Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2008:BD4545

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
28-01-2008
Datum publicatie
18-06-2008
Zaaknummer
07-3212/384432
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Per 1 januari 2008 is de Wet op de jeugdzorg met betrekking tot jeugdzorg waarop aanspraak bestaat ingevolge de wet gesloten setting (gesloten jeugdzorg) van kracht (Wjz).De capaciteit om ondertoezichtgestelden c.q. onder voogdij staande minderjarigen in een gesloten setting te plaatsen is echter ontoereikend. Gedurende een overgangsperiode van twee jaar mag de machtiging tot uithuisplaatsing dan ook ten uitvoer gelegd worden in een justitiële jeugdinrichting (JJI) mits de ondertoezichtgestelde c.q. de voogdijpupil en de gezagsdrager daarmee instemmen (instemmingsvereiste). (Intussen is reparatiewetgeving aan de orde). Wanneer geen instemming verleend wordt, dreigt de minderjarige 'uit de JJI' te vallen en komt hij op straat te staan, zolang de capaciteit in de gesloten jeugdzorg nog niet volledig is. Teneinde de minderjarigen tegen hun wil in een JJI te plaatsen, beroept de rechtbank zich op art. 3 lid 1 van het Verdrag inzake de rechten van het kind. Immers ingeval van strikte toepassing van de Wjz zou het de minderjarige ontbreken aan de juiste begeleiding en behandeling die hij nodig heeft in een gesloten setting. De rechtbank overweegt voorts per individueel geval of de tenuitvoerlegging van de machtiging in een JJI verantwoord is.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

VERLENGING MACHTIGING UITHUISPLAATSING GESLOTEN JEUGDZORG

Zaak- en rekestnummer:

07-3212/384432

Beschikking van de rechtbank in de bovengenoemde rechtbank naar aan¬leiding van het namens het Bureau Jeugdzorg Agglomeratie Amsterdam, gevestigd te Amsterdam, ingediende verzoek door de William Schrikker Stichting Jeugdbescherming en Jeugdreclassering,

hierna ook te noemen: de WSS,

met betrekking tot de minderjarige:

[minderjarige], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum].

[moeder minderjarige], wonende te [woonplaats], is de moeder.

[vader minderjarige], wonende te [woonplaats], is de vader.

De ouders zijn belast met de uitoefening van het gezag over de minderjarige.

Als belanghebbenden zijn aangemerkt: de ouders en de minderjarige.

VERDER VERLOOP VAN DE PROCEDURE

Het verloop van de procedure tot 17 december 2007 is weergegeven in de beschikking van

17 december 2007 naar welke beschikking thans wordt verwezen.

Op 24 januari 2008 heeft de rechtbank het resterende deel van het verzoek ter terechtzitting met gesloten deuren wederom behandeld, waarvan afzonderlijk proces-verbaal is opgemaakt.

Verschenen en gehoord zijn:

- de minderjarige, bijgestaan door mr. G. van der Wal;

- de ouders;

- [vertegenwoordiger WSS], namens de WSS.

De rechtbank verzoekt de WSS en de raadsvrouw vooraf de ten onrechte gefaxte beschikking van de kinderrechter te Amsterdam van 18 januari 2008 met betrekking tot voornoemde minderjarige als niet geschreven te beschouwen.

De uitspraak is bepaald op heden.

GRONDEN VAN DE BESLISSING

Ingevolge artikel VII, eerste lid, van de Wet gesloten jeugdzorg wordt het verzoekschrift thans aangemerkt als een verzoek om verlenging van de machtiging gesloten jeugdzorg als bedoeld in artikel 29b van de Wet op de jeugdzorg (hierna: Wjz).

Bij beschikking van de kinderrechter te Amsterdam van 21 maart 2001 is voornoemde minderjarige onder toezicht gesteld. De ondertoezichtstelling is nadien verlengd tot 21 maart 2008.

In het kader van de ondertoezichtstelling is de minderjarige uit huis geplaatst. De laatst gegeven machtiging tot uithuisplaatsing voor verblijf in een justitiële jeugdinrichting is geldig tot 21 februari 2008.

Ter terechtzitting hebben de ouders en de minderjarige aangegeven zich niet te kunnen verenigen met inwilliging van het resterende deel van het verzoek, omdat zij de mening zijn toegedaan dat [minderjarige] inmiddels vanuit de thuissituatie ambulant behandeld zou kunnen worden. De minderjarige voegt daaraan toe dat de klachten met betrekking tot zijn gedrag in De Doggershoek thans niet meer spelen en dat hij ook niet langer in afzondering is geplaatst. De minderjarige beaamt weer thuisgeplaatst te willen worden en van daaruit zijn opleiding tot huisschilder te willen afronden.

De raadsvrouw van de minderjarige heeft ter zitting aangevoerd dat het verzoekschrift onvoldoende is onderbouwd en dat er evenmin, zoals bij eerdere zittingen is verzocht, aanvullende actuele informatie is ingediend om verlenging van de plaatsing van de minderjarige in een gesloten setting te rechtvaardigen. Dit geldt des te meer nu De Doggershoek in de rapportage van 13 november 2007 heeft aangegeven dat de minderjarige goed reageert op correcties door de groepsleiding, dat hij inmiddels bestuurbaarder en begeleidbaarder is geworden en dat hij zijn radicaliserende en racistische uitspraken inmiddels gestaakt heeft. Ook, zo vervolgt de raadsvrouw, heeft [minderjarige] in het verleden goed gereageerd op de ambulante hulpverlening en heeft hij zich (anders dan door plaatsing in detentie) niet aan de hulpverlening onttrokken. De raadsvrouw vervolgt dat hulpverlening via OC Middelveld, zoals eerder overwogen, door de detentie van [minderjarige] niet van de grond is kunnen komen, maar blijkens telefonische navraag zou de WSS hem daar weer kunnen aanmelden. Het voordeel van een dergelijke plaatsing is, zo betoogt de raadsvrouw, dat de hulpverlening weer in de eigen regio zijn beslag kan krijgen en dat de ouders daarbij betrokken kunnen worden. Indien plaatsing in OC Middelveld niet tot de mogelijkheden behoort, oppert de raadsvrouw de mogelijkheid van plaatsing van [minderjarige] in het LVG circuit Rentray. Door een dergelijke plaatsing wordt tevens voldaan aan de strekking van de Wjz dat er alleen tot een vrijheidsbenemende maatregel dient te worden overgegaan als hulpverlening vanuit een open setting onvoldoende gegarandeerd is en er geen andere mogelijkheden resteren, hetgeen in casu niet het geval is, aldus nog steeds de raadsvrouw.

De raadsvrouw betwist voorts dat er in casu voldaan is aan de eisen gesteld in artikel 29b Wjz en dat er evenmin aan het vereiste van een verklaring van een gedragswetenschapper die [minderjarige] kort van tevoren heeft bezocht. Voorts betoogt de raadsvrouw dat evenmin artikel VII lid 4 Wjz van toepassing is nu de in artikel VII lid 3 Wjz genoemde instemming van de minderjarige en degene die het gezag over hem uitoefent ontbreekt. Mede met het oog hierop verzoekt de raadsvrouw het resterende deel van het verzoek af te wijzen.

De WSS heeft ter zitting gepersisteerd bij het verzoek en daarbij aangegeven dat de minderjarige er nog niet aan toe is om thuisgeplaatst te worden. De Doggershoek heeft desgevraagd op 23 januari 2008 telefonisch verklaard dat de minderjarige ten gevolge van zijn agressieve gedrag en opstelling in een apart zorgprogramma is opgenomen. Met De Doggershoek wijst de WSS thuisplaatsing van de minderjarige op dit moment af, temeer daar de ouders nog immer geen grip op de minderjarige hebben. De WSS vervolgt dat de minderjarige dient te leren welke impact zijn gedrag en zijn radicale uitspraken op anderen hebben en bepleit voortzetting van de plaatsing van de minderjarige in De Doggershoek. De WSS betoogt voorts dat plaatsing in het LGV circuit Rentray, gelet op de wachtlijst-problematiek, maandenlang op zich kan laten wachten, terwijl de behandeling van de minderjarige evenzeer door De Doggershoek uitgevoerd kan worden. De WSS betoogt voorts dat er op 14 februari 2008 een behandelplanbespreking zal plaatsvinden. Op grond van de bevindingen tot nu toe gaat de WSS er vanuit dat de minderjarige zich thans nog niet in de eindfase van zijn behandeling bevindt. Zolang er geen plek vrijkomt voor de minderjarige in De Rentray verzoekt de WSS tenuitvoerlegging van de machtiging in De Doggershoek en verwerpt de WSS het ter zitting gedane voorstel om de minderjarige ter overbrugging thuis te plaatsen. Plaatsing in OC Middelveld acht de WSS gelet op de ernst van de problematiek van de minderjarige niet aan de orde, temeer daar uit het laatste PO blijkt dat het risico op recidive en delictgedrag blijft bestaan.

OVERWEGINGEN

Op grond van de inhoud van de overgelegde stukken en het verhandelde ter terechtzitting is de kinderrechter van oordeel dat voldoende duidelijk is gebleken dat de minderjarige ernstige opgroei- en opvoedingsproblemen heeft die zijn ontwikkeling naar volwassenheid ernstig belemmeren, en die maken dat de opneming en het verblijf in gesloten jeugdzorg noodzakelijk blijven om te voorkomen dat de minderjarige zich aan de zorg die hij nodig heeft zal onttrekken of daaraan door anderen zal worden onttrokken. Met name is hierbij van belang dat de minderjarige zijn behandeling intramuraal dient af te ronden, en dat de signalen met betrekking tot het gedrag en de opstelling van de minderjarige in De Doggershoek niet onverdeeld gunstig zijn, waardoor plaatsing in een open inrichting en thuisplaatsing met ambulante behandeling voorbarig en onhaalbaar zijn.

Gelet op het bovenstaande is de rechtbank van oordeel dat zich een geval voordoet als bedoeld in artikel 29b Wjz, zodat het verzoek tot het verlenen van een machtiging uithuisplaatsing gesloten jeugdzorg in principe voor toewijzing vatbaar is.

De WSS heeft zich echter op het standpunt gesteld dat voornoemde machtiging ten uitvoer zal worden gelegd in een justitiële jeugdinrichting, nu op korte termijn geen plaats voor de minderjarige valt te verwachten in een accommodatie als bedoeld in artikel 29 k lid 1 Wjz.

Gelet op het voorgaande stelt de rechtbank vast dat de WSS een beroep doet op artikel VII, lid 4 Wjz. In dat geval heeft de wetgever bepaald dat de instemming van de minderjarige en degene die het gezag over hem uitoefent, vereist is om de eerdergenoemde machtiging uithuisplaatsing ten uitvoer te leggen in een justitiële jeugdinrichting.

In het onderhavige geval is van die instemming geen sprake.

Strikte toepassing van de wet zou er toe leiden dat de minderjarige op basis van de machtiging uithuisplaatsing gesloten jeugdzorg niet in een justitiële jeugdinrichting mag worden geplaatst en bij gebrek aan plaatsingsmogelijkheden in een accommodatie voor gesloten jeugdzorg naar huis zou gaan.

Volgens artikel 3 lid 1 van het Verdrag inzake de rechten van het kind (hierna IVRK) vormen bij alle maatregelen betreffende kinderen, ongeacht of deze worden genomen door openbare of particuliere instellingen voor maatschappelijk welzijn of door rechterlijke instanties, bestuurlijke autoriteiten of wetgevende lichamen, de belangen van het kind de eerste overweging.

De rechtbank is van oordeel dat zich gevallen kunnen voordoen waarbij strikte toepassing van de Wjz zich niet verhoudt tot hetgeen in artikel 3, lid 1 IVRK staat vermeld. Immers in voorkomende gevallen kan het in het belang van de minderjarige zijn dat de minderjarige zonder zijn of haar instemming en die van degene die het gezag over hem of haar uitoefent, toch in een justitiële jeugdinrichting wordt geplaatst of geplaatst blijft.

In het onderhavige geval is strikte toepassing van de Wjz niet in het belang van [minderjarige] zoals bedoeld in artikel 3 lid 1 IVRK. Immers, in geval van strikte toepassing zou het [minderjarige] ontbreken aan de juiste begeleiding en behandeling die hij gelet op zijn problematiek zo hard nodig heeft in een gesloten setting. Daarbij overweegt de rechtbank dat niet is gebleken van omstandigheden die maken dat [minderjarige] niet in een justitiële jeugdinrichting kan verblijven.

Met betrekking tot de overige in artikel 29b lid 4 en 5 genoemde voorwaarden is de rechtbank van oordeel dat ten aanzien van verzoeken die ingediend zijn vóór de inwerkingtreding van de Wjz per 1 januari 2008 geen extra eisen met betrekking tot het voorhanden hebben van een actuele verklaring van een gedragswetenschapper worden gesteld. Voorts gaat de rechtbank ervan uit dat de WSS op zeer korte termijn alsnog een geldig indicatiebesluit zal indienen.

Gelet op het bovenstaande is de rechtbank van oordeel dat het resterende deel van het verzoek tot verlenging van de machtiging tot opname in een accommodatie voor gesloten jeugdzorg dient te worden toegewezen en ten uitvoer kan worden gelegd in een justitiële jeugdinrichting.

BESLISSING:

De kinderrechter:

- verlengt de machtiging om de minderjarige in een accommodatie voor gesloten jeugdzorg te doen opnemen en te doen verblijven met ingang van 21 februari 2008 tot 21 maart 2008, welke machtiging ten uitvoer kan worden gelegd in een justitiële jeugdinrichting;

- bepaalt dat de machtiging van kracht blijft indien binnen dertig dagen een daarop betrekking hebbend indicatiebesluit strekt tot opname in een accommodatie voor gesloten jeugdzorg van voornoemde minderjarige;

- verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.

Deze beschikking is gegeven door mr. J.A.C. Bartels, voorzitter en kinderrechter, en mrs. K. Bakker en D.C. van Reekum, rechters, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 28 januari 2008, in tegenwoordigheid van mr. A.J. Hoenderdaal, griffier..