Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2008:BD1531

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
14-05-2008
Datum publicatie
14-05-2008
Zaaknummer
13-524067-07 (PROMIS)
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Beroep op noodweer(exces) afgewezen na gewelddadige moord op ex-echtgenoot van partner; 8 jaar gevangenisstraf na eis van 14 jaar.

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafrecht
Wetboek van Strafrecht 287
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Parketnummer: 13/524067-07 (PROMIS)

Datum uitspraak: 14 mei 2008

op tegenspraak

VONNIS

van de rechtbank Amsterdam, meervoudige strafkamer, in de strafzaak tegen

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1966,

ingeschreven in de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens op het adres [adres],

gedetineerd in het Huis van Bewaring “Haarlem” te Haarlem.

De rechtbank heeft beraadslaagd naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen van 2 november 2007, 23 april 2008 en 6 mei 2008.

1. Telastelegging

Aan verdachte is telastegelegd dat hij op of omstreeks 2 februari 2007 te Amsterdam tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk en al dan niet met

voorbedachten rade [slachtoffer] van het leven heeft beroofd, immers heeft/hebben verdachte en/of (een of meer van) zijn mededader(s) met dat opzet en al dan niet na kalm beraad en rustig overleg, (met kracht) een of (meer)ma(a)l(en) met een of meer mes(sen), althans met een of meer scherp(e) en/of puntig(e) voorwerp(en),

- de hals en/of de (linker) halsslagader en/of de (linker) halsader van die

[slachtoffer] doorgesneden en/of doorgestoken en/of

- in het hoofd van die [slachtoffer] gestoken en/of gesneden en/of geprikt en/of

- de neus van die [slachtoffer] afgesneden en/of

- (met kracht) een of (meer)ma(a)l(en) met een of meer hard(e) en/of stomp(e)

en/of zwa(a)r(e) en/of scherp(e) voorwerp(en) op het hoofd van die [slachtoffer]

geslagen,

tengevolge waarvan voornoemde [slachtoffer] is overleden.

2. Voorvragen

….

3. Overwegingen ten aanzien van het bewijs en de strafbaarheid van het feit en van verdachte

3.1. De vaststaande feiten

De rechtbank stelt de navolgende feiten vast.

Op 2 februari 2007 wordt achter de gezamenlijke voordeur van de percelen [adres] in een grote hoeveelheid bloed het levenloze lichaam van een man aangetroffen. Het blijkt te gaan om [slachtoffer] (hierna te noemen: [slachtoffer]). In het sectierapport staat dat [slachtoffer] onder meer een groot aantal hoofdwonden had en daarmee gerelateerd impressiefracturen in het schedeldak. De hoofdwonden zijn het gevolg geweest van het bij leven opgelopen zeer heftig botsend geweld op hoofd, zoals dat door hard slaan met een voorwerp. Ook waren er steek- en sneeletsels. Bij het snijletsel aan de hals zijn links zowel halsslagader als halsader doorgesneden. Gelet op de huidflapjes aan weerszijde van het snijletsel is er sprake geweest van ten minste drie heen en weer gaande snijbewegingen. De neus van het slachtoffer was afgesneden. Het slachtoffer is overleden als gevolg van massaal bloedverlies en weefselschade door perforerend, snijdend en heftig botsend geweld op het lichaam.

Medeverdachte en tevens echtgenote van verdachte [medeverdachte] (verder te noemen: [medeverdachte]) heeft verklaard dat zij erg bang was voor [slachtoffer], de biologische vader van haar dochter [biologische dochter slachtoffer]. [slachtoffer] had via zijn advocaat geëist dat hij zijn dochter eens in de twee weken een weekend zou krijgen en hij probeerde via zijn advocaat te regelen dat de geheimhouding van het adres van verdachte en [medeverdachte] zou worden opgeheven. [medeverdachte] was bang dat [slachtoffer], die volgens haar manipulatief en gewelddadig was, haar kind zou ontvoeren en zij leefde in angst. Verdachte, die [biologische dochter slachtoffer] als zijn dochter had erkend, was over deze kwestie eveneens gespannen. Verdachte heeft daarover onder meer verklaard dat [biologische dochter slachtoffer] al geruime tijd niet meer alleen buiten mocht spelen. [medeverdachte] heeft in december 2006 enkele meldingen gedaan bij de politie uit vrees voor [slachtoffer]. Op 2 november 2007 heeft zij in de namiddag de wijkagent gebeld over de opheffing van de geheimhouding en op emotionele toon een voicemailbericht ingesproken.

Verdachte en [medeverdachte] zijn op de avond van 2 februari 2007 naar [slachtoffer] gegaan om met hem te praten over een omgangsregeling. Verdachte was tijdens de rit erheen zenuwachtig en had van [medeverdachte] begrepen dat [slachtoffer] agressief kon zijn. Verdachte, [medeverdachte] en [slachtoffer] hebben op 2 februari 2007 met elkaar gepraat in de woonkamer van de woning van [slachtoffer] aan de [adres] (verder te noemen: de woning). Er is een ruzie ontstaan en verdachte heeft vervolgens die avond met het slachtoffer gevochten. Het slachtoffer is tengevolge van de bij het gevecht opgelopen verwondingen overleden. De GG & GD heeft op 15 februari 2007 geconstateerd dat verdachte op de rugzijde van zijn duim een verwonding met scherpe rand had en boven zijn wenkbrauw een verwonding van 2,5 cm bij 1 cm. Beide verwondingen zijn geschat op ongeveer 2 weken oud. Verdachte en [medeverdachte] zijn die avond samen naar huis gereden.

3.2. Het standpunt van het openbaar ministerie

De officier van justitie heeft betoogd dat zij wettig en overtuigend bewezen acht dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het medeplegen van moord met voorbedachten rade. De officier van justitie heeft daartoe aangevoerd dat verdachte en zijn medeverdachte op beider initiatief naar het slachtoffer zijn toegegaan en het slachtoffer tezamen en in vereniging hebben vermoord, c.q. dat medeverdachte [medeverdachte] zich niet heeft gedistantieerd van de moord, en dat beiden na afloop samen zijn weggegaan en vervolgens de sporen van hun daad hebben gewist. Beide verdachten hebben tegenstrijdig en leugenachtig verklaard over de toedracht (van de aanvang) van het gevecht, en zij hebben tijdens de voltrekking van het delict tijd en gelegenheid tot bezinning gehad, terwijl de feitelijke omstandigheden wijzen op een achtervolging van het zwaargewonde slachtoffer.

3.3. Het standpunt van de verdediging

Verdachte heeft toegegeven dat [slachtoffer] door zijn handelen om het leven is gekomen. Hij heeft [slachtoffer], na een zwaar gevecht, achtergelaten in de wetenschap dat hij hem zodanig had weten te verwonden dat hij niet meer reageerde. Geconfronteerd met de resultaten van het sectierapport heeft verdachte verklaard dat [slachtoffer] wel moet zijn overleden als gevolg van zijn gewelddadige acties nu een andere verklaring uitgesloten lijkt.

Verdachte heeft een beroep op noodweer c.q. noodweerexces gedaan en daartoe aangevoerd dat hij door het slachtoffer is aangevallen met achtereenvolgens een mes, pepperspray, een hamer en - naar verdachte vermoedt - weer een mes, terwijl hij, verdachte, trachtte te vluchten. Verdachte heeft ter terechtzitting van 2 november 2007 verklaard dat hij zich alleen maar heeft verdedigd tegen [slachtoffer], en dat hij achteraf blij is dat [slachtoffer] dood is, omdat het anders verdachte was geweest die het leven zou hebben gelaten. Tevens heeft hij verklaard dat [medeverdachte] de woning vóór het gevecht tussen hem en [slachtoffer] had verlaten en dat zij geen aandeel heeft gehad in het ontstaan van de vechtpartij.

De raadsman heeft betoogd dat de technische onderzoeksresultaten de verklaringen van verdachte grotendeels steunen en dat het beroep op noodweer(exces) dient te worden gehonoreerd.

3.4. De verklaringen en het technisch onderzoek

Met de officier van justitie en verdachte is de rechtbank van oordeel dat het overlijden van [slachtoffer] het gevolg is van opzettelijk door verdachte op [slachtoffer] toegepast geweld.

De rechtbank dient zich op grond van de verklaringen van verdachte, waaronder zijn verklaringen afgelegd tijdens de reconstructie die op 4 oktober 2007 heeft plaatsgehad, de verklaringen van medeverdachte [medeverdachte], de verklaringen van getuigen en de resultaten van het technisch onderzoek een oordeel te vormen over de vraag of er sprake is geweest van medeplegen, van voorbedachte raad en of er zich een situatie heeft voorgedaan van noodweer dan wel noodweerexces. De rechtbank zal als meest verstrekkend verweer eerst het beroep op noodweer c.q. noodweerexces beoordelen en zal daartoe vooreerst een opsomming geven van bovengenoemde bronnen, zoveel mogelijk in chronologische volgorde.

De aanloop

Verdachte heeft verklaard dat hij op 2 februari 2007 een sms-je van [medeverdachte] heeft ontvangen waarin zij aangaf dat ze een brief van de advocaat van [slachtoffer] had gekregen waarin zijn, [slachtoffer], adres stond. Dat adres kenden verdachte en [medeverdachte] voor die tijd niet. Ze besloten om direct bij hem langs te gaan om de kwestie van een omgangsregeling onderling te regelen, voordat het advocatenwerk zou worden.

Het mobiele telefoonnummer van verdachte was [telefoonnummer 1] en dat van [medeverdachte]

[telefoonnummer 2]. In het telecomonderzoek staat een gewist sms-je van [medeverdachte] naar verdachte met daarin de tekst: “adres van lul staat in brief”. Dit sms-je is op 30 januari 2007 verstuurd. De bedoelde brief was gericht aan [medeverdachte] en betrof het verzoek tot het treffen van een omgangsregeling. Deze brief was gedateerd op 29 januari 2007.

Het ontstaan van de ruzie in de woning [adres].

Medeverdachte [medeverdachte] heeft verklaard dat het vooral het idee van verdachte was om naar [slachtoffer] te gaan, omdat zij niet wilde. Ze zijn er toch heengegaan. De sfeer in de woning van het slachtoffer sloeg om toen het gesprek op de omgangsregeling kwam. Het slachtoffer ging vlak voor haar staan en begon tegen haar te schreeuwen. Daarop is zij opgestaan en heeft zij tegen verdachte gezegd: “Kom op, we gaan”. [verdachte] (de rechtbank begrijpt: verdachte) bleef zitten. Zij heeft haar woorden nog een keer herhaald en is toen de woning uit gelopen. Ze heeft daarna niets meer gehoord.

Verdachte heeft verklaard dat het hun beider idee was om naar [slachtoffer] te gaan. Toen zij in de woning met [slachtoffer] in gesprek waren, reageerde [slachtoffer] aanvankelijk laconiek, maar zond hem een dodelijke blik toen verdachte zei dat [slachtoffer] [medeverdachte] en hun kind met rust moest laten. Verdachte had niet de indruk dat ze iets konden regelen en zei toen tegen [medeverdachte]: “Kom, we gaan”. Alledrie stonden ze op, [medeverdachte] liep richting de deur, verdachte wierp een blik in de keuken en daar stond [slachtoffer] ineens met een mes terwijl hij zei: “Het is mijn kind”. Verdachte deinsde terug de woonkamer in en daar trachtte het slachtoffer hem te steken. Vervolgens ontstond een worsteling waarbij verdachte het mes van [slachtoffer] probeerde af te pakken. Hij zag [medeverdachte] niet meer toen hij [slachtoffer] het mes afhandig had gemaakt, aldus nog steeds verdachte.

Ter terechtzitting van 2 november 2007 heeft verdachte verklaard dat hij [medeverdachte] niet de woorden in de trant van: “We gaan, nu” - die zij op diezelfde zitting uitsprak - had horen zeggen, maar dat het in zijn beleving hijzelf is geweest die dat heeft gezegd. Voorts verklaarde verdachte dat hij het mes van [slachtoffer] heeft afgepakt en toen [medeverdachte] net zag weglopen. Dat laatste heeft verdachte direct weer teruggenomen en gezegd dat [medeverdachte] toen al wel weg was.

De keuken

Vrienden en familie van [slachtoffer] hebben verklaard dat de woning van [slachtoffer] altijd zeer netjes en opgeruimd was. In de keuken van de woning wordt echter keukengerei op de grond aangetroffen. Ook zijn er meerdere bloedspatten aangetroffen. Een lade van het keukenblok stond open. In de lade werd een keukenmes aangetroffen waarop een dactyloscopisch spoor en bloedspatjes zaten. Het dactyloscopische spoor is identiek aan de vingerafdruk van [medeverdachte] . De bloedspatjes op het mes zijn bemonsterd en onder nummer AHQ852 in beslag genomen. Het blijkt te gaan om het bloed van slachtoffer [slachtoffer].

Op 10 april 2007 is [medeverdachte] geconfronteerd met bovengenoemde onderzoeksresultaten. [medeverdachte] heeft op geen enkele vraag met betrekking tot het in de keukenla aangetroffen mes antwoord gegeven.

Op 13 mei 2007 heeft [medeverdachte] voor het eerst in een telefoongesprek met haar zus [naam familielid] gesproken over haar aanwezigheid in de keuken. Zij vertelt dat zij werd vastgegrepen door [slachtoffer] en dat zij toen haar hand op die rand van die la hield, “…, daar hield ik zo mijn vinger op…”. Even later vertelt zij nog dat ze daarna is teruggelopen naar de kamer en tegen [verdachte] heeft gezegd: “We gaan”. Op 16 mei 2007 wordt [medeverdachte] in P.I. Nieuwersluis bezocht door haar moeder, haar dochtertje en een vriendin. Dit gesprek wordt opgenomen. In dit gesprek vermeldt [medeverdachte] eveneens dat zij op een gegeven moment naar de keuken is gelopen. Ze vertelt dat ze dit deed om haar handen onder de kraan te houden en dat zij daar de lade open en dicht heeft gedaan en haar handen in die lade heeft gehad. Toen begon [slachtoffer], die achter haar was aan gelopen, tegen haar te schreeuwen.

Ter terechtzitting van 2 november 2007 heeft verdachte verklaard dat hij [medeverdachte] niet naar de keuken heeft zien gaan en haar niets heeft horen zeggen in de trant van “We gaan, nu”.

Het gevecht

Verdachte heeft tijdens de reconstructie op 4 oktober 2007 verklaard dat hij respectievelijk met een mes, pepperspray, een hamer en vermoedelijk weer een mes werd aangevallen door het slachtoffer. Er werd geschreeuwd tijdens het gevecht in de woning. Verdachte wist eerst het mes af te pakken, heeft daarmee, verblind door de pepperspray, rondgezwaaid en het slachtoffer ook geraakt. Vervolgens kreeg hij de hamer te pakken, heeft met de hamer op het slachtoffer ingeslagen totdat hij hem niet meer voelde, en ging daarna de trap van de derde naar de tweede verdieping af. Hij wilde zo snel mogelijk het huis uit en heeft meerdere malen “help” geroepen. Toen hij bijna op de tweede verdieping was voelde hij een duw in zijn rug. Bij de voordeur op de tweede verdieping greep het slachtoffer hem vast en sloeg hem op het hoofd, waarna verdachte zich omdraaide. Tijdens de worsteling wisselden beiden van positie. Verdachte heeft het slachtoffer met de hamer tegen het achterhoofd, voorhoofd en gezicht geslagen. Het slachtoffer probeerde de slagen af te weren. Verdachte gleed de trap af naar de eerste verdieping. Het slachtoffer kwam weer achter hem aan en gaf hem een trap in zijn rug. Op de begane grond in het halletje ontstond weer een worsteling en werd er over en weer geslagen. Het licht ging uit en verdachte heeft de neus van het slachtoffer afgebeten. Hij heeft het slachtoffer drie maal naar beneden geduwd totdat hij geen weerstand meer voelde. Daarna heeft hij het licht weer aangedaan, heeft de hamer onder zijn jas gedaan en heeft het pand verlaten. Daarover nader ondervraagd heeft verdachte ter terechtzitting op 2 november 2007 verklaard dat hij uit alle macht de hand van [slachtoffer], waarmee hij dat scherpe voorwerp vast had, naar beneden heeft geduwd. Vervolgens heeft hij iets laten vallen, maar verdachte weet niet meer weet wat dat was, maar denkt dat dat best het mes kan zijn geweest. Tot slot merkt verdachte hierover op dat het best kan zijn dat de hals van [slachtoffer] hierdoor beneden in de hal is doorgesneden.

Op 11 april 2007 heeft verdachte verklaard dat hij tijdens het gevecht met mes en hamer een klap met de hamer heeft gekregen boven zijn wenkbrauw. Op de begane grond tijdens de worsteling in het halletje merkte verdachte dat er in zijn vingers werd gesneden.

Ter terechtzitting van 2 november 2007 heeft verdachte verklaard dat hij in de woonkamer met de hamer in het rond heeft geslagen en op een gegeven moment niets meer hoorde en naar het trapportaal liep. Het slachtoffer kwam achter hem aan en na een worsteling op de eerste verdieping zakte het slachtoffer in elkaar. Gevraagd naar het aanzienlijke verschil in de ernst van het opgelopen letsel tussen verdachte en slachtoffer heeft verdachte verklaard dat hij als een wilde om zich heen heeft geslagen en sloeg waar hij maar kon, terwijl het slachtoffer zich vooral moest verweren.

Door technisch onderzoek is onder meer het volgende naar voren gekomen.

Op het tapijt in de woonkamer zijn meerdere bloedspatten, -vegen en -vlekken aangetroffen, met name op het open stuk naast de salontafel. Daar wordt ook een vrij grote bloedvlek aangetroffen met daarop plukjes haar, foto’s 170 en 171. Deskundige [naam deskundige] stelt dat er in ieder geval één impact in vloeibaar bloed heeft plaatsgevonden in de buurt van de bloedvlek, op een hoogte van maximaal 50 centimeter. Hij verwijst naar foto’s 170 en 171 en stelt dat het op het tapijt aangetroffen bloedpoelpatroon is ontstaan doordat uit een bloedbron gedurende enige tijd bloed op het tapijt gestroomd of gedruppeld is. Het betreft bloed van het slachtoffer. De bloedspatten aangetroffen op de salontafel zijn afkomstig van ten minste één impact in bloed op een hoogte van 92,1 tot 99,8 centimeter. Ook hier gaat het om bloed van het slachtoffer.

Bij bloedspoorspatroononderzoek in het trappenhuis is een veegpatroon van bloed aangetroffen op de grond onderaan de trap van de derde naar de tweede verdieping, met daarin een schoenzoolafdruk, welke afdruk gezien het profiel niet van het slachtoffer kon zijn, die pantoffels zonder profiel had gedragen. Aannemende dat het om bloed van het slachtoffer ging, heeft eerst het slachtoffer zich op die plek bevonden en vervolgens de persoon die de schoenzoolafdruk heeft gezet. Het betreffende veegspoor kan, gezien het aantreffen van mogelijke haarsporen in het bloed en de in het veegspoor waargenomen karakteristieken, verklaard worden door bewegend contact met sterk bebloed haar. Het bewegende contact lijkt met enige kracht gepaard te zijn gegaan. Van dit veegspoor is een bemonstering veiliggesteld voor onderzoek onder nummer NFI-32/ETA464. Van de bedoelde bemonstering is een DNA-profiel verkregen dat matcht met dat van het slachtoffer [slachtoffer].

Ter terechtzitting van 23 april 2008 heeft verdachte, geconfronteerd met genoemde schoenafdruk in het bloed van het slachtoffer, verklaard dat het mogelijk is dat het slachtoffer soms enkele treden vóór verdachte liep.

In het eerdergenoemde technisch onderzoek in het trappenhuis staat onder andere beschreven het aantreffen van een veegspoor van sterk bebloed haar op het plafond van de derde verdieping (locatie 79, p. 5). Een deel van dit bloedspoor is onder nummer NFI-42/ETA470 veiliggesteld voor DNA-onderzoek. Ook worden geprojecteerde bloedspatten aangetroffen ter hoogte van de plint onderaan de trap van de derde naar de tweede verdieping (locatie 60 onder A). Een deel van dit bloedspoor is onder nummer NFI-41/ETA469 veiliggesteld voor DNA-onderzoek. Er is sprake geweest van een krachtsinwerking in vloeibaar bloed, laag bij de vloer (p. 9). Op locatie 60 onder D, in dezelfde hoek, is sprake geweest van een krachtsinwerking in vloeibaar bloed op een hoogte van maximaal 90 centimeter. Een deel van dit bloedspoor is onder de nummers NFI-37/ETA465, NFI-38/ETA466, NFI39/ETA467 en NFI40/ETA468 veiliggesteld voor DNA-onderzoek (p. 10). Tussen de muur en de balustrade is op de vloer een contactspoor aangetroffen. In dat contactspoor staat de afdruk van een bebloede schoenzool (p. 12). Aan de kopse kant van de balustrade op de tweede verdieping (locatie 55) wordt een spoor aangetroffen dat kan worden verklaard door bewegend contact met sterk bebloed haar. Het spoor bevindt zich op een hoogte van circa 65 centimeter. Een deel van dit bloedspoor is onder nummer NFI-31/ETA463 veiliggesteld voor DNA-onderzoek (p. 13). Iets verderop op de tweede verdieping wordt tegen de plint en op 35 centimeter hoogte een veegspoor van een bebloed oppervlak aangetroffen (p. 13). Op enkele treden op de trap van de eerste verdieping naar de begane grond is de afdruk van een bebloede schoenzool waargenomen (p. 22). De veiliggestelde bemonsteringen matchen alle met het bloed van het slachtoffer.

De conclusie van het onderzoek geeft ten slotte weer dat de bloedspoorpatronen beter kunnen worden verklaard door het uitoefenen van een geweldshandeling, bijvoorbeeld het slaan in vloeibaar bloed – waarvan het DNA-profiel matcht met het DNA-profiel van het slachtoffer [slachtoffer] -, dan door het uitademen/hoesten van bloed. Over de veegsporen staat er in de conclusie dat de karakteristieken in het bloed kunnen worden verklaard door (bewegend) contact met sterk bebloed hoofdhaar van het slachtoffer.

Op 23 april 2008 heeft verdachte ter terechtzitting verklaard dat het mogelijk is dat hij de gebeurtenissen op de verschillende etages door elkaar heeft gehaald.

Uit aanvullende vragen aan de patholoog komt naar voren dat het snijletsel in de hals van [slachtoffer] past bij een dader die het slachtoffer van achter heeft benaderd. Voorts heeft de patholoog opgemerkt dat het niet mogelijk is dat de letsels in de hals zijn veroorzaakt door duwen met een mes dan wel duwen tegen de hand van een andere persoon die een mes vasthoudt. De letsels in de hals zijn opgeleverd door steken en snijden met een of meer scherpe snijdende voorwerpen, zoals een of meer messen. Volgens de patholoog zijn de letsels in de hals het gevolg van “de keel doorsnijden”.

Na afloop van het gevecht

Ontmoeting verdachte en [medeverdachte]

Eenmaal buiten is [medeverdachte] volgens haar verklaring van 8 maart 2007 gelopen naar de auto, die een paar straten verderop stond, en heeft daar staan wachten op verdachte omdat ze de autosleutels niet had. Ze liep terug in de richting van de woning en wilde net de [adres] oversteken richting de woning toen verdachte eraan kwam. Hij was gewond. Ze liepen samen naar de auto en hij zei: “Jij moet rijden”. [medeverdachte] heeft naar huis gereden.

Verdachte verklaart op 11 april 2007 over het moment dat [medeverdachte] weer bij hem was dat hij buiten kwam en van links de stem van [medeverdachte] hoorde. Ze liepen nog een stukje over de stoep en zijn toen de [adres] schuin overgestoken richting de [adres]. Hij wilde dat [medeverdachte] reed, dus zij is naar huis gereden.

Verdachte heeft bij de reconstructie op 4 oktober 2007 verklaard dat hij [medeverdachte] halverwege het schuin oversteken van de straat tegenkwam. Op 2 november 2007 verklaarde verdachte ter terechtzitting dat hij [medeverdachte] tegenkwam nadat hij de weg schuin was overgestoken.

Twee buurvrouwen genaamd [getuige 1] en [getuige 2] van perceel [adres] en [adres] hebben twee personen samen in de buurt van de deur respectievelijk voor de deur van de [adres] gezien. Het gezicht en de handen van de man zaten onder het bloed. Getuige [getuige 1] heeft even daarvoor harde klappen en hulpgeroep gehoord en is toen naar beneden gelopen, naar de voordeur van de [adres]. Het licht in de gang was aan, ze zag bloedvlekken aan de binnenkant van de voordeur, en ze hoorde zacht hulpgeroep en geduw tegen de deur. Er waren geen andere personen in de directe nabijheid van de woning.

De kleding van verdachte en het gesprek na afloop over het gevecht

[medeverdachte] heeft op 8 maart 2007 verklaard dat zij de kleding van verdachte in de wasmand of in de wasmachine heeft gedaan.

Verdachte heeft op 11 april 2007 verklaard dat [medeverdachte] tegen hem had gezegd dat zij zijn kleding had weggegooid. Ter terechtzitting van 2 november 2007 heeft hij verklaard dat hij zelf zijn kleding heeft weggegooid.

[medeverdachte] heeft op 8 maart 2007 verklaard dat verdachte ondanks zijn verwondingen niet naar de dokter wilde. Ook heeft zij verklaard dat verdachte haar had verteld dat hij [slachtoffer] geslagen had, omdat die hem begon te rammen. Hoe ze waren gaan matten wist ze niet.

Verdachte heeft op 11 april 2007 verklaard dat hij [medeverdachte] in grove lijnen heeft verteld wat er was gebeurd.

Bloed op een pedaal in de auto

In de auto van verdachte, waarmee beiden op de bewuste avond naar [slachtoffer] zijn gereden, wordt met behulp van luminol een bloedspoor aan de onderkant van een pedaal getraceerd en veiliggesteld. Het bloed bevat kenmerken van [slachtoffer] en past niet in het DNA-profiel van verdachte en [medeverdachte].

Op 2 mei 2007 wordt [medeverdachte] in P.I. Nieuwersluis bezocht door haar tante, haar zus en haar dochtertje. Dit gesprek wordt opgenomen. In dit gesprek zegt [medeverdachte] over hun vertrek op

2 februari 2007 dat zij automatisch naar de passagierszijde liep en verdachte toen tegen haar had gezegd: “Nee jij moet rijden”, waarop zij de sleutels vroeg en instapte.

Verdachte verklaart op 11 april 2007 bij de rechter-commissaris dat [medeverdachte] is weggereden. Tijdens de reconstructie op 4 oktober 2007 verklaart verdachte dat hij, voordat ze wegreden naar huis, eerst automatisch op de bestuurdersplek van de auto is gaan zitten en zijn voet op het pedaal had gezet, maar zich toen realiseerde dat hij niet kon rijden, waarna [medeverdachte] op de bestuurdersplek heeft plaatsgenomen en naar huis is gereden. Ter terechtzitting van

2 november 2007 heeft verdachte verklaard dat hij ten tijde van het instappen en wegrijden nog zo veel last had van de pepperspray dat hij nauwelijks kon zien. Desgevraagd gaf verdachte aan desalniettemin wel in staat te zijn geweest zelf met zijn sleutels de portier van de auto te openen en achter het stuur te gaan zitten.

3.5. Overwegingen van de rechtbank

Noodweer(exces)

Om te bezien of het beroep op noodweer(exces) van verdachte slaagt, dient de rechtbank vast te stellen of aannemelijk is dat het doden van [slachtoffer] geboden was door de noodzakelijke verdediging. Nu de verklaring van verdachte op essentiële onderdelen niet wordt ondersteund door feiten dan wel de rechtbank de verklaring van verdachte op wezenlijke punten niet gelooft (mede in het licht van voornoemde feiten), zal de rechtbank het standpunt van verdachte niet volgen en zal zij derhalve het beroep op noodweer dan wel noodweerexces niet honoreren. Daartoe is de rechtbank gekomen op grond van het navolgende.

Ten eerste heeft verdachte op onderdelen verklaringen afgelegd die niet stroken met de feiten, zoals hieronder opgesomd:

- De datum van de ontvangst van het sms-je. Verdachte heeft verklaard dat hij dit op 2 februari 2007 ontving, terwijl dit op 30 januari 2007 is verstuurd en derhalve naar alle waarschijnlijkheid ook is ontvangen.

- Het gevecht in het trappenhuis. Verdachte heeft nimmer gemeld dat hij [slachtoffer] in het gevecht heeft geraakt lager dan op de hoogte van zijn hoofd, terwijl beiden rechtop stonden. Op de zitting van 23 april 2008 is specifiek aan verdachte voorgehouden hetgeen uit de bloedspattenonderzoeken naar voren is gekomen, zoals hierboven beschreven onder 3.4, ‘Het gevecht’. Verdachte heeft toen verklaard dat hij het zich niet goed meer kon herinneren omdat het inmiddels al lang geleden is, en dat hij blijft bij zijn eerdere verklaringen. Voorts heeft verdachte verklaard dat het een keer is voorgekomen in de achtervolging door [slachtoffer] dat hij met [slachtoffer] van positie is gewisseld, in die zin dat [slachtoffer] voor verdachte is komen te staan, namelijk bij een deur. Uit het bloedspattenonderzoek komt echter onder andere naar voren dat [slachtoffer] met bebloed haar in aanraking is gekomen op een hoogte van 65 cm op de tweede verdieping, dat sprake is van een contactspoor op de vloer en een veegspoor op een hoogte van 35 cm. Voorts is in ieder geval twee maal sprake van een krachtsinwerking in vloeibaar bloed, eenmaal laag bij de vloer en eenmaal op een hoogte van maximaal 90 centimeter.

- De neus van [slachtoffer] is afgesneden, terwijl verdachte verklaart dat hij deze heeft afgebeten.

- De hals van [slachtoffer] is doorgesneden, terwijl verdachte verklaart dat hij heeft geduwd tegen de arm van [slachtoffer].

Ten tweede verklaart verdachte wisselend en /of op bepaalde punten in strijd met verklaringen van medeverdachte en getuigen over de volgende zaken:

- [medeverdachte] heeft verklaard dat zij naar de keuken ging en dat [slachtoffer] daar tegen haar schreeuwde. Verdachte heeft daar naar eigen zeggen niets van gemerkt.

- [medeverdachte] heeft verklaard dat zij heeft gezegd: “Kom op we gaan”. Verdachte heeft verklaard dat hij het is geweest die dat heeft gezegd.

- Over het moment dat [medeverdachte] uit de woning vertrekt verklaarde verdachte eerst dat [medeverdachte] wegging voordat [slachtoffer] plotseling met een mes voor hem stond. Op 2 november 2007 verklaarde verdachte dat zij wegging nadat hij het mes van [slachtoffer] had afgepakt. Na nadere bevraging hierover verklaarde verdachte weer dat [medeverdachte] op dat moment al weg was.

- Het gevecht in de woning. Zowel tijdens de reconstructie als in zijn verklaringen bij de rechter-commissaris maakt verdachte er nimmer melding van dat [slachtoffer] op de grond heeft gelegen of dat hij [slachtoffer] op een lager punt heeft geraakt dan op of tegen diens hoofd terwijl hij rechtop stond. Op de zitting van 2 november 2007 heeft verdachte, eerst nadat hij werd geconfronteerd met het onderzoeksresultaat dat er in de woning respectievelijk op een hoogte van ongeveer 50 en 90 centimeter is geslagen, verklaard dat [slachtoffer] zich misschien op enig moment heeft gebukt en dat hij hem toen heeft geraakt.

- Het tegenkomen van [medeverdachte] op straat. Verdachte verklaart eerst dat hij [medeverdachte] toen bij buiten kwam links van zich hoorde en nog een stukje met haar over de stoep heeft gelopen en toen is overgestoken. Vervolgens verklaart verdachte dat hij [medeverdachte] tegenkwam halverwege het schuin oversteken en ten slotte verklaart hij dat hij haar tegenkwam nadat hij de weg schuin was overgestoken. De getuigen [getuige 1] en [getuige 2] hebben beiden twee personen gezien op de stoep aan hun zijde van de straat, bij de deur van nummer 30, zijnde de woning van [slachtoffer].

- Het instappen in de auto. [medeverdachte] en aanvankelijk ook verdachte hebben verklaard dat

- [medeverdachte] in de auto is gestapt en weggereden. Pas bij de reconstructie verklaart verdachte dat niet [medeverdachte] maar hijzelf als eerste op de bestuurdersplaats is gaan zitten en dat hij daarbij zijn voet op het pedaal heeft gezet. Verdachte meldde dit ongevraagd. Deze opmerking kwam de rechtbank kunstmatig en bedacht voor. Hierdoor is bij de rechtbank de indruk gewekt dat verdachte dit heeft verklaard om alsnog een uitleg te geven over de aanwezigheid van bloed van [slachtoffer] op het pedaal, daar waar niet hij, maar alleen [medeverdachte] zou hebben gereden.

- Het weggooien van de kleding. Verdachte verklaarde eerst dat [medeverdachte] tegen hem had gezegd dat zij zijn kleding had weggegooid. [medeverdachte] heeft verklaard dat zij de kleding in de wasmachine of wasmand heeft gedaan. Later verklaart verdachte dat hij zelf zijn kleding heeft weggegooid.

- Onderling over het gevecht. Volgens [medeverdachte] heeft verdachte haar niet meegedeeld hoe ze (verdachte en [slachtoffer]) waren gaan matten. Verdachte verklaart dat hij in grove lijnen aan [medeverdachte] heeft verteld wat er is gebeurd.

Bovengenoemde in samenhang bezien maakt dat de rechtbank verdachte niet kan volgen in zijn weergave van de feiten.

Allereerst valt op dat er een onverklaarbaar verschil in verklaringen bestaat over hetgeen is voorgevallen in de keuken. Verdachte kan niet uitleggen dat hij geen geluid heeft gehoord uit de keuken, terwijl [medeverdachte] daar is geweest (dat blijkt uit een telefoongesprek dat door [medeverdachte] is gevoerd, een afgeluisterd gesprek van [medeverdachte] in de gevangenis en uit het aantreffen van een dactyloscopisch spoor dat aan haar kan worden gekoppeld) en heeft gezegd dat [slachtoffer] tegen haar schreeuwde op dat moment. Evenmin kan verdachte een verklaring leveren voor het gegeven dat er bloedspatten zijn aangetroffen in de keuken. Daarbij is van belang dat de afstand tussen de woonkamer en de keuken zeer klein is. De keuken en de woonkamer zijn enkel van elkaar gescheiden door een smal gangetje, terwijl de deuren van de keuken en de woonkamer bijna recht tegenover elkaar liggen, zoals de rechtbank zelf heeft kunnen waarnemen tijdens de reconstructie. Dit geeft de rechtbank aanleiding te veronderstellen dat er iets is voorgevallen in de keuken, dat niet strekt in het voordeel van verdachte nu hij hierover niet verklaart, terwijl dit wel het startpunt is geweest van de ruzie die uitmondde in een gevecht. De rechtbank gaat daarom niet mee in de verklaring van verdachte over de aanvang van het gevecht, namelijk dat [slachtoffer] plotseling met een mes op hem afkwam en meteen begon te steken.

Dan volgen de wisselende verklaringen van verdachte over het gevecht - zowel in de woning als in het trappenhuis - waarbij in het oog springt dat verdachte naar het oordeel van de rechtbank steeds de indruk heeft gewekt dat het een gevecht betrof tussen twee rechtop staande personen, waarbij verdachte telkens werd achtervolgd en zich diende te verweren. Dit oordeel baseert de rechtbank op haar eigen waarneming van de reconstructie waarbij verdachte het gevecht verbeeldde met een stand-in voor het slachtoffer, alsmede op basis van het gegeven dat verdachte nimmer uit zichzelf heeft verklaard dat hij [slachtoffer], terwijl deze zich op de grond bevond of in ieder geval niet rechtop stond, heeft geslagen. Dit is evenwel niet te rijmen met de bloedspoorpatroononderzoeken, waaruit de rechtbank opmaakt dat [slachtoffer] twee keer in de woning en tweemaal in het trappenhuis is geslagen op een hoogte die in ieder geval lager lag dan respectievelijk 99.8 cm en circa 90 cm. Voorts leidt de rechtbank uit de onderzoeken af dat [slachtoffer] enkele malen een veegspoor heeft achtergelaten ter hoogte van de grond of iets daarboven. Daaruit concludeert de rechtbank dat het niet zo kan zijn dat [slachtoffer] gedurende het hele gevecht overeind is gebleven. In ieder geval is op een plaats, onderaan de trap van de tweede naar de derde verdieping sprake van een voetspoorafdruk in bloed van [slachtoffer], zodat verdachte daar kennelijk achter [slachtoffer] liep.

Verdachte volhardt in zijn verklaring over het afbijten van de neus van [slachtoffer] en het duwen tegen de arm van [slachtoffer], terwijl vaststaat dat op die wijze niet kan worden verklaard dat de neus van [slachtoffer] is afgesneden en de keel van [slachtoffer] is doorgesneden. Ook op deze punten spreekt verdachte dus niet de waarheid. Van belang is eveneens het grote verschil in letsel tussen verdachte en het slachtoffer. Daarover heeft verdachte op de zitting van 2 november 2007 verklaard: “Ik heb als een wilde om mij heen geslagen. [slachtoffer] heeft zich vooral moeten verweren. Ik sloeg waar ik maar kon.”

De volgende omstandigheden ondersteunen het gegeven dat verdachte geen volledige openheid van zaken geeft. Verdachte heeft na het gevecht de hamer onder zijn jas meegenomen. Verdachte heeft bij eerste confrontatie in het geheel ontkend ter plaatse te zijn geweest. Verdachte heeft nagelaten medische hulp te zoeken terwijl hij in de auto op de terugweg, naar eigen zeggen, buiten westen is geraakt en bovendien een flinke verwonding had aan zijn duim. Verdachte heeft er voor gekozen niet naar de politie te gaan na het gevecht met [slachtoffer]. De kleren die verdachte die avond droeg, zijn weggegooid.

Voorgenoemde omstandigheden zijn op zichzelf en zeker in samenhang bezien lastig te rijmen met de verklaring van verdachte dat hij louter uit zelfverdediging heeft gehandeld.

Al het voorgaande, in onderling verband en samenhang bezien, leidt naar het oordeel van de rechtbank tot de conclusie dat het niet verdachte is geweest die voor [slachtoffer] uit is gevlucht en zich telkens heeft verweerd tegen diens aanvallen. De rechtbank acht het op grond van de feiten aannemelijk dat juist verdachte de aanvallende partij is geweest. Een beroep op noodweer dan wel noodweerexces kan derhalve niet worden gehonoreerd.

Medeplegen

Hoewel eerdergenoemde tegenstrijdigheden en ongerijmdheden in de verklaring van verdachte en medeverdachte [medeverdachte] bij de rechtbank vragen oproepen ten aanzien van de rol van [medeverdachte], is niet komen vast te staan dat zij heeft deelgenomen aan het noodlottige gevecht tussen verdachte en [slachtoffer]. Geen van de verklaringen wijzen in die richting. In het trappenhuis zijn geen sporen van [medeverdachte] aangetroffen en er is niet gebleken dat zij enig letsel heeft opgelopen.

Betrokkenheid van [medeverdachte] zou kunnen worden afgeleid uit het gegeven dat zij op de bewuste avond is weggereden met de auto en er bloed van [slachtoffer] is aangetroffen op een van de pedalen van de auto. De rechtbank twijfelt aan het waarheidsgehalte van verdachtes verklaring dat hij eerst op de bestuurdersplaats is gaan zitten en een voet op een van de pedalen heeft gezet. Verdachte komt hier voor het eerst en ongevraagd mee ten tijde van de reconstructie en dan is hij inmiddels op de hoogte van het feit dat er bloed van [slachtoffer] op een pedaal is aangetroffen en dat [medeverdachte] heeft verklaard dat zij heeft gereden.

Uit bovenstaande blijkt echter niet en ook overigens is niet gebleken van dusdanige betrokkenheid van [medeverdachte] voorafgaande aan, tijdens of na afloop van de vechtpartij tussen verdachte en [slachtoffer] dat zij kan worden beschouwd als medepleger van hetgeen verdachte is telastegelegd.

Naar het oordeel van de rechtbank is gelet op het voorgaande geen sprake van medeplegen in de zin van artikel 47 van het Wetboek van Strafrecht.

Voorbedachte raad

De rechtbank overweegt dat geen sprake is van voorbedachte raad nu daarvoor onvoldoende bewijs is. De officier van justitie heeft hierover opgemerkt dat er in de woning meerdere, door onderbrekingen gescheiden, opeenvolgende handelingen hebben plaatsgevonden die waren gericht op de dood van het slachtoffer. De officier van justitie vindt hiervoor steun in een vonnis van de rechtbank Roermond (van 6 maart 2006 LJN: AV4000). Dat sprake is geweest van korte onderbrekingen in het gevecht is nog niet voldoende om kalm beraad en rustig overleg met betrekking tot de dood van de ander aan te nemen. Naar het oordeel van de rechtbank blijkt onvoldoende dat er sprake is geweest van zodanige momenten voor en/of tijdens de vechtpartij dat verdachte zodanig kon nadenken over zijn handelen dat sprake is geweest van kalm beraad en overleg.

3.6. De bewezenverklaring

Op grond van het bovenstaande acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte op 2 februari 2007 te Amsterdam opzettelijk [slachtoffer] van het leven heeft beroofd, immers heeft verdachte met dat opzet, met kracht met een scherp voorwerp de hals en de linker halsslagader en de linker halsader van die [slachtoffer] doorgesneden en de neus van die [slachtoffer] afgesneden en met kracht meermalen met een hard voorwerp op het hoofd van die [slachtoffer] geslagen, tengevolge waarvan voornoemde [slachtoffer] is overleden.

Voor zover in de telastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in zijn verdediging geschaad.

4. Het bewijs

4.1. De gebezigde bewijsmiddelen

De rechtbank grondt haar beslissing dat verdachte het bewezen geachte heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat, waarnaar middels voetnoten is verwezen onder 3.1. en 3.4.

5. De strafbaarheid van het feit en van verdachte

5.1. Beroep op noodweer(exces)

Namens verdachte is een beroep gedaan op noodweer dan wel noodweerexces, hetgeen zou moeten leiden tot ontslag van rechtsvervolging.

De rechtbank verwerpt het verweer op noodweer respectievelijk noodweerexces, gelet op hetgeen zij onder 3.5 heeft overwogen.

Niet is gebleken derhalve van feiten of omstandigheden die de strafbaarheid van verdachte geheel uitsluiten. Verdachte is dan ook strafbaar.

6. Motivering van de straf en maatregel

De officier van justitie heeft bij requisitoir gevorderd dat verdachte ter zake van het door haar bewezen geachte feit (medeplegen van moord) zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 14 jaar, met aftrek van voorarrest. Tevens heeft de officier van justitie gevorderd dat de vordering van de benadeelde partij wordt toegewezen, behoudens het deel van de vordering met betrekking tot de huurkosten van de woning, onder oplegging van de schadevergoedingsmaatregel zoals bedoeld in artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht.

De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen geachte, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals van een en ander ter terechtzitting is gebleken.

De rechtbank heeft bij de keuze tot het opleggen van een vrijheidsbenemende straf en bij de vaststelling van de duur daarvan in het bijzonder het volgende laten meewegen.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan doodslag, waarbij het slachtoffer [slachtoffer] eerst met messteken en hamerslagen is verwond in de woonkamer en gedurende een achtervolging van de derde verdieping naar de begane grond vreselijk is toegetakeld. Uit de bloedbeelden in de woning en het trappenhuis blijkt dat het [slachtoffer] zich meerdere malen met het hoofd op lagere hoogte bevond toen hij werd geslagen. Uiteindelijk heeft verdachte op de begane grond de neus van [slachtoffer] afgesneden en zijn keel doorgesneden, waarna hij is overleden. Een zo gewelddadig delict als het onderhavige heeft een enorme impact op de nabestaanden van [slachtoffer], zoals ook is gebleken uit de slachtofferverklaring die de dochter van [slachtoffer] ter terechtzitting van 2 november 2007 heeft afgelegd.

Verdachte heeft meerdere malen geweigerd mee te werken aan de totstandkoming van psychologische en psychiatrische rapportage. Nu niet is gebleken van enige mate van ontoerekeningsvatbaarheid bij verdachte ten tijde van het plegen van het bewezen verklaarde feit, rekent de rechtbank verdachte het gepleegde delict dan ook ten volle aan. Voor de beoordeling van de strafmaat dient de rechtbank zich rekenschap te geven van straffen die eerder in soortgelijke gevallen zijn opgelegd.

In het voordeel van verdachte houdt de rechtbank er rekening mee dat verdachte niet eerder voor soortgelijke zaken met justitie in aanraking is geweest. Voorts slaat de rechtbank acht op het feit dat verdachte niet welbewust dit gruwelijke feit heeft gepland en vervolgens heeft gepleegd. Verdachte heeft het contact met [slachtoffer] gezocht om over de omgangsregeling van [biologische dochter slachtoffer] te spreken. Wat vervolgens de aanleiding van het gevecht ook is geweest – zoals gezegd geven verdachte en [medeverdachte] hierover geen volledige openheid van zaken – vast staat dat de situatie in de woning van [slachtoffer] uit de hand is gelopen met als vreselijk gevolg het overlijden van [slachtoffer].

Gelet op het vorenstaande acht de rechtbank een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van na te noemen duur passend en geboden.

De rechtbank ziet mede in de partiële vrijspraak ten aanzien van het medeplegen en de voorbedachte raad aanleiding om bij de straftoemeting af te wijken van hetgeen door de officier van justitie is gevorderd.

Ten aanzien van de benadeelde partij [slachtoffer] en de schadevergoedingsmaatregel

Uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat een deel van de vordering van de benadeelde partij [nabestaande slachtoffer] van zo eenvoudige aard is dat zij zich leent voor de behandeling in dit strafgeding. Tevens is komen vast te staan dat de benadeelde partij als gevolg van het hiervoor bewezen geachte feit rechtstreeks schade heeft geleden. De rechtbank waardeert deze op een bedrag van € 8.323,92 (achtduizend driehonderd drieëntwintig euro en tweeënnegentig cent). De vordering kan dan ook tot dat bedrag worden toegewezen. Voorts dient de verdachte te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog zal maken.

In het belang van [nabestaande slachtoffer] voornoemd wordt, als extra waarborg voor betaling aan laatstgenoemde, de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht aan verdachte opgelegd.

Het deel van de vordering van de benadeelde partij betreffende de inboedelschade à € 3.500,-is niet van zo eenvoudige aard dat dit zich leent voor behandeling in dit strafgeding. Gelet hierop zal de rechtbank bepalen dat de benadeelde partij in dat deel van de vordering niet-ontvankelijk is. De benadeelde partij kan dat deel van de vordering bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

De vordering van de benadeelde partij wordt afgewezen voor het deel betreffende de voortgezette huur van de woning à € 4.700,- omdat de kosten hiervan reeds zijn vergoed door het openbaar ministerie.

7. Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 36f en 287 van het Wetboek van Strafrecht.

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.

8. Beslissing

Verklaart bewezen dat verdachte het telastegelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 3 is aangegeven.

Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is telastegelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Het bewezen verklaarde levert op:

Doodslag

Verklaart het bewezene strafbaar.

Verklaart verdachte, [verdachte], daarvoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 8 jaar.

Beveelt dat de tijd die door veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van die straf in mindering gebracht zal worden.

Wijst de vordering van de benadeelde partij [nabestaande slachtoffer], wonende op het adres [adres], toe tot een bedrag van € 8.323,92 (achtduizend driehonderd drieëntwintig euro en tweeënnegentig cent), te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade tot aan de dag van de algehele voldoening.

Veroordeelt verdachte aan [nabestaande slachtoffer] voornoemd, het toegewezen bedrag te betalen.

Veroordeelt verdachte voorts in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil.

Bepaalt dat de benadeelde partij voor een deel, groot € 3.500,- niet-ontvankelijk in zijn vordering is, en dat de vordering voor een deel, groot € 4.700,- wordt afgewezen.

Legt aan verdachte de verplichting op, aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer

[nabestaande slachtoffer], te betalen de som van € 8.323,92 (achtduizend driehonderd drieëntwintig euro en tweeënnegentig cent), te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade tot aan de dag van de algehele voldoening, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door hechtenis voor de duur van 166 dagen, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de hiervoor opgelegde verplichting niet opheft.

Bepaalt dat, indien en voorzover verdachte heeft voldaan aan een van voornoemde betalingsverplichtingen, daarmee de andere is vervallen.

Dit vonnis is gewezen door

mr. G.P.C. Janssen, voorzitter,

mrs. R.M. Troost en S.E. Sijsma, rechters,

in tegenwoordigheid van L. Creuwels, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 14 mei 2008.