Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2008:BD3005

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
28-05-2008
Datum publicatie
03-06-2008
Zaaknummer
AWB 07/2313 ANW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Naar het oordeel van de rechtbank blijkt uit artikel 3 van KB 720 onomstotelijk dat de gewezen verzekerd moet zijn overleden vóór 1 januari 2006, wil een nabestaande bevoegd zijn deel te nemen aan KB 720.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Amsterdam

Sector Bestuursrecht Algemeen

enkelvoudige kamer

UITSPRAAK

in het geding met reg.nr. AWB 07/2313 ANW

van:

[eiseres], wonende te [woonplaats],

eiseres,

vertegenwoordigd door mr. C.A.J. de Roy van Zuydewijn,

tegen:

de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank, gevestigd te Amstelveen,

verweerder,

vertegenwoordigd door H.S. van Zanten.

1. PROCESVERLOOP

De rechtbank heeft op 6 juni 2007 een beroepschrift ontvangen gericht tegen het besluit van verweerder van 26 april 2007 (hierna: het bestreden besluit).

Het onderzoek is gesloten ter zitting van 22 mei 2008.

2. OVERWEGINGEN

Bij brief van 28 juni 2006 heeft eiseres namens haar op 7 april 2006 overleden echtgenoot een postume aanvraag ingediend om in aanmerking te komen voor de vrijwillige verzekering Anw ingevolge het Koninklijk Besluit vrijwillige verzekering AOW en Anw voor in de Europese Unie wonende uitkeringsgerechtigden van 19 december 2005, Stb, 2005, 720 (hierna: KB 720).

Bij besluit van 16 augustus 2006 heeft verweerder deze aanvraag afgewezen.

Bij het bestreden besluit heeft verweerder het door eiseres gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Daartoe heeft verweerder overwogen dat de echtgenoot van eiseres in de periode van 1 januari 2000 tot 1 januari 2006 niet woonde in een EU/EER-land of Zwitserland en voorts dat hij niet is overleden voor 1 januari 2006.

Eiseres heeft vervolgens tijdig beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Daartoe heeft eiseres aangevoerd dat de weigering om deel te mogen nemen aan KB 720 in strijd is met het gelijkheidsbeginsel, aangezien een ongerechtvaardigd onderscheid wordt gemaakt naar nationaliteit.

In dit geschil dient de rechtbank derhalve de vraag te beantwoorden of verweerder terecht heeft besloten dat eiseres niet bevoegd is om namens haar overleden echtgenoot deel te nemen aan KB 720. Dienaangaande overweegt de rechtbank als volgt.

Artikel 3 van KB 720 luidt als volgt:

“ 1. De gewezen verzekerde Anw kan zich, overeenkomstig de artikelen 2 tot en met 10 van dit besluit, vrijwillig verzekeren over een periode ingaande op de dag na de dag waarop de verplichte verzekering is geëindigd en eindigend uiterlijk op 31 december 2005.

2. Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing op de nabestaande of een ouderloos kind van de gewezen verzekerde Anw, indien die gewezen verzekerde Anw op een dag gelegen voor 1 januari 2006 is overleden. Het tijdvak dat in aanmerking komt voor vrijwillige verzekering, bedoeld in de vorige zin, behelst dan de periode vanaf de eerste dag waarop de verplichte verzekering van de gewezen verzekerde Anw is geëindigd, tot en met de dag van het overlijden van de gewezen verzekerde Anw.”

Naar het oordeel van de rechtbank blijkt uit deze bepaling onomstotelijk dat de gewezen verzekerd moet zijn overleden vóór 1 januari 2006, wil een nabestaande bevoegd zijn deel te nemen aan KB 720. Nu niet in geschil is dat de echtgenoot van eiseres is overleden op een datum gelegen na 1 januari 2006 – te weten op 7 april 2006 – is eiseres naar het oordeel van de rechtbank reeds hierom niet bevoegd om namens haar overleden echtgenoot deel te nemen aan KB 720.

Aan een beoordeling van het beroep van eiseres op het gelijkheidsbeginsel komt de rechtbank dan ook niet toe, omdat dit er, gelet op het voorgaande, immers niet toe kan leiden dat eiseres namens haar overleden echtgenoot bevoegd is om deel te nemen aan KB 720.

De rechtbank zal het beroep dan ook ongegrond verklaren.

Voor een veroordeling in de proceskosten of een vergoeding van het griffierecht bestaat geen aanleiding.

3. BESLISSING

De rechtbank:

- verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan op 28 mei 2008 door mr. T.P.J. de Graaf rechter,

in tegenwoordigheid van mr. P.H. Broier, griffier,

en bekendgemaakt door verzending aan partijen op de hieronder vermelde datum.

De griffier, De rechter,

Tegen deze uitspraak kunnen een belanghebbende en het bestuursorgaan gedurende zes weken na toezending van deze uitspraak hoger beroep instellen bij de Centrale Raad van Beroep te Utrecht.

Afschrift verzonden op:

DOC: C