Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2008:BD4611

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
28-01-2008
Datum publicatie
18-06-2008
Zaaknummer
08-138/388275
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Per 1 januari 2008 is de Wet op de jeugdzorg met betrekking tot jeugdzorg waarop aanspraak bestaat ingevolge de wet gesloten setting (gesloten jeugdzorg) van kracht (Wjz).De capaciteit om ondertoezichtgestelden c.q. onder voogdij staande minderjarigen in een gesloten setting te plaatsen is echter ontoereikend. Gedurende een overgangsperiode van twee jaar mag de machtiging tot uithuisplaatsing dan ook ten uitvoer gelegd worden in een justitiële jeugdinrichting (JJI) mits de ondertoezichtgestelde c.q. de voogdijpupil en de gezagsdrager daarmee instemmen (instemmingsvereiste). (Intussen is reparatiewetgeving aan de orde). Wanneer geen instemming verleend wordt, dreigt de minderjarige 'uit de JJI' te vallen en komt hij op straat te staan, zolang de capaciteit in de gesloten jeugdzorg nog niet volledig is. Teneinde de minderjarigen tegen hun wil in een JJI te plaatsen, beroept de rechtbank zich op art. 3 lid 1 van het Verdrag inzake de rechten van het kind. Immers ingeval van strikte toepassing van de Wjz zou het de minderjarige ontbreken aan de juiste begeleiding en behandeling die hij nodig heeft in een gesloten setting. De rechtbank overweegt voorts per individueel geval of de tenuitvoerlegging van de machtiging in een JJI verantwoord is.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

MACHTIGING UITHUISPLAATSING GESLOTEN JEUGDZORG

Zaak- en rekestnummer:

08-138/388275

Beschikking van de rechtbank in de bovengenoemde rechtbank naar aan¬leiding van het namens het Bureau Jeugdzorg Agglomeratie Amsterdam, gevestigd te Amsterdam, ingediende verzoek door de William Schrikker Stichting Jeugdbescherming en Jeugdreclassering,

hierna ook te noemen: de WSS,

met betrekking tot de minderjarige:

[minderjarige] geboren te [geboorteplaats] (Suriname) op [geboortedatum]

[vader minderjarige], wonende te [woonplaats], is de vader.

[moeder minderjarige], wonende op een onbekend adres, is de moeder.

De vader is belast met de uitoefening van het gezag over de minderjarige.

Als belanghebbenden zijn aangemerkt: de vader en de minderjarige.

VERLOOP VAN DE PROCEDURE

Op 9 januari 2008 heeft de WSS een verzoekschrift gedateerd 7 januari 2007 met bijlage ingediend, strek¬kende tot het verlenen van een machtiging tot uithuis¬plaat¬sing van voornoemde minderjarige in het belang van diens verzorging en opvoeding voor verblijf in een justitiële jeugdinrichting voor de duur van de ondertoezichtstelling, te weten tot 7 januari 2009.

Op 24 januari 2008 heeft de rechtbank het verzoek ter terechtzitting met gesloten deuren behandeld, waarvan afzonderlijk proces-verbaal is opgemaakt.

Verschenen en gehoord zijn:

- de minderjarige, bijgestaan door mr. M. Saaidi;

- ['tante'], bijgestaan door mr. A.S. Bodha en vergezeld van haar dochter [dochter 'tante'];

- [gezinsvoogd WSS] (gezinsvoogd) en [inhoudelijk manager WSS] (inhoudelijk manager) namens de WSS.

Hoewel behoorlijk opgeroepen, is de vader niet verschenen.

De uitspraak is bepaald op heden.

GRONDEN VAN DE BESLISSING

Het verzoek is op 9 januari 2008 bij de rechtbank ontvangen. Het is ingediend als een verzoek tot uithuisplaatsing in een justitiële jeugdinrichting en niet ingediend als een verzoek tot opname in een accommodatie voor gesloten jeugdzorg zoals bedoeld in artikel 29b Wet op de Jeugdzorg (hierna Wjz). Gelet op het zeer recente karakter van de wetswijziging van

28 december 2007 ingevoerd op 1 januari 2008, zal de rechtbank het verzoek opvatten als een verzoek tot opname in een accommodatie voor gesloten jeugdzorg zoals bedoeld in artikel 29b Wjz analoog aan het in artikel VII lid 1 van de Wet Gesloten Jeugdzorg bepaalde overgangsrecht voor verzoeken ingediend vóór 1 januari 2008.

Bij beschikking van de kinderrechter te Amsterdam van 28 december 2007 is voornoemde minderjarige voorlopig onder toezicht gesteld. Bij beschikking van de kinderrechter te Amsterdam van 7 januari 2008 is voornoemde minderjarige onder toezicht gesteld voor de duur van een jaar.

In het kader van de ondertoezichtstelling is voornoemde minderjarige uit huis geplaatst. De laatst gegeven machtiging tot uithuisplaatsing voor verblijf in een accommodatie van een zorgaanbieder (met inbegrip van de Cordaan) is geldig tot 28 maart 2008.

Ter terechtzitting heeft de minderjarige aangegeven zich niet te kunnen verenigen met het verzoek, daarbij impliciet aangevend evenmin instemming te verlenen voor de tenuitvoerlegging van de machtiging in een justitiële jeugdinrichting ex artikel VII lid 3 en 4 Wjz. De minderjarige herhaalt hetgeen zij hieromtrent op de zitting van 7 januari 2008 heeft aangevoerd, namelijk dat zij niet door vreemden in een tehuis opgevoed wil worden, maar door haar ‘zuster’ en ‘tante’. De minderjarige stelt niet in een gesloten setting thuis te horen en zelf geen gedragsproblemen te ervaren.

De raadsvrouw van de minderjarige heeft ter zitting beaamd dat [minderjarige] onder geen beding in een gesloten setting geplaatst wil worden. De raadsvrouw stelt daartoe dat de minderjarige thans in de Cordaan verblijft, waar zij, blijkens navraag, nog zes weken zou kunnen verblijven. Binnen deze periode kan de WSS het (door [minderjarige] van harte ondersteunde) alternatief van verblijf bij ['tante'] onderzoeken. Laatstgenoemde staat klaar om [minderjarige] te verzorgen en op te voeden en is bereid daarbij alle benodigde begeleiding en hulp te aanvaarden. De raadsvrouw vervolgt dat een dergelijke plaatsing onder de omstandigheden de beste optie is. Refererend aan de nieuwe Wjz stelt de raadsvrouw dat aldoende ook invulling wordt gegeven aan de wens van de wetgever, namelijk het stimuleren van ambulante begeleiding boven intramurale opname van onder toezicht gestelde minderjarigen. Daarnaast acht mr. Saaidi de rapportage van de WSS eenzijdig en onvolledig, temeer daar de minderjarige zelf stelt dat zaken pas uit de hand lopen/dreigen te lopen zodra vader in beeld komt, welke confrontatie ['tante'] zegt te kunnen verhinderen. Kortom, de raadsvrouw verzoekt primair het onderhavige verzoek af te wijzen, temeer nu de WSS niet duidelijk kan maken of en per wanneer de voorgenomen plaatsing van [minderjarige] in de Rentray zijn beslag kan krijgen, en de komende tijd te benutten om in samenspraak met ['tante'] plaatsing van de minderjarige aldaar te onderzoeken. Ten slotte neemt de raadsvrouw het standpunt in dat de tenuitvoerlegging van de machtiging gesloten jeugdzorg in een justitiële jeugdinrichting in het kader van de nieuwe Wjz zonder de instemming van de minderjarige niet mogelijk is.

Mr. Bodha heeft namens ['tante'] ter zitting naar voren gebracht dat [minderjarige] in het verleden ook bij ['tante'] gewoond heeft en dat [minderjarige] sinds haar verblijf op TOA ook elk weekend in haar gezin verbleef. ['tante'] acht plaatsing van [minderjarige] in een gesloten setting een eindstation en betwijfelt op de problematiek van [minderjarige] dermate ernstig is dat plaatsing in een dergelijke setting geboden is. ['tante'] verzoekt plaatsing van [minderjarige] in haar gezin kans van slagen te geven, omdat de minderjarige zich daartegen niet verzet en zegt voorts haar medewerking aan de intensieve ambulante behandeling van [minderjarige] toe. Ter zitting heeft ['tante'] hieraan nog toegevoegd de opvoeding van [minderjarige] met straffe hand ter hand te zullen nemen en de minderjarige niet te laten vallen.

De WSS heeft ter zitting gepersisteerd bij het verzoek de minderjarige in een justitiële jeugdinrichting te mogen plaatsen, daarbij aangevend dat de minderjarige in ieder geval tot 28 januari 2008 in de Cordaan kan verblijven en mogelijk langer als er aansluitend machtiging verleend wordt voor verblijf in een accommodatie voor gesloten jeugdzorg. De WSS stelt de minderjarige reeds aangemeld te hebben voor plaatsing in een gesloten setting bij het Ministerie van Justitie en daarbij de voorkeur voor plaatsing van [minderjarige] in de Rentray te hebben opgegeven. De WSS verwacht dat de behandeling van [minderjarige] op zijn minst een jaar in beslag zal nemen, maar mogelijk meerdere jaren kan gaan duren. Een en ander impliceert overigens niet dat [minderjarige] al die tijd gesloten behandeld dient te worden, maar wel dat zij het traject dient te doorlopen van gesloten naar open plaatsing. Plaatsing van [minderjarige] bij ['tante'] acht de WSS geen optie, omdat met het oog op de toekomst langdurige behandeling te prefereren valt boven de liefdevolle opvang bij tante op korte termijn. Ook hebben recentelijk de vader en het TOA bij de WSS aangegeven een dergelijke plaatsing niet te ambiëren. Duidelijk is ook dat andere (open) instellingen [minderjarige] niet kunnen opnemen gelet op haar problematiek en het verzet dat zij biedt. Behandeling in een gesloten setting acht de WSS wenselijk, omdat zij daar niet op haar gedrag afgewezen zal worden en niet zal worden weggestuurd als de druk van de behandeling haar te groot wordt, temeer daar de minderjarige al zo vaak in haar leven weggestuurd is ten gevolge van haar agressieproblematiek.

De inhoudelijk manager van de WSS heeft hieraan ter zitting toegevoegd dat plaatsing van [minderjarige] in een gesloten setting niet als een eindstation beschouwd dient te worden, maar als een ultieme kans, omdat in het verleden gebleken is dat de minderjarige weinig impulsbeheersing heeft en anti-sociale trekken vertoont, waaraan door middel van structuur en begrenzing in een gesloten setting gewerkt kan worden. Intramurale plaatsing van de minderjarige dient in casu dan ook gezien te worden als een vorm van ontwikkeling in de groei en niet als een vorm van opsluiten. Dat is de kans die de WSS [minderjarige] met het oog op haar toekomst van harte gunt.

OVERWEGINGEN

Op grond van de inhoud van de overgelegde stukken en het verhandelde ter terechtzitting is de kinderrechter van oordeel dat de minderjarige ernstige opgroei- of opvoedingsproblemen heeft die haar ontwikkeling naar volwassenheid ernstig belemmeren of dat een ernstig vermoeden daarvan bestaat, en die maken dat de opneming en het verblijf in gesloten jeugdzorg voor de duur van de ondertoezichtstelling noodzakelijk zijn om te voorkomen dat de minderjarige zich aan de zorg die zij nodig heeft zal onttrekken of daaraan door anderen zal worden onttrokken. Met name is hierbij van belang dat de minderjarige gebaat is bij

structuur en behandeling, welke ['tante'], hoe goed bedoeld ook, niet kan bieden. Voor het hanteren van de situatie waarin de minderjarige verkeert, acht de rechtbank intramurale professionele behandeling geboden, waarbij tevens voorkomen wordt dat de minderjarige bij een terugslag in haar gedrag en opstelling niet opnieuw wordt weggestuurd, zoals al zo vaak in haar leven het geval geweest is. De rechtbank is van oordeel dat de problematiek van [minderjarige] de draagkracht van tante te boven gaat en dat er voorts bij de minderjarige te weinig draagvlak is om een ambulante behandeling vol te houden, zeker op momenten dat zij onder druk en spanning komt te staan.

Gelet op het bovenstaande is de rechtbank van oordeel dat zich een geval voordoet als bedoeld in artikel 29b Wjz, zodat het verzoek tot het verlenen van een machtiging uithuisplaatsing gesloten jeugdzorg in principe voor toewijzing vatbaar is.

De WSS heeft zich echter op het standpunt gesteld dat voornoemde machtiging ten uitvoer dient te worden gelegd in een justitiële jeugdinrichting, als er op korte termijn geen plaats voor de minderjarige valt te verwachten in een accommodatie als bedoeld in artikel 29 k lid 1 Wjz.

Gelet op het voorgaande stelt de rechtbank vast dat de WSS een beroep doet op artikel VII, lid 4 Wjz. In dat geval heeft de wetgever bepaald dat de instemming van de minderjarige en degene die het gezag over hem uitoefent, vereist is om de eerdergenoemde machtiging uithuisplaatsing ten uitvoer te leggen in een justitiële jeugdinrichting.

In het onderhavige geval is van instemming van de minderjarige geen sprake en is niet bekend of de met het gezag belaste vader daarmee instemt.

In het onderhavige geval acht de rechtbank strikte toepassing van de Wjz in het belang van [minderjarige] zoals bedoeld in artikel 3 lid 1 IVRK. Daarbij overweegt de rechtbank dat [minderjarige], gelet op haar persoonlijkheid, haar kwetsbaarheid en haar jeugdige leeftijd niet in een justitiële jeugdinrichting dient te verblijven. Mitsdien is de rechtbank in casu van oordeel dat de tenuitvoerlegging van de opname in gesloten jeugdzorg niet in een justitiële jeugdinrichting ten uitvoer dient te worden gelegd.

Met betrekking tot het in artikel 29b lid 4 en 5 Wjz genoemde onderzoek van de minderjarige door een gedragswetenschapper voorafgaand aan deze beslissing overweegt de rechtbank dat dit feitelijk onmogelijk was.

Mitsdien wordt als volgt beslist.

BESLISSING:

De kinderrechter:

- verleent machtiging om de minderjarige in een accommodatie voor gesloten jeugdzorg te doen opnemen en te doen verblijven met ingang van 28 januari 2008 tot 7 januari 2009;

- bepaalt dat de machtiging van kracht blijft indien binnen dertig dagen een daarop betrekking hebbend indicatiebesluit strekt tot opname in een accommodatie voor gesloten jeugdzorg van voornoemde minderjarige;

- verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.

Deze beschikking is gegeven door mr. J.A.C. Bartels, voorzitter tevens kinderrechter, en mrs. K. Bakker en D.C. van Reekum, rechters, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 28 januari 2008, in tegenwoordigheid van mr. A.J. Hoenderdaal, griffier..