Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2008:BD2966

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
02-06-2008
Datum publicatie
02-06-2008
Zaaknummer
13/452262-06
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Verdachte was op 9 september 2006 - tijdens het festival 'Dag van 1000 culturen' - met een aantal andere mensen een betoging aan het voeren tegen het standbeeld van Anton de Kom, dat zich op voornoemd plein bevindt. Verdachte en zijn medebetogers deelden flyers en pamfletten uit. Tevens had verdachte borden bij zich waarop verschillende leuzen te lezen waren.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Parketnummer: 13/452262-06

Datum uitspraak: 2 juni 2008

op tegenspraak

VONNIS

van de rechtbank Amsterdam, meervoudige strafkamer, in de strafzaak tegen

[verdachte]

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1967,

ingeschreven in de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens op het adres [adres].

De rechtbank heeft beraadslaagd naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen van 21 april 2008 en 19 mei 2008.

1. Telastelegging

Aan verdachte is telastegelegd dat

hij op of omstreeks 09 september 2006 te Amsterdam opzettelijk niet heeft voldaan aan een bevel of een vordering, krachtens artikel 2 van de Politiewet, in elk geval krachtens enig wettelijk voorschrift gedaan door politieambtenaren [politieambtenaar 1] en/of [politieambtenaar 2], die was belast met de uitoefening van enig toezicht en/of die was belast met en/of bevoegd verklaard tot het opsporen en/of onderzoeken van strafbare feiten, immers heeft verdachte toen en daar opzettelijk, nadat deze ambtenaar hem had bevolen, althans van hem had gevorderd te stoppen met flyeren en/of het uitdelen van pamfletten en/of het schreeuwen en/of provoceren van publiek, geen gevolg gegeven aan dit bevel of die vordering.

2. Voorvragen

3. Waardering van het bewijs

De rechtbank acht – evenals de officier van justitie en de raadsman – het telastegelegde niet bewezen. Verdachte dient daarvan te worden vrijgesproken. De rechtbank heeft hiertoe als volgt overwogen.

3.1 Beoordeling in het licht van artikel 184 Wetboek van Strafrecht (Sr)

De rechtbank gaat uit van de volgende feiten.

Op 9 september 2006 was verdachte aanwezig op het Anton de Komplein in Amsterdam Zuidoost. Op het plein was een festival gaande met de naam ‘Dag van 1000 culturen’. Verdachte was die dag met een aantal andere mensen een betoging aan het voeren tegen het standbeeld van Anton de Kom, dat zich op voornoemd plein bevindt. Verdachte en zijn medebetogers deelden flyers en pamfletten uit. Tevens had verdachte borden bij zich waarop verschillende leuzen te lezen waren. De verbalisanten [politieambtenaar 1] en [politieambtenaar 2] waren die dag in verband met het grote aantal bezoekers met surveillance op het plein belast. Zij werden aangesproken door verschillende personen uit het aanwezige publiek die zeiden dat zij zich door de teksten op de pamfletten, flyers en borden van verdachte geprovoceerd voelden. Hierop gingen verbalisanten naar verdachte toe en verzochten hem met zijn activiteiten te stoppen. Verbalisant [politieambtenaar 1] raakte met verdachte in discussie en op een zeker moment vorderde hij van verdachte dat hij zijn activiteiten zou staken. Verdachte gaf aan deze vordering geen gehoor en werd daarop aangehouden.

De rechtbank is met de officier van justitie van oordeel dat in onderhavige zaak geen sprake is van een bevel of vordering ‘krachtens enig wettelijk voorschrift gedaan’. De rechtbank verwijst hiervoor naar het arrest van de Hoge Raad van 29 januari 2008 (LJN: BB4108; NJ 2008, 206). De Hoge Raad overwoog onder andere:

“Het oordeel van het Hof dat de onderhavige vordering kan worden gebaseerd op art. 2 Politiewet 1993 getuigt van een onjuiste rechtsopvatting. Art. 184, eerste lid Sr eist een ‘krachtens wettelijk voorschrift’ gedane vordering. Een dergelijk voorschrift moet uitdrukkelijk inhouden dat de betrokken ambtenaar gerechtigd is tot het doen van een vordering. Art. 2 Politiewet 1993 bevat een algemene taakomschrijving voor de politie en kan niet worden aangemerkt als een wettelijk voorschrift op basis waarvan vorderingen of bevelen kunnen worden gegeven waaraan op straffe van overtreding van art. 184, eerste lid Sr moet worden voldaan. Daarbij verdient echter opmerking dat art. 2 Politiewet 1993 wel als een wettelijk voorschrift kan worden aangemerkt ter uitvoering waarvan de in art. 184 Sr bedoelde ambtenaren handelingen kunnen ondernemen waarvan het beletten, belemmeren, of verijdelen overtreding van art. 184, eerste lid Sr kan opleveren”.

In onderhavige zaak ontbreekt eveneens een wettelijke basis die als grondslag kan dienen voor de vordering aan verdachte te stoppen met flyeren en het uitdelen van pamfletten. Op grond van voornoemd arrest van de Hoge Raad kan artikel 2 Politiewet 1993 niet als wettelijk voorschrift worden aangemerkt waaraan moet worden voldaan op straffe van overtreding van 184 Sr. Verdachte was niet verplicht aan de vordering van de verbalisant [politieambtenaar 1] gehoor te geven, zodat hij van het telastegelegde dient te worden vrijgesproken. Dat brengt mee dat hij tevens recht heeft op teruggave van hetgeen onder hem in beslag is genomen. Ten slotte overweegt de rechtbank dat, nu zij het standpunt van de officier van justitie volgt, het betoog van de raadsman geen nadere bespreking behoeft.

3.2 Overweging ten overvloede

De rechtbank acht het, ondanks bovengenoemde vrijspraak, van belang de onderhavige zaak mede in het licht van de jurisprudentie van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) inzake de vrijheid van meningsuiting te bezien.

Artikel 10 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) beschermt de vrijheid van meningsuiting. Het EHRM heeft een uitvoerige jurisprudentie ontwikkeld met betrekking tot de verschillende aspecten van artikel 10 EVRM. Het EHRM heeft daarin keer op keer benadrukt dat de vrijheid van meningsuiting een van de meest essentiële fundamenten van de democratische rechtstaat vormt en tevens een voorwaarde voor haar ontwikkeling als geheel en voor de ontwikkeling van de individuen binnen die rechtstaat.

Het recht op vrije meningsuiting, zoals neergelegd in het eerste lid van artikel 10 EVRM, kan ingevolge het tweede lid van dat artikel worden onderworpen aan beperkingen die bij de wet zijn voorzien en die in een democratische samenleving noodzakelijk zijn in het belang van onder meer het voorkomen van wanordelijkheden. Artikel 10 EVRM beschermt niet alleen uitingen die aangenaam of onschuldig zijn, maar ook uitingen die "offend, shock or disturb". Artikel 10, eerste lid EVRM laat daarbij weinig ruimte voor beperkingen van het recht op vrije meningsuiting ten aanzien van politieke uitlatingen of uitlatingen die het publiek belang raken.

Voor de duidelijkheid overweegt de rechtbank dat de nu volgende toetsing uit gaat van het hypothetische geval dat de vordering (wel) krachtens wettelijk voorschrift zou zijn gedaan. In de eerste plaats dient de beperking van het recht op vrije meningsuiting te zijn voorzien bij wet. In het onderhavige geval kan de wettelijke basis worden gevonden in artikel 184 Sr. Daarnaast moet de beperking een van de in het tweede lid van artikel 10 EVRM opgenomen doelen dienen. In dit geval is de vordering gedaan ter voorkoming van wanordelijkheden, zodat ook aan deze voorwaarde van artikel 10, tweede lid EVRM is voldaan. Dat betekent dat de vraag moet worden beantwoord of de inbreuk op de vrijheid van meningsuiting noodzakelijk is in een democratische samenleving.

Bij de beantwoording van de vraag of een inbreuk op de vrijheid van meningsuiting noodzakelijk is in een democratische samenleving, is met name van belang of een dringende maatschappelijke noodzaak (pressing social need) bestaat het recht van vrije meningsuiting te beperken en of een dergelijke beperking proportioneel is ten aanzien van het doel dat daarmee wordt beoogd. Ten slotte is van belang dat de staat in kwestie kan aantonen dat de inbreuk relevant en voldoende is. Bij de beoordeling van de vraag of een maatschappelijke noodzaak als voornoemd bestaat, wordt aan de staat een bepaalde beoordelingsvrijheid (margin of appreciation) gegeven. Het hangt sterk af van de omstandigheden van het geval welke mate van beoordelingsruimte aan de staat in kwestie wordt gelaten. De rechtbank acht in dat kader de volgende omstandigheden van belang.

De verbalisant [politieambtenaar 1] heeft ter terechtzitting verklaard dat hij verdachte heeft gevorderd te stoppen met zijn activiteiten om te voorkomen dat de situatie zou escaleren. [politieambtenaar 1] heeft verklaard dat diverse bezoekers van het festival hem die bewuste middag op het volgens hen hinderlijke gedrag van verdachte hebben aangesproken. [politieambtenaar 1] heeft tevens verklaard dat een aantal mensen dreigde zelf iets aan de situatie te doen als hij, [politieambtenaar 1], niet zou ingrijpen. Deze verklaring van [politieambtenaar 1] wordt niet ondersteund door enig ander bewijsmiddel in het dossier en evenmin door de verklaringen die de getuigen [getuige1], [getuige2] en [politieambtenaar 2] ter terechtzitting hebben afgelegd.

De tegenstrijdigheid van de verklaringen op dit punt daargelaten, rijst naar het oordeel van de rechtbank nog steeds de vraag of het preventief ingrijpen van [politieambtenaar 1], door verdachte te vorderen zijn activiteiten te staken, in dit geval gerechtvaardigd was in het licht van artikel 10 EVRM. De bescherming die artikel 10 biedt, wordt vooral zichtbaar wanneer de vrijheid van meningsuiting dreigt te worden beperkt. In het geval waarin mensen dreigen een persoon die provocerende uitlatingen doet aan te pakken, dient juist die persoon tegen die dreiging te worden beschermd. Het is dus niet het recht van verdachte vrij zijn mening te kunnen uiten dat moet worden beperkt met het kennelijke doel wanordelijkheden te voorkomen. Artikel 10 EVRM is bedoeld om ook de uiting te beschermen en niet alleen de persoon die een uiting doet. Het zou daarom eerder in de rede hebben gelegen de personen die dreigden verdachte aan te pakken, in het kader van het voorkomen van wanordelijkheden op hun gedrag aan te spreken. De inbreuk op het recht van vrije meningsuiting in de vorm van de aanhouding van verdachte is niet noodzakelijk in een democratische samenleving, nu deze op een onjuiste interpretatie van artikel 10, tweede lid EVRM berust.

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.

4. Beslissing

Verklaart het telastegelegde niet bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij.

Gelast de teruggave aan verdachte van: de inbeslaggenomen flyers, pamfletten en borden aan verdachte.

Nu de inbeslaggenomen goederen inmiddels zijn vernietigd, acht de rechtbank het verzoek van de raadsman de waarde van deze goederen in geld aan verdachte terug te geven niet onredelijk. De rechtbank schat het terug te geven bedrag op € 500,- (vijfhonderd euro).

Dit vonnis is gewezen door

mr. T.H. Bosma voorzitter,

mrs. W.F. Korthals Altes en H.P. van der Lelie, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. R. Kouwenhoven, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 2 juni 2008.