Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2008:BD3007

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
27-05-2008
Datum publicatie
03-06-2008
Zaaknummer
AWB 08-1666 AW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Beëindiging advocatenstage. Verzoek voorlopige voorziening afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Amsterdam

Sector Bestuursrecht Algemeen

voorlopige voorzieningen

UITSPRAAK

in het geding met reg.nr. AWB 08/1666 AW

tussen:

[verzoeker], wonende te [woonplaats],

verzoeker,

vertegenwoordigd door mr. M. van der Burgt,

en:

de Raad van Toezicht van de Orde van Advocaten in het arrondissement Amsterdam, verweerder,

vertegenwoordigd door mr. S. Levelt.

1. PROCESVERLOOP

De voorzieningenrechter (hierna: de rechter) heeft op 29 april 2008 een verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening ontvangen. Dit verzoek hangt samen met een administratief beroepschrift van verzoeker van 28 april 2008 gericht tegen een besluit van verweerder van 21 maart 2008 (hierna: het bestreden besluit).

Het onderzoek is gesloten ter zitting van 22 mei 2008.

2. OVERWEGINGEN

Ingevolge artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) dient te worden nagegaan of onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, het treffen van een voorlopige voorziening vereist. Bij de vereiste belan¬genafweging gaat het om een afweging van enerzijds het belang van de verzoeker dat een onverwijlde voorziening wordt getroffen en anderzijds het door de onmiddellijke uitvoering van het besluit te dienen belang.

Verzoeker is sinds 1 januari 1994 werkzaam als kandidaat-notaris. Op 29 augustus 1997 is verzoeker tevens beëdigd als advocaat en sindsdien werkzaam als advocaat en

(kandidaat-)notaris.

Bij brief van 28 september 2006 zijn tussen partijen nadere afspraken vastgesteld omtrent de voltooiing van de advocatuurstage van verzoeker.

Bij brief van 18 februari 2008 heeft verweerder verzoeker medegedeeld voornemens te zijn

de vrijstelling ex artikel 9b, derde lid, van de Advocatenwet praktijk te voeren ten kantore van de patroon en de goedkeuring van het patronaat in te trekken en de stage op grond van artikel 9, eerste lid, en onder d, van de Stageverordening te beëindigen.

Bij brief van 7 maart 2008 heeft verzoeker zijn zienswijze tegen dit voornemen kenbaar gemaakt.

Bij het bestreden besluit heeft verweerder overeenkomstig het voornemen besloten. Daartoe is overwogen dat verzoeker niet ondubbelzinnig heeft aangetoond dat hij de met hem gemaakte afspraken is nagekomen.

Verzoeker heeft hiertegen administratief beroep ingesteld bij de Algemene Raad van de Nederlandse Orde van Advocaten en het onderhavige verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening ingediend. Verzoeker heeft aangevoerd dat hij heeft aangetoond dat hij de in september 2006 gemaakte afspraken volledig is nagekomen.

De rechter overweegt als volgt.

Ingevolge artikel 9b, derde lid, van de Advocatenwet kan de raad van toezicht van de verplichting van de stagiaire bij een patroon kantoor te houden vrijstelling verlenen, indien naar het oordeel van de raad een behoorlijke praktijkuitoefening, waaronder de financiering van de praktijk en de dekking van het risico van de beroepsaansprakelijkheid van de stagiaire, overeenkomstig de daaromtrent gestelde voorschriften bij of krachtens deze wet, verzekerd is. Is dit naar het oordeel van de raad niet langer het geval, dan kan een verleende vrijstelling worden ingetrokken.

Ingevolge het vijfde lid – voor zover hier van belang – kan een belanghebbende tegen het intrekken van een vrijstelling op voet van het bepaalde in het derde lid, administratief beroep instellen bij de algemene raad.

In artikel 9, eerste lid, onder d, van de Stageverordening 1988 is bepaald dat de stage tussentijds eindigt door een ambtshalve beslissing van de Raad.

Uit de stukken in het dossier blijkt dat verzoeker in 1997 als advocaat is beëdigd. Sindsdien zijn er problemen geweest met betrekking tot verzoekers advocatenstage. Verzoeker is driemaal in de gelegenheid gesteld te voldoen aan de eisen voor het verkrijgen van de stageverklaring. Partijen hebben hierover eerder procedures gevoerd. Laatstelijk is door de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State bij uitspraak van 31 januari 2007 vastgesteld dat verzoeker er niet in is geslaagd aannemelijk te maken dat hij de praktijk heeft uitgeoefend onder toezicht van zijn patroon en bij deze kantoor heeft gehouden.

Vaststaat dat verweerder verzoeker in september 2006 een laatste kans heeft geboden om voor een stageverklaring in aanmerking te komen. Met verzoeker is daartoe afgesproken dat hij met mr. Van der Burgt in de periode van 16 oktober 2006 tot 1 juni 2007 gedurende 24 uur per week tijdens kantooruren op maandag, woensdag en vrijdag in het arrondissement Amsterdam werkzaam diende te zijn, waarbij verzoeker kantoor zou houden bij mr. Van der Burgt, die zelf een voldoende substantiële praktijk diende te voeren en toezicht diende te houden op de praktijkvoering van verzoeker. Daarbij is de eis gesteld dat verzoeker zelf op ondubbelzinnige wijze moet aantonen dat hij aan de eisen heeft voldaan.

Partijen strijden over de vraag of verzoeker op ondubbelzinnige wijze heeft aangetoond dat hij aan de eisen heeft voldaan. Deze strijd is met name gebaseerd op de verklaring van mr. Van der Burgt dat zij in oktober 2006 het grootste deel van haar zaken heeft overgedragen aan verzoeker, waardoor zij zelf geen substantiële praktijk meer heeft. Anders dan verweerder stelt verzoeker dat niet is afgesproken dat zowel verzoeker als mr. Van der Burgt na oktober 2006 een substantiële praktijkvoering zouden hebben.

De rechter is van oordeel dat verweerder gelet op artikel 9b, derde lid, van de Advocatenwet een ruime beoordelingsvrijheid heeft bij de vraag of verzoeker aan de voorwaarden heeft voldaan. In administratief beroep zal een deskundige beroepsorganisatie dan ook goed kunnen beoordelen of verweerder deze vraag goed heeft beantwoord.

De rechter ziet vooralsnog niet veel aanwijzingen voor het oordeel dat het besluit van verweerder in administratief beroep niet in stand zal blijven. De rechter zal daarom op grond van een belangenafweging beoordelen of een voorlopige voorziening moet worden getroffen.

Verweerder heeft er belang bij dat de integriteit en professionaliteit van de advocatuur wordt beschermd, wat reden is om verzoeker niet langer zijn praktijk te laten uitvoeren.Verzoekers belang is gelegen in het kunnen uitoefenen van zijn advocatenpraktijk totdat op zijn administratief beroep is beslist. Onder deze omstandigheden en gelet op het feit dat verzoeker nog inkomsten uit andere hoofde heeft, is de rechter van oordeel dat het belang van verweerder zwaarder dient te wegen dan verzoekers belang. Het verzoek om voorlopige voorziening zal dan ook worden afgewezen.

Voor een vergoeding van het griffierecht of een veroordeling van verweerder in de proceskosten ziet de rechter geen aanleiding.

De rechter beslist als volgt.

3. BESLISSING

De voorzieningenrechter:

wijst het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening af.

Deze uitspraak is gedaan op 27 mei 2008 door mr. M. de Rooij, voorzieningenrechter,

in tegenwoordigheid van mr. J.E. Nicolai, griffier en bekend gemaakt door verzending aan partijen op de hieronder vermelde datum.

De griffier, De voorzieningenrechter,

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.

Afschrift verzonden op:

DOC:B