Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2008:BD2795

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
29-05-2008
Datum publicatie
29-05-2008
Zaaknummer
AWB 08-1625 VEROR
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Weigering evenementenvergunning voor het Kwakoefestival 2008 aan de Stichting Kwakoe Events

Gelet op de bevindingen uit de evaluaties van het festival over 2005, 2006 en 2007 heeft verweerder zich op goede gronden op het standpunt kunnen stellen dat verzoekster als organisator onvoldoende waarborgen biedt voor een goed verloop van het evenement. Naar voorlopig oordeel heeft verweerder de evenementenvergunning in redelijkheid kunnen weigeren.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Amsterdam

Sector Bestuursrecht Algemeen

Voorlopige voorzieningen

UITSPRAAK

ALS BEDOELD IN ARTIKEL 8:84 VAN

DE ALGEMENE WET BESTUURSRECHT

in het geding met registratienummer AWB 08/1625 VEROR

tussen:

de Stichting Kwakoe Events, statutair gevestigd te Amsterdam,

verzoekster,

vertegenwoordigd door mr. M.J.R. Roethof en mr. E.G.S. Roethof,

en:

de burgemeester van Amsterdam,

verweerder,

vertegenwoordigd door mr. G. Koop en mr. I. Moentadj.

1. PROCESVERLOOP

Op 28 april 2008 heeft de voorzieningenrechter (hierna: de rechter) een verzoek om voorlopige voorziening ontvangen. Dit verzoek hangt samen met het bezwaarschrift gericht tegen het besluit van verweerder van 17 april 2008.

Het onderzoek is gesloten ter zitting van 20 mei 2008.

2. OVERWEGINGEN

Ingevolge artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) dient te worden nagegaan of onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, het treffen van een voorlopige voorziening vereist. Bij de vereiste belangenafweging gaat het om een afweging van enerzijds het belang van de verzoekster dat een onverwijlde voorziening wordt getroffen en anderzijds het door de onmiddellijke uitvoering van het besluit te dienen belang.

Verzoekster organiseert sinds 1975 jaarlijks het Kwakoe Zomerfestival in het Bijlmerpark in stadsdeel Amsterdam Zuidoost. Het Kwakoe Zomerfestival trekt jaarlijks circa een miljoen bezoekers. Op 30 november 2007 heeft verzoekster een evenementenvergunning aangevraagd voor het Kwakoe Zomerfestival 2008 (hierna: het festival 2008). Het festival 2008 zal plaatsvinden gedurende zes weekenden in de periode 5 juli t/m 10 augustus 2008.

Bij het bestreden besluit van 17 april 2008 heeft verweerder de aanvraag van verzoekster om een evenementenvergunning voor het festival 2008 afgewezen. Verweerder heeft hieraan onder meer ten grondslag gelegd dat de voorschriften van de in 2005, 2006 en 2007 verstrekte evenementenvergunningen op verschillende punten zijn geschonden. Ondanks diverse waarschuwingen in de afgelopen jaren is de situatie niet verbeterd. Voorts heeft verzoekster nog steeds niet voldaan aan haar financiële verplichtingen. Op grond hiervan bestaat niet het vertrouwen dat een ordelijk verloop van het evenement gewaarborgd is indien verzoekster dit organiseert. Voorts voorziet het veiligheidsplan van de twee andere aanvragers, anders dan in het geval van verzoekster, in een professioneel beveiligingsbedrijf en is anders dan bij de andere aanvragers geen financiële onderbouwing van de haalbaarheid van verzoeksters plan overgelegd.

Verzoekster stelt dat verweerder ten onrechte en in strijd met het rechtszekerheidsbeginsel de beleidsregels voor de behandeling van concurrerende aanvragen voor evenementen in het stadsdeel Amsterdam Zuidoost, gepubliceerd op 19 maart 2008, heeft toegepast op de vergunningaanvraag. Voor zover verweerder wel gebonden zou zijn aan de beleidsregels dan heeft hij verzuimd gebruik te maken van zijn inherente afwijkingsbevoegdheid. Verweerder heeft voorts ten onrechte overwogen dat ook zonder de beleidsregels dezelfde beoordelingsaspecten bij de besluitvorming betrokken zouden zijn. Immers uit het Draaiboek Evenementen blijkt niet dat er een toetsingskader bestaat waarbij rekening wordt gehouden met ervaringen die verweerder de afgelopen drie jaar heeft gehad met aanvrager. Voorts stelt verweerder ten onrechte dat verzoekster niet in staat is het festival 2008 ordentelijk te laten verlopen. Er hebben zich nimmer noemenswaardige problemen voorgedaan in de afgelopen 32 jaar. Het inzetten van een beveiligingsbedrijf zou tot meer frictie bij de bezoekers kunnen leiden. Verweerder heeft tot slot ten onrechte overwogen dat de last van de handhaving van de openbare orde in te grote mate op de schouders van de politie is komen te rusten.

In haar verzoek om voorlopige voorziening heeft verzoekster de rechter gevraagd het bestreden besluit te schorsen totdat op het bezwaarschrift is beslist en haar te beschouwen als ware zij in het bezit van een evenementenvergunning ten behoeve van de organisatie van het festival 2008. Ter zitting heeft verzoekster subsidiair verzocht om verweerder opdracht te geven een nieuw besluit te nemen.

De rechter overweegt het volgende.

Allereerst stelt de rechter vast dat het voorliggende geding zich beperkt tot het bestreden besluit waarbij de vergunningaanvraag van verzoekster is afgewezen. De bezwaren van verzoekster voor zover gericht tegen de (voorgenomen) vergunningverlening aan de Stichting Zomerfestival Amsterdam Zuidoost (hierna: Stichting ZaZo) voor het organiseren van een vergelijkbaar evenement in 2008 in het Bijlmerpark in stadsdeel Amsterdam Zuidoost vallen buiten de omvang van het geding.

Artikel 2.11, tweede lid, van de Algemene Plaatselijke Verordening 1994 (hierna: APV) bepaalt dat het verboden is zonder vergunning van de burgemeester een evenement te houden of te doen houden. Ingevolge het derde lid van artikel 2.11 van de APV kan de burgemeester bij de beoordeling van de aanvraag om vergunning de volgende belangen in aanmerking nemen:

a. de mate waarin door het evenement beslag wordt gelegd op de ruimte, de tijd en de hulpdiensten;

b. het aantal bezoekers dat wordt verwacht;

c. of de aard van het evenement zich verdraagt met het karakter of de bestemming van de gevraagde locatie;

d. of er gevaar bestaat voor de openbare orde, gezondheid of veiligheid, waaronder de brandveiligheid en het belang van het voorkomen van wanordelijkheden;

e. of er gevaar bestaat voor een onevenredige belasting van het woon- of leefklimaat in de omgeving van het evenement;

f. of er gevaar bestaat voor een onevenredige belasting van het woon- of leefklimaat in de omgeving van het evenement;

g. of er gevaar bestaat voor verontreiniging, aantasting van het uiterlijk aanzien van de stad, beschadiging van de groenvoorzieningen of van voorzieningen voor het openbaar nut;

h. de organisator voldoende waarborgen biedt of kan bieden voor een goed verloop van het evenement, gelet op de eerder vermelde belangen;

i. of de organisatie voldoende waarborgen biedt om de schade aan het milieu te voorkomen dan wel zoveel mogelijk te beperken.

De rechter benadrukt dat verweerder bij het verlenen van een evenementenvergunning op grond van artikel 2.11 van de APV beleidsvrijheid toekomt. De rechter zal dan ook terughoudend in haar oordeel zijn over de redelijkheid van de wijze waarop verweerder van deze vrijheid gebruik heeft gemaakt.

De rechter stelt vast dat in het Draaiboek Evenementen, zoals door verweerder sinds een aantal jaren is toegepast bij de beoordeling van vergunningaanvragen, onder paragraaf 4.2 is vermeld dat verweerder bij de beoordeling let op ervaringen in het verleden met het evenement, of met de organisatoren. Uit de gedingstukken volgt dat dit draaiboek in het kader van de vergunningaanvraag aan verzoekster is toegezonden en ook overigens is toegepast bij de beoordeling van de vergunningaanvraag. Op grond hiervan kan verweerder zijn ervaringen met de organisator in het verleden bij de beoordeling van de vergunningaanvraag betrekken. Dat verweerder hierbij kijkt naar zijn ervaringen met verzoekster over de afgelopen drie jaar acht de rechter niet onredelijk of anderszins onjuist. Gelet hierop en gelet op het karakter van de voorliggende procedure, kan de vraag of toepassing van de beleidsregels voor de behandeling van concurrerende aanvragen leidt tot schending van het rechtszekerheidsbeginsel in het midden worden gelaten. Hetzelfde geldt voor de vraag of verweerder gebruik had moeten maken van zijn inherente afwijkingsbevoegdheid ingevolge artikel 4:84 van de Awb.

Voorts stelt de rechter vast dat verweerder, overeenkomstig paragraaf 4.2.1. van het Draaiboek Evenementen, de politie (regiopolitie Amsterdam-Amstelland, wijkteam Flierbosdreef) heeft verzocht om schriftelijk advies. Uit de door de politie overgelegde rapportages Kwakoe Journaal 2005 (hierna: Journaal 2005), Evaluatie Kwakoe Zomerfestival 2006 (hierna: Evaluatie 2006) en Evaluatie Kwakoe Zomerfestival 2007 (hierna: Evaluatie 2007) blijkt onder meer het volgende.

Op de festivals van 2005, 2006 en 2007 is in strijd met de voorschriften van de verleende evenementenvergunning sterke drank verkocht. Uit het Journaal 2005 blijkt dat een aantal keer de verkoop van sterke drank is geconstateerd. Blijkens de Evaluatie 2006 is bij controles door medewerkers van de Voedsel en Waren Autoriteit vastgesteld dat diverse kraamhouders aanzienlijke hoeveelheden sterke drank aanwezig hadden in hun stands. Tegen verzoekster is hiervoor destijds proces-verbaal opgemaakt.

Voorts blijkt uit de gedingstukken dat tijdens de festivals van 2005, 2006 en 2007 drank is uitgeschonken in glazen in plaats van plastic bekers en dat veelvuldig drank in glazen flessen is verkocht. Zo is in de Evaluatie 2006 vermeld dat deze overtreding van de vergunningsvoorschriften gedurende het gehele festival heeft plaatsgevonden. Diverse personen zijn bij vechtpartijen lichtgewond geraakt doordat drankflessen werden gebruikt als slagwapen. Daarnaast leidde de aanwezigheid van het vele glas op het festivalterrein tot onveilige situaties. De kraamhouders zijn op een informatiebijeenkomst door de politie op de hoogte gebracht van de vergunningsvoorschriften. De organisatie is meerdere malen op deze overtreding gewezen, maar er is blijkens de Evaluatie 2006 geen verbetering waargenomen gedurende het verloop van het festival. Uit de Evaluatie 2007 blijkt eveneens dat verzoekster meerdere malen op deze overtreding is gewezen, maar dat (eveneens) geen verbetering is waargenomen gedurende het verloop van het festival 2007. Gedurende het laatste weekend was het jongereneiland bezaaid met lege flessen die werden stukgetrapt en stukgereden.

Verder ontplooiden de kraamhouders de afgelopen jaren in strijd met de evenementen- vergunning activiteiten op doordeweekse dagen. Blijkens de Evaluatie 2006 en 2007 bestonden deze activiteiten tijdens het festival uit het voor publiek openen van tenten en kramen, het consumeren van bier en sterke drank en het draaien van luide muziek gedurende de avond en nacht.

Ook is gebleken dat verzoekster de afgelopen drie jaar niet voldeed aan het vereiste van een goed functionerend bijstandsteam van minimaal 80 personen (vrijwilligers). Het bijstandsteam wordt ingezet om de openbare orde te handhaven en de verkeersposten te bemensen. Uit de Evaluatie 2006 blijkt dat de eerste drie weekenden niet is voldaan aan het vereiste aantal van 80 personen. Het eerste weekend lag het aantal rond 55, het tweede weekend rond 65, het derde weekend rond 60 vrijwilligers. Het vierde weekend was het bijstandsteam op sterkte. Het vijfde weekend lag het aantal aanwezige vrijwilligers rond de

60 personen en is er een korte staking geweest onder de medewerkers van het bijstandsteam. Na financiële toezeggingen door verzoekster was het bijstandsteam het laatste weekend op sterkte. In de Evaluatie 2007 is vermeld dat verzoekster (wederom) niet heeft voldaan aan het vereiste van 80 personen. Door de politie zijn dagelijks tellingen verricht om het aantal medewerkers vast te stellen. Het eerste weekend lag het aantal vrijwilligers rond de 46 per dag, het tweede weekend tussen de 56 en 69 per dag, het derde weekend rond de 50 per dag en het vierde weekend rond de 40 per dag. Het vijfde en zesde weekend was het bijstandsteam op sterkte na tussenkomst van het stadsdeel Amsterdam Zuidoost die voor extra ingehuurde krachten heeft gezorgd.

In de Evaluatie 2007 is vermeld dat met name in de laatste twee weekenden diverse malen een gespannen sfeer is ontstaan op het jongereneiland, met name tijdens optredens van een groep jongeren van Hoptille. Aan de organisatie is meerdere malen medegedeeld dat de genoemde groep geen optreden mocht geven op het podium van het jongereneiland. De jongeren traden echter wel op zonder dat door verzoekster is ingegrepen. Blijkens de Evaluatie 2007 ontstond een dermate gespannen situatie dat door de politie is besloten tot het zichtbaar dragen van de lange wapenstok.

Ter zitting is door verweerder verklaard dat de in 2005, 2006 en 2007 door de politie georganiseerde instructieavonden mondjesmaat door de vrijwilligers van het bijstandsteam werden bezocht. Blijkens de Evaluatie 2007 zijn er diverse instructieavonden georganiseerd waarbij slechts enkele personen zijn verschenen.

Verzoekster heeft niet dan wel onvoldoende bestreden dat de hiervoor weergegeven bevindingen zich hebben voorgedaan. Voor zover verzoekster heeft betoogd dat de telling van het aantal vrijwilligers waarschijnlijk heeft plaatsgevonden op de minder drukke momenten tijdens het festival, heeft verweerder terecht opgemerkt dat blijkens de vergunningsvoorschriften het bijstandsteam tijdens het festival op elk moment dient te bestaan uit 80 personen. Dit aantal betreft bovendien een minimumvereiste.

Gelet op vorenstaande is de rechter vooralsnog van oordeel dat verweerder de vergunningaanvraag op grond van artikel 2.11, derde lid, van de APV in redelijkheid heeft kunnen weigeren. Verweerder heeft zich hierbij, gelet op het bepaalde in artikel 2.11, derde lid, aanhef en onder h, van de APV, op goede gronden op het standpunt kunnen stellen dat verzoekster als organisator onvoldoende waarborgen biedt voor een goed verloop van het evenement gelet op de in het derde lid vermelde belangen, waaronder het gevaar voor de openbare orde en veiligheid. Dat verweerder vervolgens bij de besluitvorming de naar zijn oordeel in het geding zijnde belangen als bedoeld in artikel 2.11, derde lid, van de APV zwaarder heeft laten wegen dan de belangen van verzoekster acht de rechter vooralsnog niet onredelijk.

De rechter overweegt in dit verband dat de bestuurswisseling die blijkens de statuten op

17 maart 2008 bij verzoekster heeft plaatsgevonden de ervaringen van verweerder met verzoekster over de afgelopen jaren niet teniet doet. Verzoeksters bezwaren dat verweerder onvoldoende transparantie heeft betracht, haar ten onrechte heeft verweten geen gebruik te maken van professionele beveiliging en geen financieel plan te hebben overgelegd, kunnen, wat hier ook verder van zij, in de voorliggende procedure evenmin tot een ander oordeel leiden.

Naar het voorlopig oordeel van de rechter zal de afwijzing van de aangevraagde evenementenvergunning in bezwaar standhouden.

De rechter laat de overige gronden waarop het bestreden besluit rust buiten beschouwing, nu het vorenbesprokene naar haar voorlopig oordeel een toereikende basis vormen voor de weigering van de evenementenvergunning voor het festival 2008.

De rechter ziet evenwel aanleiding om ten aanzien van de door verweerder betrachte zorgvuldigheid bij de besluitvorming het volgende te overwegen.

De rechter hecht er aan er bij verweerder op aan te dringen, gelet op de belangen van verzoekster, de vergunningverlening aan de Stichting ZaZo voortvarend ter hand nemen, zodat verzoekster desgewenst rechtsmiddelen daartegen kan instellen. Verzoeksters bezwaren houden immers mede verband met de gunningsprocedure en de voorgenomen vergunningverlening aan de Stichting ZaZo.

De rechter is echter van oordeel, gelet op het hiervoor gegeven voorlopig oordeel, dat in het voorliggende geval de door verzoekster geuite twijfel aan de zorgvuldigheid van de besluitvorming van verweerder geen aanleiding kan vormen voor het treffen van de gevraagde voorlopige voorziening, zodat het verzoek daartoe moet worden afgewezen.

Voor een proceskostenveroordeling of vergoeding van het griffierecht ziet de rechter dan ook geen aanleiding.

Beslist wordt als volgt.

3. BESLISSING

De rechtbank:

- wijst het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening af.

Deze uitspraak is gedaan op 29 mei 2008 door M.T. Boerlage, voorzieningenrechter,

in tegenwoordigheid van mr. T.E. Bouwmeester, griffier,

en bekendgemaakt door verzending aan partijen op de hieronder vermelde datum.

De griffier, De voorzieningenrechter,

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.

Afschrift verzonden op:

DOC: B