Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2008:BD1979

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
14-05-2008
Datum publicatie
20-05-2008
Zaaknummer
AWB 06/2422 AOW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

De termijnen vangen, gelet op artikel 48, eerste lid, van Verordening 1408/71, eerst aan op de datum waarop de aanvrager de samenvatting van het besluit heeft ontvangen. Daarnaast deelt de rechtbank niet het standpunt van eiseres dat het tweede lid van artikel 6:9 van de Algemene wet bestuursrecht is toegesneden op de Nederlandse situatie en dat, uit het oogpunt van gelijke behandeling, bij verzending van een bezwaarschrift uit het buitenland niet aan de daarin genoemde termijn van een week kan worden vastgehouden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Amsterdam

Sector Bestuursrecht Algemeen

enkelvoudige kamer

UITSPRAAK

in het geding met reg.nr. AWB 06/2422 AOW

van:

[eiseres], wonende te [woonplaats],

eiseres,

vertegenwoordigd door mr. C.A.J. de Roy van Zuydewijn,

tegen:

de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank, gevestigd te Amstelveen,

verweerder,

vertegenwoordigd door K. van Ingen.

1. PROCESVERLOOP

De rechtbank heeft op 3 mei 2006 een beroepschrift ontvangen gericht tegen het besluit van verweerder van 23 maart 2006 (hierna: het bestreden besluit).

Het onderzoek is gesloten ter zitting van 24 april 2008.

Eiseres is niet in persoon verschenen, maar heeft zich laten vertegenwoordigen door

mr. C.A.J. de Roy van Zuydewijn. Namens verweerder is verschenen K. van Ingen.

2. OVERWEGINGEN

Bij besluit van 9 juni 2005 heeft verweerder eiseres medegedeeld dat haar aanvraag om een uitkering ingevolge de Algemene Ouderdomswet (AOW) is afgewezen. Dit besluit is op 16 juni 2005 door het [buitenlandse] verbindingsorgaan aan eiseres toegezonden.

Het door eiseres tegen dit besluit gemaakte bezwaar heeft verweerder bij het bestreden besluit niet-ontvankelijk verklaard, omdat het niet binnen één week na afloop van de termijn is ontvangen en niet is gebleken dat deze termijnoverschrijding verschoonbaar is te achten.

Eiseres heeft vervolgens tijdig beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.

De rechtbank dient in beroep derhalve de vraag te beantwoorden of verweerder het bezwaar van eiseres terecht en op goede gronden niet-ontvankelijk heeft verklaard. Ter beantwoording van deze vraag overweegt de rechtbank het volgende.

In artikel 6:7 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is bepaald dat de termijn voor het indienen van een bezwaarschrift zes weken bedraagt.

Ingevolge artikel 6:8, eerste lid, van de Awb vangt de termijn aan met ingang van de dag na die waarop het besluit op de voorgeschreven wijze is bekendgemaakt.

Gelet op het gegeven dat eiseres woonachtig is in [woonplaats], diende verweerder het primaire besluit bekend te maken volgens de wijze die wordt voorgeschreven in Verordening (EEG) 574/72 van de Raad van 21 maart 1972 tot vaststelling van de wijze van toepassing van Verordening (EEG) 1408/71, betreffende de toepassing van de sociale zekerheidsregelingen op werknemers en zelfstandigen, die zich binnen de gemeenschap verplaatsen (hierna: Verordening 574/72).

Artikel 48 van Verordening 574/72 luidt als volgt:

1. De door elk der betrokken organen genomen definitieve beslissingen worden aan het behandelend orgaan toegezonden. Elk van deze beslissingen dient de rechtsmiddelen en beroepstermijnen van de betrokken wetgeving te vermelden. Na ontvangst van al deze beslissingen geeft het behandelende orgaan hiervan kennis aan de aanvrager in diens eigen taal, zulks door middel van een samenvatting waarbij de bedoelde beslissingen worden gevoegd. De beroepstermijnen gaan eerst in op de datum waarop de aanvrager de samenvatting heeft ontvangen.

2. Tegelijk met de toezending van de in lid 1 bedoelde samenvatting aan de aanvrager, zendt het behandelende orgaan een afschrift aan elk der betrokken organen, onder bijvoeging van een afschrift van de beslissingen van de andere organen.

De rechtbank stelt allereerst vast dat niet in geschil is dat het primaire besluit op 16 juni 2005 via het [buitenlandse] verbindingsorgaan aan eiseres is verzonden. Eiseres heeft zich vervolgens op het standpunt gesteld, en ook verweerder is daar van uitgegaan, dat zij het primaire besluit eerst op 19 juni 2005 heeft ontvangen. Nu ook de rechtbank niet is gebleken dat van een andere ontvangstdatum dan 19 juni 2005 dient te worden uitgegaan is, gelet op het bepaalde in het eerste lid, laatste volzin, van artikel 48 van Verordening 574/72, de bezwaartermijn aangevangen op 19 juni 2005.

Het voorgaande betekent dat, mede gelet op artikel 1 van de Algemene Termijnenwet, 1 augustus 2005 de laatste dag was waarop nog tijdig bezwaar kon worden gemaakt.

In artikel 6:9, eerste lid, van de Awb is bepaald dat een bezwaarschrift tijdig is ingediend, indien het voor het einde van de termijn is ontvangen. Ingevolge het tweede lid van dit artikel is bij verzending per post een bezwaarschrift tijdig ingediend, indien het voor het einde van de termijn ter post is bezorgd, mits het niet later dan een week na afloop van de termijn is ontvangen.

Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat het bezwaarschrift eerst op 10 augustus 2005 is ontvangen. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder, ondanks het ontbreken van de enveloppe of van enige datumstempel van ontvangst op het bezwaarschrift zelf, de ontvangst daarvan op 10 augustus 2005 voldoende aangetoond door middel van het ter zitting overgelegde en toegelichte documentoverzicht. Dit betekent dat het bezwaarschrift niet voor het einde van de bezwaartermijn door verweerder is ontvangen.

De rechtbank constateert vervolgens dat de enveloppe waarin eiseres het bezwaarschrift aan verweerder heeft toegezonden zich niet in het dossier bevindt. Derhalve kan niet worden vastgesteld op welke datum eiseres haar op 30 juli 2005 gedateerde bezwaarschrift ter post heeft bezorgd. Deze onzekerheid mag naar het oordeel van de rechtbank niet in het nadeel van eiseres uitwerken. De rechtbank gaat er, evenals verweerder, dan ook vanuit dat het bezwaarschrift in ieder geval voor het einde van de bezwaartermijn ter post is bezorgd.

Dit laat echter onverlet dat het bezwaarschrift niet alleen niet voor het einde van de bezwaartermijn door verweerder is ontvangen, maar ook later dan een week na afloop van deze termijn.

Eiseres heeft zich op het standpunt gesteld dat het tweede lid van artikel 6:9 Awb is toegesneden op de Nederlandse situatie en dat, uit het oogpunt van gelijke behandeling, bij verzending van een bezwaarschrift uit het buitenland niet aan deze termijn van een week kan worden vastgehouden.

Dit betoog wordt verworpen. De rechtbank wijst op de wetsgeschiedenis met betrekking tot de wijziging van artikel 6:9 van de Awb (Kamerstukken II, 1992-1993, 22690, nr. 8). Daaruit blijkt dat het tweede lid van artikel 6:9 Awb juist is toegevoegd met het oog op een gelijke behandeling van vanuit Nederland en vanuit het buitenland verzonden geschriften, door rekening te houden met de langere duur van de buitenlandse postbezorging. Daarbij wordt in de Nota naar aanleiding van het Eindverslag (NEV) expliciet opgemerkt dat “een week daarvoor in het algemeen voldoende is, in aanmerking nemend dat van buitenlandse appellanten in redelijkheid gevergd kan worden dat zij hun geschriften zonodig per expresse of op een andere bijzondere wijze verzenden”.

De termijn van een week is door de wetgever dus juist gesteld mede met het oog op vanuit het buitenland verzonden geschriften.

In het verlengde daarvan ziet de rechtbank geen grond om niet vast te houden aan de in artikel 6:9, tweede lid, van de Awb vastgestelde termijn van een week.

Het beroep van eiseres op de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) van 31 mei 2007 – gepubliceerd in RSV 2007/240 – kan er naar het oordeel van de rechtbank evenmin toe leiden dat het bezwaarschrift ontvankelijk zou moeten worden geacht. In die zaak ging het immers om een ruim een week voor het einde van de termijn – en derhalve twee weken voor het einde van de termijn ingevolge artikel 6:9, tweede lid, van de Awb – per aangetekende post verzonden geschrift, waarmee naar het oordeel van de CRvB al datgene was gedaan wat redelijkerwijs verwacht mocht worden. Dit sluit geheel aan bij het hiervoor aangehaalde gedeelte uit de NEV.

Van een dergelijke situatie is in het onderhavige geval echter feitelijk geen sprake. Er is geen sprake van verzending van het bezwaarschrift ruim een week voor het einde van de termijn, maar op zijn best enkele dagen voor het einde daarvan, op 30 juli 2005. De door eiseres gekozen wijze van verzending (niet per expresse) van het bezwaarschrift draagt voorts een niet te verwaarlozen risico in zich draagt dat het poststuk niet binnen een week na verzending door verweerder zou worden ontvangen. Deze omstandigheden komen voor rekening van eiseres, waarbij de rechtbank nog opmerkt dat ook niet is gebleken dat eiseres het bezwaarschrift niet eerder ter post had kunnen bezorgen.

In artikel 6:11 van de Awb is voorts bepaald dat, ten aanzien van een na afloop van de termijn ingediend beroepschrift, niet-ontvankelijkverklaring op grond daarvan achterwege blijft indien redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de indiener in verzuim is geweest.

Omstandigheden die tot toepassing van dit artikel dienen te leiden zijn -ook desgevraagd ter zitting- niet gebleken.

Het vorenstaande leidt tot de conclusie dat verweerder het bezwaar terecht en op goede gronden niet ontvankelijk heeft verklaard.

De rechtbank zal het beroep dan ook ongegrond verklaren.

Voor een veroordeling in de proceskosten of een vergoeding van het griffierecht bestaat geen aanleiding.

3. BESLISSING

De rechtbank:

- verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan op 14 mei 2008 door mr. H.J. Tijselink, rechter,

in tegenwoordigheid van mr. P.H. Broier, griffier,

en bekendgemaakt door verzending aan partijen op de hieronder vermelde datum.

De griffier, De rechter,

Tegen deze uitspraak kunnen een belanghebbende en het bestuursorgaan gedurende zes weken na toezending van deze uitspraak hoger beroep instellen bij de Centrale Raad van Beroep te Utrecht.

Afschrift verzonden op:

DOC: B