Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2008:BD4576

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
28-01-2008
Datum publicatie
18-06-2008
Zaaknummer
08-112/388181
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Per 1 januari 2008 is de Wet op de jeugdzorg met betrekking tot jeugdzorg waarop aanspraak bestaat ingevolge de wet gesloten setting (gesloten jeugdzorg) van kracht (Wjz).De capaciteit om ondertoezichtgestelden c.q. onder voogdij staande minderjarigen in een gesloten setting te plaatsen is echter ontoereikend. Gedurende een overgangsperiode van twee jaar mag de machtiging tot uithuisplaatsing dan ook ten uitvoer gelegd worden in een justitiële jeugdinrichting (JJI) mits de ondertoezichtgestelde c.q. de voogdijpupil en de gezagsdrager daarmee instemmen (instemmingsvereiste). (Intussen is reparatiewetgeving aan de orde). Wanneer geen instemming verleend wordt, dreigt de minderjarige 'uit de JJI' te vallen en komt hij op straat te staan, zolang de capaciteit in de gesloten jeugdzorg nog niet volledig is. Teneinde de minderjarigen tegen hun wil in een JJI te plaatsen, beroept de rechtbank zich op art. 3 lid 1 van het Verdrag inzake de rechten van het kind. Immers ingeval van strikte toepassing van de Wjz zou het de minderjarige ontbreken aan de juiste begeleiding en behandeling die hij nodig heeft in een gesloten setting. De rechtbank overweegt voorts per individueel geval of de tenuitvoerlegging van de machtiging in een JJI verantwoord is.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

MACHTIGING UITHUISPLAATSING GESLOTEN JEUGDZORG

Zaak- en rekestnummer:

08-112/388181

Beschikking van de rechtbank in de bovengenoemde rechtbank naar aan¬leiding van het verzoek van het Bureau Jeugdzorg Agglomeratie Amsterdam,

gevestigd te Amsterdam,

hierna ook te noemen: het BJAA,

met betrekking tot de minderjarige:

[minderjarige], geboren te [geboorteplaats]

op [geboortedatum].

[moeder minderjarige], wonende te [woonplaats], is de moeder.

[vader minderjarige] wonende te [woonplaats], is de vader.

De moeder is belast met de uitoefening van het gezag over de minderjarige.

Als belanghebbenden zijn aangemerkt: de moeder, de vader en de minderjarige.

VERDER VERLOOP VAN DE PROCEDURE

Het verloop van de procedure tot 18 januari 2008 is weergegeven in de beschikking van

18 januari 2008 naar welke beschikking thans wordt verwezen.

Op 24 januari 2008 heeft de rechtbank het verzoek ter terechtzitting met gesloten deuren wederom behandeld, waarvan afzonderlijk proces-verbaal is opgemaakt.

Verschenen en gehoord zijn:

- de minderjarige, bijgestaan door mr. M. Jeltes;

- de moeder;

- [vertegenwoordiger BJAA], namens het BJAA.

Hoewel behoorlijk opgeroepen, is de vader niet verschenen.

De uitspraak is bepaald op heden.

GRONDEN VAN DE BESLISSING

Het verzoek is op 4 januari 2008 bij de rechtbank ontvangen. Het is ingediend als een verzoek tot uithuisplaatsing in een justitiële jeugdinrichting en niet ingediend als een verzoek tot opname in een accommodatie voor gesloten jeugdzorg zoals bedoeld in artikel 29b Wet op

de Jeugdzorg (hierna Wjz). Gelet op het zeer recente karakter van de wetswijziging van 28 december 2007 ingevoerd op 1 januari 2008, zal de rechtbank het verzoek opvatten als een verzoek tot opname in een accommodatie voor gesloten jeugdzorg zoals bedoeld in artikel 29b Wjz analoog aan het in artikel VII lid 1 van de Wet Gesloten Jeugdzorg bepaalde overgangsrecht voor verzoeken ingediend vóór 1 januari 2008.

Bij beschikking van de kinderrechter te Amsterdam van 27 september 2006 is voornoemde minderjarige onder toezicht gesteld. De ondertoezichtstelling is nadien verlengd tot 4 september 2008, zijnde de datum waarop [minderjarige] meerderjarig wordt.

In het kader van de ondertoezichtstelling is voornoemde minderjarige uit huis geplaatst. De laatst gegeven machtiging tot uithuisplaatsing voor verblijf in een instelling voor gesloten jeugdzorg is geldig tot 29 januari 2008.

Ter terechtzitting heeft de minderjarige primair aangegeven zich niet te kunnen verenigen met het verzoek en subsidiair geen instemming te verlenen voor de tenuitvoerlegging van de machtiging in een justitiële jeugdinrichting ex artikel VII lid 3 en 4 Wjz. De minderjarige heeft daartoe aangegeven dat plaatsing in een gesloten setting niet langer noodzakelijk is, omdat de informatie van het BJAA verouderd is. Desgevraagd zegt de minderjarige met de toenmalige MST-behandeling in de Waag te zijn opgehouden, omdat zij niet in de behandeling geloofde en het cultuurverschil tussen de moeder en haarzelf onveranderbaar en onoverbrugbaar is. Voorts betoogt de minderjarige dat zij in een gesloten setting teveel structuur en regels ervaart, terwijl zij dat thuis in het geheel niet gewend is. De minderjarige beaamt thans in De Doggershoek in een doseerprogramma te zijn opgenomen, omdat zij de groepsleiding is aangevallen. De minderjarige wijt het incident aan een teveel aan regels, aan het feit dat zij boos was, zij zich in de instelling niet op haar gemak voelde, en zij het ‘zat’ was. De minderjarige denkt in aanmerking te komen voor verblijf in een open instelling van waaruit zij een externe school kan bezoeken.

De raadsvrouw van de minderjarige heeft, onder overlegging van pleitaantekeningen, betwist dat er in casu voldaan is aan de eisen gesteld in artikel 29b Wjz en dat er evenmin voldaan is aan het vereiste van een verklaring van een gedragswetenschapper die [minderjarige] van tevoren bezocht heeft en voorts dat het ingediende indicatiebesluit het verzoek niet ondersteunt. De raadsvrouw van de minderjarige heeft voorts betoogd dat zich in casu niet het geval van artikel 29 k lid 2 Wjz voordoet, nu voornoemd artikel de situatie betreft dat een minderjarige op grond van een veroordeling in een justitiële jeugdinrichting verblijft en in het onderhavige geval van een veroordeling geen sprake is. Evenmin is artikel VII lid 4 Wjz van toepassing nu de in artikel VII lid 3 Wjz genoemde instemming van de minderjarige en degene die het gezag over haar uitoefent ontbreekt, aldus de raadsvrouw. De raadsvrouw heeft daartoe voorts gesteld dat de moeder weigert instemming te verlenen, omdat zij haar dochter graag weer thuisgeplaatst zou zien. Met het oog op het bovenstaande verzoekt de raadsvrouw primair het verzoek niet-ontvankelijk te verklaren, nu het BJAA na de wetswijziging verzuimd heeft het verzoek een verzoek tot uithuisplaatsing in gesloten jeugdzorg te noemen, en subsidiair het verzoek af te wijzen.

Het BJAA heeft ter zitting gepersisteerd bij het verzoek, omdat [minderjarige] met ernstige gedragsproblemen kampt en (in het strafrechtelijk kader) een persoonlijkheidsonderzoek (hierna: PO) is aangevraagd en toegewezen. Het BJAA bepleit dat de gesloten

jeugdzorgplaatsing van [minderjarige] in De Doggershoek zal worden uitgevoerd, zodat het PO kan worden afgenomen en op grond daarvan bekeken kan worden welke hulp de minderjarige nodig heeft zonder dat zij zich aan de hulpverlening kan onttrekken. Het BJAA vervolgt dat de minderjarige zich tot nu toe aan de hulpverlening heeft onttrokken en dat daarnaast alles stuk loopt op een gebrek aan motivatie van de minderjarige. Het BJAA betoogt voorts dat recente informatie vanuit De Doggershoek alarmerend is, nu gebleken is dat [minderjarige] in een doseerprogramma is opgenomen, nadat zij de groepsleiding had aangevallen.

Thuisplaatsing van de minderjarige acht het BJAA onder eerdergenoemde omstandigheden geen optie. Van plaatsing in de Hoenderloo-groep is afgezien wegens de lange wachttijd aldaar en het feit dat [minderjarige] op korte termijn meerderjarig wordt. Het BJAA zegt toe zo spoedig mogelijk een nieuw indicatiebesluit in te dienen.

OVERWEGINGEN

Ten aanzien van de ontvankelijkheid van het verzoek.

De rechtbank acht het BJAA ontvankelijk in zijn verzoek nu het onderhavige verzoekschrift wordt opgevat als een verzoek tot plaatsing van voornoemde minderjarige in gesloten jeugdzorg ex artikel 29b Wjz.

Op grond van de inhoud van de overgelegde stukken en het verhandelde ter terechtzitting is de rechtbank van oordeel dat voldoende duidelijk is gebleken dat de minderjarige ernstige opgroei- en opvoedingsproblemen heeft die haar ontwikkeling naar volwassenheid ernstig belemmeren en die maken dat de opneming en het verblijf in gesloten jeugdzorg noodzakelijk zijn om te voorkomen dat de minderjarige zich aan de zorg die zij nodig heeft zal onttrekken of daaraan door anderen zal worden onttrokken. Met name is hierbij van belang dat er grote zorgen bestaan over het gebrek aan motivatie van de minderjarige, die driemaal eerder een zelfdodingspoging deed en die betrokken was bij strafbare feiten, om haar medewerking aan ambulante hulpverlening te verlenen, aangezien zij zich in het verleden op geen enkele manier heeft opengesteld voor de hulpverlening dan wel dat zij deze eigenmachtig heeft stopgezet. Teneinde duidelijkheid te krijgen welke behandeling de minderjarige nodig heeft is de rechtbank van oordeel dat afname van het PO intramuraal dient te geschieden, zodat [minderjarige] zich hieraan niet kan onttrekken. De rechtbank is dan ook van oordeel dat zich een geval voordoet als bedoeld in artikel 29b lid 3 Wjz.

Met betrekking tot de overige in artikel 29b lid 4 en 5 Wjz genoemde voorwaarden is de rechtbank van oordeel dat onderzoek van de minderjarige door een gedragswetenschapper voorafgaand aan deze beslissing in redelijkheid niet had mogen worden verwacht nu de wetswijziging eerst op 1 januari 2008 van kracht is en het verzoek, kort nadien, te weten op 4 januari 2008, is ingediend. Voorts heeft de rechtbank kennisgenomen van de toezegging van het BJAA dat op zeer korte termijn het vereiste indicatiebesluit alsnog zal worden ingediend.

Gelet op het bovenstaande is de rechtbank van oordeel dat zich een geval voordoet als bedoeld in artikel 29b Wjz, zodat het verzoek tot het verlenen van een machtiging uithuisplaatsing gesloten jeugdzorg in principe voor toewijzing vatbaar is.

BJAA heeft zich echter op het standpunt gesteld dat voornoemde machtiging ten uitvoer zal worden gelegd in een justitiële jeugdinrichting, nu op korte termijn geen plaats voor de minderjarige valt te verwachten in een accommodatie als bedoeld in artikel 29 k lid 1 Wjz.

Gelet op het voorgaande stelt de rechtbank vast dat BJAA een beroep doet op artikel VII, lid 4 Wjz. In dat geval heeft de wetgever bepaald dat de instemming van de minderjarige en degene die het gezag over hem uitoefent, vereist is om de eerdergenoemde machtiging uithuisplaatsing ten uitvoer te leggen in een justitiële jeugdinrichting.

In het onderhavige geval is van die instemming geen sprake.

Strikte toepassing van de wet zou er toe leiden dat de minderjarige op basis van de machtiging uithuisplaatsing gesloten jeugdzorg niet in een justitiële jeugdinrichting mag worden geplaatst.

Volgens artikel 3 lid 1 van het Verdrag inzake de rechten van het kind (hierna IVRK) vormen bij alle maatregelen betreffende kinderen, ongeacht of deze worden genomen door openbare of particuliere instellingen voor maatschappelijk welzijn of door rechterlijke instanties, bestuurlijke autoriteiten of wetgevende lichamen, de belangen van het kind de eerste overweging.

De rechtbank is van oordeel dat zich gevallen kunnen voordoen waarbij strikte toepassing van de Wjz zich niet verhoudt tot hetgeen in artikel 3, lid 1 IVRK staat vermeld. Immers in voorkomende gevallen kan het in het belang van de minderjarige zijn dat de minderjarige zonder zijn of haar instemming en die van degene die het gezag over hem of haar uitoefent, toch in een justitiële jeugdinrichting wordt geplaatst of geplaatst blijft.

In het onderhavige geval is strikte toepassing van de Wjz niet in het belang van [minderjarige] zoals bedoeld in artikel 3 lid 1 IVRK. Immers, in geval van strikte toepassing zou het [minderjarige] ontbreken aan de juiste begeleiding en - op termijn - juiste behandeling die zij gelet op haar problematiek zo hard nodig heeft in een gesloten setting. Daarbij overweegt de rechtbank dat niet is gebleken van omstandigheden die maken dat Jennifer niet in een justitiële jeugdinrichting kan verblijven.

Gelet op het bovenstaande is de rechtbank van oordeel dat het verzoek tot machtiging voor opname in een accommodatie voor gesloten jeugdzorg dient te worden toegewezen en ten uitvoer kan worden gelegd in een justitiële jeugdinrichting.

Mitsdien wordt als volgt beslist.

BESLISSING:

De rechtbank:

- verklaart het BJAA ontvankelijk in zijn verzoek;

- handhaaft de beschikking van de kinderrechter te Amsterdam van 18 januari 2008;

- verleent aansluitend machtiging om de minderjarige in een accommodatie voor gesloten jeugdzorg te doen opnemen en te doen verblijven met ingang van 29 januari 2008 tot

18 juli 2008, welke machtiging ten uitvoer kan worden gelegd in een justitiële

jeugdinrichting;

- bepaalt dat de machtiging van kracht blijft indien binnen dertig dagen een daarop betrekking hebbend indicatiebesluit strekt tot uithuisplaatsing in gesloten jeugdzorg van voornoemde minderjarige;

- verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.

Deze beschikking is gegeven door mr. J.A.C. Bartels, voorzitter tevens kinderrechter, en mrs. K. Bakker en D.C. van Reekum, rechters, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 28 januari 2008, in tegenwoordigheid van mr. A.J. Hoenderdaal, griffier..