Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2008:BD1665

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
25-04-2008
Datum publicatie
15-05-2008
Zaaknummer
13.498.014.2007 08/1240
Formele relaties
Sprongcassatie: ECLI:NL:HR:2009:BG6607, Bekrachtiging/bevestiging
Conclusie in (sprong)cassatie: ECLI:NL:PHR:2009:BG6607
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Wots portugal, onder gegeven omstandigheden moet het ervoor worden gehouden dat veroordeelde een redelijke kans maakte om in portugal na ommekomst van de helft van de straf in vrijheid te worden gesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM,

INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER

parketnummer: 13.498.014.2007

RK nummer: 08/1240

Datum uitspraak: 25 april 20081

UITSPRAAK

op de vordering ex artikel 18 van de Wet overdracht tenuitvoerlegging strafvonnissen, ingediend door de officier van justitie bij deze rechtbank. Deze vordering dateert van

4 maart 2008 en strekt onder meer tot het verle¬nen van verlof tot tenuitvoerlegging in Neder¬land van een rechterlijke beslissing van de rechtbank van Santa Cruz Das Flores te Portugal van 29 maart 2005. Deze rechterlijke beslissing houdt onder meer in de veroor¬deling tot de vrij¬heids¬benemende straf van elf jaar van:

[veroordeelde],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum],

zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland,

gedetineerd in het Huis van Bewaring “Zuyderbos”te Heerhugowaard.

verder te noemen: veroordeelde.

1. Procesgang

De vordering is behandeld op de openbare zitting van 7 maart 2008. De behandeling is op die zitting aangehouden om de officier van justitie in de gelegenheid te stellen nadere informatie te verkrijgen van de Portugese autoriteiten ten aanzien van de datum waarop veroordeelde in Portugal in het meest gunstige geval in vrijheid zou worden gesteld. De behandeling is voorgezet op 11 april 2008. Daarbij zijn de veroordeelde, diens raadsvrouw mr. L.M.L. van Berkel, advocaat te Amsterdam en de officier van justitie gehoord.

2. Identiteit veroordeelde

Veroordeelde heeft ter zitting verklaard dat zijn personalia als bovengenoemd, juist zijn en dat hij de Nederlandse nationaliteit heeft.

3. Toelaatbaarheid

De Portugese autoriteiten hebben de overdracht en ten¬uit¬voer¬legging verzocht van de rechterlijke beslissing van de rechtbank van Santa Cruz Das Flores te Portugal van 29 maart 2005.

Veroordeelde is vanaf 9 december 10 december 2003 in Portugal gedetineerd geweest, waarna hij in het kader van het Verdrag inzake de overbrenging van gevonniste personen naar Nederland is overgebracht. Na aankomst in Nederland op 4 maart 2008 is hij op 5 maart 2008 door de rechter- commissaris in strafzaken in deze rechtbank in bewaring gesteld.

De rechterlijke beslissing voornoemd is onherroepelijk en voor tenuitvoerlegging vatbaar.

De rechtbank constateert dat de rechterlijke beslissing waarvan tenuitvoerlegging wordt ge¬vraagd is gewezen ten aan¬zien van een feit dat naar Portugees recht strafbaar is. Dit feit is naar Nederlands recht als een zelfde inbreuk op de Nederlandse rechtsorde strafbaar.

Het feit wordt naar Nederlands recht gekwalificeerd als:

Medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2, onder B, van de Opiumwet gegeven verbod.

Veroordeelde zou naar Nederlands recht eveneens strafbaar zijn geweest.

Veroordeelde heeft verklaard mee te werken aan deze procedure en heeft op 30 mei 2005 ingestemd met zijn overbrenging naar Nederland.

De tenuitvoerlegging van het hiervoor vermelde vonnis dient toelaatbaar te worden verklaard nu is bevonden dat aan alle daarvoor in het toepasselijk verdrag en de wet gestelde vereisten is voldaan. Het verlof tot de tenuitvoerlegging van dit vonnis zal op na te melden wijze worden verleend.

4. Verweer

De raadsvrouw van de veroordeelde heeft ter zitting van 7 maart 2008 een kennisgeving overgelegd van de rechtbank voor tenuitvoerlegging van strafvonnissen van Lissabon, eerste kamer, aan de veroordeelde. Deze kennisgeving houdt het volgende in:

Als gevolg van een wetswijziging van het wetboek van Strafrecht kan een eerste beoordeling van een voorwaardelijke invrijheidstelling pas worden uitgevoerd nadat de gedetineerde de helft van zijn straf heeft uitgezeten, oftewel op 10-06-2009.

De raadsvrouw voert aan dat uit deze kennisgeving kan worden afgeleid dat de veroordeelde, indien hij in Portugal zou zijn gebleven, na ommekomst van de helft van de straf voorwaardelijk in vrijheid zou zijn gesteld. De veroordeelde heeft dit ter zitting, gelet op zijn ervaringen met medegedetineerden, bevestigd.

Op grond van deze kennisgeving heeft de rechtbank op 7 maart 2008 de volgende, aan de Portugese autoriteiten te stellen vragen geformuleerd:

* Is de genoemde wijziging van het strafrecht zo op te vatten dat een veroordeelde in het algemeen, nadat hij de straf voor de helft heeft uitgezeten, in vrijheid wordt gesteld?

* Is deze regeling ook van toepassing op [veroordeelde]?

* Zo ja, komt [veroordeelde] dan zonder meer voor deze regeling in aanmerking?

* Zou [veroordeelde] ook daadwerkelijk op 10 juni 2009 in vrijheid worden gesteld?

* Zo niet, welke factoren zijn van invloed op het wel of niet van toepassing zijn van deze regeling op [veroordeelde]?

* Op welke datum zou [veroordeelde] derhalve in het voor hem meest gunstige geval in vrijheid zijn gesteld indien hij geen gebruik zou hebben gemaakt van de terugkeer regeling?

Deze vragen zijn via het parket doorgeleid aan de Portugese autoriteiten.

Daarbij is ondermeer het volgende uitgangspunt aan de Portugese autoriteiten voorgelegd:

“[veroordeelde] shall not be eligible for release on licence after serving half of his sentence as he has been sentenced to more than five years’ imprisonment for an offence against public safety. Is this reasoning correct?”

Op 9 april 2008 heeft Joana Gomes Ferreira, Public Prosecutor te Lissabon, hierop onder meer het volgende geantwoord:

“It is not correct. [veroordeelde] is eligible for release on parole at a) half of the imprisonment term if conditions established by alineas a) and b) of article 61 no 2 are both met. (..)”

En voorts:

“I had a look at the procedure and it may be concluded that [veroordeelde] would be eligible for early release on parole, if he remained in Portugal:

a) On june 10th 2009 (1/2) if both conditions established by article 61st no 2 are met (..) “

Artikel 61 van het Portugese Wetboek van Strafrecht bepaalt, voor zover hier van belang en in de door de Portugese autoriteiten verstrekte Engelse vertaling:

1) (…)

2) The Court will place the convict on conditional release when half of the sentence is served and, at least, 6 months, where:

a. there a reasons to expect, under the case’s circumstances, considering the previous life of the offender, his/her personality and its evolution during the sentence execution, that the convict, once in freedom, will lead a socially responsible life, without committing any crimes; and

b. the release is consistent with the defence of social order and peace.

3) The Court conditionally releases the convict when two thirds of the sentence are served and at least 6 months, as long as the requirement referred in subheading a) of this section is fulfilled.

4) In case of a sentence to imprisonment for more than 5 years for an offence against persons or for an offence of common danger, conditional release may only take place where two thirds of the sentences are served and as long as the requirements of (2) subheadings a) and b), are met.

5) (…)

6) (…)

5. Motivering van de strafoplegging

De officier van justitie heeft gevorderd dat in plaats van de buitenlandse sanctie dient te worden opgelegd een gevangenisstraf voor de duur van 11 jaar, met aftrek van de tijd in Portugal in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, alsmede de tijd dat veroordeelde ter executie van de vrijheidsstraf daar heeft doorgebracht.

De officier van justitie heeft haar vordering gebaseerd op het uitgangspunt dat ondubbelzinnig uit het antwoord van de Portugese autoriteiten blijkt dat een voorwaardelijke invrijheidstelling na ommekomst van de helft van de opgelegde straf geen recht is dat automatisch wordt toegepast.

Gelet op hetgeen is bepaald in voornoemd artikel 63 onder 4 is het zeer aannemelijk dat de veroordeelde pas na het uitzitten van 2/3 van zijn straf in vrijheid zal worden gesteld nu het gaat om een feit gericht tegen de openbare orde (common offence).

Naar het oordeel van de officier van justitie is niet waarschijnlijk dat de veroordeelde zal kunnen voldoen aan het vereiste zoals gesteld in het tweede lid, aanhef en onder b, van voornoemd artikel 63, dat hij geen gevaar (meer) oplevert voor de samenleving, nu het feit betrekking heeft op een zeer grote hoeveelheid verdovende middelen en de veroordeelde eerder in België is veroordeeld ter zake van de Opiumwet.

De officier van justitie heeft in dat verband gewezen op een eerdere uitspraak van de rechtbank te Amsterdam met RK nummer 07/2583.

Daarnaast is de officier van justitie van oordeel dat de datum van voorwaardelijke invrijheidstelling niet van invloed is op de te eisen straf. Er dient slechts rekening te worden gehouden met de omstandigheid dat aan de veroordeelde geen hogere straf mag worden opgelegd dan hem door de veroordelende instantie is opgelegd.

De rechtbank overweegt dat zij op de voet van het bepaalde in artikel 11, eerste lid en onder d,. gehouden is een straf op te leggen waardoor de strafrechtelijke positie van veroordeelde niet wordt verzwaard. Voor de beoordeling van bedoelde strafrechtelijke positie is bepalend op welke datum veroordeelde, als hij in het land van veroordeling was gebleven, in het voor hem meest gunstige geval, dus met inachtneming van de toepasselijke vorm van vervroegde invrijheidstelling, in vrijheid zou zijn gesteld.

De rechtbank heeft de Portugese autoriteiten uitgenodigd uit te leggen hoe de voorwaardelijke invrijheidstelling in dit specifieke geval dient te worden beoordeeld.

De rechtbank heeft acht geslagen op de antwoorden zoals deze op 9 april 2008 door Joana Gomes Ferreira, Public Prosecutor te Lissabon zijn gegeven.

Gelet op hetgeen hiervoor onder 4. is samengevat, is de rechtbank van oordeel dat uit de in de onderhavige zaak van de Portugese autoriteiten ontvangen informatie niet blijkt dat het onwaarschijnlijk is dat de veroordeelde in aanmerking zou zijn gekomen voor een voorwaardelijke invrijheidstelling na ommekomst van de helft van de straf.

De Portugese autoriteiten hebben evenmin laten weten dat het onwaarschijnlijk is dat de veroordeelde zou kunnen voldoen aan de voorwaarden zoals gesteld in het tweede lid van artikel 63 van het Portugese Wetboek van Strafrecht. Onder deze omstandigheden moet het er, naar het oordeel van de rechtbank, thans voor worden gehouden, dat veroordeelde een redelijke kans maakte om in Portugal, na ommekomst van de helft van de opgelegde straf, in vrijheid te worden gesteld. De rechtbank zal derhalve uitgaan van 10 juni 2009 als het moment dat de veroordeelde op het meest gunstige geval in vrijheid had kunnen worden gesteld.

De rechtbank kan geen aansluiting zoeken bij de beslissing in de door de officier van justitie genoemde zaak, omdat zij onbekend is met de die zaak gewogen, relevante factoren .

De rechtbank is van oordeel dat bij de keuze tot het opleggen van de straf en bij de bepaling van de duur daarvan, uit het oogpunt van een juiste normhandhaving, niet kan worden volstaan met een andersoortige of lagere straf dan een vrijheidsbene¬mende straf van na te melden duur, nu het, gezien de bewezenverklaring, gaat om medeplegen van handel in verdovende middelen, te weten het internationaal vervoer over zee van ruim 736 kilo cocaïne.

Daarbij heeft de rechtbank rekening gehouden met de omstan¬digheden waaronder dit feit is begaan en de persoon van veroordeelde.

Bij de vaststelling van de duur van de straf neemt de rechtbank het volgende in overweging. De Nederlandse overheid waarschuwt er regelmatig en nadrukkelijk voor dat aan het plegen van strafbare feiten in het buitenland, en met name op het gebied van verdovende middelen, grote risico's zijn verbonden, gezien de veelal aanzienlijk hogere straffen die daar voor dit soort feiten worden opgelegd.

Door zich in Portugal aan voornoemd delict schuldig te maken heeft veroordeelde het risico genomen daarvoor zwaarder te worden gestraft dan in Nederland.

Dit risico is voor zijn rekening.

Voorts heeft de rechtbank rekening gehouden met de omstandigheid dat veroordeelde, voor zover de rechtbank kan nagaan, documentatie heeft met betrekking tot misdrijven en eerder in België is veroordeeld voor een Opiumwetdelict.

Veroordeelde had, naar het oordeel van de rechtbank, in Portugal in het meest gunstige geval op 10 juni 2009 in vrijheid kunnen worden ge¬steld.

De rechtbank zal een dusdanige straf opleggen dat de veroordeelde niet langer dan tot deze datum in detentie zal verblijven, maar de rechtbank is van oordeel dat er, gelet op de handel in grote hoeveelheid verdovende middelen waarvoor hij is veroordeeld, geen reden is de veroordeelde vóór die datum in vrijheid te stellen.

6. Toepasselijke wetsbepalingen

de artikelen 47 van het Wetboek van Strafrecht;

de artikelen 2 en 10 van de Opiumwet;

de artikelen 2, 3, 20, 27, 28, 29, 30, en 31 van de Wet over¬dracht tenuitvoerlegging strafvonnissen;

de artikelen 2, 3, 6 en 11 van het Verdrag inzake de overbren¬ging van gevonniste personen, gesloten te Straatsburg op 21 maart 1983 (Trb. 1983, 74, Trb. 1987, 163).

7. Beslissing

VERKLAART TOELAATBAAR de tenuitvoerlegging van de bij de rechtbank van Santa Cruz Das Flores te Portugal van 29 maart 2005 opgelegde gevangenisstraf en verleent daartoe verlof.

LEGT OP een gevangenisstraf voor de duur van 100 (honderd) maanden.

BEVEELT dat de tijd welke [veroordeelde] voornoemd in Portugal in voor¬lopige hechtenis, alsmede ter executie van de hem opgelegde vrij¬heidsstraf heeft doorgebracht en de tijd gedurende welke hij met het oog op overbrenging en uit hoofde van de Wet over¬dracht tenuitvoerlegging strafvonnissen van zijn vrijheid beroofd is geweest, bij de tenuitvoerlegging van de straf in zijn geheel in mindering zal worden gebracht.

Aldus gewezen door:

mr. E.D. Bonga-Sigmond, voorzitter,

mrs. M.F.J.M. de Werd en W.J. van Bennekom, rechters

in tegenwoordigheid van mr. A.B. Boukema, grif¬fier,

en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 25 april 2008.