Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2008:BD2210

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
28-03-2008
Datum publicatie
21-05-2008
Zaaknummer
13.497.049.2008
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

IRK, overlevering aan Polen, Redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 EVRM

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER

Parketnummer: 13.497.049.2008

RK nummer: 08/873

Datum uitspraak: 28 maart 2008

UITSPRAAK

op de vordering ex artikel 23 van de Overleveringswet (OLW), ingediend door de officier van justitie bij deze rechtbank. Deze vordering dateert van 18 februari 2008 en strekt onder meer tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB), uitgevaardigd op

3 februari 2006 door een rechter in de Arrondissementsrechtbank te Szczecin, Polen, te weten de voorzitter van III strafrechtelijke Afdeling van dat gerecht. Dit bevel betreft de aanhouding en overlevering van:

[opgeëiste persoon] (geboren [achternaam]),

geboren te [geboorteplaats] ([geboorteland]) op [geboortedatum],

wonende: [adres] [woonplaats],

hierna te noemen de opgeëiste persoon.

1. Procesgang

De vordering is behandeld op de openbare zitting van 14 maart 2008. Daarbij zijn de offi¬cier van justitie en de raadsman van de opgeëiste persoon, mr. W.R. Jonk, advocaat te Amsterdam gehoord. De opgeëiste persoon is niet verschenen.

De raadsman deelt mede dat de opgeëiste persoon hem onlangs heeft laten weten Nederland te hebben verlaten. Volgens de raadsman dient die omstandigheid er toe te leiden dat het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk is in de vordering. De raadsman beroept zich op zijn verschoningsrecht met betrekking tot vragen omtrent de feitelijke verblijfplaats van zijn cliënt. Hij verklaart desgevraagd te zijn gemachtigd tot het voeren van de verdediging.

Na beraad in raadkamer deelt de rechtbank mede dat de enkele mededeling van de raadsman, inhoudende dat de opgeëiste persoon naar het buitenland is vertrokken, onvoldoende grond oplevert om het openbaar ministerie niet-ontvankelijk te verklaren. Het verweer wordt derhalve gepasseerd.

2. Grondslag en inhoud van het EAB

Aan het EAB ligt een beslissing tot tijdelijke arrestatie in de voorbereidingsprocedure 23.07.2001, Rechtbank van eerste Aanleg te Goleniów, Polen, ten grondslag.

Het EAB houdt het verzoek in om overlevering ten behoeve van een door de justitiële autoriteiten van de uitvaardigende staat ingesteld strafrechtelijk onderzoek. Dit onderzoek betreft het vermoeden dat de opgeëiste persoon zich schul¬dig heeft gemaakt aan drie naar het recht van Polen strafbare feiten.

Deze feiten zijn omschreven in onderdeel e) van het EAB, waarvan een door de griffier gewaarmerkte fotokopie als bijlage aan deze uitspraak is gehecht.

3. Identiteit van de opgeëiste persoon

Uit het dossier blijkt dat de opgeëiste persoon beschikt over de Duitse nationaliteit. Nu de raadsman ter zake van de identiteit van de opgeëiste persoon geen verweer heeft gevoerd, gaat de rechtbank uit van de juistheid van de in het EAB vermelde personalia.

4. Strafbaarheid

4.1 Feiten waarvoor dubbele strafbaarheid is vereist

De feiten zijn zowel naar het recht van Polen als naar Nederlands recht strafbaar.

Op deze feiten is in beide staten een vrijheidsstraf met een maximum van ten minste twaalf maanden gesteld.

De feiten leveren naar Nederlands recht op:

verduistering

en

oplichting.

5. Onschuldverweer

De raadsman heeft ter zitting geen onschuldverweer gevoerd.

Dat er ten aanzien van de opgeëiste persoon geen sprake kan zijn van een vermoeden van schuld aan deze feiten, is niet gebleken.

6. Verweren

6.1 De raadsman heeft aangevoerd dat de overlevering dient te worden geweigerd op grond van artikel 11 van de OLW. Volgens de raadsman moet juni 2000 worden beschouwd als de dag waarop de redelijke termijn, als bedoeld in artikel 6 EVRM, is gaan lopen. De raadsman acht het tijdsverloop van 7 1/2 jaar zo lang, dat elke volgende dag in detentie een verdere schending van het EVRM oplevert. Hij wijt dit tijdsverloop aan de Poolse autoriteiten die in Duitsland, alwaar de opgeëiste persoon sinds 2001 verbleef, kennelijk onvoldoende pogingen hebben ondernomen om de opgeëiste persoon op te sporen.

6.2 De rechtbank overweegt als volgt.

Weliswaar is er sinds het moment dat de opgeëiste persoon voor het eerst als verdachte is gehoord over de feiten, te weten in 1999, en het uitvaardigen van het EAB een aanzienlijke tijd verstreken, echter dit tijdsverloop kan de Poolse justitiële autoriteiten bezwaarlijk in zijn geheel worden tegengeworpen.

Uit het dossier komt immers naar voren dat de opgeëiste persoon Polen in 2001 heeft verlaten, en zich daarna aanvankelijk in Duitsland en later in Nederland heeft gevestigd onder een andere naam dan die waaronder hij in Polen bekend was.

Ten overvloede overweegt de rechtbank dat, zo in weerwil van het hiervoor overwogene toch sprake zou zijn van een overschrijding van de redelijke termijn, na overlevering in ieder geval niet gesproken kan worden van een zodanige flagrante schending van de rechten van de opgeëiste persoon dat hiertegen in Polen geen effective remedy meer bestaat, zodat om die reden zou moeten worden geconcludeerd tot het niet inwilligen van het verzoek tot overlevering. De rechtbank verwerpt derhalve het verweer van de raadsman.

7. Slotsom

Nu ten aanzien van de feiten waarvoor de overlevering wordt gevraagd is vastgesteld dat aan alle eisen is voldaan die de OLW daaraan stelt, dient de overlevering te worden toegestaan.

8. Toepasselijke wetsbepalingen

Artikelen 321 en 326 van het Wetboek van Strafrecht.

Artikelen 2, 5, 7 en 11 van de OLW.

9. Beslissing

STAAT TOE de overlevering van [opgeëiste persoon] (geboren: [achternaam]) aan de rechter van de Arrondissementsrechtbank voorzitter III strafrechtelijke Afdeling te Szczecin, Polen, ten behoeve van het in Polen tegen hem gerichte strafrechtelijk onderzoek naar de feiten waarvoor zijn overlevering wordt verzocht.

Aldus gedaan door

mr. E.D. Bonga-Sigmond, voorzit¬ter,

mrs. J.C. Boeree en W.J. van Bennekom, rech¬ters,

in tegenwoordigheid van mr. A.C. Hofstra, grif¬fier,

en uitgesproken ter openbare zitting van 28 maart 2008.

De jongste rechter is buiten staat deze uitspraak te ondertekenen

Ingevolge artikel 29, tweede lid, van de OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.