleiding om in dit opzicht anders te oordelen dan is gedaan door de voorzieningenrechter op 22 mei 2008 ten aanzien van het vermoeden van plichtsverzuim. Hetgeen door verzoeker ter zitting op dit punt naar voren is gebracht, brengt de rechter niet tot een ander oordeel.

Verzoeker betoogt dat verweerder met de buitenfunctiestelling de uitspraak van de voorzieningenrechter van 22 mei 2008 ondermijnt omdat de materiële en feitelijke uitwerking van de buitenfunctiestelling gelijk zijn aan het eerder verleende buitengewoon verlof dat juist bij voornoemde uitspraak van de voorzieningenrechter is geschorst. Dit klemt volgens verzoeker temeer nu de buitenfunctiestelling is gebaseerd op feiten die ten tijde van het verlenen van het buitengewoon verlof ook al bij verweerder bekend waren.

De rechter volgt verzoeker hierin niet. Anders dan verzoeker meent ligt in voornoemde uitspraak van de voorzieningenrechter niet (impliciet) besloten dat verweerder niet tot het treffen van andere ordemaatregelen zou kunnen overgaan. Voornoemde uitspraak ziet waar het betreft de uitgesproken schorsing niet op een ordemaatregel in het algemeen, maar uitsluitend en expliciet op de door verweerder getroffen maatregel ex artikel 39, eerste lid, van het Barp, zijnde het verlenen van buitengewoon verlof.

Het hiervoor liggende bestreden besluit, de buitenfunctiestelling, kent echter een andere juridische grondslag, te weten artikel 84, tweede lid van het Barp.

Dat de buitenfunctiestelling door verzoeker als vergelijkbaar is ervaren met de eerdere verlening van buitengewoon verlof, laat onverlet dat het juridisch gezien om twee verschillende zaken gaat. Dat laatste is maatgevend.

Waar het betreft de oordeelsvorming en afweging in voorlopige voorziening is de huidige feitelijke situatie ook een andere dan op 22 mei 2008. Verweerder heeft ter zitting medegedeeld dat ten aanzien van verzoeker een concreet voornemen tot strafontslag bestaat en dat verzoeker gelet daarop geschorst zal worden. Slechts om administratieve redenen is dit nog niet formeel bekendgemaakt. Hiermee bestaat voor deze procedure voldoende duidelijkheid over de definitieve besluitvorming, en is geen sprake van een maatregel waarvan de duur onvoldoende beperkt is.

Gelet op het voorgaande en na afweging van alle betrokken belangen komt de rechter tot de conclusie dat verweerder in redelijkheid gebruik heeft kunnen maken van zijn bevoegdheid om verzoeker buiten functie te stellen. Nu het bestreden besluit naar verwachting in de bezwaarfase stand zal houden, zal het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening worden afgewezen.

3. BESLISSING

De voorzieningenrechter:

- wijst het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening af.

Deze uitspraak is gedaan op 26 juni 2008 door mr. H.J. Tijselink, rechter,

in tegenwoordigheid van mr. F.Y. van Arnhem-Chau, griffier, en bekendgemaakt door verzending aan partijen op de hieronder vermelde datum.

De griffier, De voorzieningenrechter,

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.

Afschrift verzonden op:

DOC: C