Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2008:BD2298

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
15-04-2008
Datum publicatie
22-05-2008
Zaaknummer
13-525307-06
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Verdachte heeft slachtoffer gedwongen tot het ondergaan van het seksueel binnendringen van het lichaam.

artikel 242 van het Wetboek van Strafrecht

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJFS 2008, 148

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Parketnummer: 13/525307-06 (Promis)

Datum uitspraak: 15 april 2008

op tegenspraak

VONNIS

van de rechtbank Amsterdam, meervoudige strafkamer, in de strafzaak tegen

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum],

ingeschreven in de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens op het adres [adres].

De rechtbank heeft beraadslaagd naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 1 april 2008.

1. Telastelegging

Aan verdachte is telastegelegd, zoals ter terechtzitting gewijzigd, dat

hij op of omstreeks zaterdag 12 augustus 2006 te [woonplaats], ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om met [slachtoffer], van wie verdachte wist dat die [slachtoffer] in staat van lichamelijke onmacht verkeerde, een of meer handelingen te plegen, die (mede) bestond(en) uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [slachtoffer],

immers is hij, verdachte de slaapkamer van die [slachtoffer], die op dat moment sliep, ingelopen en/of heeft hij het dekbed waaronder zij sliep van haar afgetrokken en is op haar gaan liggen en heeft met zijn handen haar benen uit elkaar geduwd;

( artikel 243,45 Wetboek van Strafrecht)

en/of

hij op of omstreeks zaterdag 12 augustus 2006 te [woonplaats], door geweld en/of een (andere) feitelijkheid en/of door bedreiging met geweld en/of een (andere) feitelijkheid [slachtoffer] heeft gedwongen tot het ondergaan van een of meer handelingen die (mede) bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam, immers is hij, verdachte (onverhoeds in haar slaap) op die [slachtoffer] gaan liggen en heeft hij met zijn handen haar benen uit elkaar geduwd en/of heeft hij de string van die [slachtoffer] naar beneden getrokken en/of heeft verdachte zijn penis in de vagina van die [slachtoffer] geduwd, bestaande dit geweld en/of een (andere) feitelijkheid en/of bedreiging met geweld en/of een (andere) feitelijkheid daaruit dat hij, verdachte, bovenop die [slachtoffer] is gaan liggen terwijl zij sliep;

(artikel 242 Wetboek van Strafrecht)

2. Voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zijzelf bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat de officier van justitie ontvankelijk is in de vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

3. De bewijsmiddelen en de beoordeling daarvan

De vaststaande feiten

Aangeefster heeft in de nacht van 11 op 12 augustus 2006 bij verdachte en zijn vrouw geslapen. Op 12 augustus 2006 is zij in de vroege ochtend met haar auto naar huis gereden en heeft vanuit haar eigen woning in [woonplaats] de politie gebeld. Zij verklaart tegenover de politieagenten die rond 5.45 uur bij haar langs komen, door verdachte te zijn verkracht. Verbalisanten nemen waar dat ze overstuur is en huilt . In de middag is op het politiebureau een zogeheten zedenset afgenomen bij aangeefster . Aangeefster heeft de string, die ze weer had aangetrokken toen ze de woning van verdachte en zijn vrouw, verliet, op zaterdag 12 augustus 2006 aan de politie overhandigd. Op 17 augustus 2006 volgt de aangifte . Verdachte ontkent tegenover de politie sex te hebben gehad met aangeefster. De zaak is geseponeerd in oktober 2006.

In juli 2007 volgt het NFI-rapport. Uit het door het NFI uitgevoerde onderzoek naar biologische sporen is gebleken dat zowel in de vagina van aangeefster als aan de binnenzijde van de string, sperma is aangetroffen. Uit de resultaten van het vergelijkend DNA-onderzoek volgt dat de bemonstering van de string van aangeefster celmateriaal bevat (zowel in de spermacel fractie als in de fractie met overige cellen) dat afkomstig kan zijn van verdachte, waarbij de berekende frequentie van het DNA-profiel kleiner dan één op één miljard is. Verdachte wordt nogmaals gehoord en hij blijft bij zijn ontkenning dat sex heeft plaatsgevonden. Hij wordt vervolgens (alsnog) gedagvaard. Hij heeft geen verklaring voor de bevindingen van het NFI.

De aangifte

Aangeefster heeft verklaard als volgt, zakelijk weergegeven:

Ik ben gaan slapen. Ik werd op een gegeven moment wakker. Ik merkte dat [verdachte] naast mij lag. Ik zag en voelde dat [verdachte] mij meteen zoende. Ik voelde dat zijn tong in mijn mond zat. Ik duwde [verdachte] meteen van mij af. Ik voelde dat [verdachte] mijn linkerhand vast pakte. Ik voelde dat [verdachte] met kracht mijn hand naar zijn kruis bracht. Ik trok mijn hand meteen terug. [verdachte] trok drie keer mijn hand naar zijn kruis. Ik zei meteen: “Ik wil dit niet, [vriendin verdachte] is mijn beste vriendin.” Hierna hoorde ik [vriendin verdachte]. Ik zag dat [verdachte] toen meteen wegging.

Ik ben in slaap gedommeld. Ik werd wakker omdat [verdachte] boven op mij lag. Ik lag niet meer onder het dekbed. Het dekbed was van mij afgetrokken. Ik had hier niets van gevoeld. Ik voelde dat [verdachte] met zijn handen mijn benen uit elkaar duwde. Ik voelde dat [verdachte] mijn string naar beneden trok. Ik voelde dat [verdachte] zijn lul naar binnen duwde. Ik bedoel dat [verdachte] zijn lul in mijn vagina duwde. Ik schrok heel erg. Ik dacht dat ik mij slapende moest houden. Ik was verlamd. Ik voelde mij echt verlamd. Ik wilde dat het gauw over zou zijn. Ik was bang. .

Aangeefster is ter terechtzitting als getuige gehoord en bij de inhoud van haar aangifte gebleven.

Verdachte

Verdachte heeft ter terechtzitting ontkend en verklaard – kort samengevat - dat hij nooit sex heeft gehad met aangeefster, dus ook niet in de nacht van 12 augustus 2006. Hij heeft geen verklaring voor de bevindingen van het NFI. Daarnaar gevraagd heeft hij gezegd de dag voor de 11e augustus 2006 te hebben gemasturbeerd in de badkamer en dat hij zijn onderbroek daarna in de wasmand heeft gedaan.

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft verklaard dat na een aanvankelijke sepotbeslissing, door de uitslag van het DNA-onderzoek alsnog is besloten door het openbaar ministerie om tot vervolging van verdachte over te gaan. Tevens heeft de officier van justitie aangegeven dat zij hier in de strafmaat rekening mee zal houden.

De officier van justitie heeft aangevoerd dat wettig en overtuigend bewezen kan worden dat verdachte eerst heeft geprobeerd bij het slachtoffer sexueel binnen te dringen terwijl zij in lichamelijke onmacht verkeerde (verdachte sliep) en hij haar vervolgens, toen het slachtoffer wakker was geworden, al dan niet kenbaar voor verdachte, daadwerkelijk heeft verkracht.

De officier van justitie baseert haar standpunt op de aangifte van het slachtoffer , die wordt ondersteund door het NFI-rapport . De officier van justitie acht de aangifte van het slachtoffer geloofwaardig en de verklaring van verdachte niet overtuigend . Verdachte heeft bovendien geen verklaring kunnen geven voor het aantreffen van zijn sperma in de onderbroek van het slachtoffer. De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat het slachtoffer aan verdachte duidelijk heeft gemaakt, toen hij de eerste keer bij haar in de logeerkamer was, dat zij dit niet wilde, temeer omdat de vrouw van verdachte haar beste vriendin was. Het slachtoffer heeft door deze hele situatie de vriendschap met haar beste vriendin verloren.

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft bepleit dat verdachte dient te worden vrijgesproken.

Zij is van oordeel dat het openbaar ministerie door de sepotbeslissing bij verdachte het vertrouwen heeft gewekt dat er geen vervolging zou worden ingesteld. Dat de beslissing later is veranderd, komt enkel en alleen door het verwarde handelen van het slachtoffer.

Volgens de raadsvrouw is het onduidelijk hoe het onderzoeksprotocol is verlopen met betrekking tot het verzamelen en veiligstellen van biologische sporen, waar het NFI vervolgens onderzoek naar heeft gedaan en een rapport over heeft opgesteld . Dit wordt ook niet helder nu het openbaar ministerie de forensisch arts [naam fornsisch arts] niet als getuige-deskundige ter terechtzitting heeft opgeroepen.

Ten tweede trekt de raadsvrouw de verklaringen van aangeefster in twijfel nu zij bij de politie enigszins anders heeft verklaard dan ter terechtzitting. Tevens heeft het slachtoffer verklaard dat de deur van de computer/logeerkamer dicht was toen zij op het matras lag en dat deze deur slechts open gemaakt kon worden door het matras op te tillen.

Volgens de raadsvrouw is het mogelijk dat aangeefster de onderbroek van verdachte uit de wasmand in de badkamer heeft gepakt om aan sperma van haar cliënt te komen.

Het oordeel van de rechtbank

Anders dan de raadsvrouw acht de rechtbank aangeefster geloofwaardig en haar verklaring betrouwbaar en mitsdien bruikbaar voor het bewijs. Haar aangifte en verklaring als getuige ter terechtzitting zijn op de wezenlijke onderdelen helder en consistent en worden bovendien ondersteund door de inhoud van het NFI-rapport . De door de verdediging aangevoerde feiten en/of omstandigheden zijn onvoldoende om te twijfelen aan de juistheid van de (totstandkoming van de) bevindingen van het NFI. Derhalve neemt de rechtbank als vaststaand aan dat sperma van verdachte is aangetroffen in het kruis van de string van aangeefster. (De kans dat het DNA van een willekeurig ander persoon afkomstig is, is dermate klein dat dit verwaarloosbaar is; de rechtbank houdt het erop dat het sperma van verdachte afkomstig is). Verdachte heeft door enkel te ontkennen dat sex heeft plaatsgevonden daar onvoldoende tegenover gesteld. De suggestie van de raadsvrouw dat aangeefster uit de wasmand een onderbroek van verdachte met sperma heeft gepakt en bij zichzelf heeft aangebracht, wordt door de rechtbank als zijnde ongeloofwaardig terzijde geschoven.

De rechtbank gaat dan ook uit van de lezing van het slachtoffer.

Uit haar verklaringen volgt dat verdachte bovenop haar is gaan liggen toen ze sliep, waarna zij wakker werd, maar zich slapende hield. Verdachte heeft haar vervolgens vaginaal gepenetreerd.

De rechtbank acht niet wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder het eerste deel telastegelegde (poging seksueel binnendringen van een onmachtige) heeft begaan, zodat verdachte daarvan zal worden vrijgesproken. De opzet van verdachte was immers op het sexueel binnendringen gericht, hetgeen ook heeft plaatsgevonden zodat van een voltooid delict sprake is.

Anders dan de raadsvrouw is de rechtbank van oordeel dat wel wettig en overtuigend bewezen kan worden hetgeen onder het tweede deel is telastegelegd.

Voor bewijs van verkrachting is vereist een door verdachte opzettelijk veroorzaakte dwangsituatie door geweld en/of feitelijkheid. De rechtbank realiseert zich dat het slachtoffer niets heeft gedaan om het sexueel binnendringen door verdachte te stoppen. Het slachtoffer heeft daarover verklaard dat zij wakker werd, omdat verdachte boven op haar lag. Het dekbed was van haar afgetrokken, maar daar had zij niets van gevoeld. Zij dacht dat zij zich slapende moest houden. Zij was verlamd en bang en wilde dat het gauw over zou gaan. De rechtbank acht het voldoende als feitelijkheid in de zin van artikel 242 Sr dat verdachte bovenop haar is gaan liggen terwijl ze sliep. Dat het slachtoffer, die op dergelijke wijze ruw in haar slaap werd verstoord, in paniek niet adequaat heeft gereageerd en verlamd is blijven liggen, is menselijkerwijs voorstelbaar en maakt niet dat het strafrechtelijke verwijt aan verdachte anders komt te liggen. In afdoende mate kenbaar voor verdachte moet voorts zijn geweest dat het tegen de wil van slachtoffer geschiedde, aangezien zij – voorzover hij wist – sliep en bovendien kort daarvoor zijn toenadering had afgewezen.

De bewezenverklaring

Op grond van al het voorgaande acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte

op zaterdag 12 augustus 2006 te [woonplaats], door een feitelijkheid [slachtoffer] heeft gedwongen tot het ondergaan van het seksueel binnendringen van het lichaam, immers is hij, verdachte, onverhoeds in haar slaap, op die [slachtoffer] gaan liggen en heeft hij met zijn handen haar benen uit elkaar geduwd en heeft hij de string van die [slachtoffer] naar beneden getrokken en heeft verdachte zijn penis in de vagina van die [slachtoffer] geduwd, bestaande deze feitelijkheid daaruit dat hij, verdachte, bovenop die [slachtoffer] is gaan liggen terwijl zij sliep.

Voorzover in de telastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in zijn verdediging geschaad.

4. De strafbaarheid van het feit

Het bewezen geachte feit is volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.

5. De strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.

6. Motivering van de straffen en maatregelen

De officier van justitie heeft bij requisitoir gevorderd dat verdachte ter zake van de door haar bewezengeachte feiten zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van achttien maanden, met aftrek van voorarrest. Voorts heeft de officier van justitie gevorderd dat de vordering van de benadeelde partij wordt toegewezen, met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel ex artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht.

De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen geachte, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals van een en ander ter terechtzitting is gebleken.

De rechtbank heeft bij de keuze tot het opleggen van een vrijheidsbenemende straf en bij de vaststelling van de duur daarvan in het bijzonder het volgende laten meewegen.

Verdachte heeft op 12 augustus 2006 het slachtoffer verkracht in de woning die hij met zijn vrouw bewoont. Verdachte heeft zich kennelijk enkel laten leiden door zijn eigen seksuele behoeften en geenszins rekening gehouden met de gevolgen van zijn gedragingen voor het slachtoffer. Door aldus te handelen heeft verdachte grove inbreuk gemaakt op de lichamelijke en geestelijke integriteit van het slachtoffer. Ook heeft hij op ernstige wijze het vertrouwen dat het slachtoffer in hem had, geschaad. Het slachtoffer ondervindt nog steeds psychisch de nadelige gevolgen van wat verdachte haar heeft aangedaan. Delicten als onderhavige, gepleegd in een woning, waar in casu ook het slachtoffer zich veilig voelde, dragen een voor de rechtsorde schokkend karakter en brengen in het algemeen bij burgers gevoelens van angst en onveiligheid teweeg.

De rechtbank betrekt in haar oordeel het feit dat verdachte niet eerder met justitie in aanraking is geweest. Ook houdt de rechtbank rekening met het tijdsverloop tussen de datum van het delict en de uiteindelijke strafzitting, alsmede met het bij verdachte gewekte vertrouwen dat met de sepotbeslissing een einde was gekomen aan de zaak.

Ten aanzien van de benadeelde partij

De vordering van de benadeelde partij [slachtoffer] wordt afgewezen omdat de gevraagde schadevergoeding inmiddels is toegekend en ook al is uitgekeerd door het Schadefonds Geweldsmisdrijven.

7. Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf is gegrond op artikel 242 van het Wetboek van Strafrecht.

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.

8. Beslissing

Verklaart bewezen dat verdachte het telastegelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 3 is aangegeven.

Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is telastegelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Het bewezenverklaarde levert op:

verkrachting.

Verklaart het bewezene strafbaar.

Verklaart verdachte, [verdachte], daarvoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 12 maanden.

Wijst af de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer].

Dit vonnis is gewezen door

mr. D. van den Brink, voorzitter,

mrs. M.G. Tarlavski-Reurslag en A.M. van der Linden-Kaajan, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. M. Pandelitschka, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 15 april 2008.