Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2008:BD1866

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
26-03-2008
Datum publicatie
19-05-2008
Zaaknummer
AWB 07-2294 GEMWT
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Verzwaarde motiveringseis. Verweerder heeft geweigerd de gehandicaptenparkeerkaart waarover eiser sinds 1996 beschikt te verlengen. Niet is gebleken dat de weigering het gevolg is van een gewijzigde medische gesteldheid van eiser of het gewijzigde criterium in de Regeling gehandicaptenparkeerkaart. Onder deze omstandigheden is de rechtbank van oordeel dat aan de beoordeling door verweerder een verzwaarde motiveringseis dient te worden gesteld. Tot die motivering dient in de eerste plaats te worden gerekend een vergelijking van de oude en de nieuwe medische situatie. Daarbij dient verweerder te motiveren welke omstandigheden maken dat eiser, in tegenstelling tot eerdere beoordeling(en), in deze beoordeling niet aan de criteria van de Regeling gehandicaptenparkeerkaart voldoet. Nu de keuringsarts hieraan geen aandacht heeft besteed, mocht verweerder zonder nader onderzoek niet de conclusie van het advies ten grondslag leggen aan zijn besluit. Verweerder dient in de tweede plaats een afweging te maken tussen het belang dat met de strengere keuring is gediend en het belang van eiser bij het behoud van de parkeerrechten waarover eiser sinds 1996 heeft beschikt. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder ook hier niet voldaan aan de verzwaarde motiveringsplicht.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

Rechtbank Amsterdam

Sector Bestuursrecht

enkelvoudige kamer

UITSPRAAK

in het geding met reg.nr. AWB 07/2294 GEMWT

tussen:

[eiser], wonende te [woonplaats],

eiser,

vertegenwoordigd door mr. J.A. Wols,

en:

het Dagelijks Bestuur van het Stadsdeel Amsterdam-Centrum,

verweerder,

vertegenwoordigd door mr. A.K.E. de Vries.

1. PROCESVERLOOP

De rechtbank heeft op 4 juni 2007 een beroepschrift ontvangen, gericht tegen het besluit van verweerder van 16 mei 2007 (hierna: het bestreden besluit).

Het onderzoek is gesloten ter zitting van 11 maart 2008.

2. OVERWEGINGEN

Eiser beschikt sinds oktober 1996 over een gehandicaptenparkeerkaart en een gehandicaptenparkeerplaats. Hiervoor is hij voor het laatst op 1 februari 2001 door de keuringsarts, [keuringsarts 1], van de GG&GD Amsterdam gekeurd.

Op 28 april 2006 heeft eiser verlenging van de gehandicaptenparkeerkaart en een gehandicaptenparkeerplaats aangevraagd.

Bij besluit van 3 juli 2006 heeft verweerder de aanvraag afgewezen. Verweerder overweegt daartoe dat de keuringsarts, [keuringarts 2], van de GGD Amsterdam, in het medisch advies van 23 juni 2006 heeft geconcludeerd dat eiser in staat is om, met de gebruikelijke hulpmiddelen, ongeveer 300 meter te lopen.

Eiser heeft bezwaar gemaakt tegen dit besluit en daartoe een aantal medische verklaringen overgelegd.

Bij bestreden besluit heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard. Verweerder stelt zich op het standpunt dat de criteria voor de gehandicaptenparkeerkaart en de gehandicaptenparkeerplaats sinds de laatste keuring van eiser op 1 februari 2001 zijn gewijzigd. De nieuwe criteria zijn neergelegd in de Regeling gehandicaptenparkeerkaart (hierna: de Regeling), die op 1 oktober 2001 in werking is getreden. Eiser voldoet niet aan die criteria. Verder keuren de artsen nu volgens het Protocol Gehandicaptenvoorzieningen van oktober 2001. Dit Protocol is vastgesteld door het bestuur van de Vereniging van Indicerende en adviserende Artsen (hierna: het VIA-Protocol). De keuringsarts ziet, zoals blijkt uit de nadere adviezen van 14 september 2006, 21 december 2006 en 30 januari 2007 in de door eiser overgelegde medische verklaringen geen aanleiding om van het advies van 23 juni 2006 af te wijken. Verweerder ziet geen aanleiding om aan de zorgvuldigheid van de adviezen van de keuringsarts te twijfelen.

Eiser doet een beroep op het rechtszekerheid- en vertrouwensbeginsel. Hij betwist dat er strengere criteria worden gehanteerd. Voorts betwist hij de zorgvuldigheid en de conclusies van de medische adviezen. Verweerder heeft geen rekening gehouden met de gevolgen die de afwijzing van de aanvraag voor eiser heeft.

De rechtbank overweegt als volgt.

In artikel 49, eerste lid, van het Besluit administratieve bepalingen inzake het wegverkeer is bepaald dat aan een gehandicapte, overeenkomstig de bij ministeriële regeling gestelde criteria, door het college van burgemeester en wethouders waar hij als ingezetene is ingeschreven in de basisadministratie persoonsgegevens, een gehandicaptenparkeerkaart kan worden verstrekt.

In artikel 1, eerste lid, van de Regeling is – voor zover van belang - bepaald dat voor een gehandicaptenparkeerkaart in aanmerking komen:

a. bestuurders van motorvoertuigen op meer dan twee wielen, die ten gevolge van een aandoening of gebrek een aantoonbare loopbeperking hebben van langdurige aard, waardoor zij – met de gebruikelijke loophulpmiddelen – in redelijkheid niet in staat zijn zelfstandig een afstand van meer dan 100 meter aan een stuk te voet te overbruggen;

b. (...)

c. (...)

d. bestuurders en passagiers van motorvoertuigen op meer dan twee wielen, andere dan bedoeld onder a en b, die ten gevolge van een aandoening of gebrek aantoonbare ernstige beperkingen, andere dan loopbeperkingen hebben.

e. (...)

In artikel 2, eerste lid, van de Regeling is bepaald dat een gehandicaptenparkeerkaart niet wordt afgegeven alvorens een geneeskundig onderzoek heeft plaatsgehad met betrekking tot de handicap van de aanvrager.

In het tweede lid, onder a, van dat artikel is bepaald dat een geneeskundig onderzoek achterwege kan worden gelaten indien aan de aanvrager eerder een gehandicaptenparkeerkaart is verstrekt en de keurende instantie van oordeel is dat de aanvrager nog steeds voldoet aan de in artikel 1 omschreven criteria.

De rechtbank stelt vast dat voor het toekennen van een gehandicaptenparkeerplaats geen wettelijke criteria gelden. Verweerder is bevoegd om een gehandicaptenparkeerplaats toe te kennen. De aanwending van die bevoegdheid dient de rechtbank terughoudend te toetsen.

Blijkens het bestreden besluit hanteert verweerder bij de beoordeling van de vraag of een belanghebbende in aanmerking komt voor een gehandicaptenparkeerplaats een vaste uitvoeringspraktijk. Deze houdt in dat aansluiting wordt gezocht bij hetgeen wettelijk is bepaald ten aanzien van de toekenning van een gehandicaptenparkeerkaart, waarbij in aanmerking wordt genomen dat het criterium van een maximaal af te leggen afstand van 100 meter wordt uitgebreid tot maximaal 250 meter, indien binnen de straal tot 250 meter vanaf de woning van de aanvrager onvoldoende parkeerplaatsen zijn.

De rechtbank stelt vast dat in de oude Regeling invalidenparkeerkaart, die van kracht was tot 1 oktober 2001, kort gezegd, als criterium was opgenomen dat de betrokkene zonder hulpmiddelen een bepaalde afstand niet kan overbruggen. In de Regeling, zoals die sinds 1 oktober 2001 geldt en zoals hiervoor is weergegeven, is dit criterium gewijzigd in de zin dat de betrokkene ook met de gebruikelijke loophulpmiddelen de vastgestelde afstand niet kan overbruggen.

De rechtbank is van oordeel dat het criterium in de huidige Regeling is gewijzigd ten opzichte van de oude Regeling invalidenparkeerkaarten en dat het criterium strenger is geworden.

De rechtbank stelt vast dat de keuringsarts, [keuringsarts 1], in het advies van 1 februari 2001 heeft opgenomen dat er geen herkeuring hoeft te volgen. De rechtbank stelt voorts vast dat zowel in de oude Regeling invalidenparkeerkaart, als in de huidige Regeling, is opgenomen dat een herkeuring achterwege blijft als de keurende instantie van oordeel is dat de betrokkene nog steeds aan de criteria voldoet. De rechtbank stelt vast dat, zoals hiervoor is overwogen, het criterium sinds 1 oktober 2001 strenger is geworden. Naar het oordeel van de rechtbank mocht verweerder eiser in verband met het nieuwe criterium eiser opnieuw laten keuren. Eiser heeft aan de mededeling van de keuringsarts in het advies van 1 februari 2001 niet het vertrouwen kunnen ontlenen dat hij ook bij een wijziging van de criteria niet zou worden herkeurd of dat de verlening van de gehandicaptenparkeerkaart en -plaats voor onbepaalde tijd ongewijzigd door verweerder zou worden voortgezet.

De rechtbank stelt voorts vast dat de mededeling dat er geen herkeuring hoeft te volgen, is gedaan door de keuringsarts in het advies van 1 februari 2001. Het betreft hier dan ook geen expliciete, ondubbelzinnige, schriftelijke toezegging van het bestuursorgaan. De rechtbank is van oordeel dat eiser aan de verlening van de gehandicaptenparkeerkaart en -plaats in oktober 1996 of naar aanleiding van de keuring op 1 februari 2001 niet het gerechtvaardigde vertrouwen heeft kunnen ontlenen dat de verlening van de gehandicaptenparkeerkaart en gehandicaptenparkeerplaats voor onbepaalde tijd ongewijzigd door verweerder zou worden voortgezet.

De rechtbank verwerpt het beroep op het rechtszekerheid- en vertrouwensbeginsel.

De rechtbank stelt vast dat de keuringsarts in het medisch advies van 23 juni 2006 heeft geconcludeerd dat de geschatte loopafstand van eiser, met de gebruikelijke loophulpmiddelen, ongeveer 300 meter is.

De rechtbank leidt uit het advies van 23 juni 2006 echter niet af dat de keuringsarts de gebruikelijke loophulpmiddelen heeft betrokken in het onderzoek. De keuringsarts merkt in het advies op dat met aanwending van loophulpmiddelen wellicht nog verbetering van de loopfunctie kan optreden. De rechtbank is van oordeel dat deze opmerking van de keuringsarts het vermoeden bevestigt dat de keuringsarts de medische situatie van eiser niet aan het gewijzigde criterium heeft getoetst.

De rechtbank stelt vast dat, gelet op het voorgaande, de wijziging van het criterium in de Regeling niet de oorzaak is of kan zijn van het verschil tussen de conclusie van de keuringsarts op 1 februari 2001 en de conclusie van de keuringsarts op 23 juni 2006. De rechtbank stelt voorts vast dat tussen partijen niet in geschil is dat de medische gesteldheid van eiser sinds 1996, of in ieder geval sinds de keuring op 1 februari 2001, ongewijzigd is, althans niet is verbeterd.

De keuringsarts geeft in het nader advies van 14 september 2006 een verklaring voor het verschil tussen het advies van 26 juni 2006 en het advies van de keuringsarts op 1 februari 2001. Zij stelt zich op het standpunt dat in het VIA-Protocol duidelijker criteria worden gegeven voor de keuring. Voorts zijn de medische onderzoeksmethoden verbeterd. Door het ontbreken van duidelijke criteria werd voor oktober 2001 door de keuringsartsen vaker aan een belanghebbende het voordeel van de twijfel gegeven. Verweerder heeft deze verklaring van de keuringsarts in het bestreden besluit en ter zitting overgenomen. De rechtbank stelt, gelet op het voorgaande, vast dat verweerder het verschil in de beoordeling van de medische omstandigheden van eiser tussen 2001 en 2006, kort gezegd, verklaart door te betogen dat er sprake is van een strengere medische keuring.

De rechtbank is van oordeel dat onder deze omstandigheid voor de beoordeling van verweerder een verzwaarde motiveringseis geldt. Verweerder dient op de eerste plaats een vergelijking te maken tussen de oude en de nieuwe medische situatie. Daarbij dient verweerder te motiveren welke omstandigheden maken dat eiser, in tegenstelling tot eerdere beoordeling(en), in deze beoordeling niet aan de criteria van de Regeling voldoet. Verweerder dient op de tweede plaats een afweging te maken tussen het belang dat met de strengere keuring is gediend en het belang van eiser bij het behoud van de parkeerrechten waarover eiser sinds 1996 heeft beschikt.

De rechtbank stelt vast dat uit het advies van 26 juni 2006 niet blijkt dat de keuringsarts een vergelijking heeft gemaakt tussen de conclusies die nu worden verbonden aan de medische situatie van eiser en de conclusies die daaraan in 1996 en in 2001 werden verbonden. De keuringsarts heeft niet vermeld welk verschil in medische toetsingscriteria en in medische onderzoeksmethoden maakt dat eiser nu niet aan de criteria voldoet. Ook uit de nadere adviezen van 14 september 2006 en 21 december 2006 blijkt niet dat de keuringsarts een dergelijke vergelijking heeft gemaakt. De rechtbank merkt daarbij op dat uit de stukken in het dossier geen aanwijzing is te vinden voor de stelling van de keuringsarts dat de keuringsartsen eiser bij voorgaande keuringen het voordeel van de twijfel hebben gegeven. De rechtbank stelt voorts vast dat de keuringsarts in het nader advies van 30 januari 2007 aan de hand van specifieke omstandigheden aangeeft hoe zij tot de conclusie komt dat eiser ongeveer 300 meter kan lopen. De keuringsarts verwijst hiertoe mede naar de verklaring van eiser dat hij dagelijks de trap naar zijn woning beklimt en dat hij in staat is zelfstandig boodschappen te doen. Uit de adviezen blijkt niet dat de keuringsarts daarbij heeft betrokken dat eiser betwist dat hij dat heeft verklaard.

De rechtbank is, gelet op het voorgaande, van oordeel dat het onderzoek van de keuringsarts onzorgvuldig moeten worden geacht. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder de conclusies van dat onderzoek dan ook niet zonder nader onderzoek aan zijn besluitvorming ten grondslag mogen leggen.

De rechtbank stelt voorts vast dat verweerder in het bestreden besluit niet kenbaar de afweging heeft gemaakt tussen het belang van verweerder bij een strengere keuring en het belang van eiser bij het behoud van het parkeerrecht waarover hij sinds 1996 heeft beschikt.

Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder, gelet op het voorgaande, niet voldaan aan de verzwaarde motiveringseis.

Naar het oordeel van de rechtbank is het bestreden besluit, gelet op het voorgaande, onzorgvuldig tot stand gekomen en ondeugdelijk gemotiveerd. De rechtbank zal het beroep gegrond verklaren en het bestreden besluit vernietigen op grond van de artikelen 3:2 en 7:12 van de Algemene wet bestuursrecht.

De rechtbank zal verweerder in de proceskosten veroordelen op na te melden wijze.

3. BESLISSING

De rechtbank

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit;

- draagt verweerder op een nieuwe beslissing op bezwaar te nemen met inachtneming van deze uitspraak;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 644,00 te betalen door de gemeente Amsterdam aan eiser;

- bepaalt dat de gemeente Amsterdam het betaalde griffierecht ad € 143,- aan eiser vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan op 26 maart 2008 door mr. S.J. Riem, rechter,

in tegenwoordigheid van mr. S.C. Horio, griffier,

en bekend gemaakt door verzending aan partijen op de hieronder vermelde datum.

de griffier de rechter

Tegen deze uitspraak kunnen een belanghebbende en het bestuursorgaan gedurende zes weken na toezending van deze uitspraak hoger beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State te ’s Gravenhage.

Afschrift verzonden op:

DOC: B