Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2008:BD4898

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
20-06-2008
Datum publicatie
20-06-2008
Zaaknummer
13/846005-08
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De rechtbank heeft het bezwaarschrift tegen de dagvaarding van een van de verdachten in het onderzoek rond de Probo Koala gegrond verklaard. Verdachte wordt verweten dat hij feitelijk leiding heeft gegeven aan door andere(n) verichtte verboden gedragingen. De rechtbank is van oordeel dat thans onvoldoende aanwijzingen van schuld zijn. De rechtbank is van oordeel dat het hoogst onwaarschijnlijk is dat zij te zijner tijd na een inhoudelijke behandeling het tenlastegelegde bewezen zal achten.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Parketnummer: 13/846005-08

BESCHIKKING

op het op 6 mei 2008 ter griffie van deze rechtbank ingekomen bezwaarschrift tegen de dagvaarding van:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1951,

wonende te [adres].

1. Inhoud van het bezwaarschrift

Het bezwaarschrift richt zich tegen de op 2 mei 2008 aan de griffier van de rechtbank betekende en aan verdachte per post verzonden dagvaarding onder bovenvermeld parketnummer, waarbij hij is gedagvaard tegen de zitting van de meervoudige economische strafkamer van 26 juni 2008 terzake van de feiten als omschreven in de hierna volgende overgenomen inhoud van de in die dagvaarding opgenomen tenlastelegging. Het betreft hier een zogenaamde regiezitting.

Aan bovenbedoelde gedagvaarde persoon wordt tenlastegelegd dat

Trafigura Beheer B.V. in of omstreeks de periode van 5 juli 2006 tot en met 20 augustus 2006 tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, al dan niet opzettelijk, (gevaarlijke) afvalstoffen heeft overgebracht terwijl werd gehandeld in strijd met het verbod gesteld bij artikel 18, eerste lid, van de EEG-verordening overbrenging afvalstoffen immers heeft/hebben Trafigura Beheer B.V. en/of haar mededader(s), (gevaarlijke) afvalstoffen, te weten afvalstoffen afkomstig van brandstofzuivering met behulp van natriumhydroxide (caustic soda) (zijnde een complex mengsel van water met een extreme zuurgraad en een olieachtige vloeistof, beide verontreinigd met zeer specifieke componenten, waaronder fenolen, disulfiden, mercaptanen, en/of zwavelwaterstof) uitgevoerd uit de Europese Gemeenschap naar een ACS-Staat, te weten Nigeria en/of Ivoorkust, zulks terwijl hij, verdachte, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, aan deze verboden gedraging(en) feitelijke leiding heeft gegeven en/of daartoe opdracht heeft gegeven;

en/of

Trafigura Beheer B.V. in of omstreeks de periode van 5 juli 2006 tot en met 20 augustus 2006 tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, al dan niet opzettelijk, (een) handeling(en) heeft verricht als bedoeld in artikel 2, onder 35 f, van de EG-verordening overbrenging van afvalstoffen, immers heeft/hebben Trafigura Beheer B.V. en/of haar mededader(s), (gevaarlijke) afvalstoffen, te weten afvalstoffen afkomstig van brandstofzuivering met behulp van natriumhydroxide (caustic soda) (zijnde een complex mengsel van water met een extreme zuurgraad en een olieachtige vloeistof, beide verontreinigd met zeer specifieke componenten, waaronder fenolen, disulfiden, mercaptanen, en/of zwavelwaterstof) uitgevoerd uit de Gemeenschap; zulks terwijl hij, verdachte, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, aan deze verboden gedraging(en) feitelijke leiding heeft gegeven en/of daartoe opdracht heeft gegeven.

2. Procesgang

Voornoemd bezwaarschrift is overeenkomstig het bepaalde in artikel 262, eerste lid van het Wetboek van Strafvordering (Sv) binnen acht dagen na de betekening van de dagvaarding aan verdachte bij de rechtbank ingediend. Verdachte is derhalve in zoverre ontvankelijk in zijn bezwaar. De rechtbank is bevoegd het bezwaar te behandelen

De rechtbank heeft kennis genomen van de stukken in de strafzaak onder bovengenoemd parketnummer en heeft op 17 juni 2008 de raadsman van verdachte en de officier van justitie in economische raadkamer gehoord. De raadsman was uitdrukkelijk gemachtigd namens verdachte het woord te voeren en het bezwaarschrift toe te lichten. De officier van justitie heeft voorafgaand aan de zitting een schriftelijke reactie aan de rechtbank en aan de raadsman toegezonden. In raadkamer heeft de raadsman onder overlegging van een pleitnota met bijlagen zijn standpunt nader toegelicht. De officier van justitie heeft daarop gereageerd en zijn repliekaantekeningen aan de rechtbank overgelegd. Deze zijn aan het proces-verbaal van de raadkamer gehecht.

3. Standpunt verdediging

Het bezwaarschrift houdt - zakelijk en kort weergegeven - in dat de officier van justitie

niet-ontvankelijk is in zijn vervolging, omdat de dagvaarding in strijd met de beginselen van een goede procesorde tot stand is gekomen en verdachte in Ivoorkust buiten vervolging is gesteld ten aanzien van dezelfde feiten. Verder is aangevoerd dat er onvoldoende aanwijzing van schuld van verdachte bestaat zodat hij ook daarom buiten vervolging dient te worden gesteld. Ten slotte is bepleit dat de Nederlandse rechter geen rechtsmacht heeft ter zake van hetgeen verdachte ten laste is gelegd en dat het feit waarvoor hij wordt vervolgd niet strafbaar is nu geen afvalstoffen zijn overgebracht, althans niet de Europese Gemeenschap zijn uitgevoerd.

4. Standpunt officier van justitie

De officier van justitie meent daarentegen dat er geen sprake is van het ontbreken van rechtsmacht en evenmin sprake is van strijd met het ne bis in idem beginsel of beginselen van een goede procesorde. Hij bestrijdt dat er onvoldoende aanwijzing van schuld bestaat zodat het niet hoogst onwaarschijnlijk is dat de strafrechter later na een onderzoek ter terechtzitting tot een bewezenverklaring van het tenlastegelegde zal komen.

5. Beoordeling

5.1. De ontvankelijkheid van het bezwaar

5.1.1. In raadkamer heeft de rechtbank ambtshalve de vraag aan de orde gesteld of het bezwaarschrift voldeed aan de eis van artikel 262 lid 2 jo 250 lid 1 tweede volzin Sv, inhoudend dat het bezwaarschrift met redenen is omkleed. Naar het oordeel van de rechtbank kan een verdachte wiens bezwaarschrift niet aan die eis voldoet niet in zijn bezwaar worden ontvangen. Een bezwaarschrift kan niet reeds worden aangemerkt als met redenen te zijn omkleed, indien daarin de juridische kwalificaties van de bezwaren zijn vermeld,

en de daaruit te trekken consequenties zijn opgenomen, maar iedere feitelijke onderbouwing ontbreekt. Anderzijds is aan de eis van te zijn met redenen omkleed wel reeds voldaan, indien enige feitelijke onderbouwing is gegeven, zonder dat deze uitputtend behoeft te zijn.

Naar de rechtbank in raadkamer reeds heeft beslist kan van het door verdachte ingediende bezwaarschrift niet gezegd worden dat het iedere feitelijke onderbouwing ontbeert. Ook in zoverre is verdachte in zijn bezwaar ontvankelijk.

5.1.2. Uit de literatuur en de wetsgeschiedenis kan worden afgeleid, heeft de eis dat het bezwaarschrift met redenen is omkleed niet alleen tot doel chicaneuse bezwaarschriften te weren, maar ook om de omvang van de behandeling van het bezwaar in te kaderen. In dat licht dient aan die eis mede de betekenis te worden toegekend dat het de verdachte niet vrijstaat bij de behandeling in raadkamer nieuwe bezwaren naar voren te brengen, die niet reeds hun grondslag vinden in het bezwaarschrift. Op die wijze wordt ook voorkomen dat de officier van justitie bij de behandeling wordt verrast met nieuwe bezwaren waarop hij wellicht niet aanstonds kan reageren. Deze bezwaarschriftprocedure, die naar zijn aard een summier karakter heeft, leent er zich niet voor de behandeling aan te houden om de officier van justitie op een later tijdstip in de gelegenheid te stellen daarop alsnog te reageren.

Voor zover in de toelichting op het bezwaarschrift namens verdachte dan ook zodanige nieuwe bezwaren naar voren zijn gebracht, zal de rechtbank deze buiten beschouwing laten.

5.2. Verdachte is - kort gezegd - ten laste gelegd dat hij (samen met een ander of anderen) feitelijk leiding heeft gegeven aan de door Trafigura Beheer B.V. in de tenlastelegging genoemde verboden gedragingen. Voor de toepasselijkheid van artikel 51, tweede lid, onder 2, van het Wetboek van Strafrecht is vereist dat de feitelijke leidinggever van het plaatsvinden van de (verboden) gedraging op de hoogte was (NJ 1987/321). Aangenomen moet worden dat die eis ziet op alle bestanddelen van de delictsomschrijving waaraan de verboden gedraging voldoet. Aan de strafbaarstelling van de “feitelijke leidinggever” ligt immers ten grondslag het strafrechtelijk verwijt dat hij de verboden gedraging heeft veroorzaakt, dan wel geen eind daaraan heeft gemaakt of deze niet heeft voorkomen, hoewel hij zulks had behoren te doen. Dat strafrechtelijk verwijt kan hem niet worden gemaakt, indien hij niet op de hoogte was van de voor strafrechtelijke verwijtbaarheid van de gedraging essentiële aspecten. In het onderhavige geval bestaat de verboden gedraging - zakelijk weergegeven - hierin dat de vennootschap in de periode van 5 juli 2006 tot en met 20 augustus 2006 in strijd met Europese regelgeving afvalstoffen uit de Europese Gemeensschap heeft uitgevoerd naar een ACS-Staat.

In raadkamer heeft de officier van justitie de volgende aanwijzingen van schuld genoemd.

- Verdachte is chairman van Trafigura Beheer BV en geeft daadwerkelijk leiding, dit blijkt uit de verklaring van [getuige 2].

- De daadwerkelijke betrokkenheid van verdachte ontstaat nadat de slops niet afgegeven kunnen worden in Nederland en Estland. Op dat moment treedt [medeverdachte] terug en gaat verdachte zich er feitelijk mee bemoeien. Zie het 3e verhoor van [getuige 1] en de in dat verhoor genoemde e-mails. [getuige 1] wil de slops proberen in Frankrijk af te geven. [getuige 1] laat zich anders dan voorheen op de hoogte houden van de ontwikkelingen.

- Verdachte heeft, daartoe uitgenodigd, niets willen verklaren.

- Trafigura heeft, daartoe uitgenodigd, niet kenbaar willen maken onder wiens verantwoordelijkheid de afhandeling van de slops viel.

De door de officier van justitie genoemde verklaring van [getuige 1] houdt met betrekking tot de betrokkenheid van verdachte het volgende in:

“De initialen [initialen] die voorkomt in diverse mailberichten wat betekenen die?

Deze initialen staan voor [verdachte] de president van het bedrijf

In het organogram is hij een van de leden van de Raad van Bestuur.

Tijdens de gebeurtenissen van de Probo Koala was hij aan het verhuizen van het bureau te Lonen naar ons nieuwe bureau in Geneve. Ik weet niet precies waar hij tijdens de gebeurtenissen aanwezig was.

Werd de heer [verdachte] geïnformeerd over de gebeurtenissen met de Probo Koala te Amsterdam?

Ik was niet verantwoordelijk voor de gebeurtenissen in Amsterdam. Ik ben niet op de hoogte van de communicatie tussen de verantwoordelijke in de tijd en [verdachte].

Heeft u contact gehad met de heer [verdachte] over de afgifte van slops van de Probo Koala ten tijde de Probo Koala van Paldiski naar West Afrika voer in juli-augustus 2006?

Mijn betrokkenheid bij de gesprekken over alternatieven van het leveren van de slops en de communicatie met de heer [verdachte] was na aankomst in West Afrika. Toen de Probo Koala in Nigeria was hadden we een kort bijeenkomst met de heer [verdachte]. En wij hebben alternatieven voor de afgifte van de slops, die we op dat moment overwogen besproken.

Waarom is daar een directeur bij betrokken?

Ik kan de me exacte omstandigheden niet herinneren waaronder we de gesprekken hadden, maar we hadden zeker een korte bijeenkomst op dat moment over de alternatieven van de afgifte.”

Uit de bij het verhoor van [getuige 1] gevoegde e-mails blijkt niet van betrokkenheid van verdachte in de besluitvorming.

De rechtbank is van oordeel dat de enkele omstandigheid dat één getuige verklaart dat de verdachte aanwezig is geweest bij een korte bijeenkomst waarin, nadat de Probo Koala in Nigeria was aangekomen, is gesproken over mogelijke alternatieven voor de afgifte van slops onvoldoende aanwijzing is dat verdachte van de vermeende verboden gedraging op de hoogte was. De officier van justitie heeft in raadkamer weliswaar gezegd dat er nog verdergaand onderzoek naar e-mailverkeer van de vennootschap zal plaatsvinden en dat getuigen zullen worden gehoord die misschien belastend zullen verklaren, maar dat er concrete aanwijzingen zijn dat uit dat nadere onderzoek meer belastend materiaal naar voren zal komen is bij het onderzoek in raadkamer niet aannemelijk geworden.

Onder deze omstandigheden acht de rechtbank het hoogst onwaarschijnlijk dat de zittingsrechter later oordelend het tenlastegelegde bewezen zal achten.

5.3. Het bepaalde in artikel 250, eerste lid, derde volzin jo 250, zesde lid Sv noopt tot het nemen van ook de volgende beslissing.

6. Conclusie

Nu het naar het oordeel van de rechtbank hoogst onwaarschijnlijk is dat de strafrechter, later oordelend, het tenlastegelegde bewezen zal achten, dient het bezwaarschrift gegrond te worden verklaard en de verdachte buiten vervolging te worden gesteld. Gelet hierop behoeven de overige bezwaren in deze zaak niet te worden besproken.

7. Beslissing

Verklaart het bezwaarschrift gegrond en stelt verdachte buiten vervolging.

Bepaalt dat de aanvang van het onderzoek ter terechtzitting voor onbepaalde tijd wordt uitgesteld.

Deze beschikking is gegeven in economische raadkamer van deze rechtbank door

mr. F.G. Bauduin, voorzitter,

mrs. G.H. Marcus en W.M. de Vries, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. M. Cordia en J.B. Tubbing, griffiers,

en uitgesproken in het openbaar op 20 juni 2008.