Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2008:BD1954

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
28-01-2008
Datum publicatie
18-06-2008
Zaaknummer
08-63/388008
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Per 1 januari 2008 is de Wet op de jeugdzorg met betrekking tot jeugdzorg waarop aanspraak bestaat ingevolge de wet gesloten setting (gesloten jeugdzorg) van kracht (Wjz).De capaciteit om ondertoezichtgestelden c.q. onder voogdij staande minderjarigen in een gesloten setting te plaatsen is echter ontoereikend. Gedurende een overgangsperiode van twee jaar mag de machtiging tot uithuisplaatsing dan ook ten uitvoer gelegd worden in een justitiële jeugdinrichting (JJI) mits de ondertoezichtgestelde c.q. de voogdijpupil en de gezagsdrager daarmee instemmen (instemmingsvereiste). (Intussen is reparatiewetgeving aan de orde). Wanneer geen instemming verleend wordt, dreigt de minderjarige 'uit de JJI' te vallen en komt hij op straat te staan, zolang de capaciteit in de gesloten jeugdzorg nog niet volledig is. Teneinde de minderjarigen tegen hun wil in een JJI te plaatsen, beroept de rechtbank zich op art. 3 lid 1 van het Verdrag inzake de rechten van het kind. Immers ingeval van strikte toepassing van de Wjz zou het de minderjarige ontbreken aan de juiste begeleiding en behandeling die hij nodig heeft in een gesloten setting. De rechtbank overweegt voorts per individueel geval of de tenuitvoerlegging van de machtiging in een JJI verantwoord is.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

VERLENGING MACHTIGING UITHUISPLAATSING GESLOTEN JEUGDZORG

Zaak- en rekestnummer:

08-63/388008

Beschikking van de rechtbank in de bovengenoemde rechtbank naar aan¬leiding van het verzoek van het Bureau Jeugdzorg Agglomeratie Amsterdam,

gevestigd te Amsterdam,

hierna ook te noemen: het BJAA,

met betrekking tot de minderjarige:

[minderjarige], geboren te [geboorteplaats] op 2 september 1991.

[moeder minderjarige], wonende te [woonplaats], is de moeder.

[vader minderjarige], wonende op een onbekend adres, is de vader.

De moeder is belast met de uitoefening van het gezag over de minderjarige.

Als belanghebbenden zijn aangemerkt: de moeder, de vader en de minderjarige.

VERDER VERLOOP VAN DE PROCEDURE

Het verloop van de procedure tot 17 januari 2008 is weegegeven in de tussenbeschikking van

17 januari 2008 naar welke beschikking thans wordt verwezen.

Op 24 januari 2008 heeft de rechtbank het verzoek ter terechtzitting met gesloten deuren wederom behandeld, waarvan afzonderlijk proces-verbaal is opgemaakt.

Verschenen en gehoord zijn:

- de minderjarige, bijgestaan door mr. M.R.P. Hoppenbrouwers;

- de moeder;

- de vader;

- [gezinsvoogd] (gezinsvoogd), [jurist BJAA] (jurist) en [medewerker BJAA] namens het BJAA.

De uitspraak is bepaald op heden.

GRONDEN VAN DE BESLISSING

Ingevolge artikel VII, eerste lid, van de Wet gesloten jeugdzorg wordt het verzoekschrift aangemerkt als een verzoek om een machtiging gesloten jeugdzorg als bedoeld in artikel 29b Wet op de jeugdzorg (hierna Wjz).

Bij beschikking van de kinderrechter te Amsterdam van 24 april 2007 is voornoemde minderjarige onder toezicht gesteld voor de duur van een jaar.

In het kader van de ondertoezichtstelling is voornoemde minderjarige uit huis geplaatst. De laatst gegeven machtiging voor verblijf in een instelling voor gesloten jeugdzorg is geldig tot 29 januari 2008.

Ter terechtzitting heeft de minderjarige aangegeven zich niet te kunnen verenigen met inwilliging van het verzoek, omdat hij het liefst weer thuisgeplaatst wil worden met ambulante behandeling. De minderjarige voert daartoe aan dat hij (in het kader van de deeltijdbehandeling van de Bascule in het JOC, waarbij ook de moeder betrokken is) inmiddels voldoende geleerd heeft, hoe hij in de toekomst zaken beter kan aanpakken en oplossen. Voorts betoogt de minderjarige beter met moeder te kunnen communiceren en zich deze week te zullen opgeven voor het volgen van een stucadoorsopleiding bij het ROC.

De moeder heeft ter zitting aangegeven het als zodanig eens te zijn met voortzetting van de behandeling van [minderjarige], maar heeft daaraan toegevoegd dat de behandeling ook vanuit de thuissituatie zijn beslag kan krijgen. De moeder is van mening dat haar zoon thans lang genoeg gesloten geplaatst is en durft thuisplaatsing weer aan, mede omdat het gezin inmiddels verhuisd is, [minderjarige] bereid is aan ambulante behandeling mee te werken, er schot zit in de voorgenomen stucadoorsopleiding en [minderjarige] voorts ter dagbesteding zijn oude bijbaantje weer zou kunnen oppakken. De vader heeft zich ter zitting bij het standpunt van de moeder aangesloten.

De raadsman van de minderjarige heeft ter zitting aangegeven dat de minderjarige zich in het eindstadium van zijn behandeling bevindt en dat deze behandeling ook op ambulante basis (binnen of buiten het JOC) kan geschieden. Daarnaast is de minderjarige voornemens via het ROC een opleiding ter hand te nemen, wordt hij inmiddels begeleid door Nieuwe Perspectieven en durft moeder thuisplaatsing onder de omstandigheden weer aan.

Voorts betoogt de raadsman dat, nu in casu het overgangsrecht van toepassing is, omdat het onderhavige verzoek voor 1 januari 2008 is ingediend, er niet voldaan is aan de vereiste ex artikel 29b lid 4 Wjz waarin staat dat een machtiging slechts worden verleend indien een verklaring van een gedragswetenschapper die de minderjarige kort tevoren persoonlijk heeft onderzocht voorhanden is en de onderhavige verklaring dateert van 17 juni 2007. De raadsman begrijpt dat ten tijde van het afgeven van de tussenbeschikking op 17 januari 2007 het voor het BJAA feitelijk onmogelijk was een verklaring van een gedragswetenschapper te overleggen, maar is van mening dat het BJAA sindsdien voldoende tijd heeft gehad om dit verzuim goed te maken, temeer daar de kinderrechter in voornoemde tussenbeschikking uitdrukkelijk het vereiste van een verklaring van een gedragswetenschapper heeft overwogen. Alleen al om die reden verzoekt de raadsman het verzoek af te wijzen. Voorts stelt de raadsman dat nu het de bedoeling is van het BJAA dat de minderjarige zijn behandeling in het JOC afmaakt, er evenmin voldaan is aan het instemmingsvereiste ex artikel VII lid 3 en 4 Wjz. Uit het feit dat zowel de minderjarige als diens ouders om thuisplaatsing verzoeken, mag geconcludeerd worden dat belanghebbenden niet instemmen met de tenuitvoerlegging van de onderhavige machtiging in een justitiële jeugdinrichting. Ook om die reden verzoekt de raadsman het verzoek af te wijzen. Ten slotte merkt de raadsman op dat ook indien er een machtiging verleend wordt, deze door het ontbreken van het instemmingsvereiste niet ten uitvoer gelegd kan worden in de justitiële jeugdinrichting het JOC.

[gezinsvoogd] heeft namens het BJAA gepersisteerd bij het verzoek, daarbij gewag makend van de positieve ontwikkeling die de minderjarige en diens moeder, in het kader van de behandeling door de Bascule, hebben doorgemaakt. Desondanks, zo vervolgt het BJAA, achten alle hulpverleners het thans prematuur om de minderjarige nu al naar huis te laten gaan. Het BJAA betoogt meer tijd nodig te hebben om de intramurale behandeling van [minderjarige] af te maken, de dagbesteding van de minderjarige, school en stage op een adequate manier te regelen en de hulpverlening via Nieuwe Perspectieven op te starten. Wat betreft de sinds de wetswijziging vereiste verklaring van een gedragswetenschapper, stelt het BJAA dat daarover momenteel discussie bestaat tussen het JOC en het BJAA over wie het onderzoek dient uit te voeren, maar dat de verklaring hoe dan ook op korte termijn bij de rechtbank zal worden ingediend.

[jurist BJAA] heeft namens het BJAA hieraan toegevoegd dat in een bijeenkomst van het BJAA met ambtenaren van het Ministerie van Justitie (hierna: het MvJ) het (ontbreken van) het instemmingsvereiste uitdrukkelijk aan de orde is gesteld en dat het MvJ bij die gelegenheid beweerd heeft dat de overgangsbepaling niet geldt voor ondertoezicht c.q. onder voogdij gestelde minderjarigen. Het BJAA stelt zich bij dit standpunt te hebben aangesloten en hierover een brief gestuurd te hebben naar de landelijke werkgroep kinderrechters. Het BJAA zegt desgevraagd niet paraat te hebben waar een en ander exact in de wet vermeld staat, maar zich te baseren op de mededeling van het MvJ dat het vereiste voor ondertoezichtgestelde of onder voogdij staande pupillen niet geldt.

OVERWEGINGEN

Op grond van de inhoud van de overgelegde stukken en het verhandelde ter terechtzitting is de kinderrechter van oordeel dat voldoende duidelijk is gebleken dat de minderjarige ernstige opgroei- en opvoedingsproblemen heeft die zijn ontwikkeling naar volwassenheid ernstig belemmeren, en die maken dat de opneming en het verblijf in gesloten jeugdzorg noodzakelijk blijven om te voorkomen dat de minderjarige zich aan de zorg die hij nodig heeft zal onttrekken of daaraan door anderen zal worden onttrokken. Met name is hierbij van belang dat de minderjarige zijn intramurale behandeling, die zich thans in de eindfase bevindt, zorgvuldig afsluit. De rechtbank is dan ook van oordeel dat zich een geval voordoet als bedoeld in artikel 29 b lid 3 Wjz.

Met betrekking tot de overige in artikel 29b lid 4 en 5 Wjz genoemde voorwaarden is de rechtbank van oordeel dat ten aanzien van verzoeken die ingediend zijn vóór de inwerkingtreding van de Wjz op 1 januari 2008 geen extra eisen met betrekking tot het voorhanden hebben van een actuele verklaring van een gedragswetenschapper worden gesteld. Voorts gaat de rechtbank ervan uit dat het BJAA op zeer korte termijn alsnog een geldig indicatiebesluit zal indienen. De rechtbank gaat hiermee voorbij aan hetgeen door de kinderrechter bij tussenbeschikking van 17 januari 2008 is opgemerkt omtrent de verklaring van een gedragswetenschapper.

Wat betreft de stelling van de raadsman dat niet voldaan is aan het instemmingsvereiste ex artikel VII lid 3 Wjz, overweegt de rechtbank als volgt.

Nu de rechtbank van oordeel is dat zich een geval voordoet als bedoeld in artikel 29b Wjz, is het verzoek tot het verlenen van een machtiging uithuisplaatsing gesloten jeugdzorg in principe voor toewijzing vatbaar.

Het BJAA heeft zich echter op het standpunt gesteld dat voornoemde machtiging ten uitvoer zal worden gelegd in een justitiële jeugdinrichting, nu de intramurale behandeling van [minderjarige] bijna ten einde loopt en er evenmin op korte termijn een plaats voor de minderjarige valt te verwachten in een accommodatie als bedoeld in artikel 29 k lid 1 Wjz.

Gelet op het voorgaande stelt de rechtbank vast dat BJAA een beroep doet op artikel VII, lid 4 Wjz. In dat geval heeft de wetgever bepaald dat de instemming van de minderjarige en degene die het gezag over hem uitoefent, vereist is om de eerdergenoemde machtiging uithuisplaatsing ten uitvoer te leggen in een justitiële jeugdinrichting.

In het onderhavige geval is van die instemming geen sprake.

Strikte toepassing van de wet zou er toe leiden dat de minderjarige op basis van de machtiging uithuisplaatsing gesloten jeugdzorg niet in een justitiële jeugdinrichting mag worden geplaatst.

Volgens artikel 3 lid 1 van het Verdrag inzake de rechten van het kind (hierna IVRK) vormen bij alle maatregelen betreffende kinderen, ongeacht of deze worden genomen door openbare of particuliere instellingen voor maatschappelijk welzijn of door rechterlijke instanties, bestuurlijke autoriteiten of wetgevende lichamen, de belangen van het kind de eerste overweging.

De rechtbank is van oordeel dat zich gevallen kunnen voordoen waarbij strikte toepassing van de Wjz zich niet verhoudt tot hetgeen in artikel 3, lid 1 IVRK staat vermeld. Immers in voorkomende gevallen kan het in het belang van de minderjarige zijn dat de minderjarige zonder zijn of haar instemming en die van degene die het gezag over hem of haar uitoefent, toch in een justitiële jeugdinrichting wordt geplaatst of geplaatst blijft.

In het onderhavige geval is strikte toepassing van de Wjz niet in het belang van [minderjarige] zoals bedoeld in artikel 3 lid 1 IVRK. Immers, in geval van strikte toepassing zou het [minderjarige] ontbreken aan de juiste begeleiding en behandeling die hij gelet op zijn problematiek thans nog nodig heeft in een gesloten setting. Daarbij wordt mede rekening gehouden met de omstandigheid dat het behandelingstraject van [minderjarige] zich in het eindstadium bevindt. De rechtbank hecht er waarde aan dat de behandeling van [minderjarige] op een zorgvuldige wijze tot een einde wordt gebracht. Het abrupt beëindigen van de behandeling in een gesloten setting is niet in het belang van [minderjarige]. Voorts overweegt de rechtbank dat niet is gebleken van omstandigheden die maken dat [minderjarige] niet in een justitiële jeugdinrichting kan verblijven.

Ten slotte merkt de rechtbank op dat het standpunt van BJAA, te weten dat het instemmingsvereiste voor tenuitvoerlegging van gesloten jeugdzorg in een justitiële jeugdinrichting voor ondertoezichtgestelden dan wel onder voogdij staande pupillen niet geldt, geen steun vindt in de wet.

Gelet op het bovenstaande is de rechtbank van oordeel dat het verzoek tot machtiging opname in een accommodatie voor gesloten jeugdzorg dient te worden toegewezen en ten uitvoer kan worden gelegd in een justitiële jeugdinrichting.

BESLISSING:

De rechtbank:

- handhaaft de beschikking van de kinderrechter te Amsterdam van 17 januari 2008;

- verleent machtiging om de minderjarige in een accommodatie voor gesloten jeugdzorg te doen opnemen en te doen verblijven met ingang van 29 januari 2008 tot 26 februari 2008, welke machtiging ten uitvoer gelegd kan worden in een justitiële jeugdinrichting;

- bepaalt dat de machtiging van kracht blijft indien een daarop betrekking hebbend indicatiebesluit strekt tot uithuisplaatsing in gesloten jeugdzorg van voornoemde minderjarige;

- verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.

Deze beschikking is gegeven door mr. J.A.C. Bartels, voorzitter tevens kinderrechter en mrs. K. Bakker en D.C. van Reekum, rechters, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van

28 januari 2008, in tegenwoordigheid van mr. A.J. Hoenderdaal, griffier..