Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2008:BD4889

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
20-06-2008
Datum publicatie
20-06-2008
Zaaknummer
13/846006-08
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De rechtbank heeft het bezwaarschrift tegen de dagvaarding van een van de verdachten in het onderzoek rond de Probo Koala ongegrond verklaard. Verdachte had aangevoerd dat de officier van justitie niet ontvankelijk is omdat hij, ondanks dat de verdediging een verzoek aan de rechter-commissaris had gedaan om onderzoek à decharge te (laten) verrichten, verdachte heeft gedagvaard. De rechter-commissaris heeft dat verzoek echter afgewezen, zodat het de officier van justitie - naar het oordeel van de rechtbank - vrij stond verdachte te dagvaarden.

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafvordering
Wetboek van Strafvordering 27
Wetboek van Strafvordering 36a
Wetboek van Strafvordering 36b
Wetboek van Strafvordering 262
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NBSTRAF 2008/318
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Parketnummer: 13/846006-08

BESCHIKKING

op het op 8 mei 2008 ter griffie van deze rechtbank ingekomen bezwaarschrift tegen de dagvaarding van:

Amsterdam Port Services B.V.,

gevestigd aan de [adres].

1. Inhoud van het bezwaarschrift

Het bezwaarschrift richt zich tegen de op 7 mei 2008 aan verdachte betekende dagvaarding onder bovenvermeld parketnummer, waarbij zij is gedagvaard tegen de zitting van de meervoudige economische strafkamer van 23 juni 2008 terzake van de feiten als omschreven in de hierna volgende overgenomen inhoud van de in die dagvaarding opgenomen tenlastelegging. Het betreft hier een zogenaamde regiezitting.

Aan bovenbedoelde gedagvaarde persoon wordt tenlastegelegd dat

1.

zij op of omstreeks 5 juli 2006 te Amsterdam tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, al dan niet opzettelijk, zich door afgifte aan Trafigura Beheer B.V. en/of (de kapitein van) het schip Probo Koala, in elk geval aan een ander, heeft ontdaan van gevaarlijke afvalstoffen, te weten een op 2 juli 2006 door haar, verdachte, ingezamelde partij gevaarlijke afvalstoffen afkomstig van het schip Probo Koala;

2.

zij in of omstreeks de maand juli 2006 te Amsterdam, al dan niet opzettelijk, binnen haar inrichting voor de be- en/of verwerking van afvalstoffen aan de [adres], bedrijfsmatig, handelingen heeft verricht met betrekking tot gevaarlijke afvalstoffen, te weten slops afkomstig van het schip Probo Koala, terwijl daardoor, naar zij wist of redelijkerwijs had kunnen weten, nadelige gevolgen voor het milieu ontstonden en/of konden ontstaan, immers heeft zij, verdachte, nadat haar was gebleken dat deze slops niet binnen haar inrichting be- en/of verwerkt konden en/of mochten worden (vanwege een te hoog CZV-gehalte en/of te hoge pH-waarde en/of stank), deze slops toch binnen haar inrichting be- en/of verwerkt door deze slops in de ontvangsttank (tank 9) en/of waterzuiveringsinstallatie (DAF-installatie) te brengen en/of toen gebleken was dat bij de be- en/of verwerking van met deze slops verontreinigd afvalwater een hoge emissie van zwavelwaterstof (H2S) en/of stank optrad, die be- en/of verwerking niet onmiddellijk stopgezet en/of spoelwater afkomstig van de reiniging van de tanks van haar inzamelvaartuig Main VII, waarin zich restanten van deze slops bevonden, gebracht in de ontvangsttank (tank 9) en/of het met deze slops verontreinigde afvalwater dat in de ontvangsttank (tank 9) en/of waterzuiveringsinstallatie (DAF-installatie) en/of batchtank 2 was terechtgekomen, niet onmiddellijk (na het ontstaan van aanzienlijke stank en/of emissie van zwavelwaterstof en/of andere schadelijke/irriterende stoffen) uit haar inrichting verwijderd, als gevolg waarvan stank- en/of gezondheidsklachten optraden en/of geen doelmatige verwerking van die slops en/of het met die slops verontreinigde afvalwater plaatsvond.

2. Procesgang

Voornoemd bezwaarschrift is overeenkomstig het bepaalde in artikel 262, eerste lid van het Wetboek van Strafvordering (Sv) binnen acht dagen na de betekening van de dagvaarding aan verdachte bij de rechtbank ingediend. Verdachte is ontvankelijk in haar bezwaar. De rechtbank is bevoegd het bezwaar te behandelen.

De rechtbank heeft kennis genomen van de stukken in de strafzaak onder bovengenoemd parketnummer en heeft op 16 juni 2008 de raadsman van verdachte en de officier van justitie in economische raadkamer gehoord. De raadsman was uitdrukkelijk gemachtigd de verdachte te vertegenwoordigen. De officier van justitie heeft voorafgaand aan de zitting een schriftelijke reactie aan de rechtbank en aan de raadsman toegezonden. In raadkamer heeft de raadsman onder overlegging van een pleitnota zijn standpunt nader toegelicht. De officier van justitie heeft daarop gereageerd.

3. Standpunt verdediging

Het bezwaarschrift houdt – zakelijk en kort weergegeven – in dat de officier van justitie

niet-ontvankelijk is in zijn vervolging, omdat het Openbaar Ministerie door te dagvaarden, voordat de verdediging in de gelegenheid is geweest onderzoek à décharge te laten verrichten in een zogenoemde mini-instructie, de rechten van verdachte op een eerlijk proces ernstig en doelbewust heeft veronachtzaamd.

4. Standpunt officier van justitie

De officier van justitie meent daarentegen dat hij niet lichtvaardig is opgetreden omdat er sprake is van voldoende aanwijzing van schuld in de zin van artikel 27 Sv. Het staat hem vrij tot dagvaarding over te gaan los van de vraag of er een mini-instructie verzocht of gaande is. Bovendien kan de verdediging – gelet op het feit dat is gedagvaard voor een regiezitting – op die zitting al haar wensen kenbaar maken.

5. Beoordeling

5.1. Voor de beoordeling van het bezwaarschrift zijn de volgende feiten van belang.

- Bij brief van 15 februari 2008 schrijft de verdediging aan de rechter-commissaris belast met de behandeling van strafzaken bij deze rechtbank onder meer het navolgende:

“In de zaak tegen cliënten, Amsterdam Port Services (hierna te noemen: APS) en de heer [directeur APS], berichtte ik U in mijn brief van 8 januari jl. voornemens te zijn om een verzoekschrift mini-instructie in te dienen. Door middel van dit schrijven verzoek ik U in de opgemelde zaken een mini-instructie te openen en de na te noemen onderzoekshandelingen te verrichten.”

- Bij brief van 7 maart 2008 liet de rechter-commissaris de verdediging het navolgende weten:

“In antwoord op Uw brieven d.d. 8 januari en 15 februari jl. bericht ik U dat ik geen gevolg zal geven aan Uw verzoek tot het openen van een mini-instructie. Zoals U inmiddels hebt vernomen zal er reeds op 26 en 27 juni a.s. een regiezitting plaatsvinden. Met het oog hierop acht ik het niet opportuun een mini-instructie te openen. In een zo omvangrijke zaak als de onderhavige is het van belang dat er een goede coördinatie van de wensen van de diverse belanghebbenden kan plaatsvinden onder regie van de rechtbank. De door U ingediende verzoeken zal ik uiteraard ex. art. 36a Sv door verwijzen naar de rechtbank.”

5.2. De rechtbank neemt tot uitgangspunt dat geen rechtsregel de officier van justitie verbiedt tot dagvaarding over te gaan voordat de verdediging de gelegenheid heeft gehad op voet van artikel 36a Sv een mini-instructie te verzoeken of voordat de rechter-commissaris op zo’n verzoek heeft beslist. Wel kan het, onder omstandigheden, in strijd met de goede procesorde zijn als hangende een dergelijk verzoek een dagvaarding wordt uitgebracht, zoals ook blijkt uit de door de verdediging overgelegde beschikkingen van de rechtbanken Rotterdam (d.d. 27 oktober 2003, parketnummer 10/161760-03 en d.d. 20 maart 2008, raadkamernummer

RK 08/179) en Maastricht (d.d. 18 september 2006, parketnummer onbekend).

5.3. De onderhavige zaak verschilt echter wezenlijk van die waarop in de overgelegde beschikkingen is beslist, omdat in dit geval de rechter-commissaris in de hiervoor aangehaalde brief van 7 maart 2008 in de zaak “Broom II” aan de verdediging heeft laten weten dat zij geen gevolg zal geven aan het verzoek tot het openen van een mini-instructie, omdat zij dit gelet op de geplande regiezitting niet opportuun acht. De verdediging heeft in raadkamer desgevraagd meegedeeld deze brief van de rechter-commissaris te beschouwen als een afwijzende beschikking op het verzoek een mini-instructie te openen. Zij heeft daarbij in raadkamer geen gevolgen verbonden aan de vorm waarin deze beschikking is gegeven of aan de wijze waarop deze tot stand is gekomen. Meer in het bijzonder is de verdediging in raadkamer niet teruggekomen op het in haar brief van 15 februari 2008 aan de rechter-commissaris gedane (maar door de rechter-commissaris niet gevolgde) verzoek om verdachte op voet van artikel 36b Sv te horen indien de rechter-commissaris voornemens zou zijn het verzoek tot het openen van een mini-instructie af te wijzen.

5.4. Nu de wet geen eisen stelt aan de vorm waarin een afwijzende beschikking op het verzoek om een mini-instructie moet worden gegoten en ook geen gevolgen verbindt aan het niet (geheel) volgen van de in artikel 36b Sv voorgeschreven procedure, gaat de rechtbank er - met de verdediging - van uit dat de brief van de rechter-commissaris van 7 maart 2008 moet worden aangemerkt als een afwijzende beschikking op het verzoek tot het openen van een mini-instructie in de zaak “Broom II”. Tegen een dergelijke beschikking staat geen rechtsmiddel open. Reeds daarom kan het bezwaarschrift - waarvan de inhoud immers neerkomt op een appel tegen de beslissing van de rechter-commissaris - geen doel treffen.

Een nadere bespreking van de argumenten die de raadsman in het bezwaarschrift heeft aangevoerd, kan daarom achterwege blijven.

6. Conclusie

Nu hetgeen in het bezwaarschrift is aangevoerd niet tot het door de verdediging gewenste resultaat kan leiden en de rechtbank ook ambtshalve geen gronden ziet die aan de vervolging van verdachte in de weg staan, moet het bezwaarschrift ongegrond worden verklaard.

7. Beslissing

Verklaart het bezwaarschrift ongegrond.

Deze beschikking is gegeven in economische raadkamer van deze rechtbank door

mr. F.G. Bauduin, voorzitter,

mrs. G.H. Marcus en W.M. de Vries, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. M. Cordia en J.B. Tubbing, griffiers,

en uitgesproken in het openbaar op 20 juni 2008.