Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2008:BD3678

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
11-06-2008
Datum publicatie
11-06-2008
Zaaknummer
13-527271-07 (zaak A) + 13-411135-07 (zaak B) (PROMIS)
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Feiten en bewezenverklaring

Op 9 augustus 2007 heeft mededader geprobeerd avondwinkel Car Check te Amstelveen te beroven. Toen dit niet lukte en de winkelier mededader vastpakte heeft mededader de winkelier met een mes zodanig gestoken dat deze is komen te overlijden. Mededader is op 29 april 2008 veroordeeld tot een gevangenisstraf van 3 jaren en tbs.

Verdachte wordt eveneens beschuldigd van betrokkenheid bij deze zaak. Hij zou, wetende van de voorgenomen beroving, mededader naar de winkel hebben vervoerd op een scooter en met hem zijn weggevlucht.

Kernvraag in deze zaak is of verdachte, voordat mededader de winkel inging, op de hoogte was van de voorgenomen beroving. Ter zitting heeft verdachte dit ontkend en verklaart hij pas tijdens en na de vlucht te hebben vernomen wat er is gebeurd.

De rechtbank beantwoordt deze vraag evenwel bevestigend. Niet alleen mededader heeft verklaard dat hij onderweg naar de winkel toe met verdachte heeft besproken dat hij de avondwinkel zou overvallen. Ook verdachte zelf heeft in een verklaring bij de politie en nadien bij de rechter-commissaris dit toegegeven. De rechtbank is van oordeel dat deze bekennende verklaringen van verdachte niet, zoals door de verdediging gesteld, als onbetrouwbaar kunnen worden aangemerkt. Deze verklaringen zijn derhalve bruikbaar voor het bewijs en zijn door de rechtbank ook gebruikt voor het bewijs.

Ook acht de rechtbank verdachte verantwoordelijk voor het door mededader toegepaste geweld waaronder de steek met een mes met dodelijke afloop. Verdachte kende mededader en wist dat hij zich met overvallen bezighield om in zijn levensonderhoud te voorzien. Ook wist hij dat mededader altijd een mes bij zich droeg en dat mededader op de bewuste avond een mes bij zich had. Onder die omstandigheden heeft hij willen en wetens de aanmerkelijke kans aanvaard dat mededader ook daadwerkelijk geweld, met inbegrip van het gebruik van een mes, zou gebruiken bij de overval. Daarom acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich heeft schuldig gemaakt aan het medeplegen van de poging tot overval.

Daarnaast wordt verdachte schuldig bevonden aan het rijden onder invloed op een brommer.

Straf

3 jaar gevangenisstraf waarvan 1 jaar voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren.

Als bijzondere voorwaarden moet hij zich tijdens de proeftijd houden aan aanwijzingen van de reclassering.

Verdachte moet aan de nabestaanden een schadevergoeding betalen van € 4802,16.

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafrecht
Wetboek van Strafrecht 310
Wetboek van Strafrecht 312
Wetboek van Strafrecht 316
Wegenverkeerswet 1994
Wegenverkeerswet 1994 8
Wetboek van Strafvordering
Wetboek van Strafvordering 351
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NBSTRAF 2008/256
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Parketnummers: 13/527271-07 (zaak A) + 13/411135-07 (zaak B) (PROMIS)

Datum uitspraak: 11 juni 2008

op tegenspraak

VONNIS

van de rechtbank Amsterdam, meervoudige strafkamer, in de strafzaak tegen

[verdachte],

geboren te Amsterdam op [geboortedatum] 1986,

zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland,

gedetineerd in het Huis van Bewaring “Nieuwegein” te Nieuwegein.

De rechtbank heeft beraadslaagd naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen van 25 maart 2008 en 28 mei 2008.

1. Verzoek heropening onderzoek

Op 28 mei 2008 heeft de voorzitter het onderzoek gesloten verklaard en is de uitspraak bepaald op 11 juni 2008. Nadat het onderzoek was gesloten en vóór 11 juni 2008, derhalve tijdens de beraadslaging, ontving de voorzitter een brief van de raadsman van verdachte waarin hij verzoekt het onderzoek ter terechtzitting te heropenen. Als bijlage bij dit verzoek is meegezonden een (ongedateerde) tekst die afkomstig zou zijn van medeverdachte (hierna te noemen [medeverdachte]) en die hij zou hebben doen toekomen aan verdachte. Kort samengevat schrijft [medeverdachte] dat hij zijn verklaring kan veranderen als verdachte in hoger beroep gaat; hij schrijft voorts dat hij misschien kan getuigen en dan de waarheid zal vertellen.

De rechtbank stelt vast dat in de onderhavige strafzaak het onderzoek ter terechtzitting is gesloten. Slechts indien onder de beraadslaging blijkt dat het onderzoek niet volledig is geweest kan de rechtbank, gelet op het bepaalde in artikel 346 van het Wetboek van Strafvordering, bevelen dat het onderzoek dient te worden hervat. De rechtbank ziet in het verzoek van de raadsman van verdachte geen aanleiding om te concluderen dat het onderzoek niet volledig zou zijn geweest. Ervan uitgaande dat de hiervoor samengevatte tekst van medeverdachte [medeverdachte] afkomstig is, is deze dermate vaag dat op grond daarvan niet de noodzaak is ontstaan het onderzoek te heropenen. Het verzoek van de raadsman van verdachte wordt derhalve afgewezen.

2. Telastelegging

De telastelegging in zaak A is op de zittingen van 25 maart 2008 en 28 mei 2008 gewijzigd, in dier voege dat aan verdachte is telastegelegd dat

ten aanzien van het in zaak A onder 1 telastegelegde

primair:

hij op of omstreeks 09 augustus 2007 te Amstelveen tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk [slachtoffer] van het leven heeft beroofd, immers heeft/hebben verdachte en/of (een of meer van) zijn mededader(s) met dat opzet voornoemde [slachtoffer] een of (meer)ma(a)l(en)(met kracht) met een mes in het lichaam gestoken, tengevolge waarvan voornoemde [slachtoffer] is overleden, welke vorenomschreven doodslag werd gevolgd, vergezeld en/of voorafgegaan van enig strafbaar feit, te weten (een poging tot) diefstal met geweld, en welke doodslag werd gepleegd met het oogmerk om de uitvoering van dat feit voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken en/of om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf en/of aan de andere deelnemer(s) straffeloosheid en/of het bezit van het wederrechtelijk verkregene te verzekeren;

subsidiair:

[medeverdachte] op of omstreeks 09 augustus 2007 te Amstelveen, opzettelijk [slachtoffer] van het leven heeft beroofd, immers heeft voornoemde [medeverdachte] met dat opzet voornoemde [slachtoffer] een of (meer)ma(a)l(en)(met kracht) met een mes in het lichaam gestoken, tengevolge waarvan voornoemde [slachtoffer] is overleden, welke vorenomschreven doodslag werd gevolgd, vergezeld en/of voorafgegaan van enig strafbaar feit, te weten (een poging tot) diefstal met geweld, en welke doodslag werd gepleegd met het oogmerk om de uitvoering van dat feit voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken en/of om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf en/of aan de andere deelnemer(s) straffeloosheid en/of het bezit van het wederrechtelijk verkregene te verzekeren;

tot en/of bij het plegen van welk misdrijf verdachte

in of omstreeks de periode van 14 juli 2007 tot en met 09 augustus 2007 te Amsterdam en/of Amstelveen en/of elders in Nederland opzettelijk gelegenheid, middelen en/of inlichtingen heeft verschaft en/of opzettelijk behulpzaam is geweest door:

- tezamen en in vereniging met voornoemde [medeverdachte], voor die [medeverdachte] een mes te kopen, en

- tezamen en in vereniging met voornoemde [medeverdachte], met gebruikmaking van een bromfiets

naar de avondwinkel van voornoemde [slachtoffer] is toegereden, en

- (vervolgens) met voornoemde (gereedstaande) bromfiets op enige afstand van voornoemde

avondwinkel klaar is gaan staan, om de vlucht van hem, verdachte, en voornoemde [medeverdachte]

mogelijk te maken, en

- voornoemde [medeverdachte] heeft afgezet bij zijn woning/verblijfplaats;

ten aanzien van het in zaak A onder 2 telastegelegde

primair :

hij op of omstreeks 09 augustus 2007 te Amstelveen ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met een ander, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening weg te nemen geld en/of een of meer goederen van zijn/hun gading, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer] en/of avondwinkel Car Check, in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader, en daarbij die voorgenomen diefstal te doen voorafgaan, te doen vergezellen en/of te doen volgen van geweld en/of bedreiging met geweld, te plegen met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken en/of om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf en/of aan de andere deelnemer aan dat misdrijf de vlucht mogelijk te maken en/of het bezit van het gestolene te verzekeren, met zijn mededader, althans alleen,

- met een bromfiets naar avondwinkel Car Check is gereden,

- waarna hij en/of zijn mededader die avondwinkel is/zijn binnengegaan en vervolgens die

avondwinkel weer heeft/hebben verlaten,

- waarna hij en/of zijn mededader ( na ongeveer 20 minuten) opnieuw die avondwinkel is/zijn

binnengegaan, en/of

- waarbij hij en/of zijn mededader met een (getrokken en/of opengeklapt) mes die

avondwinkel is/zijn binnengegaan, en/of

- met dat/een mes in zijn/hun hand dreigend op voornoemde [slachtoffer] is/zijn toegelopen en/of

(daarbij) voornoemde [slachtoffer] dreigend de woorden heeft/hebben toegevoegd:

“kassa openmaken” en/of “geef mij geld”, althans woorden van gelijke dreigende aard of

strekking, en/of

- (vervolgens,) nadat [slachtoffer] de kassa op de grond had gegooid, deze kassa (weer)

heeft/hebben opgeraapt en/of

- vervolgens voornoemde [slachtoffer] (opzettelijk) een of (meer)ma(a)l(en) (met kracht) met

dat/een mes in het lichaam heeft/hebben gestoken,

welk vorenomschreven feit de dood van voornoemde [slachtoffer] ten gevolge heeft gehad;

en/of

hij op of omstreeks 09 augustus 2007 te Amstelveen ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met een ander, althans alleen, met het oogmerk om zich en/of een ander wederrechtelijk te bevoordelen door geweld en/of bedreiging met geweld [slachtoffer] te dwingen tot afgifte van geld en/of een of meer goederen van zijn/hun gading, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer] en/of avondwinkel Car Check, in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader,

- met een bromfiets naar avondwinkel Car Check is gereden,

- waarna hij en/of zijn mededader die avondwinkel is/zijn binnengegaan en vervolgens die

avondwinkel weer heeft/hebben verlaten,

- waarna hij en/of zijn mededader ( na ongeveer 20 minuten) opnieuw die avondwinkel is/zijn

binnengegaan, en/of

- waarbij hij en/of zijn mededader met een (getrokken en/of opengeklapt) mes die

avondwinkel is/zijn binnengegaan, en/of

- met dat/een mes in zijn/hun hand dreigend op voornoemde [slachtoffer] is/zijn toegelopen en/of

- (daarbij) voornoemde [slachtoffer] dreigend de woorden heeft/hebben toegevoegd:

“kassa openmaken” en/of “geef mij geld”, althans woorden van gelijke dreigende aard of

strekking, en/of

- (vervolgens,) nadat [slachtoffer] de kassa op de grond had gegooid, deze kassa (weer)

heeft/hebben opgeraapt en/of

- vervolgens voornoemde [slachtoffer] (opzettelijk) een of (meer)ma(a)l(en) (met kracht) met

dat/een mes in het lichaam heeft/hebben gestoken,

welk vorenomschreven feit de dood van voornoemde [slachtoffer] ten gevolge heeft gehad;

subsidiair:

[medeverdachte] op of omstreeks 09 augustus 2007 te Amstelveen, ter uitvoering van het door hem voorgenomen misdrijf om met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening weg te nemen geld en/of een of meer goederen van zijn gading, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer] en/of avondwinkel Car Check, in elk geval aan een ander of anderen dan aan [meded[medeverdachte] en/of verdachte, en daarbij die voorgenomen diefstal te doen voorafgaan, te doen vergezellen en/of te doen volgen van geweld en/of bedreiging met geweld, te plegen met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken en/of om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf de vlucht mogelijk te maken en/of het bezit van het gestolene te verzekeren,

- met een bromfiets naar avondwinkel Car Check is gereden,

- waarna hij en verdachte die avondwinkel zijn binnengegaan en vervolgens die avondwinkel

weer hebben verlaten,

- waarna hij ( na ongeveer 20 minuten) opnieuw die avondwinkel is binnengegaan, en/of

- waarbij hij met een (getrokken en/of opengeklapt) mes die avondwinkel is binnengegaan,

en/of

- met dat mes in zijn hand dreigend op voornoemde [slachtoffer] is toegelopen en/of

- (daarbij) voornoemde [slachtoffer] dreigend de woorden heeft toegevoegd:

“kassa openmaken” en/of “geef mij geld”, althans woorden van gelijke dreigende aard of

strekking, en/of

- (vervolgens,) nadat [slachtoffer] de kassa op de grond had gegooid, deze kassa (weer) heeft

opgeraapt en/of

- vervolgens voornoemde [slachtoffer] (opzettelijk) een of (meer)ma(a)l(en) (met kracht) met dat

mes in het lichaam heeft gestoken,

welk vorenomschreven feit de dood van voornoemde [slachtoffer] ten gevolge heeft gehad;

tot en/of bij het plegen van welk misdrijf verdachte

in of omstreeks de periode van 14 juli 2007 tot en met 09 augustus 2007 te Amsterdam en/of Amstelveen en/of elders in Nederland opzettelijk gelegenheid, middelen en/of inlichtingen heeft verschaft en/of opzettelijk behulpzaam is geweest door:

- in aanwezigheid van die [medeverdachte], voor die [medeverdachte] een mes te kopen, en/of

- samen met die [medeverdachte], met een bromfiets naar de avondwinkel Car Check te rijden, en/of

- (vervolgens) met voornoemde bromfiets, met draaiende motor, nabij voornoemde

avondwinkel klaar te (gaan) staan, teneinde na terugkomst van [medeverdachte] (snel) weg te kunnen

rijden, en/of

- voornoemde [medeverdachte] af te zetten bij zijn woning/verblijfplaats;

en/of

[medeverdachte] op of omstreeks 09 augustus 2007 te Amstelveen, ter uitvoering van het door hem voorgenomen misdrijf om met het oogmerk om zich en/of een ander wederrechtelijk te bevoordelen met geweld en/of bedreiging met geweld [slachtoffer] te dwingen tot afgifte van geld en/of goederen van zijn gading geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer] en/of avondwinkel Car Check, in elk geval aan een ander of anderen dan aan [medeverdachte] en/of verdachte,

- met een bromfiets naar avondwinkel Car Check is gereden,

- waarna hij en verdachte die avondwinkel zijn binnengegaan en vervolgens die avondwinkel

weer hebben verlaten,

- waarna hij ( na ongeveer 20 minuten) opnieuw die avondwinkel is binnengegaan, en/of

- waarbij hij met een (getrokken en/of opengeklapt) mes die avondwinkel is binnengegaan,

en/of

- met dat mes in zijn hand dreigend op voornoemde [slachtoffer] is toegelopen en/of

- (daarbij) voornoemde [slachtoffer] dreigend de woorden heeft toegevoegd:

“kassa openmaken” en/of “geef mij geld”, althans woorden van gelijke dreigende aard of

strekking, en/of

- (vervolgens,) nadat [slachtoffer] de kassa op de grond had gegooid, deze kassa (weer) heeft

opgeraapt en/of

- vervolgens voornoemde [slachtoffer] (opzettelijk) een of (meer)ma(a)l(en) (met kracht) met dat

mes in het lichaam heeft gestoken,

welk vorenomschreven feit de dood van voornoemde [slachtoffer] ten gevolge heeft gehad;

tot en/of bij het plegen van welk misdrijf verdachte

in of omstreeks de periode van 14 juli 2007 tot en met 09 augustus 2007 te Amsterdam en/of Amstelveen en/of elders in Nederland opzettelijk gelegenheid, middelen en/of inlichtingen heeft verschaft en/of opzettelijk behulpzaam is geweest door:

- in aanwezigheid van die [medeverdachte], voor die [medeverdachte] een mes te kopen, en/of

- samen met die [medeverdachte], met een bromfiets naar de avondwinkel Car Check te rijden, en/of

- (vervolgens) met voornoemde bromfiets, met draaiende motor, nabij voornoemde

avondwinkel klaar te (gaan) staan, teneinde na terugkomst van [medeverdachte] (snel) weg te kunnen

rijden, en/of

- voornoemde [medeverdachte] af te zetten bij zijn woning/verblijfplaats.

Ten aanzien van zaak B is aan verdachte telastegelegd dat

hij op of omstreeks 10 december 2006 te Amsterdam als bestuurder van een motorrijtuig, tweewielige bromfiets, voor het besturen waarvan een rijbewijs was vereist, terwijl geen geldig rijbewijs aan verdachte was afgegeven, dit motorrijtuig heeft bestuurd, na zodanig gebruik van alcoholhoudende drank, dat het alcoholgehalte van zijn adem bij een onderzoek als bedoeld in artikel 8, derde lid en aanhef onder a, van de Wegenverkeerswet 1994, 375 microgram, in elk geval hoger dan 88 microgram alcohol per liter uitgeademde lucht bleek te

zijn.

3. Voorvragen

….

4. Waardering van het bewijs

4.1. Het standpunt van het openbaar ministerie

Ten aanzien van het in zaak A onder 1 primair en subsidiair telastegelegde heeft de officier van justitie vrijspraak gevorderd, daar verdachte naar haar zienswijze geen (voorwaardelijk) opzet heeft gehad op het doden van het slachtoffer.

De officier van justitie heeft betoogd dat zij wettig en overtuigend bewezen acht dat verdachte zich heeft schuldig gemaakt aan het in zaak A onder 2 primair telastegelegde, kort gezegd het medeplegen van een poging tot diefstal en een poging tot afpersing met dodelijke afloop, en het in zaak B telastegelegde (dronken rijden op een bromfiets).

De officier van justitie heeft ten aanzien van het medeplegen van het in zaak A onder 2 primair telastegelegde aangevoerd dat verdachte al in een vroeg stadium wetenschap had van het feit dat er een overval ging plaatsvinden, namelijk toen ze eerder die avond onverrichter zake bij de avondwinkel zijn geweest, dat hij wist dat [medeverdachte] een mes bij zich had, en dat hij met [medeverdachte] op de scooter naar de avondwinkel is gereden en de scooter uit het zicht heeft geparkeerd om daarna samen met [medeverdachte] te vluchten. De officier van justitie heeft betoogd dat verdachte een wezenlijke rol heeft vervuld bij het misdrijf, en dat hij zich in de wetenschap dat [medeverdachte] een mes bij zich had willens en wetens heeft blootgesteld aan de aanmerkelijke kans dat [medeverdachte] geweld zou gebruiken om de buit te bemachtigen. De officier van justitie heeft, gelet op de ernst van het feit en de proceshouding van verdachte, afgezet tegen zijn jeugdige leeftijd en het feit dat hij als licht verminderd toerekeningsvatbaar moet worden beschouwd, gevorderd dat verdachte wordt veroordeeld tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van 5 jaar.

Ten aanzien van de vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 1] heeft de officier van justitie gevorderd dat deze wordt toegewezen tot een bedrag van € 4.806,16. De vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 2] dient volgens de officier van justitie niet-ontvankelijk te worden verklaard.

Voorts heeft de officier van justitie gevorderd dat het beslag (de scooter) verbeurd wordt verklaard.

4.2. Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft vrijspraak van het in zaak A onder 1 primair en subsidiair telastegelegde bepleit. Hij heeft daartoe aangevoerd dat niet is komen vast te staan dat verdachte opzet op de dood van het slachtoffer heeft gehad.

Voorts heeft de raadsman vrijspraak van het in zaak A onder 2 primair en subsidiair telastegelegde bepleit. Hij heeft daartoe het volgende aangevoerd. De betrouwbaarheid van verdachtes eerdere bekentenissen - voor zover inhoudende dat hij wist dat [medeverdachte] de avondwinkel wilde gaan overvallen - kan in twijfel worden getrokken. Verdachte had een reden om te bekennen, want hij wilde niet aansprakelijk gesteld worden voor het meerdere (de doodslag), en heeft er daarom naar eigen zeggen voor gekozen om het mindere (de overval) te bekennen. Verdachtes bekentenis wordt op geen enkele wijze ondersteund door objectieve onderzoeksgegevens. De verbalisanten die verdachte hebben verhoord hebben leidende en suggestieve vragen gesteld, waarop verdachte weliswaar bekennende, maar zo weinig specifieke antwoorden heeft gegeven, dat daaruit geen enkele daderwetenschap naar voren komt. Ook heeft verdachte op irrelevante punten tegenstrijdig verklaard met zijn eigen eerdere verklaringen, terwijl daarvoor geen enkele reden was. Dit maakt dat de rechtbank naar de mening van de raadsman niet kan vaststellen of de bekennende verklaringen van verdachte betrouwbaar zijn en voor waar kunnen worden aangenomen, zodat die dienen te worden uitgesloten van het bewijs. Als deze verklaringen niet kunnen worden gebezigd als bewijs, kan de rechtbank niet vaststellen of verdachte wetenschap had van en opzet had op de te plegen overval.

Voorts heeft de raadsman betwist dat verdachte als medepleger van de overval kan worden aangemerkt. Hij heeft daartoe aangevoerd dat verdachte geen uitvoeringshandelingen heeft verricht, enkel medeverdachte [medeverdachte] heeft geholpen zich te verwijderen van de plaats van het misdrijf, terwijl uit jurisprudentie blijkt dat een handeling achteraf geen aanwijzing oplevert voor het medeplegen van het delict, tenzij uit het gedrag van verdachte in de periode voorafgaand aan het delict kan worden afgeleid dat er sprake is van nauwe betrokkenheid. Nu ook daarvoor onvoldoende bewijs is, dient verdachte naar de mening van de raadsman ook van het in zaak A onder 2 primair telastegelegde te worden vrijgesproken. De raadsman heeft voorts ten aanzien van dit feit betoogd dat de overval gekwalificeerd moet worden als een poging tot afpersing en dat de verdachte - zo hij als medepleger of medeplichtige daaraan moet worden beschouwd - moet worden vrijgesproken van de telastegelegde omstandigheid dat het toegepaste geweld de dood ten gevolge heeft gehad, nu het geweld dat de dood teweeg heeft gebracht, niet kan worden aangemerkt als geweld dat was gericht op het bewegen van het slachtoffer tot afgifte van geld of goederen.

Hetgeen ten laste van de verdachte kan worden bewezen is slechts dat hij na afloop van de overval de dader daarvan heeft weggebracht en dat levert, aldus de raadsman, evenmin strafbare medeplichtigheid aan die overval op, zodat de verdachte ook van het onder 2 subsidiair telastegelegde moet worden vrijgesproken.

De raadsman heeft zich ten aanzien van het in zaak B telastegelegde gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.

4.3. Het oordeel van de rechtbank

Ten aanzien van het in zaak A onder 1 telastegelegde

Met de officier van justitie en de raadsman, en gelet op hetgeen zij daartoe hebben aangevoerd, is de rechtbank van oordeel dat het in zaak A onder 1 primair en subsidiair niet wettig en overtuigend kan worden bewezen, zodat verdachte hiervan dient te worden vrijgesproken.

Ten aanzien van het in zaak A onder 2 telastegelegde

Betrouwbaarheid bekennende verklaringen verdachte

Over de door de raadsman betwiste betrouwbaarheid van de bekennende verklaringen van verdachte overweegt de rechtbank als volgt. Hoewel verdachte verschillende malen wisselend heeft verklaard over minder relevante zaken, wordt zijn bekennende verklaring bij de politie op cruciale onderdelen ondersteund door de verklaring van [medeverdachte], die in een eerder stadium een bekennende verklaring heeft afgelegd. Verdachte heeft bij de politie uit zichzelf verklaard dat [medeverdachte] met een mes de avondwinkel zou binnengaan, terwijl dit in eerdere verhoren van verdachte niet ter sprake is gebracht door de verhorende verbalisanten, zodat verdachte dit niet had kunnen weten, anders dan door eigen wetenschap. Ook heeft hij verklaard dat [medeverdachte] hem heeft verteld wat hij van plan was toen [medeverdachte] bij verdachte achterop de scooter zat, op weg naar de avondwinkel. Dit komt overeen met hetgeen [medeverdachte] eerder heeft verklaard, terwijl ook deze omstandigheid niet aan verdachte bekend was, anders dan door eigen wetenschap. Daarbij komt dat verdachte één dag na het bedoelde verhoor nogmaals, en toen in aanwezigheid van zijn (toenmalige) raadsman, een bekennende verklaring heeft afgelegd bij de rechter-commissaris. Hij is naderhand niet meer teruggekomen op zijn bekennende verklaring, terwijl hij in een later stadium nog vaker door de politie is gehoord. Pas ter terechtzitting van 25 maart 2008 heeft hij zijn bekennende verklaring ingetrokken.

De rechtbank heeft niet alleen de uitgewerkte versie van de verklaring van verdachte bij de politie van 23 augustus 2007 gelezen maar eveneens kennis genomen van de tape waarop dit verhoor is te zien. De rechtbank is van oordeel dat de wijze waarop door de verbalisanten vragen zijn gesteld aan verdachte en de omstandigheden waaronder dit verhoor heeft plaatsgevonden geenszins aan de betrouwbaarheid van de verklaring in de weg staan.

Al het voorgaande, in onderling verband en samenhang bezien, leidt naar het oordeel van de rechtbank tot de conclusie dat de bekennende verklaringen van verdachte, zoals afgelegd op 23 augustus 2007 bij de politie en op 24 augustus 2007 bij de rechter-commissaris, niet als onbetrouwbaar kunnen worden aangemerkt, en bruikbaar zijn voor het bewijs.

Samenvatting van de bewijsmiddelen

Het bewijs en de overtuiging dat verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan, is gegrond op de feiten en omstandigheden die zijn vervat in een samenvatting van de volgende bewijsmiddelen.

Op 9 augustus 2007 heeft er een overval plaatsgevonden op avondwinkel Car Check te Amstelveen. Medeverdachte [medeverdachte] is met verdachte op een bromfiets naar de avondwinkel gereden. [medeverdachte] was van plan om de eigenaar te bedreigen, de kassa open te maken, het geld eruit te halen en weer weg te gaan. Hij is de winkel binnengegaan met getrokken mes en zei dat de eigenaar de kassa moest openmaken, waarna de eigenaar de kassa op de grond gooide. [medeverdachte] heeft de kassa opgeraapt en werd door de eigenaar vastgepakt. [medeverdachte] kon niet loskomen en heeft de eigenaar van de avondwinkel gestoken. Verdachte zat op de scooter te wachten en hoorde geschreeuw. [medeverdachte] kwam eraan rennen. Hij zat onder het bloed en miste één schoen. Hij sprong achterop de bromfiets en ze zijn met hoge snelheid richting het bos weggereden. Verdachte heeft [medeverdachte] vervolgens naar zijn logeeradres [adres] gebracht. Het slachtoffer betrof [slachtoffer]. Hij bleek bij de overval een steekwond in de borst te hebben opgelopen. Hij is overleden tengevolge van uitval van functionerend longweefsel en ernstig bloedverlies.

[medeverdachte] heeft verklaard dat hij die middag voor de overval samen met verdachte een mes heeft gekocht. Hij is met verdachte naar de avondwinkel gereden en heeft hem onderweg, toen hij achterop de bromfiets zat, verteld dat hij en verdachte een overval gingen plegen. Het was verdachtes taak om ervoor te zorgen dat ze konden vluchten. Verdachte zou hem wegbrengen. De brommer moest ongezien blijven. Hij heeft verdachte achteraf verteld wat er was gebeurd. Verdachte heeft hem afgezet bij [adres].

In zijn derde verhoor bij de politie op 23 augustus 2007 heeft verdachte verklaard dat hij wist dat er een overval ging plaatsvinden. Toen ze met de scooter onderweg waren naar de avondwinkel zei [medeverdachte] dat hij geld nodig had en dat ze een overval gingen plegen, zodat hij snel geld kon maken. Hij vertelde dit ongeveer een kwartier voor de overval. [medeverdachte] zei dat hij met een mes naar binnen zou gaan. Hij vroeg aan verdachte of hij wilde rijden. Verdachte had bedacht wat de makkelijkste route was om weg te rijden, zodat ze ongezien weg konden komen. Er was niets concreet afgesproken over de verdeling van de buit maar het leek verdachte logisch dat hij de helft van de buit zou krijgen. Toen [medeverdachte] naar hem toe kwam had hij één schoen aan en zat hij onder het bloed. Nadat verdachte [medeverdachte] had afgezet bij [adres] heeft verdachte zijn jas aan [medeverdachte] gegeven, omdat die van [medeverdachte] onder het bloed zat.

Een dag later heeft verdachte bij zijn voorgeleiding bij de rechter-commissaris verklaard dat hij en [medeverdachte] op 9 augustus 2007 op een scooter naar een avondwinkel in Amstelveen zijn gegaan, en dat ze een overval wilden plegen. Verdachte had diezelfde dag een mes voor [medeverdachte] gekocht. [medeverdachte] is naar binnen gegaan en verdachte zou rijden. Verdachte stond met de scooter iets verderop bij de brug. Dat wist [medeverdachte]. Hij kwam aanrennen en sprong achterop. Hij zei dat hij de man had gestoken.

In eerdere verhoren bij de politie heeft verdachte verklaard dat hij op de dag van de overval voor [medeverdachte] een mes had gekocht en dat hij zijn legitimatie heeft laten zien omdat je 18 jaar moet zijn om een mes te kopen. Volgens verdachte heeft [medeverdachte] altijd een mes bij zich. Verdachte wist dat [medeverdachte] zich had onttrokken aan zijn ondertoezichtstelling en voortvluchtig was. Hij wist dat [medeverdachte] geld had, want hij zag hem altijd met grote hoeveelheden cash lopen. Ook heeft verdachte verklaard dat hij een dag voor de overval met een paar jongens waaronder [een van de jongens] en [medeverdachte] heeft zitten drinken op de brug bij Klarenbeek, en dat [medeverdachte] daar heeft gezegd dat hij de Megavideo wilde overvallen. Hij maakte daar een steekbeweging bij. Hij maakt vaker steekbewegingen, en zegt dan dat hij mensen gaat nekken. Ook heeft hij gehoord dat [medeverdachte] spullen wilde halen voor een overval, zoals ducktape en touw, om mensen vast te maken. Op de vraag of [medeverdachte] wel eens een vermomming gebruikte bij een overval heeft verdachte geantwoord dat hij twee keer heeft gezien dat [medeverdachte] een panty over zijn hoofd trok om die te showen.

Medeplegen

De rechtbank stelt op grond van de gebezigde bewijsmiddelen vast dat verdachte tevoren op de hoogte is geweest van het feit dat [medeverdachte] en hij een overval gingen plegen. De rechtbank is het met de officier van justitie eens dat de verklaring van verdachte over het tijdsbestek voorafgaand aan de overval vragen oproept, daar deze tegenstrijdig is met wat anderen daarover hebben verklaard. De officier van justitie heeft daaraan de conclusie verbonden dat verdachte en [medeverdachte] al veel eerder van plan waren de overval te gaan plegen, maar voor die conclusie is naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende bewijs. De rechtbank gaat uit van de verklaring van verdachte (alsook van medeverdachte [medeverdachte]) dat [medeverdachte] en hij, terwijl ze onderweg waren naar de avondwinkel, voor het eerst hebben besproken dat deze winkel direct daarop zou worden overvallen. De rechtbank acht van belang dat verdachte zich op dat moment niet heeft gedistantieerd, maar met [medeverdachte] achterop de scooter naar de avondwinkel is (door)gereden.

De rechtbank is van oordeel dat er niet alleen sprake was van een bewuste en nauwe samenwerking, maar ook dat verdachte een wezenlijke rol heeft vervuld bij de overval. Verdachte en [medeverdachte] hebben tevoren een rolverdeling afgesproken, waarbij verdachte de vluchtscooter zou besturen. Verdachte heeft na aankomst bij de avondwinkel de scooter buiten het zicht geplaatst met de neus naar de bosrand en is buiten blijven wachten. Hoewel er geen keiharde afspraken over de verdeling van de buit lijken te zijn gemaakt, hebben zowel verdachte als zijn medeverdachte verklaard dat het logisch zou zijn als ieder de helft van de buit zou krijgen. Verdachte heeft niet ingegrepen en zich niet gedistantieerd toen bleek dat de overval uit de hand was gelopen, integendeel: hij heeft [medeverdachte] naar huis gebracht en hem zijn jas gegeven omdat die van [medeverdachte] onder het bloed zat. De raadsman heeft opgemerkt dat uit jurisprudentie blijkt dat enkel hulp achteraf (het besturen van de vluchtscooter) niet gekwalificeerd kan worden als medeplegen van het delict, tenzij er sprake is geweest van nauwe betrokkenheid voorafgaand aan het delict. Gezien het voorgaande is dat laatste volgens de rechtbank nu juist het geval. Het verweer wordt verworpen.

Geweld

Over de vraag of verdachte opzet heeft gehad op het toegepaste geweld bij de overval, overweegt de rechtbank als volgt. Verdachte wist dat [medeverdachte] zich aan zijn ondertoezichtstelling had onttrokken en voortvluchtig was. Verdachte heeft verklaard dat [medeverdachte] altijd over grote hoeveelheden geld beschikte en het geld ook makkelijk uitgaf, terwijl het niet aannemelijk was dat [medeverdachte] in zijn situatie op een legitieme manier aan geld kon komen. Verdachte had een dag voor de bewuste overval op de avondwinkel van [medeverdachte] gehoord dat deze een overval wilde plegen op de Megavideo en daarvoor spullen wilde halen, waaronder ducktape en touw. [medeverdachte] maakte een steekbeweging toen hij dit vertelde. [medeverdachte] maakte vaker steekbewegingen en zei daarbij dat hij mensen ging nekken. [medeverdachte] heeft tot twee keer toe aan verdachte getoond dat hij een panty over zijn hoofd trok. Verdachte heeft op de dag van de overval samen met [medeverdachte] een mes voor hem gekocht. Verdachte wist dat [medeverdachte] altijd een mes bij zich had. [medeverdachte] heeft bovendien tegen verdachte gezegd dat hij met een mes de avondwinkel zou binnengaan om een overval te plegen. In deze wetenschap heeft verdachte ingestemd met het plan van de overval. Voornoemde omstandigheden in aanmerking genomen, heeft hij hierdoor naar het oordeel van de rechtbank willens en wetens de aanmerkelijke kans aanvaard dat [medeverdachte] ook daadwerkelijk geweld, met inbegrip van het gebruik van een mes, zou gebruiken bij de overval, waarvoor zij verdachte als medepleger mede verantwoordelijk acht.

Op grond van het voorgaande komt de rechtbank tot de conclusie dat verdachte zich heeft schuldig gemaakt aan het medeplegen van de poging tot overval.

Poging tot afpersing

De rechtbank is voorts van oordeel dat die overval moet worden gekwalificeerd als een poging tot diefstal en niet (mede) als een poging tot afpersing. De medeverdachte [medeverdachte] heeft immers tegenover de politie verklaard tegen het slachtoffer onder het tonen van zijn mes te hebben gezegd dat deze de kassa open moest maken en voorts dat hij van plan was het geld vervolgens zelf uit de door het slachtoffer op de grond gegooide kassa te pakken. Verdachte dient derhalve van de telastegelegde poging tot afpersing te worden vrijgesproken. Gelet daarop komt de rechtbank niet toe aan bespreking van het door de raadsman dienaangaande gevoerde verweer.

Ten aanzien van het in zaak B telastegelegde

Het bewijs en de overtuiging dat verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan, is gegrond op de feiten en omstandigheden die zijn vervat in een samenvatting van de volgende bewijsmiddelen.

Op 10 december 2006 rijdt verdachte op een bromfiets te Amsterdam en wordt hij in het kader van een alcoholcontrole gevorderd mee te werken aan een voorlopig ademonderzoek. Het resultaat is A. Verdachte wordt meegenomen naar het bureau voor een blaastest. Uit de blaastest blijkt dat het alcoholgehalte van zijn adem 375 ugl blijkt te zijn. Verdachte heeft verklaard 3 à 4 glazen whisky te hebben gedronken en niet in het bezit te zijn van een rijbewijs of bromfietscertificaat.

5. Het bewijs

Op grond van het bovenstaande acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte

ten aanzien van het in zaak A onder 2 primair telastegelegde

op 09 augustus 2007 te Amstelveen ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met een ander, met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening weg te nemen geld, toebehorende aan [slachtoffer] en/of avondwinkel Car Check, en daarbij die voorgenomen diefstal te doen voorafgaan en te doen vergezellen van bedreiging met geweld, te plegen met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken, en die voorgenomen diefstal te doen volgen van geweld, te plegen met het oogmerk om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf en aan de andere deelnemer aan dat misdrijf de vlucht mogelijk te maken, met zijn mededader:

- met een bromfiets naar avondwinkel Car Check is gereden,

- waarna zijn mededader met een getrokken mes die avondwinkel is binnengegaan, en

- met dat mes in zijn hand dreigend op voornoemde [slachtoffer] is toegelopen en

daarbij voornoemde [slachtoffer] dreigend de woorden heeft toegevoegd: “kassa openmaken”,

althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking, en

- vervolgens, nadat [slachtoffer] de kassa op de grond had gegooid, deze kassa weer heeft

opgeraapt en

- vervolgens voornoemde [slachtoffer] opzettelijk met kracht met dat mes in het lichaam heeft

gestoken,

welk vorenomschreven feit de dood van voornoemde [slachtoffer] ten gevolge heeft gehad;

ten aanzien van het in zaak B telastegelegde

op 10 december 2006 te Amsterdam als bestuurder van een motorrijtuig, tweewielige bromfiets, voor het besturen waarvan een rijbewijs was vereist, terwijl geen geldig rijbewijs aan verdachte was afgegeven, dit motorrijtuig heeft bestuurd, na zodanig gebruik van alcoholhoudende drank, dat het alcoholgehalte van zijn adem bij een onderzoek als bedoeld in artikel 8, derde lid en aanhef onder a, van de Wegenverkeerswet 1994, 375 microgram, in elk geval hoger dan 88 microgram alcohol per liter uitgeademde lucht bleek te zijn.

Voor zover in de telastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in zijn verdediging geschaad.

6. De strafbaarheid van het feit en van verdachte

De bewezen geachte feiten zijn volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.

7. Motivering van de straf en maatregel

De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen geachte, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals van een en ander ter terechtzitting is gebleken.

De rechtbank heeft bij de keuze tot het opleggen van een vrijheidsbenemende straf en bij de vaststelling van de duur daarvan in het bijzonder het volgende laten meewegen.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een poging tot diefstal met geweld in vereniging, waarbij het slachtoffer [slachtoffer] is neergestoken en ten gevolge van zijn steekwond is komen te overlijden. Het handelen van verdachte en zijn mededader was ingegeven door louter geldelijk gewin, terwijl de gevolgen onevenredig zijn geweest. Een dergelijk delict schokt telkenmale de rechtsorde en brengt gevoelens van angst en onveiligheid in de maatschappij teweeg, om nog maar niet te spreken van de enorme impact van het delict op de nabestaanden van het slachtoffer, zoals ook is gebleken uit de slachtofferverklaring die de [nabestaande van slachtoffer] ter terechtzitting van 28 mei 2008 heeft afgelegd.

Uit een uittreksel uit de justitiële documentatie van 23 augustus 2007 blijkt dat verdachte zich eerder schuldig heeft gemaakt aan vermogensdelicten en een geweldsdelict, alsmede aan diverse overtredingen van de Wegenverkeerswet 1994.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de psychologische rapportage over verdachte van 8 december 2007, opgemaakt door J.J. Baneke, die inhoudt dat bij verdachte sprake is van een aandachtstekortstoornis met hyperactiviteit, cannabismisbruik, een zwakke identiteit en gewetensfunctie en van opgekropte agressie. De deskundige adviseert verdachte als licht verminderd toerekeningsvatbaar te beschouwen en zo mogelijk binnen het kader van een voorwaardelijk strafdeel een verplicht reclasseringscontact op te leggen in combinatie met een behandeling bij De Waag.

Voorts heeft de rechtbank kennisgenomen van het voorlichtingsrapport van het Leger des Heils van 14 maart 2008, opgemaakt door S. Kinket. Uit dit rapport komt naar voren dat bij verdachte al eerder gedragsproblemen zijn geconstateerd, waaronder ADHD en agressieproblematiek. Er is sprake van alcohol- en drugsmisbruik. Verdachte is impulsief en bagatelliseert zijn problemen. Hij heeft een benedengemiddelde intelligentie en een beperkt probleemoplossend vermogen. De rapporteur acht gedragsinterventies nodig om de neerwaartse spiraal te keren en adviseert in het kader van een eventueel op te leggen voorwaardelijk strafdeel een ambulante behandeling bij De Waag, een COVA plus training, begeleiding bij het vinden van een zinvolle en gestructureerde dagbesteding en passende huisvesting, het werken aan een gezond sociaal netwerk en een leefstijltraining door de verslavingszorg, zodat verdachte zijn middelengebruik onder controle krijgt. Verdachte heeft zich ter terechtzitting bereid verklaard om mee te werken aan genoemde behandelingen.

Voor de beoordeling van de strafmaat dient de rechtbank zich rekenschap te geven van straffen die eerder in soortgelijke gevallen zijn opgelegd. Ook dient zij de omstandigheden van deze zaak daarbij mee te wegen. De rechtbank rekent verdachte de ernst van het feit aan, alsmede de omstandigheid dat verdachte eerder ter zake van zowel vermogensdelicten als een geweldsdelict is veroordeeld. In het voordeel van verdachte houdt de rechtbank er rekening mee dat verdachte nimmer opzet had op de dood van het slachtoffer, en hij deze - gezien de rolverdeling bij de overval - ook niet had kunnen voorkomen. Voorts houdt de rechtbank rekening met de jeugdige leeftijd van verdachte en met de conclusie van de deskundige dat verdachte als licht verminderd toerekeningsvatbaar kan worden beschouwd. De rechtbank merkt daarbij op dat de psycholoog bij zijn conclusie de eerdere - en door de rechtbank terzijde gestelde - lezing van de verdachte van de gebeurtenissen, waarin verdachte pas na afloop van de eigenlijke overval door zijn mededader werd gesommeerd hem met zijn scooter weg te brengen, terwijl hij daarvoor geen weet had van de intentie van zijn mededader om een overval te plegen, tot uitgangspunt heeft genomen. De psycholoog constateert vervolgens dat verdachte makkelijk beïnvloedbaar is en daardoor gemakkelijk gehoor gaf aan de hem gegeven opdracht, weshalve hij als verminderd toerekeningsvatbaar moet worden beschouwd. De rechtbank gaat echter uit van de bekennende verklaring zoals verdachte die nadien heeft afgelegd, welke inhoudt dat zijn mededader hem voorafgaand aan de eigenlijke overval reeds heeft gezegd dat de avondwinkel zou worden overvallen en dat hij, verdachte, zijn mededader met de scooter zou moeten wegbrengen. Naar het oordeel van de rechtbank verschilt de tot uitgangspunt genomen situatie niet wezenlijk van de door de psycholoog gehanteerde gegevens nu in beide situaties verdachte werd geconfronteerd met een opdracht door zijn mededader. Gelet daarop neemt de rechtbank het advies van de psycholoog over en maakt deze tot de hare.

De rechtbank ziet in het licht van het voorgaande heil in het plan van aanpak, zoals dat is voorgesteld door de rapporteur van het Leger des Heils, en zal dit advies volgen.

Gelet op het vorenstaande acht de rechtbank een gevangenisstraf van na te noemen duur passend en geboden, waarbij een deel voorwaardelijk wordt opgelegd teneinde het noodzakelijk geachte plan van aanpak te kunnen uitvoeren.

De rechtbank komt tot een aanzienlijk lagere straf dan door de officier van justitie gevorderd. Dat wordt in hoofdzaak veroorzaakt doordat de rechtbank een geringere rol van verdachte aanneemt dan de officier van justitie. Zij heeft immers bij het formuleren van haar eis tot uitgangspunt genomen dat verdachte ruim van tevoren wist dat de avondwinkel overvallen zou worden. In haar visie zijn eerder op de avond de beide verdachten samen in de winkel geweest, hetzij met het plan op dat moment de overval te plegen, maar daarvan hebben afgezien, hetzij om de situatie ter plaatse te verkennen met het oog op de later plaats te vinden overval. De rechtbank heeft echter zoals hiervoor overwogen vastgesteld dat het plan om de avondwinkel pas is ontstaan kort voordat deze heeft plaatsgevonden. Voorts acht de rechtbank minder feiten bewezen verklaard dan de officier van justitie. In een en ander ziet de rechtbank aanleiding om bij de straftoemeting af te wijken van hetgeen door de officier van justitie is gevorderd.

Ten aanzien van de benadeelde partij [benadeelde partij 1] en de schadevergoedingsmaatregel

Uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat een deel van de vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 1] van zo eenvoudige aard is dat zij zich leent voor de behandeling in dit strafgeding. Tevens is komen vast te staan dat de benadeelde partij als gevolg van het hiervoor bewezen geachte feit 2 primair (zaak A) rechtstreeks schade heeft geleden. De rechtbank waardeert deze op een bedrag van € 4.802,16 (achtenveertighonderd twee euro en zestien cent), te weten de schadeposten 1 (crematiekosten), 2 (bedankkaarten) en 3 (asverstrooiing), te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade tot aan de dag van de algehele voldoening. De vordering kan dan ook tot dat bedrag worden toegewezen.

Veroordeelt verdachte aan benadeelde partij voornoemd het toegewezen bedrag te betalen, behoudens voor zover deze vordering reeds door of namens een ander is voldaan.

Voorts dient de verdachte te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog zal maken.

In het belang van [benadeelde partij 1] voornoemd wordt, als extra waarborg voor betaling aan laatstgenoemde, de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht aan verdachte opgelegd.

Het overige deel van de vordering van de benadeelde partij, betreffende de schadeposten 4 (reiskosten), 5 (telefoonkosten) en 6 (inkomstenderving), staat niet in rechtstreeks verband met het bewezen geachte feit. Gelet hierop zal de rechtbank bepalen dat de benadeelde partij in dat deel van de vordering niet-ontvankelijk is. De benadeelde partij kan dat deel van de vordering bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

Ten aanzien van de benadeelde partij [benadeelde partij 2]

Nu de vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 2] betrekking heeft op inkomstenderving van hem en zijn partner, en dit niet als rechtstreekse schade van het bewezen geachte feit 2 primair (zaak A) is aan te merken, zal de rechtbank bepalen dat de benadeelde partij in zijn vordering niet-ontvankelijk is. De benadeelde partij kan de vordering bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

Beslag

De officier van justitie heeft gevorderd dat de scooter van [eigenaar scooter], die onder hem in beslag is genomen en aan hem toebehoort, verbeurd wordt verklaard. Anders dan de officier van justitie is de rechtbank - mede gelet op hetgeen zij heeft overwogen ten aanzien van het tijdstip waarop het plan voor de overval is bedacht - van oordeel dat niet kan worden vastgesteld dat de eigenaar van de scooter enige betrokkenheid bij dan wel wetenschap van de voorgenomen overval heeft gehad in de zin van art. 33a Sr. De rechtbank zal derhalve teruggave van de scooter aan de rechthebbende gelasten.

9. Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf en maatregel is gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 36f, 45 en 312 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 8 en 176 van de Wegenverkeerswet 1994.

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.

10. Beslissing

Verklaart bewezen dat verdachte het telastegelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 5 is aangegeven.

Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte in zaak A onder 1 primair en subsidiair is telastegelegd en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is telastegelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Het bewezen verklaarde levert op:

ten aanzien van het in zaak A onder 2 primair telastegelegde

poging tot diefstal, voorafgegaan en vergezeld van bedreiging met geweld en gevolgd van geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken en bij betrapping op heter daad aan zichzelf en andere deelnemers aan het misdrijf de vlucht mogelijk te maken, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen, en terwijl het feit de dood ten gevolge heeft

ten aanzien van het in zaak B telastegelegde

overtreding van artikel 8 van de Wegenverkeerswet 1994

Verklaart het bewezene strafbaar.

Verklaart verdachte, [verdachte], daarvoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 3 jaar.

Beveelt dat de tijd die door veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van die straf in mindering gebracht zal worden.

Beveelt dat een gedeelte, groot 1 jaar, van deze gevangenisstraf niet tenuitvoergelegd zal worden, tenzij later anders wordt gelast.

Stelt daarbij een proeftijd van 2 jaren vast.

De tenuitvoerlegging kan worden gelast indien veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd aan een strafbaar feit schuldig maakt. Tevens kan de tenuitvoerlegging worden gelast indien veroordeelde gedurende de proeftijd de hierna vermelde bijzondere voorwaarde niet naleeft.

Stelt als bijzondere voorwaarden:

• dat veroordeelde zich onverwijld stelt en dat hij gedurende de proeftijd blijft onder toezicht en leiding van het Leger des Heils, afdeling reclassering, en zich gedurende die proeftijd gedraagt naar de door of namens die instelling te geven aanwijzingen, zolang deze instelling dat noodzakelijk oordeelt, ook als dat inhoudt dat veroordeelde urinecontroles ondergaat;

• dat veroordeelde deelneemt aan de COVA plus training bij de reclassering van het Leger des Heils;

• dat verdachte een ambulante gedragstherapie volgt bij De Waag of een andere door de reclassering aan te wijzen instelling, en, zo deze instelling dit wenselijk acht, medicatie zal gebruiken.

Wijst de vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 1], wonende op het adres [adres], toe tot een bedrag van € 4.802,16 (achtenveertighonderd twee euro en zestien cent), te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade tot aan de dag van de algehele voldoening.

Veroordeelt verdachte aan [benadeelde partij 1] voornoemd, het toegewezen bedrag te betalen, behoudens voor zover deze verplichting reeds door of namens een ander is voldaan.

Veroordeelt verdachte voorts in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil.

Bepaalt dat de benadeelde partij voor het overige deel niet-ontvankelijk in haar vordering is.

Legt aan verdachte de verplichting op, aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer [benadeelde partij 1], te betalen de som van € 4.802,16 (achtenveertighonderd twee euro en zestien cent), te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade tot aan de dag van de algehele voldoening, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door hechtenis voor de duur van 96 dagen, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de hiervoor opgelegde verplichting niet opheft, behoudens voor zover deze reeds door of namens een ander is voldaan.

Bepaalt dat, indien en voorzover verdachte heeft voldaan aan een van voornoemde betalingsverplichtingen, daarmee de andere is vervallen.

Bepaalt dat de benadeelde partij [benadeelde partij 2] in zijn vordering niet-ontvankelijk is.

Gelast de teruggave aan [eigenaar scooter] van:

1 1.00 STK Bromfiets

APRILIA racing

75 FXP1 regnr 3295331

Dit vonnis is gewezen door

mr. G.P.C. Janssen, voorzitter,

mrs. A.M. van der Linden-Kaajan en F.P. Geelhoed, rechters,

in tegenwoordigheid van L. Creuwels, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 11 juni 2008.

De jongste rechter is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.