Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2008:BD5014

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
23-06-2008
Datum publicatie
23-06-2008
Zaaknummer
13-997057-06
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:GHAMS:2011:BT8401, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De Amsterdamse rechtbank veroordeelt een verdachte die met anderen vanuit Duitsland een grote hoeveelheid heroïne binnen het grondgebied van Nederland heeft gebracht.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Parketnummer: 13/997057-06

Datum uitspraak: 23 juni 2008

op tegenspraak

VERKORT VONNIS

van de rechtbank Amsterdam, meervoudige strafkamer, in de strafzaak tegen

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1973,

zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland,

wonende te [adres]

De rechtbank heeft beraadslaagd naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen van 19 februari 2008 en 9 juni 2008.

1. Telastelegging

Aan verdachte is telastegelegd dat

hij op of omstreeks 10 mei 2006 te Venlo en/of Rotterdam, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland heeft gebracht, als bedoeld in artikel 1 lid 4 van de Opiumwet, (ongeveer) 204,5 kilogram, in elk geval een hoeveelheid van het materiaal bevattende heroïne, in elk geval een middel vermeld op de bij die wet behorende lijst I;

2. Voorvragen

Art 359a Wetboek van Strafvordering

De verdediging heeft betoogd dat sprake is van een grootschalige misleiding door talloze opsporingsambtenaren en zelfs de officier van justitie, in die zin dat is verhuld dat de zaak tegen verdachte werd gecoördineerd door de DEA. Dat zou blijken uit een door de raadsman ter terechtzitting overgelegd, van het internet gedownload, rapport van het Bureau for International Narcotics and Law Enforcement Affairs, waarin onder meer staat opgenomen ten aanzien van deze zaak: “This investigation was coordinated by DEA and Dutch and Turkish officials”. De verdediging verbindt hieraan de conclusie dat het Openbaar Ministerie niet ontvankelijk dient te worden verklaard in de strafvervolging, dan wel dit tot bewijsuitsluiting moet leiden, dan wel strafvermindering tot gevolg dient te hebben.

De rechtbank verwerpt dit verweer en overweegt hiertoe het volgende:

Er vanaf gezien dat de officier van justitie, na navraag bij de Amerikaanse L.O. en de plaatsvervangend teamleider [plv teamleider], heeft tegengesproken dat er van enige bemoeienis van de DEA sprake is geweest, is om te beginnen de interpretatie van de raadsman dat de DEA de onderhavige opsporingsactiviteiten heeft gecoördineerd niet uit de betrokken zinsnede af te leiden. Weliswaar lijkt er op grond van die zinsnede sprake te zijn van enige betrokkenheid van de DEA bij de opsporingsactiviteiten, maar daaruit valt niet af te leiden dat die betrokkenheid een dusdanig belangrijk karakter had dat de opsporingsambtenaren daar, zonder naar gevraagd te zijn, over hadden moeten verklaren. Dit klemt temeer nu de verdediging, ook die in de zaken van de medeverdachten, van meet af aan de aandacht bij de verhoren vestigde op de onvolkomenheden in de samenwerking tussen de Nederlandse en Turkse autoriteiten en pas in een laat stadium de eerder weergegeven stelling heeft ingenomen.

3. Waardering van het bewijs

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte

op 10 mei 2006 te Rotterdam, tezamen en in vereniging met anderen, opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland heeft gebracht 204 kilogram heroïne.

Voorzover in de telastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in zijn verdediging geschaad.

4. Het bewijs

De rechtbank grondt haar beslissing dat verdachte het bewezen geachte heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat.

5. De strafbaarheid van het feit

Het bewezen geachte feit is volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.

6. De strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.

7. Motivering van de straf en maatregel

De officier van justitie heeft bij requisitoir gevorderd dat verdachte ter zake van het door haar bewezen geachte feit zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 9 jaren, met aftrek van voorarrest.

De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen geachte, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals van een en ander ter terechtzitting is gebleken.

De rechtbank heeft bij de keuze tot het opleggen van een vrijheidsbenemende straf en bij de vaststelling van de duur daarvan in het bijzonder het volgende laten meewegen.

Verdachte heeft met anderen vanuit Duitsland een grote hoeveelheid heroïne binnen het grondgebied van Nederland gebracht. Verdachte heeft hierbij een actieve en belangrijke, organiserende en regisserende, rol gespeeld.

Verdachte heeft vanuit Turkije instructies gegeven aan zijn mededaders omtrent het afhalen van de heroïne op een plaats in Duitsland. Vervolgens heeft verdachte, eenmaal gearriveerd in Duitsland, de heroïne met zijn mededaders vanuit Duitsland naar Nederland gebracht.

Het gaat om een hoeveelheid heroïne die, als die hoeveelheid op de markt was gekomen, zou leiden tot een omvangrijke verdere handel. De internationale illegale handel in harddrugs leidt niet alleen tot een ontwrichting van het beleid dat in de betrokken landen wordt gevoerd om het drugsgebruik te reguleren, maar heeft bovenal een negatieve uitwerking op de reeds bestaande maatschappelijke problematiek die is verbonden aan de handel in en het gebruik van verdovende middelen. Drugsgebruik schaadt de volksgezondheid en wordt zowel direct als indirect in verband gebracht met vele vormen van criminaliteit en overlast. Handelingen die mede tot doel hebben illegaal drugs op de markt te brengen dienen daarom krachtig te worden bestreden.

De rechtbank neemt voorts in overweging dat uit de stukken blijkt dat verdachte ook betrokken is geweest bij een overdracht op Duits grondgebied op 4 april 2006 van verdovende middelen aan twee Nederlandse afhalers, hetgeen betekent dat het bewezen verklaarde feit niet op zichzelf staat.

De rechtbank heeft bij de strafoplegging gelet op een de verdachte betreffend uittreksel justitieel documentatieregister van de Centrale Justitiële Documentatie, gedateerd 12 mei 2006, waaruit blijkt dat verdachte in Nederland niet eerder is veroordeeld.

Gelet op de ernst van het aan verdachte verweten feit en zijn actieve, belangrijke, organiserende en regisserende, rol bij het transport (en betrokkenheid bij een eerdere, niet tenlastegelegde, overdracht van verdovende middelen) is een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van geruime duur passend en geboden.

In straffen die in vergelijkbare gevallen plegen te worden opgelegd, alsmede in de omstandigheid dat verdachte de (financiële) zorg heeft voor drie (kleine) kinderen en de moeder, echtgenote van verdachte, eveneens als medeverdachte berecht wordt in deze zaak, heeft de rechtbank aanleiding gezien bij de strafmaat enigszins af te wijken van hetgeen door de officier van justitie is gevorderd.

Verbeurdverklaring

De in beslaggenomen en niet teruggegeven voorwerpen als genoemd onder de nummers 1 tot en met 25 op de aan dit vonnis als bijlage gehechte beslaglijst, die aan verdachte toebehoren, dienen te worden verbeurd verklaard en zijn daarvoor vatbaar, aangezien met behulp van die voorwerpen het bewezen geachte is begaan.

Onttrekking aan het verkeer

De in beslaggenomen en niet teruggegeven verdovende middelen, te weten:

409 pakken heroïne (genoemd onder nummer 27 op de beslaglijst),

dienen – op de voet van artikel 13a Opiumwet - onttrokken te worden aan het verkeer.

De stukken onder nummer 28 en 29 van de beslaglijst zijn ter terechtzitting door de officier van justitie van de lijst geschrapt.

8. Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf en maatregel zijn gegrond op de artikelen 33, 33a en 47 van het Wetboek van Strafrecht en op de artikelen 2, 10 en 13a van de Opiumwet.

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.

9. Beslissing

Verklaart bewezen dat verdachte het telastegelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 3 is aangegeven.

Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is telastegelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Het bewezen verklaarde levert op:

medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder A van de Opiumwet gegeven verbod.

Verklaart het bewezene strafbaar.

Verklaart verdachte, [verdachte], daarvoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 7 (zeven) jaar.

Beveelt dat de tijd die door veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van die straf in mindering gebracht zal worden.

Verklaart verbeurd:

De voorwerpen als genoemd onder de nummers 1 tot en met 25 op de aan dit vonnis als bijlage gehechte beslaglijst.

Verklaart onttrokken aan het verkeer:

De 409 pakken heroïne, genoemd onder nummer 27 op de aan dit vonnis als bijlage gehechte beslaglijst.

Dit vonnis is gewezen door

mr. F.C. Lauwaars, voorzitter

mrs. M.G. Tarlavski-Reurslag en H.J. Bunjes, rechters,

in tegenwoordigheid van J.O. van Saase-Zaagman, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 23 juni 2008.