Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2008:BD4422

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
15-05-2008
Datum publicatie
18-06-2008
Zaaknummer
CV 07-40144
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Kennelijk onredelijk ontslag. Door werkgever getroffen voorzieningen vs. nadeel werknemer. Geen vergoeding.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR-Updates.nl 2008-0379
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

SECTOR KANTON - LOCATIE AMSTERDAM

Kenmerk : CV 07-40144

Datum : 15 mei 2008 (bij vervroeging)

113

Vonnis van de kantonrechter te Amsterdam in de zaak van:

[eiser]

wonende te [woonplaats]

eiser

gemachtigde: mr. A.G.M. Wilms

t e g e n:

DE SOCIALE VERZEKERINGSBANK

gevestigd en kantoorhoudend te Amstelveen

gedaagde

gemachtigde: mr. F. van den Berg

VERLOOP VAN DE PROCEDURE

De volgende processtukken zijn ingediend:

- de dagvaarding van 28 november 2007 inhoudende de vordering van eiser

- de conclusie van antwoord van gedaagde met bewijsstukken

Vervolgens is bij tussenvonnis van 17 maart 2008 bepaald dat een comparitie van partijen werd gelast. Deze is op 8 mei 2008 gehouden. Partijen hebben inlichtingen verschaft.

Daarna is vonnis bepaald.

GRONDEN VAN DE BESLISSING

Feiten

1. Als gesteld en onvoldoende weersproken staat vast:

1.1. Eiser, geboren op [geboortedatum] 1958, is op 1 januari 1977 bij (de rechtsvoorganger van) gedaagde in dienst getreden op basis van een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd.

1.2. Laatstelijk voor 2002 was eiser werkzaam als medewerker IOA bij het vestigingskantoor van gedaagde in Rotterdam. In 2002 is hij benoemd in de functie van manager Uitvoering afdeling AOW/ANW van dezelfde vestiging. In die functie kreeg hij leidinggevende verantwoordelijkheden en werd hij directielid.

1.3. Op 24 mei 2005 heeft een lid van de Raad van Bestuur [persoon 1], aan eiser laten weten dat gedaagde hem uit zijn functie wilde ontheffen. Na inhoudelijk verweer van eiser is de ontheffing geëffectueerd per 1 juli 2005.

1.4. Eiser is per 1 juli 2005 gaan werken als ondersteuner van de manager F & F bij het vestigingskantoor Breda van gedaagde. Bij brief van 28 maart 2007 heeft gedaagde de arbeidsovereenkomst opgezegd tegen 1 juni 2007.

1.5. Het laatstelijk geldende salaris van eiser bedroeg € 4.573,00 bruto per maand, vermeerderd met 8% vakantie-uitkering en 8,33% eindejaarsuitkering, totaal € 5.320,00 bruto per maand.

1.6. Eiser is per 1 mei 2008 werkzaam bij de gemeente Schiedam.

Vordering

2. Eiser vordert gedaagde te veroordelen tot betaling van € 160.000,00 wegens hoofdsom. Eiser stelt dat gedaagde de arbeidsovereenkomst kennelijk onredelijk heeft opgezegd, hetgeen grond geeft voor een schadevergoeding op basis van art. 7:681 lid 2 sub a en b BW.

Ter onderbouwing van de vordering stelt eiser – samengevat – dat hij tijdens zijn langdurige dienstverband bij gedaagde gestaag carrière heeft gemaakt en steeds goede beoordelingen heeft gehad. De mededeling van [persoon 1] op 24 mei 2005 dat gedaagde het vertrouwen in hem verloren had en dat hij uit zijn functie ontheven zou worden kwam als een verrassing. Eiser verwijt gedaagde hem, ondanks zijn mondelinge en schriftelijke verzoeken, geen opheldering te hebben willen geven. Volgens eiser kent hij de redenen voor de maatregelen nog steeds niet. Met de ontheffing heeft hij niet ingestemd, anders dan gedaagde wil laten geloven.

3. Eiser stelt dat de functie in Breda als manager F & F niet meer dan een parkeerfunctie was. Aanvankelijk had hij nog werkzaamheden te verrichten, maar na enkele maanden was er geen werk meer en stond hij feitelijk op non-actief. Hij heeft gebruik gemaakt van de diensten van het mobiliteitscentrum van gedaagde; het centrum bood echter een ondermaatse begeleiding. Volgens eiser heeft hij vaak tevergeefs gesolliciteerd. Per 1 mei 2008 heeft hij de bovengenoemde baan, waar hij in een lagere schaal is ingedeeld dan die bij gedaagde.

Verweer

4. Gedaagde verweert zich tegen deze vordering. Haar verweren worden in het onderstaande opgenomen en beoordeeld.

Beoordeling

5. Het verwijt van eiser dat gedaagde hem niet over de redenen van de ontheffing uit zijn functie heeft ingelicht, wordt niet gevolgd. [persoon 1] heeft hem en zijn – eveneens getroffen – directeur [persoon 2] bij memo van 25 mei 2005 op de hoogte gesteld en hen beiden in de gelegenheid gesteld te reageren op een zestal concrete vragen en opmerkingen. Voordien is er al een mailwisseling geweest en is het interne accountantsrapport met beiden besproken. Nadien heeft eiser schriftelijk gereageerd op de inhoud van de door gedaagde aan zijn adres gemaakte verwijten. Ook is er overleg geweest over de manier van communicatie over het terugtreden van eiser, zodat hem al te grote imagoschade bespaard bleef.

6. Tijdens de comparitie is de reden voor de ontheffing besproken, waaruit eveneens bleek dat eiser de ins en outs daarvan goed begreep. Nu eiser zijn vordering inhoudelijk niet heeft gebaseerd op art. 7:681 lid 2 sub a BW, moet alleen worden beoordeeld of gedaagde een toereikend belang had bij de opzegging. In dat kader is voldoende komen vast te staan dat eiser en [persoon 2] de stand van zaken van omstreeks 300 dossiers hebben gemanipuleerd aldus dat er op de peildatum een ander beeld ontstond dan de werkelijkheid. Dat zij daarbij geen rechtstreeks eigen belang hadden en dat er druk bestond om de zaakvoorraad weg te werken, is onvoldoende relevant. Van belang is dat gedaagde een waarheidsgetrouw beeld moet hebben van de afhandeling van lopende zaken en dat werd geadministreerd volgens de bestaande richtlijnen. Eiser heeft erkend daarin te zijn tekortgeschoten. Gedaagde moet de directie van haar vestigingen kunnen vertrouwen; begrijpelijk is dat haar vertrouwen geschonden was.

7. Het verwijt van eiser dat gedaagde hem na 1 juli 2005 aan zijn lot heeft overgelaten, wordt evenmin gevolgd. In de eerste plaats heeft gedaagde hem direct een andere functie aangeboden, niet als manager F & F, maar als diens ondersteuning. Op non-actief is eiser niet komen te staan, al was de baan na verloop van tijd mogelijk niet erg veeleisend. De plaatsing geschiedde in het bredere kader van de afspraken bij brief van 23 juni 2005, die erop gericht waren om eiser te begeleiden naar een werkkring buiten de organisatie van gedaagde, zoals ook voor [persoon 2] gold. Uit niets is gebleken dat eiser zich destijds niet heeft verenigd met die afspraken, al verlangde hij naast de door gedaagde geboden voorzieningen ook een schadevergoeding.

8. In de tweede plaats is gebleken is dat gedaagde eiser bij zijn begeleiding in toereikende mate heeft gefaciliteerd. Allereerst heeft zij hem gedurende tenminste twee dagen per week vrijgesteld van werkzaamheden om zijn HEAO-studie te kunnen volgen en te kunnen solliciteren. Zij heeft het collegegeld en de studieboeken vergoed tot een bedrag van ca.

€ 3.000,00. Voorts heeft gedaagde tijd van haar interne mobiliteitsbureau vrijgemaakt ten behoeve van de begeleiding van eiser. Ook heeft zij eiser in de gelegenheid gesteld om zich door een extern outplacementbureau te laten bijstaan. De kosten ad € 7.200,00 heeft zij gedragen. Daarnaast is de termijn van de begeleiding verlengd van 1 september 2006 tot

1 juni 2007, waarbij het dienstverband en de geldende rechtspositie zijn gecontinueerd. Tenslotte heeft eiser na 1 juni 2007 op grond van de bij gedaagde geldende bovenwettelijke regeling aanspraak gehad op aanvulling van zijn WW-uitkering tot 90% van het laatste salaris.

9. Eiser heeft ongetwijfeld geen eenvoudige tijd van leven gehad. Niet kan echter worden geoordeeld dat de gevolgen van de opzegging voor hem te ernstig zijn geweest in vergelijking met het boven omschreven belang van gedaagde bij de beëindiging van het dienstverband. Het financiële nadeel daarvan is beperkt gebleven. Gedaagde heeft toereikende voorzieningen getroffen om de gevolgen van de opzegging te beperken en eiser nieuwe kansen op de arbeidsmarkt te bieden.

10. Dit betekent dat de vordering van eiser wordt afgewezen.

11. Gelet op de uitkomst van de procedure wordt eiser veroordeeld in de proceskosten. Gelet op de aard van het geschil en de positie van eiser worden die beperkt tot de helft van het gebruikelijke tarief.

BESLISSING

De kantonrechter:

I. wijst de vordering af;

II. veroordeelt eiser in de kosten van de procedure aan de zijde van gedaagde tot op heden begroot op € 700,00, voor zover verschuldigd inclusief BTW, aan salaris van haar gemachtigde

III. verklaart de kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Aldus gewezen door mr. F. van der Hoek, kantonrechter, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 15 mei 2008 in tegenwoordigheid van de griffier.

De griffier De kantonrechter