Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2008:BD2810

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
24-01-2008
Datum publicatie
29-05-2008
Zaaknummer
13-44774407
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Verdachte maakt deel uit van een bende die gedurende langere tijd een groep jongeren in Amsterdam- Slotervaart heeft geterroriseerd. Verdachte heeft daarbij in individuele gevallen een leidinggevende rol gespeeld. Bewezenverklaring: berovingen, afpersingen, bedreiging en mishandeling. Rechtbank veroordeelt tot 36 maanden gevangenisstraf waarvan acht maanden voorwaardelijk.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Parketnummer: 13/447744-07

Datum uitspraak: 24 januari 2008

op tegenspraak

VERKORT VONNIS

van de rechtbank Amsterdam, meervoudige strafkamer, in de strafzaak tegen

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum],

ingeschreven in de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens op het adres [adres], thans gedetineerd in het Huis van Bewaring “Nieuwegein” te Nieuwegein.

De rechtbank heeft beraadslaagd naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 11 januari 2008.

1. Telastelegging

Aan verdachte is telastegelegd hetgeen staat omschreven in de dagvaarding, waarvan een kopie als bijlage aan dit vonnis is gehecht. De in die dagvaarding vermelde telastelegging geldt als hier ingevoegd.

2. Voorvragen

3. Waardering van het bewijs

3.1. Bewijsoverweging ten aanzien van de rol van verdachte en het bedreigende karakter van de bewezengeachte feiten.

De raadsman heeft ter terechtzitting aangevoerd dat de rol van zijn cliënt door zijn roemruchte naam wordt gezien als die van een van de leidinggevende figuren terwijl het geheel van telastegelegde feiten overduidelijk een groepsgebeuren is geweest.

De rechtbank overweegt hieromtrent dat uit de inhoud van het dossier en het ter terechtzitting verhandelde is gebleken dat verdachte deel uitmaakt van een bende, die geruime tijd jongeren in Amsterdam-Slotervaart heeft geterroriseerd. De rechtbank kan niet met zekerheid vaststellen dat verdachte in alle gevallen een leidinggevende rol heeft gespeeld maar uit de verklaringen van de aangevers en de medeverdachten komt zeker naar voren dat hier in een aantal gevallen wel sprake van is geweest.

Voorts heeft de raadsman aangevoerd dat bij de feiten 1, 3 en 5 geen sprake is geweest van bedreiging met geweld, nu de beweerdelijke gedragingen naar hun aard niet geschikt zijn om bij iemand de objectief gerechtvaardigde vrees op te wekken dat hij het slachtoffer van geweld zal worden.

De rechtbank overweegt daarover als volgt. Uit de diverse aangiftes van de verschillende slachtoffers blijkt dat zij in een periode van circa anderhalf tot twee jaar herhaalde malen slachtoffer zijn geworden van afpersing door (leden van) de groep jongens, waar ook verdachte deel van heeft uitgemaakt. In de aangiftes wordt beschreven hoe de jongens aanvankelijk af en toe werd gevraagd om een sigaret en dat zij die dan vrijwillig gaven, maar dat dit langzaam maar zeker is uitgemond in het steeds dwingender vragen om sigaretten en ook geld. De slachtoffers leefden voortdurend in de angst dat als zij weigerden geld of sigaretten af te staan, zij door de groep afpersers mishandeld zouden worden. Die vrees is bij de groep slachtoffers mede ontstaan omdat enkelen van hen ook daadwerkelijk slachtoffer zijn geworden van mishandeling, of, na te zijn blootgesteld aan geweld, hun geld of sigaretten hebben afgestaan. De rechtbank is van oordeel dat door deze – niet telastegelegde- gebeurtenissen, bij de slachtoffers een zodanige vrees voor geweld is ontstaan dat daarna het enkele vragen om geld of sigaretten reeds als bedreiging met geweld kan worden gekwalificeerd.

Ook met betrekking tot de onder 3 telastegelegde bedreiging van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] overweegt de rechtbank dat de door verdachte gebezigde bewoordingen geschikt zijn om bij de slachtoffers de vrees voor zware mishandeling op te wekken, mede in het licht van de omstandigheid dat zij eerder slachtoffer zijn geweest van (door verdachte) gepleegd geweld (feit 2.), c.q. bedreiging daarmee (feit 1 en 2).

3.2. De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte

Ten aanzien van het onder 1 telastegelegde:

op 22 juli 2007 te Amsterdam (in het stadspark achter de coffeeshop nabij Tussenmeer) tezamen en in vereniging met anderen, met het oogmerk om zich en anderen wederrechtelijk te bevoordelen door bedreiging met geweld [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] heeft gedwongen tot de afgifte van een hoeveelheid geld en sigaretten, toebehorende aan die [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2], welke bedreiging met geweld hierin bestond dat hij verdachte en zijn mededaders om die [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] zijn gaan staan en tegen die [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] hebben gezegd dat die [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] al zijn geld moest geven en “dus als ik je ga fouilleren heb je geen geld bij je” en “trek geld.. trek geld”, en die [slachtoffer 2] bij de arm heeft vastgepakt en tegen die [slachtoffer 2] heeft gezegd “wij zijn hier met vijf man, wat moeten wij nu met 5 EURO, geef ons nog 5 EURO, dan kunnen wij naar de febo” en die [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] hebben gefouilleerd,

en

hij op 22 juli 2007 te Amsterdam (in het stadspark achter de coffeeshop nabij Tussenmeer) tezamen en in vereniging met anderen, het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een zippo-aansteker, toebehorende aan [slachtoffer 2], welke diefstal werd vergezeld van bedreiging met geweld, gepleegd met het oogmerk om die diefstal gemakkelijk te maken, welke bedreiging met geweld hierin bestond dat hij, verdachte, en zijn mededaders om die [slachtoffer 2] zijn gaan staan..

Ten aanzien van het onder 2 telastegelegde:

in de periode van 10 augustus 2007 tot en met 15 augustus 2007 te Amsterdam (in een woning in de Willebroekstraat 36) tezamen en in vereniging met anderen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een buideltasje (merk Da Costa) en een pakje batterijen en een Mp3-speler en een plastic machinepistool, toebehorende aan [slachtoffer 1], welke diefstal werd voorafgegaan, vergezeld en gevolgd van geweld en bedreiging met geweld tegen die [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3], gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken en het bezit van het gestolene te verzekeren, welk geweld en welke bedreiging met geweld hierin bestonden, dat hij verdachte, met zijn mededaders naar de woning van die [slachtoffer 1] zijn gegaan en vervolgens die woning van [slachtoffer 1] zijn binnengedrongen en die [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3] hebben gedwongen om op de bank te zitten en tegen die [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3] hebben gezegd dat zij hun zakken leeg moesten halen en “jullie hebben het waarschijnlijk verstopt” en heeft hij, verdachte, een mes in de hand genomen en tegen die [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3] gezegd “jullie gaan niet naar boven” en “als ik iets vind dan zijn jullie alle drie dood” en “waar zijn jullie waardevolle spullen, waar is jullie kluis, jullie kuli’s hebben altijd een kluis in huis”, en hebben verdachte en zijn mededaders vervolgens de gehele woning doorzocht en heeft verdachte die [slachtoffer 1] in het gezicht geslagen en die [slachtoffer 1] bevolen zijn hand op tafel te leggen waarna hij, verdachte met een mes tussen de gespreide vingers van die [slachtoffer 1] is gaan prikken en die [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3] bevolen op hun knieën te gaan zitten en een handdoek om de nek van die [slachtoffer 1] gedaan en vervolgens aan die handdoek getrokken en die [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] beschoten met een luchtpistool en tegen die [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3] gezegd “als jullie dit tegen de politie zeggen zijn jullie dood”.

Ten aanzien van het onder 3 telastegelegde:

op 30 augustus 2007 te Amsterdam [slachtoffer 1] en [slach[slachtoffer 2] heeft bedreigd met zware mishandeling, immers heeft verdachte die [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] dreigend de woorden toegevoegd: “als ik deze bal weggooi, dan ga jij hem halen als mijn kleine bitch” en “pak die bal, pak die bal” en “je doet stoer hé, kijk ik gooi je pet in het water en wat ga je doen” en “ga maar lekker spoessie, ik ben met jou nog niet klaar, jij staat bij mij in het krijt”;

Ten aanzien van het onder 4 telastegelegde:

op 30 augustus 2007 te Amsterdam opzettelijk mishandelen [slachtoffer 1] met kracht meermalen in het gezicht en tegen het lichaam heeft getrapt en/of geslagen en met het achterhoofd tegen het trottoir heeft geslagen en heeft hij, verdachte met zijn nagels in de oogkassen van die [slachtoffer 1] gedrukt en die [slachtoffer 1] bij de keel gegrepen en vervolgens de keel van die [slachtoffer 1] dichtgeknepen en heeft hij verdachte, [slach[slachtoffer 2] tegen het lichaam geschopt, waardoor voornoemde [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] letsel heeft bekomen en/of pijn heeft ondervonden.

Ten aanzien van het onder 5 telastegelegde:

in de periode van 3 augustus 2007 tot en met 10 augustus 2007 te Amsterdam (in de [adres]) tezamen en in vereniging met een ander met het oogmerk van wederrechtelijk toe-eigening heeft weggenomen een geldbedrag van 30 EURO en een hoeveelheid sigaretten, toebehorende aan [slach[slachtoffer 4] en/of [slachtoffer 5], welke diefstal werd vergezeld van bedreiging met geweld tegen die [slachtoffer 4] en [slachtoffer 5], gepleegd met het oogmerk om die diefstal gemakkelijk te maken, welke bedreiging met geweld hierin bestond dat hij verdachte, en zijn mededader die [slachtoffer 4] en [slachtoffer 5] om geld en sigaretten hebben gevraagd en de kleding van die [slachtoffer 4] hebben doorzocht.

Ten aanzien van het onder 6 telastegelegde:

in de periode van 1 augustus 2007 tot en met 31 augustus 2007 te Amsterdam op de Laan van Vlaanderen en het Belgiëplein, tezamen en in vereniging met een ander, met het oogmerk om zich en een ander wederrechtelijk te bevoordelen door geweld en bedreiging met geweld [slachtoffer 6] en [slachtoffer 4] heeft gedwongen tot de afgifte van sigaretten en een geldbedrag van 10 EURO en een sixpack halve liters bier, toebehorende aan die [slachtoffer 6] en/of [slachtoffer 4], welk geweld en welke bedreiging met geweld hierin bestonden dat hij verdachte en/of zijn mededader tegen die [slachtoffer 5] en [slachtoffer 6] en [slachtoffer 7] en [slachtoffer 8] en [slachtoffer 4] heeft/hebben gezegd “ik ben een gevangenisbewaarder, jullie zijn mijn gevangenen en jullie kunnen mij niet ontsnappen en ik hou jullie in het oog”en “jullie hebben geld want anders ga je niet naar het Belgiëplein toe, dan lopen jullie maar met ons mee, want wij moeten daar ook naar toe” en “ga maar in een rijtje staan tegen de muur aan” en “ik weet zeker een van jullie heeft geld in zijn schoenen”, en die [slachtoffer 5] en [slachtoffer 6] en [slachtoffer 7] en [slachtoffer 8] en [slachtoffer 4] heeft/hebben gefouilleerd en die [slachtoffer 5] en [slachtoffer 6] en [slachtoffer 7] en [slachtoffer 8] en [slachtoffer 4] heeft/hebben gedwongen hun schoenen uit te trekken en met kracht meermalen die [slachtoffer 6] met gebalde vuisten in de buik heeft/hebben gestompt en die [slachtoffer 4] en [slachtoffer 5] heeft/hebben bevolen om met zijn pinpas twee sixpacks bier te kopen bij Albert Heijn.

Voorzover in de telastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in zijn verdediging geschaad.

4. Het bewijs

De rechtbank grondt haar beslissing dat verdachte het bewezen geachte heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat.

5. De strafbaarheid van de feiten

De bewezen geachte feiten zijn volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.

6. De strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.

7. Motivering van de straffen en maatregelen

De officier van justitie heeft bij requisitoir gevorderd dat verdachte ter zake van de door haar onder 1, 2, 3, 4, 5 en 6 bewezengeachte feiten zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 3 jaar, met aftrek van voorarrest.

De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen geachte, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals van een en ander ter terechtzitting is gebleken.

De rechtbank heeft bij de keuze tot het opleggen van een vrijheidsbenemende straf en bij de vaststelling van de duur daarvan in het bijzonder het volgende laten meewegen.

Verdachte maakt deel uit van een straatbende, die gedurende langere tijd, jongeren in Amsterdam-Slotervaart heeft geterroriseerd. Verdachte en zijn mededaders hebben op intimiderende wijze de jongeren sigaretten, geld en andere goederen afhandig gemaakt, waarbij geweld en bedreigingen met geweld niet zijn geschuwd en welk handelen kennelijk slechts bedoeld was om de machtspositie van verdachte en zijn mededaders vorm te geven. De slachtoffers hebben door deze straatterreur voortdurend in angst geleefd hetgeen hun dagelijks leven ingrijpend heeft veranderd. Ze konden niet vrijuit over straat gaan en namen tal van voorzorgsmaatregelen om te voorkomen dat zij slachtoffer van de afpersingspraktijken zouden worden. Zo gingen ze met zo min mogelijk geld over straat en verstopten dat in hun schoenen om te voorkomen dat het geld bij een eventuele fouillering zou worden gevonden. De straatterreur is uitgemond in het door verdachte en twee mededaders binnendringen in de woning van een van de slachtoffers en de daar aanwezige jongens mishandelen en beroven. Daarbij heeft verdachte een slachtoffer gedwongen zijn vingers op tafel te spreiden, waarop hij met een mes tussen die vingers is gaan prikken. Tevens heeft hij datzelfde slachtoffer een handdoek om de nek gedaan en hem vervolgens aan die handdoek omhoog proberen te trekken.

Uit de verklaringen van de aangevers, alsmede de verklaringen van de medeverdachten, is de rechtbank van oordeel dat vast is komen te staan dat verdachte in een aantal gevallen een leidinggevende rol heeft gespeeld. De rechtbank rekent dit verdachte zwaar aan.

De ervaring leert dat slachtoffers van dergelijke geweldsmisdrijven daarvan nog lang nadelige psychische gevolgen kunnen ondervinden.

Op dergelijke, ernstige, feiten kan niet anders dan met oplegging van een forse gevangenisstraf worden gereageerd.

In het voordeel van de verdachte heeft de rechtbank acht geslagen op zijn jeugdige leeftijd.

De rechtbank heeft voorts acht geslagen op het voorlichtingsrapport van de reclassering d.d. 4 december 2007 en de pro justitia rapportage d.d. 15 november 2007. De psycholoog conclueert dat bij verdachte sprake is van een gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogens in de vorm van zwakbegaafdheid, maar dat geen verband lijkt te bestaan tussen die gebrekkige ontwikkeling en de telastegelegde feiten, alsmede wordt geadviseerd verdachte voor die feiten, indien bewezen, volledig toerekingsvatbaar te verklaren. De rechtbank zal dit advies overnemen.

In de rapportage van de reclassering wordt geen strafadvies gegeven, gelet op de tot dan toe volgehouden ontkenning door verdachte van de telastegelegde feiten. Ter terechtzitting heeft verdachte voor het eerst toegegeven dat hij bij die feiten betrokken is geweest en heeft hij daarover ook zijn spijt betuigd en verklaard dat hij – door tussenkomst van Spirit – ook aan de slachtoffers persoonlijk zijn spijt zou willen betuigen.

Tenslotte houdt de rechtbank rekening met het zogenaamde strafblad van verdachte waaruit blijkt dat hij nog niet eerder onherroepelijk is veroordeeld voor feiten als de onderhavige.

Het hiervoor overwogene brengt de rechtbank tot het oordeel dat anders dan door de officier van justitie gevorderd, een deel van de op te leggen gevangenisstraf voorwaardelijk moet worden opgelegd en dat daaraan als bijzondere voorwaarde moet worden verbonden dat de verdachte zich onder toezicht van de reclassering stelt.

Ten aanzien van de benadeelde partij en de schadevergoedingsmaatregel

Uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 6], van zo eenvoudige aard is dat zij zich leent voor de behandeling in dit strafgeding. Tevens is komen vast te staan dat de benadeelde partij als gevolg van het hiervoor onder 6 bewezengeachte feit, rechtstreeks schade heeft geleden. De rechtbank waardeert deze op een bedrag van € 265,00 (tweehonderdvijfenzestig euro). De vordering kan dan ook tot dat bedrag worden toegewezen. Voorts dient de verdachte te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog zal maken.

In het belang van [slachtoffer 6] voornoemd wordt, als extra waarborg voor betaling aan laatstgenoemde, de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht aan verdachte opgelegd.

8. Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 36f, 56, 57, 285, 300, 312 en 317 van het Wetboek van Strafrecht.

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.

9. Beslissing

Verklaart bewezen dat verdachte het telastegelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 3 is aangegeven.

Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is telastegelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Het bewezenverklaarde levert op:

ten aanzien van het onder 1 bewezenverklaarde:

voortgezette handeling van medeplegen van afpersing, meermalen gepleegd en diefstal, vergezeld van bedreiging met geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal gemakkelijk te maken terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen.

Ten aanzien van het onder 2 telastegelegde:

diefstal, voorafgegaan, vergezeld en gevolgd van geweld en bedreiging met geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden, gemakkelijk te maken en om, bij betrapping op heterdaad, het bezit van het gestolene te verzekeren terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen, meermalen gepleegd.

Ten aanzien van het onder 3 telastegelegde:

bedreiging met zware mishandeling, meermalen gepleegd.

Ten aanzien van het onder 4 telastegelegde;

mishandeling, meermalen gepleegd.

Ten aanzien van het onder 5 telastegelegde:

diefstal, vergezeld van bedreiging met geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal gemakkelijk te maken terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen, meermalen gepleegd.

Ten aanzien van het onder 6 telastegelegde:

medeplegen van afpersing, meermalen gepleegd.

Verklaart het bewezene strafbaar.

Verklaart verdachte, [verdachte], daarvoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van zesendertig maanden.

Beveelt dat de tijd die door veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van die straf in mindering gebracht zal worden.

Beveelt dat een gedeelte, groot acht maanden, van deze gevangenisstraf niet tenuitvoergelegd zal worden, tenzij later anders wordt gelast.

Stelt daarbij een proeftijd van twee jaar vast.

De tenuitvoerlegging kan worden gelast indien veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd aan een strafbaar feit schuldig maakt.

Tevens kan de tenuitvoerlegging worden gelast indien veroordeelde gedurende de proeftijd de hierna vermelde bijzondere voorwaarde niet naleeft.

Stelt als bijzondere voorwaarde:

- dat veroordeelde zich (onverwijld) stelt en dat hij gedurende de proeftijd blijft onder toezicht en leiding van de reclassering en zich gedurende die proeftijd gedraagt naar de door of namens die instelling te geven aanwijzingen, zolang deze instelling dat noodzakelijk oordeelt, ook indien dit inhoudt gesprekken te volgen met Spirit.

Wijst de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 6], wonende op het adres [adres] toe tot een bedrag van € 265,00 (tweehonderdvijfenzestig euro).

Veroordeelt verdachte aan [slachtoffer 6] voornoemd, het toegewezen bedrag te betalen.

Veroordeelt verdachte voorts in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil.

Legt aan verdachte de verplichting op, aan de Staat, ten behoeve van de benadeelde partij [slachtoffer 6], te betalen de som van € 265,00 (tweehonderdvijfenzestig euro), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door hechtenis voor de duur van 5 dagen, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de hiervoor opgelegde verplichting niet opheft.

Bepaalt dat, indien en voor zover verdachte heeft voldaan aan een van de voornoemde betalingsverplichtingen, daarmee de andere is vervallen.

Gelast de teruggave aan [verdachte] van:

- een rood/witte hoofddoek

- een rode Samsung zaktelefoon SGHT500, zonder simkaart en batterijen

- een Panasonic DMC fototoestel met 16 MB kaart

- een goudkleurig, analoog horloge

- een handgeschreven songtekst

- een uitgeprinte songtekst

- een USB stick, Dell 16 MB

- een Samsung zaktelefoon, SGH E90, met simkaart.

Dit vonnis is gewezen door

mr. G.P.C. Janssen, voorzitter,

mrs. S.E. Sijsma en F.P. Geelhoed, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. M. Pandelitschka, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 24 januari 2008.