Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2008:BD0717

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
29-04-2008
Datum publicatie
29-04-2008
Zaaknummer
13/527267-07
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Jeugdige verdachte veroordeeld voor doodslag op eigenaar avondwinkel Amstelveen.

De rechtbank Amsterdam heeft de 16-jarige verdachte A.Z. veroordeeld tot een gevangenisstraf van drie jaar en TBS. Verdachte is niet alleen veroordeeld voor poging diefstal met geweld en doodslag op de eigenaar van de avondwinkel in Amstelveen, maar ook voor twee andere roofovervallen op winkeliers. De rechtbank acht het meerderjarigenstrafrecht van toepassing gezien de ernst van het feit, de omstandigheden waaronder het feit is begaan en de persoonlijkheid van verdachte.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RFR 2008, 97

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Parketnummer: 13/527267-07

Datum uitspraak: 29 april 2008

op tegenspraak

VONNIS

van de rechtbank [geboorteplaats], meervoudige strafkamer, in de strafzaak tegen

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [voorjaar 1991], ingeschreven in de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens op het adres [adres], gedetineerd in de justitiële jeugdinrichting “Eikenstein” te Zeist.

De rechtbank heeft beraadslaagd naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen van 14 april 2008 en 15 april 2008.

1. Telastelegging

Aan verdachte is telastegelegd hetgeen staat omschreven in de dagvaarding, waarvan een kopie als bijlage 1 aan dit vonnis is gehecht. De in die dagvaarding vermelde telastelegging geldt als hier ingevoegd.

2. Voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, met inachtneming van hetgeen hieronder omtrent het telastegelegde onder 2 is overwogen, dat zij bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat de officier van justitie ontvankelijk is in haar vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

De dagvaarding dient voor wat betreft het onder 2 telastegelegde nietig te worden verklaard. Het onder 2 telastegelegde bevat immers, naast het als hoofdzakelijk kwalificatief te duiden inleidende zinsdeel, waarin kortgezegd de poging afpersing te laste wordt gelegd, vervolgens een daarmee strijdige opgave van feiten door in de feitelijke omschrijving als de uitvoeringshandeling enkel en alleen het met een mes steken van het slachtoffer te noemen. Daardoor kan de rechtbank niet vaststellen onder welk strafbaar feit de hier verweten gedraging dient te worden gebracht. Dit klemt te meer, nu bij de vermelding van de wettelijke voorschriften waarbij het feit is strafbaar gesteld artikel 312 in samenhang met artikel 317 van het Wetboek van Strafrecht wordt genoemd.

Deze nietigverklaring zal verder niet van invloed zijn op de strafmaat, nu de feiten 1 en 2, ware feit 2 niet nietig verklaard en vervolgens wel bewezen verklaard, geacht worden ex artikel 56 van het Wetboek van strafrecht een voortgezette handeling op te leveren.

3. Waardering van het bewijs

3.1. Overwegingen omtrent het onder feit 1 en feit 2 telastegelegde:

Op grond van de verklaring van verdachte zoals ter terechtzitting afgelegd stelt de rechtbank vast dat verdachte op 9 augustus 2007 te Amstelveen ter uitvoering van de poging tot beroving bij de deur van de avondwinkel zijn mes heeft opengeklapt, vervolgens de winkel is binnen gegaan en daarbij het mes voor zich uit heeft gehouden met de punt naar voren en dreigend heeft gezegd dat het latere slachtoffer geld moest geven. Het slachtoffer heeft daarop de kassa op de grond gegooid. Op het moment dat verdachte de kassa wilde oppakken, werd hij door het slachtoffer vastgepakt om zijn hals. Verdachte is daardoor in paniek geraakt en heeft geprobeerd los te komen. Al worstelend met het slachtoffer heeft verdachte het slachtoffer twee maal gestoken, de eerste keer binnen de winkel, de tweede keer buiten voor de winkel. Blijkens het sectierapport is het slachtoffer daarbij geraakt in de borst en rechterlong. Nadat hij het slachtoffer voor de tweede keer had gestoken, kon verdachte loskomen. Verdachte heeft verklaard dat hij van tevoren niet had bedacht om te gaan steken, omdat hij niet had gerekend op verzet van het slachtoffer. Hoewel verdachte ter terechtzitting heeft verklaard dat hij zich voorafgaande aan het steken een keuzemoment (ik steek en ik kan wegkomen of ik steek niet en ik zal aan de politie worden overgedragen) niet kan herinneren, acht de rechtbank het op grond van bovenstaande aannemelijk geworden dat verdachte heeft gestoken om te kunnen vluchten, om zich straffeloosheid te verzekeren. Verdachte heeft immers ook verklaard: “...ik wilde de winkel uit…ik dacht alleen maar aan wegkomen…” Uit het sectierapport blijkt dat het slachtoffer als gevolg van het handelen van verdachte is overleden door ernstig zuurstofgebrek als gevolg van uitval van functionerend longweefsel en ernstig bloedverlies.

Op grond van het voorgaande acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen hetgeen onder feit 1 is telastegelegd. Daarbij is de rechtbank van oordeel dat sprake is geweest van voorwaardelijk opzet. Van voorwaardelijk opzet is sprake indien iemand zich willens en wetens heeft blootgesteld aan de aanmerkelijke kans dat een bepaald gevolg, in casu de dood van het slachtoffer, zal intreden. Het zal moeten gaan om een kans die naar algemene ervaringsregelen aanmerkelijk is te noemen. Voor de vaststelling dat de verdachte zich willens en wetens heeft blootgesteld aan zulk een kans is niet alleen vereist dat hij wetenschap had van de aanmerkelijke kans dat het slachtoffer zou kunnen overlijden, maar ook dat hij die kans ten tijde van de gedraging bewust heeft aanvaard. Daarbij komt betekenis toe aan de aard van de verweten gedraging en de omstandigheden waaronder deze is verricht.

Op grond van de hiervoor weergegeven omstandigheden, het tijdens een worsteling van dichtbij steken in de borst en rechterlong van het slachtoffer, en het feit dat het steken met een mes in genoemde vitale delen van het lichaam, naar algemene ervaringsregels een aanmerkelijke kans op de dood in het leven roept, is de rechtbank van oordeel dat verdachte zich willens en wetens heeft blootgesteld aan de kans dat het slachtoffer als gevolg van zijn handelingen zou komen te overlijden, welk gevolg ook daadwerkelijk is ingetreden.

Ingeval de rechtbank niet zou zijn gekomen tot nietigverklaring van het telastegelegde onder 2, zou de rechtbank zijn gekomen tot vrijspraak van hetgeen hier te laste is gelegd, aangezien het onder feit 2 telastegelegde niet aansluit bij de feiten en omstandigheden zoals door de rechtbank hiervoor zijn vastgesteld, nu in de telastelegging het steken van het slachtoffer als feitelijke uitvoeringshandeling van de poging tot afpersing staat opgenomen, terwijl het steken heeft plaats gevonden om de vlucht mogelijk te maken

3.2. De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte

ten aanzien van feit 1:

op 09 augustus 2007 te Amstelveen opzettelijk [slachtoffer 1] van het leven heeft beroofd, immers heeft verdachte met dat opzet voornoemde [slachtoffer 1] twee malen met een mes in de borst en de rechterlong gestoken, tengevolge waarvan voornoemde [slachtoffer 1] is overleden, welke vorenomschreven doodslag werd voorafgegaan van enig strafbaar feit, te weten een poging tot diefstal met geweld, en welke doodslag werd gepleegd met het oogmerk om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf straffeloosheid te verzekeren;

ten aanzien van feit 3:

op 07 augustus 2007 te Amstelveen met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een mobiele telefoon van het merk Nokia, toebehorende aan [slachtoffer 2], welke diefstal werd voorafgegaan en vergezeld en gevolgd van geweld en bedreiging met geweld tegen voornoemde [slachtoffer 2], gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken en om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf de vlucht mogelijk te maken en het bezit van het gestolene te verzekeren,

en

met het oogmerk om zich wederrechterlijk te bevoordelen door geweld en bedreiging met geweld [slachtoffer 2] heeft gedwongen tot de afgifte van 600 euro, toebehorende aan voornoemde [slachtoffer 2] en kledingwinkelbedrijf [naam bedrijf],

welk geweld en welke bedreiging met geweld hierin bestonden dat hij, verdachte,

- voornoemd winkelbedrijf is binnengegaan, en

- met een mes in zijn hand dicht bij voornoemde [slachtoffer 2] is gaan staan, en

- voornoemd mes in de richting van het lichaam van voornoemde [slachtoffer 2] heeft gehouden en

- daarbij voornoemde [slachtoffer 2] de woorden heeft toegevoegd: "Waar is de kluis" en "Waar heb je geld" en

- vervolgens tegen voornoemde [slachtoffer 2] heeft gezegd dat zij naar de aldaar aanwezige toiletruimte moest gaan en dat zij in die ruimte op de knieën op grond moest gaan zitten of liggen, en

- de aldaar aanwezige keuken heeft doorzocht en vervolgens voornoemde [slachtoffer 2] de woorden heeft toegevoegd: "Kom hier en pak het!" en "Ga terug" en "Ga op je buik op de grond liggen en doe je handen kruisen op je rug" en

- vervolgens de handen van voornoemde [slachtoffer 2] met tape heeft vastgebonden en vervolgens de voeten van voornoemde [slachtoffer 2] met tape heeft vastgebonden en de mond van voornoemde [slachtoffer 2] met tape heeft afgeplakt;

ten aanzien van feit 4:

op 07 augustus 2007 te Amstelveen opzettelijk [slachtoffer 2] wederrechtelijk van de vrijheid heeft beroofd en beroofd gehouden, doordat hij, verdachte

- kledingwinkelbedrijf [naam bedrijf], gelegen aan de [adres], waar voornoemde [slachtoffer 2] als eigenares aanwezig was, is binnengegaan, en

- met een mes in zijn, verdachtes, hand dicht bij voornoemde [slachtoffer 2] is gaan staan, en

- voornoemd mes in de richting van het lichaam, van voornoemde [slachtoffer 2] heeft gehouden, en

- daarbij voornoemde [slachtoffer 2] de woorden heeft toegevoegd: "Waar is de kluis" en "Waar heb je geld" en

- vervolgens tegen voornoemde [slachtoffer 2] heeft gezegd dat zij naar de aldaar aanwezige toiletruimte moest gaan en dat zij in die ruimte op de knieën op grond moest gaan zitten of liggen, en

- de aldaar aanwezige keuken heeft doorzocht en vervolgens voornoemde [slachtoffer 2] de woorden heeft toegevoegd: "Kom hier en pak het!" en "Ga terug" en "Ga op je buik op de grond liggen en doe je handen kruisen op je rug" en

- vervolgens de handen van voornoemde [slachtoffer 2] met tape heeft vastgebonden en vervolgens de voeten van voornoemde [slachtoffer 2] met tape heeft vastgebonden en de mond van voornoemde [slachtoffer 2] met tape heeft afgeplakt;

ten aanzien van feit 5:

op 16 juli 2007 te Zaandam, gemeente Zaanstad, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen 270 euro, toebehorende aan winkelbedrijf Lidl [filiaal], welke diefstal werd voorafgegaan en vergezeld van bedreiging met geweld tegen [slachtoffer 3], gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken en welke bedreiging met geweld hierin bestond dat hij, verdachte,

- een vuurwapen dicht tegen het hoofd van voornoemde [slachtoffer 3] gericht heeft gehouden, en

- vervolgens voornoemde [slachtoffer 3] daarbij dreigend de woorden heeft toegevoegd: "Geld, geld!".

Voorzover in de telastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in zijn verdediging geschaad.

4. Het bewijs

De gebezigde bewijsmiddelen.

De rechtbank grondt haar beslissing dat verdachte het bewezen geachte heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat, te weten:

Ten aanzien van het onder feit 1 bewezen geachte:

1. De bekennende verklaring die verdachte ter terechtzitting heeft afgelegd zoals neergelegd in het proces-verbaal van die terechtzitting.

2. Een verslag, nummer 2007.08.10.085 van het Nederlands Forensisch Instituut, d.d. 26 september 2007, sectienummer 2007-302/M063, opgemaakt door de beëdigde deskundige A. Maes, arts en patholoog-anatoom.

Ten aanzien van het onder feit 3 en feit 4 bewezen geachte:

3. De bekennende verklaring die verdachte ter terechtzitting heeft afgelegd zoals neergelegd in het proces-verbaal van die terechtzitting.

4. Een ambtsedig proces-verbaal nummer 2007214085-1 d.d. 7 augustus 2007 opgemaakt door R.A. Heslenfeld, hoofdagent van de regiopolitie Amsterdam-Amstelland, wijkteam Amstelveen-Zuid inhoudende de verklaring van aangeefster [slachtoffer 2] (de rechtbank leest: [naam slachtoffer 2]), doorgenummerde pagina 384 e.v.

Ten aanzien van het onder feit 5 bewezen geachte:

5. De bekennende verklaring die verdachte ter terechtzitting heeft afgelegd zoals neergelegd in het proces-verbaal van die terechtzitting.

6. Een ambtsedig proces-verbaal nummer PL1100/07-053046 d.d. 16 juli 2007 opgemaakt door R.B.M. ten Berge, brigadier van de regiopolitie Zaanstreek-Waterland, inhoudende de verklaring van aangeefster [slachtoffer 3], doorgenummerde pagina 359 e.v.

7. Een ambtsedig proces-verbaal nummer PL1100/07-053075 d.d. 16 juli 2007 opgemaakt door M. Stam-in ‘t Veld, brigadier van de regiopolitie Zaanstreek-Waterland, inhoudende de verklaring van aangever [persoon 1], doorgenummerde pagina 362 e.v.

5. De strafbaarheid van de feiten

De bewezen geachte feiten zijn volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.

6. De strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.

7. Motivering van de straffen en maatregelen

De officier van justitie heeft bij requisitoir gevorderd dat verdachte ter zake van de door haar bewezen geachte feiten 1, 2, 3, 4 en 5 met toepassing van het meerderjarigenstrafrecht zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 6 jaren, met aftrek van voorarrest, en tot de maatregel van terbeschikkingstelling met dwangverpleging.

Ten aanzien van de vorderingen benadeelde partij heeft de officier van justitie gevorderd:

- gedeeltelijke toewijzing van de vordering van [nabestaande slachtoffer 1] tot een bedrag van € 4802,16;

- niet-ontvankelijk verklaring van de vordering van [persoon 2];

- gehele toewijzing van de vordering van [slachtoffer 2];

- gehele toewijzing van de vordering van de Lidl;

- gedeeltelijke toewijzing van de vordering van [slachtoffer 3] tot een bedrag van € 700,-,

telkens met toepassing van de schadevergoedingsmaatregel ex artikel 36f Wetboek van strafrecht.

Ten aanzien van de lijst met in beslag genomen goederen, waarvan een kopie als bijlage 2 aan dit vonnis is gehecht, heeft de officier van justitie gevorderd:

- verbeurdverklaring van de nummers 9, 28, 29, 30, 31, 32 , 33 , 34, 35, 36, 37, 38 , 39, 40, 41, 42, 43, 44, 46, 47, 48, 49, 50, 51, 52, 53, 54, 55, 56;

- onttrekking aan het verkeer van de nummers 2 en 45;

- teruggave aan V&D van nummer 68;

- teruggave aan [persoon 3] van de nummers 58, 59, 60, 61, 62, 63, 64, 65, 66, 67;

- teruggave aan de nabestaanden van [sl[slachtoffer 1], te weten [nabestaande slachtoffer 1] en/of [persoon 2], van de nummers 1, 3, 4, 5, 6, 7, 8, 10, 11, 12, 13, 14, 15, 16, 17, 18, 19, 20, 22, 23, 24, 25, 26, 27.

De rechtbank heeft de hierna te noemen op te leggen straf en maatregel bepaald in overeenstemming met de ernst van de bewezen geachte feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en de persoon van verdachte, zoals van een en ander ter terechtzitting is gebleken.

Daarbij heeft de rechtbank in het bijzonder het volgende laten meewegen.

Nadat verdachte zich bij gelegenheid van een begeleid verlof heeft onttrokken aan zijn begeleider en op die manier aan de opname in de accommodatie voor gesloten jeugdzorg ‘De Koppeling’ op 14 juli 2007 heeft verdachte zich schuldig gemaakt aan een tweetal gewelddadige roofovervallen op winkeliers en een poging tot overval met dodelijke afloop.

Bij de overval die verdachte op 9 augustus 2007 heeft getracht te plegen op een avondwinkel in Amstelveen heeft het slachtoffer zich niet zonder meer laten beroven en verdachte vastgepakt toen deze een greep naar de kassa deed. Vervolgens is het slachtoffer door verdachte twee malen met een mes in de borst en rechterlong gestoken en aan de gevolgen van zijn verwondingen overleden. Gekwalificeerde doodslag is één van de ernstigste delicten uit het Wetboek van Strafrecht en wordt daarom bedreigd met levenslange gevangenisstraf. Verdachte heeft het slachtoffer zijn meest kostbare bezit, het leven, ontnomen. Aan de nabestaanden van het slachtoffer is onzegbaar en onherstelbaar leed toegebracht, zoals ook door de dochter van het slachtoffer ter terechtzitting onder woorden is gebracht. Een dergelijk delict schokt de rechtsorde diep en brengt bij burgers gevoelens van angst en onveiligheid teweeg.

Dit laatste geldt evenzeer voor de twee andere delicten die verdachte heeft gepleegd. Gewapend met een mes heeft verdachte een eigenaresse van een kledingwinkel in Amstelveen bedreigd, haar gedwongen tot afgifte van geld, haar mobiele telefoon gestolen en haar vervolgens in het toilet met tape vastgebonden. Tot slot heeft verdachte een kassamedewerkster van een filiaal van de Lidl in Zaandam bedreigd met een vuurwapen en geld uit de kassa weggenomen. Het plegen van overvallen op winkels heeft in de huidige samenleving een enorme vlucht genomen en is met name voor de kleine zelfstandige winkeliers steeds vaker een reden om hun zaak te sluiten.

In zijn zucht naar geld en materiële behoeftebevrediging is verdachte op een roekeloze en nietsontziende wijze omgesprongen met de gevoelens en levens van de slachtoffers. Het gemak waarmee hij van het plegen van overvallen zijn levenstijl heeft gemaakt, baart de rechtbank ernstig zorgen.

De rechtbank heeft rekening gehouden met de omstandigheid dat verdachte blijkens een uittreksel uit het Justitieel Documentatieregister d.d. 3 oktober 2007 eerder is veroordeeld ter zake van vermogens- en geweldsdelicten.

Voorts heeft de rechtbank acht geslagen op de navolgende rapportage:

- een rapport van het Multidisciplinair psychodiagnostisch onderzoek pro justitia d.d. 23 november 2007, opgesteld door onder meer de kinder- en jeugdpsychiater drs. Ph.L. Teepe en de GZ-psycholoog drs. P.P.L.J. Wentink;

- een rapport van de Raad voor de Kinderbescherming d.d. 4 april 2008;

- een rapport van de gezinsvoogd dhr. K. Redouani van Bureau Jeugdzorg Agglomeratie Amsterdam d.d. 8 april 2008;

- de Ketenkaart van verdachte d.d. 10 april 2008.

De psychiater en de psycholoog zijn tot de navolgende bevindingen en advisering gekomen. Daarbij zijn de deskundigen in het bijzonder uitgegaan van het telastegelegde met betrekking tot de poging tot overval met dodelijke afloop.

Bij verdachte is sprake van een gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogens. Deze valt te omschrijven als een scheefgroei in de persoonlijkheidsontwikkeling met antisociale trekken. Er worden geen aanwijzingen gevonden voor een ziekelijke stoornis van de geestvermogens. De geconstateerde ernstige gedragsstoornis is de uiterlijke verschijningsvorm van de scheefgroei in de persoonlijkheidsontwikkeling. De gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogens moet ook al aanwezig zijn geweest ten tijde van het hem telastegelegde.

De gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogens beïnvloedde de gedragskeuzes c.q. gedragingen ten tijde van het telastegelegde in belangrijke mate en wel zodanig dat het telastegelegde daaruit mede verklaard kan worden. In het telastegelegde komen de volgende aspecten naar voren: de neiging tot stelen (om zo te voorzien in zijn levensonderhoud) en de regels te overtreden, de egocentrische gerichtheid op materiële wensvervulling, het gebrek aan empathie en / of medegevoel met het slachtoffer en de gebrekkige gewetensontwikkeling. Deze aspecten zijn persoonlijkheidskenmerken die ten tijde van het telastegelegde een substantiële rol hebben gespeeld. Dit was in dusdanige mate het geval dat hij voor zijn handelen ten tijde van het telastegelegde slechts in verminderde mate toerekeningsvatbaar kan worden geacht.

Van belang voor de kans op recidive zijn alle bovengenoemde persoonlijkheidskenmerken, met name de gebrekkige gewetensontwikkeling en de egocentrische gerichtheid op materiële wensvervulling. Andere factoren die in ogenschouw dienen te worden genomen bij het inschatten van de kans op recidive zijn het ontbreken van een gestructureerde dagbesteding en het ontbreken van voldoende pedagogische structuur en controle in de thuissituatie waardoor moeder weinig zicht en invloed heeft op het gedrag van verdachte buitenshuis. De ongunstige sociale omstandigheden in de woonomgeving worden eveneens mede geacht van invloed te zijn op de kans op recidive. Door de combinatie van individuele risicofactoren en het ontbreken van protectieve factoren moet de kans op herhaling van delicten als sterk verhoogd worden ingeschat. Met name het gegeven dat verdachte zich heeft onttrokken aan zijn residentiële behandeling en in die periode opnieuw tot het plegen van in ieder geval een delict, mogelijk meerdere delicten, is gekomen, wordt als uitermate zorgwekkend ingeschat.

In de persoonlijkheid van verdachte worden argumenten gevonden die aanleiding zijn tot advisering van toepassing van het strafrecht voor volwassenen in zijn strafzaak. Het ontbreekt hem aan bindingsmogelijkheid aan andere mensen, er is sprake van emotionele verharding en onverschilligheid, het ontbreekt aan inzicht in de eigen problematiek en er is geen ziektebesef of lijdensdruk. Bovendien zijn de anti sociale gedragspatronen inmiddels diep ingeslepen in zijn persoonlijkheid. Het gegeven dat hulpverlening in ambulant en / of residentieel kader binnen jeugdinrichtingen ontoereikend is gebleken om verdachte ervan te weerhouden strafbare feiten te plegen c.q. het niet gelukt is om tot een ombuiging in zijn ontwikkeling te komen, maakt de prognose ten aanzien van het zich verder te ontwikkelen gedrag uiterst somber. Een en ander wordt nog versterkt door de uitgesproken negatieve attitude van verdachte ten aanzien van de residentiele behandelingen tot nu toe. Hij heeft zich dan ook meerdere malen aan behandeling onttrokken.

Verdachte komt uit het persoonlijkheidsonderzoek naar voren als een jongen die in persoonlijk en maatschappelijk opzicht steeds meer aan het vastlopen is en bij wie sprake is van een scheefgroei in zijn zich ontwikkelende persoonlijkheid. De contouren van een persoonlijkheid(sstoornis) in antisociale zin zijn inmiddels duidelijk zichtbaar.

Verdachte heeft behandeling nodig. Gezien de plaatsingen die er al geweest zijn en het geringe effect die dit alles heeft gesorteerd qua behandeling, het gebrek aan motivatie voor het accepteren van hulp, in combinatie met de ernst van de persoonlijkheidsstoornis in ontwikkeling, wordt dezerzijds niet (meer) verwacht dat verdachte voldoende zal weten te profiteren van een (gedwongen) residentiele behandeling in het justitiële jeugdveld. Bovendien eindigt de maatregel van plaatsing in een inrichting voor jeugdigen na zes jaar. Niet verwacht wordt dat deze termijn voldoende zal zijn voor een behandeling van zijn stoornis c.q. persoonlijkheidsproblematiek. Het toepassen van overwegend orthopedagogische behandelingsinterventies (zoals te doen gebruikelijk in een justitiële jeugdinrichting) wordt als onvoldoende gezien voor de behandeling van zijn stoornis c.q. het leren zich sociaal en emotioneel anders te verhouden tot zijn medemensen.

Plaatsing in een TBS instelling, waar de behandeling meer is toegesneden op het behandelen van delinquenten met een persoonlijkheidsstoornis (in ontwikkeling) wordt noodzakelijk gevonden voor verdachte. Verdachte wordt zodanig recidief gevaarlijk geacht dat ter bescherming van zijn medeburgers wordt geadviseerd hem de maatregel van TBS met dwangverpleging op te leggen.

De Raad voor de Kinderbescherming en de gezinsvoogd ondersteunen het advies van de deskundigen.

Ter terechtzitting hebben de psychiater en de psycholoog het rapport nader toegelicht en hun advies gehandhaafd.

Toepassing strafrecht voor meerderjarigen

De rechtbank neemt de bevindingen en conclusies van de deskundigen met betrekking tot de geestvermogens, de persoonlijkheidsstructuur, de verminderde toerekeningsvatbaarheid en de grote kans op recidive over en maakt die tot de hare.

De vraag die thans beantwoording behoeft is of het minderjarigen- dan wel het meerderjarigenstrafrecht dient te worden toegepast.

Hoofdregel in titel VIIIA van boek 1 van het Wetboek van Strafrecht is dat de jeugdige verdachte, die ten tijde van het plegen van de feiten 16 of 17 jaren oud was, wordt gestraft volgens het minderjarigenstrafrecht, tenzij de ernst van het feit, de omstandigheden waaronder het feit is begaan of de persoonlijkheid van de verdachte aanleiding geven tot toepassing van het meerderjarigenstrafrecht.

De rechtbank acht in de onderhavige zaak toepassing van het meerderjarigenstrafrecht aangewezen en zal aan artikel 77b van het Wetboek van strafrecht toepassing geven.

Daartoe vindt de rechtbank gronden in:

- de ernst van de bewezen verklaarde feiten in het bijzonder feit 1: de gekwalificeerde doodslag op de avondwinkelier;

- de omstandigheden waaronder laatstgenoemd feit is gepleegd: in een avondwinkel op een tijdstip dat er zich klanten en voorbijgangers in de buurt van de winkel bevinden, terwijl een vluchtbromfiets gereed stond, onder het oog van diverse getuigen zijn de verdachte en het slachtoffer al worstelend naar buiten gelopen, waarna het slachtoffer in elkaar zakte, verdachte was al vaker en ook op de bewuste dag al eerder in de winkel geweest;

- de persoonlijkheid van verdachte, zoals gebleken uit diens leefwijze: hij had zich onttrokken aan een opvoedingssituatie, leefde te midden van zelfstandig wonende jeugdigen en voorzag in zijn onderhoud door middel van het plegen van winkelovervallen, en zoals de persoon van verdachte uit hiervoor genoemde rapporten naar voren komt.

Bij laatstgenoemd punt heeft de rechtbank laten meewegen dat uit de geschetste persoonlijkheidsproblematiek van verdachte en de omstandigheid dat verdachte al diverse residentiële behandelingen in justitiële jeugdinrichtingen heeft ondergaan, aannemelijk is geworden dat verdachte onvoldoende zal kunnen profiteren van (wederom) een behandeling in het orthopedagogische klimaat, met andere woorden dat het (opnieuw) plaatsen in een justitiële jeugdinrichting thans een gepasseerd station is, en dat bovendien de maximale behandelingsduur van zes jaren in het kader van een maatregel van plaatsing in een inrichting voor jeugdigen (PIJ-maatregel) zeker niet toereikend zal zijn. Daarbij is uit de rapportage omtrent verdachte het beeld naar voren gekomen van een berekenende persoonlijkheid zonder enige lijdensdruk of intrinsieke motivatie; een behandeling van bepaalde duur is dan naar de ervaring leert contra-indicatief. Gezien de grote kans op recidive, acht de rechtbank oplegging van een PIJ-maatregel een onaanvaardbaar risico.

Gevangenisstraf

Door de raadsman is aangevoerd dat een langdurige gevangenisstraf niet passend is voor een jeugdige verdachte, die als hij drie maanden eerder dezelfde strafbare feiten had gepleegd maximaal twaalf maanden jeugddetentie opgelegd had kunnen krijgen. De rechtbank overweegt ten aanzien hiervan dat de wettelijke systematiek niet toelaat dat een maatregel uit het meerderjarigenstrafrecht wordt gecombineerd met een vrijheidsstraf uit het jeugdstrafrecht en dat nu gekozen is voor toepassing van meerderjarigenstrafrecht ook de vrijheidsstraf in de vorm van gevangenisstraf dient te worden opgelegd. De rechtbank is daarom afgeweken van de vordering van de officier van justitie en heeft aan de jeugdige kalenderleeftijd van de verdachte, zijn verminderde toerekeningsvatbaarheid en het belang van een zo spoedig mogelijke start van de behandeling in het kader van de op te leggen maatregel een matigende werking toegekend.

De rechtbank is van oordeel dat op de bewezen verklaarde feiten niet anders kan worden gereageerd dan met een gevangenisstraf van na te noemen duur.

Terbeschikkingstelling

De rechtbank is voorts van oordeel dat niet met het opleggen van een gevangenisstraf kan worden volstaan. Voorkomen moet worden dat verdachte zich na terugkeer in de samenleving weer een zelfde levenstijl aanmeet zoals hij dat in de periode waarin de bewezen verklaarde feiten plaatsvonden gewoon was. Door de deskundigen wordt unaniem geconcludeerd dat behandeling van verdachte noodzakelijk is om zijn gedrag en ontwikkeling ten goede te doen keren en het recidiverisico tot een aanvaardbaar niveau terug te brengen; die conclusie neemt de rechtbank over.

Gezien de genoemde rapporten en al hetgeen de rechtbank hiervoor heeft overwogen en mede in aanmerking nemende dat de bewezen verklaarde feiten misdrijven zijn waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van vier jaren of meer is gesteld en de veiligheid van anderen, dan wel de algemene veiligheid van personen of goederen het opleggen van de maatregel van terbeschikkingstelling eist, is de rechtbank van oordeel dat verdachte ter beschikking gesteld dient te worden met het bevel dat hij van overheidswege zal worden verpleegd.

De rechtbank adviseert, gelet op de jeugdige kalenderleeftijd van verdachte en de noodzaak van behandeling, en mede gelet op artikel 42, eerste lid van de Penitentiaire Maatregel, om niet later dan nadat een derde deel van de aan verdachte opgelegde gevangenisstraf is tenuitvoergelegd, de tenuitvoerlegging van de maatregel van terbeschikkingstelling een aanvang te doen nemen.

Tot slot adviseert de rechtbank de maatregel van terbeschikkingstelling ten uitvoer te leggen in een inrichting die is toegerust om jongeren in ontwikkeling te behandelen.

Verbeurdverklaring

De inbeslaggenomen en niet teruggegeven voorwerpen, te weten: de voorwerpen genoemd onder de nummers 9, 28, 29, 30, 31, 32 , 33 , 34, 35, 36, 37, 38 , 39, 40, 41, 42, 43, 44, 46, 47, 48, 49, 50, 51, 52, 53, 54, 55, 56 op de bijgevoegde beslaglijst, die aan verdachte toebehoren, worden verbeurd verklaard en zijn daarvoor vatbaar, aangezien die voorwerpen grotendeels uit de baten van de bewezen geachte feiten 3, 4 en 5 zijn verkregen.

Onttrekking aan het verkeer

De inbeslaggenomen en niet teruggegeven voorwerpen, te weten: de twee messen genoemd onder de nummers 2 en 45, dienen onttrokken te worden aan het verkeer en zijn daarvoor vatbaar, aangezien met behulp van deze voorwerpen de bewezen geachte feiten 1, 3 en 4 zijn begaan en deze voorwerpen van zodanige aard zijn dat het ongecontroleerde bezit daarvan in handen van verdachte strijd is met het algemeen belang.

Ten aanzien van de benadeelde partijen en de schadevergoedingsmaatregel

Uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat een deel van de vordering van de benadeelde partij [nabestaande slachtoffer 1] van zo eenvoudige aard is dat dit zich leent voor de behandeling in dit strafgeding. Tevens is komen vast te staan dat de benadeelde partij als gevolg van het hiervoor bewezen geachte feit 1 rechtstreeks schade heeft geleden. De rechtbank waardeert deze schade op een bedrag van € 4802,16 (vierduizend achthonderdtwee euro en zestien eurocent), te weten de schadeposten 1 (crematiekosten), 2 (bedankkaarten) en 3 (as verstrooiing), te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade tot aan de dag van de algehele voldoening. De vordering kan dan ook tot dat bedrag worden toegewezen.

Voorts dient de verdachte te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog zal maken.

Het overige deel van de vordering van de benadeelde partij, te weten de schadeposten 4 (reiskosten), 5 (telefoonkosten) en 6 (inkomstenderving), staat niet in rechtstreeks verband met het bewezen geachte feit 1. Gelet hierop zal de rechtbank bepalen dat de benadeelde partij in dat deel van de vordering niet-ontvankelijk is. De benadeelde partij kan dat deel van de vordering bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

In het belang van [nabestaande slachtoffer 1] voornoemd wordt, als extra waarborg voor betaling aan laatstgenoemde, de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht aan verdachte opgelegd.

Nu de vordering van de benadeelde partij [persoon 2] betrekking heeft op inkomstenderving van hem en zijn partner en dit niet als rechtstreekse schade van het bewezen geachte feit 1 is aan te merken, zal de rechtbank bepalen dat de benadeelde partij in de vordering niet-ontvankelijk is.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat een deel van de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 2] van zo eenvoudige aard is dat zij zich leent voor de behandeling in dit strafgeding. Tevens is komen vast te staan dat de benadeelde partij als gevolg van de hiervoor bewezen geachte feiten 3 en 4 rechtstreeks schade heeft geleden. De rechtbank waardeert deze op een bedrag van € 387,37 (driehonderd zevenentachtig euro en zevenendertig eurocent), te weten de schadeposten 1 (huistelefoon), 2 (mobiele telefoon) en 3 (drie dagen niet kunnen werken). De laatstgenoemde schadepost acht de rechtbank toewijsbaar als immaterieel geleden schade, nu de overval in de winkel van de benadeelde heeft plaatsgevonden. De vordering kan dan ook tot dat bedrag worden toegewezen.

Voorts dient de verdachte te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog zal maken.

Het overige deel van de vordering van de benadeelde partij, te weten de schadepost 4 (het veiliger maken van de winkel), komt niet in aanmerking voor schadevergoeding. Gelet hierop zal de rechtbank dat deel van de vordering afwijzen.

In het belang van [slachtoffer 2] voornoemd wordt, als extra waarborg voor betaling aan laatstgenoemde, de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht aan verdachte opgelegd.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de vordering van de benadeelde partij winkelbedrijf Lidl, vertegenwoordigd door A. Hiemstra, van zo eenvoudige aard is dat zij zich leent voor de behandeling in dit strafgeding. Tevens is komen vast te staan dat de benadeelde partij als gevolg van het hiervoor bewezen geachte feit 5 rechtstreeks schade heeft geleden. De rechtbank waardeert deze op een bedrag van € 270,- (tweehonderd zeventig euro). De vordering kan dan ook tot dat bedrag worden toegewezen. Voorts dient de verdachte te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog zal maken.

In het belang van Lidl voornoemd wordt, als extra waarborg voor betaling aan laatstgenoemde, de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht aan verdachte opgelegd.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat een deel van de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 3] van zo eenvoudige aard is dat dit zich leent voor de behandeling in dit strafgeding. Tevens is komen vast te staan dat de benadeelde partij als gevolg van het hiervoor bewezen geachte feit 5 rechtstreeks schade heeft geleden. De rechtbank waardeert de immateriële schade op een bedrag van € 700,- (zevenhonderd euro). De vordering kan dan ook tot dat bedrag worden toegewezen.

Voorts dient de verdachte te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog zal maken.

Het overige deel van de vordering van de benadeelde partij is niet van zo eenvoudige aard dat dit zich leent voor behandeling in dit strafgeding. Gelet hierop zal de rechtbank bepalen dat de benadeelde partij in dat deel van de vordering niet-ontvankelijk is. De benadeelde partij kan dat deel van de vordering bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

In het belang van [slachtoffer 3] voornoemd wordt, als extra waarborg voor betaling aan laatstgenoemde, de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht aan verdachte opgelegd.

8. Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf en maatregelen zijn gegrond op de artikelen 33, 33a, 33b, 36b, 36c, 36d, 36f, 37a, 37b, 56, 77b, 282, 288, 312 en 317 van het Wetboek van Strafrecht.

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.

9. Beslissing

Verklaart de dagvaarding nietig voor wat betreft het onder 2 telastegelegde.

Verklaart bewezen dat verdachte het telastegelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 3 is aangegeven.

Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is telastegelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Het bewezenverklaarde levert op:

ten aanzien van feit 1:

Doodslag, voorafgegaan van een strafbaar feit en gepleegd met het oogmerk om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf straffeloosheid te verzekeren;

ten aanzien van de feiten 3 en 4:

De voortgezette handeling van

diefstal, voorafgegaan, vergezeld en gevolgd van geweld en bedreiging met geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken en om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf de vlucht mogelijk te maken en het bezit van het gestolene te verzekeren,

en

afpersing

en

opzettelijk iemand wederrechtelijk van de vrijheid beroven en beroofd houden;

ten aanzien van feit 5:

Diefstal, voorafgegaan en vergezeld van bedreiging met geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken.

Verklaart het bewezene strafbaar.

Verklaart verdachte, [verdachte], daarvoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 3 jaren.

Beveelt dat de tijd die door veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van die straf in mindering gebracht zal worden.

Gelast dat verdachte ter beschikking gesteld zal worden en beveelt dat hij van overheidswege verpleegd zal worden.

Verklaart verbeurd:

De voorwerpen genoemd onder de nummers 9, 28, 29, 30, 31, 32 , 33 , 34, 35, 36, 37, 38 , 39, 40, 41, 42, 43, 44, 46, 47, 48, 49, 50, 51, 52, 53, 54, 55 en 56 van de als bijlage 2 aangehechte beslaglijst.

Verklaart onttrokken aan het verkeer:

De twee messen genoemd onder de nummers 2 en 45 van de als bijlage 2 aangehechte beslaglijst.

Wijst de vordering van de benadeelde partij [nabestaande slachtoffer 1], wonende op het adres [adres], toe tot een bedrag van € 4802,16 (vierduizend achthonderdtwee euro en zestien eurocent), te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade tot aan de dag van de algehele voldoening.

Veroordeelt verdachte aan [nabestaande slachtoffer 1] voornoemd, het toegewezen bedrag te betalen.

Veroordeelt verdachte voorts in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil.

Bepaalt dat de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in haar vordering is.

Legt aan verdachte de verplichting op, aan de Staat, ten behoeve van de benadeelde partij [nabestaande slachtoffer 1], te betalen de som van € 4802,16 (vierduizend achthonderdtwee euro en zestien eurocent), te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade tot aan de dag van de algehele voldoening, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door hechtenis voor de duur van 96 dagen, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de hiervoor opgelegde verplichting niet opheft.

Bepaalt dat, indien en voorzover verdachte heeft voldaan aan een van voornoemde betalingsverplichtingen, daarmee de andere is vervallen.

Verklaart de benadeelde partij [persoon 2] niet-ontvankelijk in zijn vordering.

Wijst de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 2], wonende op het adres [adres], toe tot een bedrag van € 387,37 (driehonderd zevenentachtig euro en zevenendertig eurocent).

Veroordeelt verdachte aan [slachtoffer 2] voornoemd, het toegewezen bedrag te betalen.

Veroordeelt verdachte voorts in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil.

Wijst de vordering voor het overige af.

Legt aan verdachte de verplichting op, aan de Staat, ten behoeve van de benadeelde partij [slachtoffer 2], te betalen de som van € 387,37 (driehonderd zevenentachtig euro en zevenendertig eurocent), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door hechtenis voor de duur van 7 dagen, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de hiervoor opgelegde verplichting niet opheft.

Bepaalt dat, indien en voor zover verdachte heeft voldaan aan een van de voornoemde betalingsverplichtingen, daarmee de andere is vervallen.

Wijst de vordering van de benadeelde partij winkelbedrijf Lidl, gevestigd op het adres [adres], toe tot een bedrag van € 270,- (tweehonderd zeventig euro).

Veroordeelt verdachte aan winkelbedrijf Lidl voornoemd, het toegewezen bedrag te betalen.

Veroordeelt verdachte voorts in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil.

Legt aan verdachte de verplichting op, aan de Staat, ten behoeve van de benadeelde partij winkelbedrijf Lidl, te betalen de som van € 270,- (tweehonderd zeventig euro), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door hechtenis voor de duur van 5 dagen, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de hiervoor opgelegde verplichting niet opheft.

Bepaalt dat, indien en voor zover verdachte heeft voldaan aan een van de voornoemde betalingsverplichtingen, daarmee de andere is vervallen.

Wijst de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 3], wonende op het adres [adres], toe tot een bedrag van € 700,- (zevenhonderd euro).

Veroordeelt verdachte aan [slachtoffer 3] voornoemd, het toegewezen bedrag te betalen.

Veroordeelt verdachte voorts in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil.

Bepaalt dat de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in haar vordering is.

Legt aan verdachte de verplichting op, aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer 3], te betalen de som van € 700,- (zevenhonderd euro), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door hechtenis voor de duur van 14 dagen, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de hiervoor opgelegde verplichting niet opheft.

Bepaalt dat, indien en voorzover verdachte heeft voldaan aan een van voornoemde betalingsverplichtingen, daarmee de andere is vervallen.

Gelast de teruggave aan winkelbedrijf Vroom en Dreesman van:

De videoband genoemd onder nummer 68 van de als bijlage 2 aangehechte beslaglijst.

Gelast de teruggave aan [persoon 3] van:

De voorwerpen genoemd onder de nummers 58, 59, 60, 61, 62, 63, 64, 65, 66 en 67 van de als bijlage 2 aangehechte beslaglijst.

Gelast de teruggave aan nabestaanden van [slachtoffer 1], te weten [nabestaande slachtoffer 1] en/of [persoon 2] van:

De voorwerpen genoemd onder de nummers 1, 3, 4, 5, 6, 7, 8, 10, 11, 12, 13, 14, 15, 16, 17, 18, 19, 20, 22, 23, 24, 25, 26 en 27 van de als bijlage 2 aangehechte beslaglijst.

Dit vonnis is gewezen door

mr. J.A.C. Bartels, voorzitter, tevens kinderrechter,

mrs. R.H. de Vries en C.J. Petiet, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. C. Bernsen, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 29 april 2008.