Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2008:BD2328

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
22-05-2008
Datum publicatie
22-05-2008
Zaaknummer
AWB 08-1426 AW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Voorlopige voorziening hangende beroep. Geen uitspraak in de hoofdzaak omdat partijen pas ter zitting zijn geconfronteerd met bevoegdheidsgebrek. De rechter is van oordeel dat verweerder tot het oordeel heeft kunnen komen dat er aanleiding bestond om aan verzoeker de ordemaatregelen op te leggen. Er is onvoldoende gebleken dat verweerder in strijd met het verbod van willekeur heeft gehandeld. Het zou in strijd met de bedoeling van de opgelegde ordemaatregelen zijn indien deze nog geruime tijd na afloop van het cultuuronderzoek voortduren. Na afweging van de betrokken belangen ziet de rechter hierin aanleiding om een voorlopige voorziening te treffen in die zin dat zowel het bestreden besluit als het primaire besluit van 6 februari 2008 worden geschorst met ingang van 2 juni 2008.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Amsterdam

Sector Bestuursrecht

voorlopige voorzieningen

UITSPRAAK

in het geding met reg.nr. AWB 08/1426 AW

tussen:

[verzoeker], wonende te [woonplaats],

verzoeker,

vertegenwoordigd door mr. W. de Klein,

en:

de korpsbeheerder van de politie Amsterdam-Amstelland,

verweerder,

vertegenwoordigd door mr. Y. Kuijt.

1. PROCESVERLOOP

De voorzieningenrechter (hierna ook: de rechter) heeft op 11 april 2008 een verzoek ontvangen tot het treffen van een voorlopige voorziening. Dit verzoek hangt samen met het bezwaarschrift van 29 februari 2008 gericht tegen het besluit van verweerder van 6 februari 2008.

Verweerder heeft op 29 april 2008 een beslissing genomen op voornoemd bezwaarschrift. Verzoeker heeft op 7 mei 2008 beroep ingesteld tegen deze beslissing op bezwaar (hierna: het bestreden besluit). Het verzoek om een voorlopige voorziening wordt op de voet van artikel 8:81, vijfde lid van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) gelijkgesteld met een verzoek dat wordt gedaan hangende het beroep bij de rechtbank.

Het onderzoek is gesloten ter zitting van 15 mei 2008.

2. OVERWEGINGEN

Verzoeker is sinds 1 januari 1975 in dienst bij (de rechtsvoorganger van de) Regiopolitie Amsterdam-Amstelland en is thans in vaste dienst aangesteld als generalist in de rang van hoofdagent bij het team hondengeleiders van de Dienst Executieve Ondersteuning (DEO).

Op 6 februari 2008 is verzoeker gehoord in verband met een oriënterend feitenonderzoek naar plichtsverzuim op last van de chef van de DEO, waarbij aandacht is besteed aan omgangsvormen, groepscultuur, diensttijd-roostertijd en gebruik dienstmiddelen. Van dit verhoor is een rapportage opgemaakt.

Bij het besluit van 6 februari 2008 heeft verweerder verzoeker met onmiddellijke ingang buitengewoon verlof verleend met behoud van bezoldiging en verzoeker de toegang tot de werkplek ontzegd (hierna: de ordemaatregelen). Verweerder heeft daartoe overwogen dat uit onderzoek is gebleken dat een aantal hondengeleiders mogelijk in diensttijd seksuele contacten heeft gehad met een agente in opleiding. Tevens zijn er volgens verweerder aanwijzingen dat bij het team hondengeleiders sprake is van een werksfeer waardoor het melden aan leidinggevenden van misstanden of ongewenst gedrag van collega’s sterk wordt afgeremd. Uit het onderzoek is naar voren gekomen dat meerdere hondengeleiders zich mogelijk schuldig hebben gemaakt aan plichtsverzuim waarin verweerder aanleiding ziet om in de ontstane groepscultuur in te grijpen. Deze omstandigheden geven, naar het zich laat aanzien, aanleiding om verzoekers aanwezigheid bij de hondengeleiders voor de duur van het onderzoek ongewenst te achten, aldus verweerder. Verzoeker heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt.

Bij het bestreden besluit heeft verweerder het bezwaar van verzoeker, conform het advies van de hoor- en adviescommissie, ongegrond verklaard. Daartoe heeft verweerder overwogen dat uit het verslag van het verhoor van verzoeker blijkt dat verzoeker in eerste instantie heeft ontkend bepaalde handelingen te hebben verricht, maar na confrontatie met door hem geschreven e-mails alsnog heeft erkend deze handelingen te hebben verricht. De bewoordingen van deze e-mails zijn volgens verweerder onbehoorlijk en getuigen niet van respectvol gedrag naar anderen. Verder is volgens verweerder gebleken dat verzoeker werkzaamheden heeft opgevoerd die hij niet heeft uitgevoerd. Hiermee zijn zaken gebleken die nader onderzoek behoeven en van dien aard zijn dat niet valt uit te sluiten dat verzoeker zich schuldig heeft gemaakt aan plichtsverzuim, aldus verweerder. Dat leidinggevenden mogelijk tekort geschoten zijn doet volgens verweerder niet af aan verzoekers eigen verantwoordelijkheid. Daarbij heeft verweerder meegewogen dat verzoeker een ervaren politieambtenaar is die als geen ander behoort te weten dat integer gedrag een vereiste is voor zijn functie.

In beroep en in het kader van het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening heeft verzoeker hiertegen aangevoerd dat verweerder gelet op de omstandigheden niet tot het treffen van de ordemaatregelen heeft kunnen overgaan. Verweerder draagt volgens verzoeker de eerste verantwoordelijkheid voor de ontstane sfeer en cultuur. Door enkele werknemers daarvoor te straffen handelt verweerder in strijd met het verbod van willekeur en het fair play beginsel. Verzoeker stelt verder dat hij in de loop der jaren diverse malen misstanden heeft gemeld bij zijn leidinggevenden, maar dat hier nooit iets mee gedaan is. Ook thans wordt geen onderzoek gedaan naar deze meldingen. Bovendien is verzoeker van mening dat het buitengewoon verlof te lang duurt, nu eerst het totale cultuuronderzoek wordt afgerond alvorens een definitieve beslissing wordt genomen over zijn rechtspositie. Dit klemt volgens verzoeker te meer omdat hij door het buitengewoon verlof ook financieel getroffen wordt doordat hij niet meer in aanmerking komt voor de onregelmatigheidstoeslag, die een substantieel deel van zijn inkomen vormt. Ten slotte stelt verzoeker dat zijn eer en goede naam zijn aangetast door de beschuldiging dat hij seksuele contacten zou hebben gehad tijdens diensttijd en dat dit vervelende gevolgen heeft gehad in zijn privésfeer. Volgens verzoeker staat vast dat hij niets van doen heeft met seksuele contacten in diensttijd. Nu verweerder weigert om van dit in het besluit van 6 februari 2008 gemaakte verwijt afstand te nemen, verzoekt verzoeker de rechtbank om verweerder te veroordelen tot vergoeding van zijn immateriële schade tot een bedrag van € 250.

De rechter overweegt allereerst dat verzoeker de rechter heeft verzocht om met toepassing van artikel 8:86 van de Awb tevens uitspraak te doen in de hoofdzaak. Ter zitting is aan de orde geweest dat aan het bestreden besluit een bevoegdheidsgebrek kleeft, omdat het primaire besluit door dezelfde persoon is genomen als de beslissing op bezwaar. Nu partijen hiermee pas ter zitting zijn geconfronteerd en onduidelijk is hoe verweerder hiermee om zal gaan is de rechter van oordeel dat geen sprake is van een situatie als bedoeld in artikel 8:86 van de Awb waarin nader onderzoek redelijkerwijs niet kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak. Gelet op het voorgaande zal de rechter geen uitspraak doen in de hoofdzaak.

Met betrekking tot het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening overweegt de rechter als volgt.

Ingevolge artikel 8:81 van de Awb dient te worden nagegaan of onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, het treffen van een voorlopige voorziening vereist.

Ingevolge artikel 39, eerste lid, van het Besluit algemene rechtspositie politie (hierna: Barp) kan buitengewoon verlof van korte duur, al dan niet met behoud van bezoldiging, worden verleend, indien het bevoegd gezag van oordeel is dat daartoe aanleiding bestaat.

Ingevolge artikel 73, eerste lid, van het Barp kan aan de ambtenaar door het bevoegd gezag de toegang tot de dienstlokalen, dienstgebouwen, dienstterreinen, dan wel het verblijf aldaar, worden ontzegd.

De rechter overweegt dat aan verweerder een grote mate van vrijheid toekomt bij het oordeel of aanleiding bestaat tot het treffen van voornoemde ordemaatregelen. Uit de stukken en het verhandelde ter zitting is de rechter gebleken dat de ordemaatregelen zijn opgelegd aan onder andere verzoeker, omdat het naar het oordeel van verweerder in belang van het onderzoek is dat de betreffende personen niet aanwezig zijn op de werkvloer gedurende het onderzoek. Verder is de rechter gebleken dat verweerder bij het nemen van de beslissing om iemand wel of niet de ordemaatregelen op te leggen het vermoeden van plichtsverzuim en de houding van de betreffende persoon tijdens het verhoor als maatstaf heeft gehanteerd.

De rechter is van oordeel dat verweerder, gelet op de gehanteerde maatstaf, tot het oordeel heeft kunnen komen dat er aanleiding bestond om aan verzoeker de ordemaatregelen op te leggen. Daartoe overweegt de rechter dat verzoeker tijdens het verhoor in eerste instantie geen openheid van zaken heeft gegeven, maar later na confrontatie met door hem geschreven e-mails op eerdere ontkenningen is teruggekomen. Verder is gebleken dat verzoeker regelmatig (e-mail)berichten heeft verstuurd, die wat betreft taalgebruik en boodschap zeer grof en onbehoorlijk zijn. Verzoeker heeft die berichten geplaatst op een forum op het internet en verstuurd van en naar door zijn werkgever ter beschikking gestelde en voor dienstgebruik bedoelde emailadressen.

Verzoeker heeft zich op het standpunt gesteld dat verweerder desondanks de genoemde ordemaatregelen niet aan hem had mogen opleggen, omdat verweerder aan anderen, waaronder leidinggevenden, waarvan gelijksoortige vermoedens van plichtsverzuim bestonden ook geen ordemaatregelen heeft opgelegd. Verzoeker beroept zich hiermee op het verbod van willekeur. Verweerder heeft ten aanzien hiervan gesteld dat bij de oordeelsvorming omtrent het al of niet opleggen van de ordemaatregelen bij alle medewerkers, ook bij de leidinggevenden, dezelfde maatstaf is gehanteerd. Alle medewerkers van het hondenteam zijn door het Bureau Integriteit verhoord met uitzondering van één medewerker die slechts zeer kort werkzaam was bij het team hondengeleiders. Verder is bij iedere medewerker van het team hondengeleiders bekeken of er sprake is van een vermoeden van plichtsverzuim, aldus verweerder.

De rechter overweegt dat verzoeker in onvoldoende mate heeft onderbouwd dat verweerder bij anderen een andere maatstaf heeft gehanteerd en dat er dientengevolge sprake is van willekeur. Ter onderbouwing van zijn stelling heeft verzoeker een in het kader van deze procedure opgemaakt rapportage overgelegd waarin aan de hand van voorbeelden gesteld wordt dat de leidinggevenden van verzoeker zich schuldig hebben gemaakt aan plichtsverzuim. In het dossier bevinden zich verder de verklaringen van verzoeker en twee van zijn collega´s die zij hebben afgelegd in het kader van hun eigen verhoor bij het Bureau Integriteitonderzoeken. Op basis van slechts deze rapportage en verklaringen kan niet worden geoordeeld dat verweerder met twee maten heeft gemeten en bij andere collega’s en/of leidinggevenden een andere maatstaf heeft gehanteerd dan bij verzoeker.

De rechter is dan ook van oordeel dat onvoldoende is gebleken dat verweerder in strijd met het verbod van willekeur heeft gehandeld.

De stelling dat leidinggevenden een voorbeeldfunctie vervullen en dat zij vooral verantwoordelijk gehouden kunnen worden voor het voorkomen van misstanden en het creëren van een goede sfeer op de afdeling wordt door de rechter onderschreven. Dit laat echter onverlet dat verzoeker zelf zich als een goed politieambtenaar dient te gedragen en dat het bij een vermoeden van plichtsverzuim gerechtvaardigd is om een ordemaatregel op te leggen.

De rechter komt tot de conclusie dat verweerder in redelijkheid gebruik heeft kunnen maken van zijn bevoegdheid om aan verzoeker buitengewoon verlof te verlenen en hem de toegang tot de werkplek te ontzeggen. Met verzoeker is de rechter echter van oordeel dat deze maatregelen gelet op het bepaalde in artikel 39, eerste lid, van het Barp slechts van korte duur mogen zijn. De vraag wat onder korte duur moet worden verstaan hangt naar het oordeel van de rechter af van de concrete feiten en omstandigheden van het geval. De rechter overweegt enerzijds dat de maatregelen nu al ruim drie maanden voortduren en anderzijds dat er een grootschalig cultuuronderzoek wordt gedaan bij het gehele hondenteam dat naar zijn aard de nodige tijd in beslag neemt. Verweerder heeft ter zitting gesteld dat het cultuuronderzoek zal worden afgerond in de week van 19 mei 2008. Tevens heeft verweerder gezegd dat nog niet kan worden aangegeven wanneer een definitieve beslissing over verzoekers rechtspositie zal worden genomen.

Gelet op het feit dat de ordemaatregelen bedoeld zijn als maatregelen van korte duur oordeelt de rechter dat het in strijd met deze bedoeling zou zijn indien de ordemaatregelen nog geruime tijd na afloop van het cultuuronderzoek voortduren. Daarbij neemt de rechter mede in aanmerking dat verweerder als reden voor de ordemaatregelen heeft genoemd het voorkomen van frustratie van het cultuuronderzoek.

Na afweging van de betrokken belangen, bestaande uit verzoekers belang om (verdere) reputatieschade en financiële schade te voorkomen en verweerders belang om verzoeker gedurende het onderzoek van de werkvloer te weren, ziet de rechter in het voorgaande aanleiding om een voorlopige voorziening te treffen in die zin dat zowel het bestreden besluit als het primaire besluit van 6 februari 2008 worden geschorst met ingang van 2 juni 2008 tot zes weken na de bekendmaking van de uitspraak op het beroep.

Ten slotte overweegt de rechter dat het verzoek om immateriële schadevergoeding in deze procedure niet aan de orde kan komen, omdat aan een verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening geen verzoek om schadevergoeding kan worden gekoppeld. Artikel 8:73 van de Awb is in artikel 8:84, vierde lid, van de Awb namelijk niet van overeenkomstige toepassing verklaard.

Nu de gevraagde voorziening (gedeeltelijk) zal worden toegewezen ziet de rechter aanleiding om verweerder te veroordelen in de door verzoeker gemaakte proceskosten, forfaitair begroot op € 644 en om te bepalen dat het door verzoeker betaalde griffierecht door verweerder dient te worden vergoed.

3. BESLISSING

De voorzieningenrechter:

- wijst het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening (gedeeltelijk) toe;

- schorst het bestreden besluit met ingang van 2 juni 2008 tot zes weken na bekendmaking van de uitspraak op het beroep van verzoeker als eiser;

- schorst het besluit van 6 februari 2008 met ingang van 2 juni 2008 tot zes weken na bekendmaking van de uitspraak op het beroep van verzoeker als eiser;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van verzoeker tot een bedrag van € 644 (zegge: zeshonderd vierenveertig euro) te betalen door regiopolitie Amsterdam-Amstelland aan verzoeker;

- bepaalt dat de regiopolitie Amsterdam-Amstelland het griffierecht ad € 145 (zegge: honderd vijfenveertig euro) aan verzoeker vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan op 22 mei 2008 door mr. M. Vaandrager, voorzieningenrechter,

in tegenwoordigheid van mr. M.W. Speksnijder, griffier,

en bekend gemaakt door toezending aan partijen op de hieronder vermelde datum.

De griffier, De voorzieningenrechter,

Tegen deze uitspraak staan geen rechtsmiddelen open.

Afschrift verzonden op:

DOC: A