Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2008:BD1977

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
25-04-2008
Datum publicatie
20-05-2008
Zaaknummer
AWB 08/1059 WIA
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

WIA-verzekering werknemer op vaste installatie op Nederlands deel continentaal plat. Gerede twijfel bij het oordeel dat het Nederlands deel van het continentaal plat niet valt onder de werkingssfeer van EG-Verordening 1408/71 en dat geen sprake is van WIA-verzekering van de werknemers. Omdat niet op voorhand geen sprake van arbeidsongeschiktheid in betekenende mate bestaat aanleiding tot verstrekking gematigd voorschot.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RSV 2008, 240

Uitspraak

Rechtbank Amsterdam

Sector Bestuursrecht Algemeen

voorlopige voorzieningen

UITSPRAAK

in het geding met reg.nr. AWB 08/1059 WIA

tussen:

[verzoeker], wonende te [adres],

verzoeker,

vertegenwoordigd door mr. B.M. Voogt

en:

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen,

gevestigd te Almere,

verweerder,

vertegenwoordigd door A. Anandbahadoer.

1. PROCESVERLOOP

De voorzieningenrechter (hierna ook: de rechter) heeft op 17 maart 2008 een verzoek ontvangen tot het treffen van een voorlopige voorziening wegens het niet tijdig beslissen op een verzoek om een voorschot op een arbeidsongeschiktheidsuitkering.

Bij ter griffie op 14 april 2008 ingekomen beroepschrift is beroep ingesteld tegen verweerders beslis-sing op het bezwaarschrift van 8 april 2008, waarbij verzoekers bezwaar tegen de afwijzing van de aanvraag om een arbeidsongeschiktheidsuitkering ongegrond is verklaard. Ter zitting is het verzoek om een voorlopige voorziening gewijzigd in die zin dat wordt verzocht om het treffen van een voorlo-pige voorziening hangende dit beroep

Het onderzoek is gesloten ter zitting van 16 april 2008.

2. OVERWEGINGEN

Ingevolge artikel 8:81 van de Awb dient te worden nagegaan of onverwijlde spoed, gelet op de betrok-ken belangen, het treffen van een voorlopige voorziening vereist. Bij de vereiste belan¬genafweging gaat het om een afweging van enerzijds het belang van de verzoeker dat een onverwijlde voorziening wordt getroffen en anderzijds het door de onmiddellijke uitvoering van het besluit te dienen belang.

Voor zover de toetsing meebrengt dat een oordeel wordt gegeven over het geschil in de bodemproce-dure, heeft dit oordeel een voorlopig karakter en is dit niet bindend voor de beslissing in de bodempro-cedure.

Met partijen ziet de rechter geen grond om ontbreken van spoedeisend belang aan te nemen.

Partijen worden uitsluitend verdeeld gehouden over het antwoord op de vraag of (de destijds door ver-zoeker verrichte) werkzaamheden als werknemer op een vaste installatie op het Nederlands deel van het continentaal plat vallen onder EG-Verordening 1408/71 (hierna: de Verordening) en de Nederland-se wettelijke arbeidsongeschiktheidsverzekeringen.

Onder verwijzing naar het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen (EHvJ) van 27 februari 2002 inzake Weber (LJN: AG7915, zaak C-37/00) meent verzoeker dat zulks het geval is.

Verweerder heeft een wisselende stellingname betrokken. In het besluit in primo is geconcludeerd dat de Verordening niet van toepassing is. In de eerste beslissing op bezwaar van 19 juli 2007 is verweer-der daarvan teruggekomen en is (in reactie op de verwijzing naar het arrest Weber in bezwaar) uit-drukkelijk geconcludeerd tot die toepasselijkheid (en tot verzekering op grond van de Nederlandse arbeidsongeschiktheidswetgeving).

Verweerder heeft echter daarna in de tweede beslissing op bezwaar, van 8 april 2008 weer geconclu-deerd tot het ontbreken van die toepasselijkheid, welke conclusie in het verweerschrift en ter zitting is verdedigd.

Centraal punt in de laatste argumentatie van verweerder vormt het standpunt dat het arrest Weber geen betrekking heeft op de Verordening, maar op het EEG-Executieverdrag. Dat verdrag regelt een geheel andere materie dan de Verordening, aldus verweerder.

Deze stellingname overtuigt niet, althans niet zonder meer. Zoals namens verzoeker ook is betoogd, is de ratio die het EHvJ in de zaak Weber tot zijn oordeel heeft gebracht, een ratio die ook opgeld zou kunnen doen bij de vraag naar de toepasselijkheid van de Verordening.

Verweerder heeft niet kunnen aangeven waarom zulks niet het geval zou zijn.

Dat het bij die toepasselijkheid niet om een puur theoretische mogelijkheid gaat, blijkt ook uit de ter zitting besproken overweging van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) in de zaak 01/2984 WAO van 24 december 2003 (LJN AO2522), waar ten aanzien van de door de rechtbank gehanteerde weige-ringsgrond van niet-verzekering en niet toepasselijkheid van Titel II van de Verordening het volgende is overwogen:

Ten slotte merkt de Raad – geheel ten overvloede – nog op, voor het geval gedaagde alsnog de door de rechtbank gebezigde weigeringsgrond zou wensen te hanteren, dat gelet op het arrest van het Hof van Justitie EG van 27 februari 2002 (arrest Weber, RSV 2002/269) en gelet op de jurisprudentie van dat Hof omtrent de toepasselijkheid van de aanwijsregels van titel II van Verordening 1408/71 bij werk-zaamheden buiten het territoir van de EU, het niet zonder meer duidelijk is dat appellant, die laatste-lijk heeft gewerkt op produktie platforms op het Nederlands continentaal plateau uit dien hoofde geen aanspraak kan maken op een Nederlandse arbeidsongeschiktheidsuitkering.

Ook overigens is er geen reden om er zonder meer van uit te gaan dat het Nederlands deel van het con-tinentaal plat niet valt onder de werkingssfeer van de Verordening. In dit verband wijst de rechter in het bijzonder op de conclusie van Procureur Generaal mr. Huydecoper onder het arrest van de Hoge Raad der Nederlanden van 14 februari 2003 (LJN AF1884), met daarbij voetnoot 4:

Al deze zaken gaan - alweer - over de gevolgen van het feit dat werknemers die werkzaam waren op het Nederlandse deel van het Continentaal Plat in de periode tussen 1 juli 1989 en 1 januari 1992(3) niet verzekerd waren uit hoofde van de volksverzekeringen(4). De betrokken werkgevers en werkne-mers hebben geruime tijd in de veronderstelling verkeerd dat dat wél zo was.

4 Zoals hierna zal blijken gaan MDCP en de rechters in de feitelijke instanties daarvan uit, hoofdzakelijk omdat dat zo is bekendgemaakt in een brief van het Ministerie van Financiën aan een aantal autoriteiten uit de belastingadministratie, nadat (ook) de belastingdienst lange(re) tijd van het tegengestelde standpunt was uitgegaan. Namens de werknemers, waaronder [verweerder], is in de appelfase verdedigd dat de betrokkenen ingevolge de volksverzekeringswetten verzekerd zijn gebleven (waarbij een beroep is gedaan op EG verordening 1408/71). Of de brief van het Ministerie een deugdelijke basis vormt voor de conclusie dat de destijds geldende regeling zo moet worden uitgelegd als in die brief wordt gedaan, kan in deze zaak in het midden blijven, omdat in cassatie niet aan de orde is gesteld hoe die regeling - in dit opzicht - moet worden uitgelegd. Een brief van het Ministerie van Financiën over een klaarblijkelijk voor verschillende uitleg vatbare regeling, lijkt mij intussen - met alle verschuldigde respect voor de deskundigheid en het gezag van dit Ministerie - geen onweerlegbare basis voor de uitleg die daadwerkelijk aan de betreffende regeling moet worden gegeven. Voor, met name, de instanties die hebben te beoordelen of werknemers aan de onderwerpelijke regeling aanspraken konden - of kunnen - ontlenen op uitkeringen krachtens de desbetreffende volksverzekeringen, lijkt mij de brief van het Ministerie niet alleenza-ligmakend.

Uit deze conclusie blijkt op zijn minst van enige twijfel bij het oordeel dat geen sprake is van verzeke-ring voor de volksverzekeringen voor werknemers op het Nederlandse deel van het Continentaal Plat; een twijfel die ook relevant kan zijn waar het betreft een werknemersverzekering als in casu aan de orde. De in de conclusie geschetste gang van zaken vertoont bovendien parallellen met de wisselende opstelling van verweerder in het dossier van verzoeker. Ook daarmee ontstaat op zijn minst twijfel aan de juistheid van verweerders uiteindelijke stellingname.

Ten slotte overweegt de rechter dat het arrest van het EHvJ van 29 juni 1994 inzake Aldewereld (LJN: AL0307, zaak C-60/93) ook een beoordelingskader zou kunnen bieden voor de conclusie van toepasse-lijkheid van de Verordening c.q. de Nederlandse wetgeving, ook indien zou worden aangenomen dat het continentaal plat niet valt binnen de territorialiteitsomschrijving van artikel 299 van het EG-verdrag of de term “grondgebied” in artikel 13 van de Verordening. In dat verband wijst de rechter erop dat verzoeker werkzaam is geweest op een vaste installatie op het Nederlandse deel van het conti-nentaal plat voor een in Nederland gevestigde werkgever. Dit zijn belangrijke aanknopingspunten naar de Nederlandse rechtssfeer. Dat verzoeker, anders dan Aldewereld, zich niet geconfronteerd heeft ge-zien met een dubbele heffing, maar juist met het ontbreken van heffing en inhouding, maakt niet dat een dergelijke insteek op voorhand niet relevant of onmogelijk is, mede in aanmerking genomen dat niet alleen het voorkomen van dubbele verzekering, maar evenzeer het voorkomen van lacunes een juridisch legitiem doel is (een doel dat bijvoorbeeld ook ten grondslag ligt aan de Verordening).

Naar voorlopig oordeel is dan ook voor gerede twijfel vatbaar of het bestreden besluit in rechte kan stand houden. Vraag is vervolgens of dit het treffen van een voorlopige voorziening rechtvaardigt.

In dat kader stelt de rechter voorop, dat terughoudendheid is geboden bij het verstrekken van voor-schotten vanwege het risico van een terugvordering in de situatie dat op een later moment ten gronde wordt geoordeeld dat de weigering van uitkering terecht is (al dan niet op grond van nieuw gebleken feiten of omstandigheden of een nadere argumentatie van verweerder in beroep).

De rechter stelt vervolgens vast dat niet is gebleken van een onderzoek naar de arbeidsongeschiktheid van verzoeker (een materieel belangrijk element bij mogelijke uitkeringsaanspraken van verzoeker). Verzoeker heeft uiterlijk in 2005 contact heeft gehad met het Portugese orgaan met betrekking tot zijn arbeidsongeschiktheid. Verweerder heeft derhalve ruim voldoende gelegenheid gehad een dergelijk onderzoek te (laten) verrichten. Verweerders gemachtigde heeft ter zitting echter medegedeeld dat juist opdracht is gegeven dat onderzoek stil te leggen.

Het dossier bevat wel een aantal stukken met betrekking tot de gezondheidstoestand van verzoeker. Daaruit blijkt van een intreden van arbeidsongeschiktheid in december 2004. Op medisch vlak blijkt onder meer van een ischemische myocardiopathie en een ernstige hypokinese antero-apicaal met een sterke afname van de functionele capaciteit. Derhalve kan bepaald niet op voorhand worden geconclu-deerd dat van een arbeidsongeschiktheid in betekenende mate geen sprake is.

Onder die omstandigheden, gevoegd bij de onbetwist moeilijke financiële situatie van verzoeker, ziet de rechter aanleiding tot het treffen van een voorlopige voorziening door verstrekking van een voor-schot ter hoogte van het gemiddelde bedrag dat verzoeker in 2007 op zijn spaargeld is ingeteerd.

Gelet op de hiervóór weergegeven vraagpunten ziet de rechter geen aanleiding om met toepassing van artikel 8:86 van de Awb onmiddellijk uitspraak te doen in de hoofdzaak. De behandeling van de hoofdzaak is wel op korte termijn voorzien, en wel op 7 augustus 2008, bij de meervoudige kamer van deze rechtbank. Partijen zullen daarvoor nog separaat een uitnodiging ontvangen.

Aan verzoeker dient het betaalde griffierecht te worden vergoed. Verweerder zal worden veroordeeld in de proceskosten als hierna vermeld.

Beslist wordt als volgt.

3. BESLISSING

De voorzieningenrechter:

- wijst het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening toe, zodanig dat verweerder wordt gelast aan verzoeker een maandelijks voorschot van € 300,-- (zegge: driehonderd euro) te betalen. Dit voorschot is telkens verschuldigd op de laatste werkdag van de maand, voor de eerste maal te voldoen uiterlijk op de 29e april 2008, en te betalen tot uiterlijk zes weken na de dag waarop de rechtbank heeft beslist op het beroep;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van verzoeker, begroot op € 644,-- (zegge: zeshonderd-envierenveertig euro), te betalen door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan de griffier van deze rechtbank;

- bepaalt dat het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan verzoeker het griffierecht ten bedrage van € 39,-- (zegge: negenendertig euro) vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan op 25 april 2008 door mr. H.J. Tijselink, voorzieningenrechter,

in tegenwoordigheid van mr. C.J. Baijens, griffier,

en bekendgemaakt door verzending aan partijen op de hieronder vermelde datum.

De griffier, De voorzieningenrechter,

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.

Afschrift verzonden op:

DOC: B