Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2008:BD0555

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
25-03-2008
Datum publicatie
25-04-2008
Zaaknummer
AWB 06/5192 HUISV
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Vergunning tot woningonttrekking. Geen bijzondere omstandigheden aangenomen om financiele compensatie achterwege te laten.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

Rechtbank Amsterdam

Sector Bestuursrecht Algemeen

meervoudige kamer

UITSPRAAK

In het geding met reg.nr. AWB 06/5192 HUISV

tussen:

[eiser],

eiser,

vertegenwoordigd door mr. M. Kashyap,

en:

het dagelijks bestuur van het stadsdeel Oud Zuid van de gemeente Amsterdam,

verweerder,

vertegenwoordigd door mr. T.M. van Gorsel.

1. PROCESVERLOOP

De rechtbank heeft op 24 oktober 2006 een beroepschrift ontvangen gericht tegen verweerders besluit van 12 september 2006 (hierna: het bestreden besluit).

Het onderzoek is gesloten ter zitting van de meervoudige kamer van 6 maart 2008.

2. OVERWEGINGEN

Eiser exploiteert sinds 1992 op het adres [adres] een prostitutiebedrijf. Eiser heeft op 21 maart 2005 een aanvraag gedaan voor een vergunning tot woningonttrekking van de tweede tot en met de vierde verdieping van het pand ([adres]), met als doel deze woonruimte te gaan gebruiken voor zijn prostitutiebedrijf.

Verweerder heeft bij besluit van 5 januari 2006 de gevraagde vergunning verleend en daarbij onder meer als voorwaarde gesteld dat eiser een bedrag van € 9.977,- aan financiële compensatie betaalt. Dit bedrag is gerelateerd aan het aantal vierkante meters dat niet door middel van reële compensatie is gedekt. Eiser heeft bezwaar gemaakt tegen het opleggen van de voorwaarde tot betaling van financiële compensatie. Dit bezwaar heeft verweerder bij het bestreden besluit ongegrond verklaard.

De rechtbank overweegt het volgende.

Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat voor het onttrekken van de woonruimte [adres] een vergunning is vereist en dat in het onderhavige geval het belang van het behoud of de samenstelling van de woonruimtevoorraad groter is dan het met het onttrekken aan de bestemming tot bewoning gediende belang.

Ingevolge artikel 31 van de Huisvestingswet kan in zo’n geval een vergunning verleend worden, mits het belang van de woonruimtevoorraad door middel van compensatie voldoende kan worden gediend.

Verweerder heeft een discretionaire bevoegdheid met betrekking tot de vaststelling van de wijze waarop compensatie kan worden geboden, alsmede met betrekking tot de vraag in hoeverre in het concrete geval voldoende compensatie is geboden. Aan deze bevoegdheid heeft verweerder invulling gegeven door middel van de beleidsnota ‘Partiële Huisvestingsverordening stadsdeel Amsterdam Oud Zuid’(hierna: de Beleidsnota).

Tussen partijen is niet in geschil dat de voorwaarden, die verweerder heeft verbonden aan het verstrekken van de vergunning tot woningonttrekking, door verweerder zijn opgelegd in overeenstemming met het door hem gevoerde beleid.

Eiser heeft zich op het standpunt gesteld dat verweerder op grond van door hem aangevoerde bijzondere omstandigheden had moeten afzien van het eisen van financiële compensatie.

Eiser wijst in de eerste plaats op de trage besluitvorming door verweerder, waardoor het prostitutiebedrijf in de maanden maart tot juli 2005 onnodig lang gesloten is geweest. Het is voorts aan de trage besluitvorming van verweerder te wijten dat eiser de koopoptie op het pand [adres] is kwijtgeraakt. Eiser had dit pand willen inbrengen als reële compensatie. Met de inbreng van dit pand had eiser aan de eis van volledige reële compensatie kunnen voldoen en was een aanvullende financiële compensatie niet nodig geweest.

De rechtbank is van oordeel dat de door eiser genoemde bijzondere omstandigheden - wat daar ook van zij - verweerder niet hadden hoeven nopen tot afwijking van het door hem gevoerde beleid, volgens welke in beginsel volledige compensatie van het aantal te onttrekken vierkante meters aan woonruimte wordt geëist. Immers, de door eiser genoemde bijzondere omstandigheden zijn geen omstandigheden als bedoeld in Hoofdstuk II. 6 van de Beleidsnota. Deze bepaling, welke gelijkluidend is aan artikel 4:84 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), ziet op bijzondere omstandigheden die leiden tot gevolgen die onevenredig zijn in verhouding tot de met de beleidsregel te dienen doelen. Hetgeen eiser heeft aangevoerd ziet op omstandigheden (en gevolgen) van een geheel andere aard. Eiser doet een beroep op compensatie van door de trage besluitvorming van verweerder door eiser geleden schade. Van een relatie tussen de door eiser aangevoerde omstandigheden en de met de beleidsnota gediende doelen is dus geen sprake.

Ter zitting heeft eiser een beroep gedaan op de redelijkheid en billijkheid. De rechtbank is van oordeel dat deze - uit het civiele recht afkomstige - begrippen geen rol kunnen spelen bij de vergunningverlening door verweerder, die een bestuursrechtelijk karakter heeft.

Verder heeft eiser gesteld dat verweerder ten onrechte een belangenafweging achterwege heeft gelaten. De rechtbank wijst er op dat verweerder met het formuleren van de Beleidsnota de door eiser voorgestane belangenafweging al heeft gemaakt. Voor een belangenafweging buiten de Beleidsnota om ziet de rechtbank geen ruimte. Verweerder is immers gehouden conform zijn eigen beleidsregel te handelen, behoudens de in artikel 4:84 van de Awb gestelde omstandigheden, die zich, zoals de rechtbank hiervoor al heeft vastgesteld, in dit geval niet voordoen.

Tot slot heeft eiser zich op het standpunt gesteld dat, indien financiële compensatie geëist zou kunnen worden, de hoogte van het bedrag zou moeten worden vastgesteld aan de hand van de in 2001 geldende tarieven. Eiser heeft gesteld reeds in 2001 een aanvraag tot woningonttrekking te hebben ingediend waarop verweerder nooit heeft beslist.

De rechtbank is met verweerder van oordeel dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij in 2001 een vergunning tot woningonttrekking heeft ingediend. Het feit dat eiser geen rechtsmiddelen heeft willen aanwenden tegen het niet tijdig beslissen op deze aanvraag om het onderhandelingsproces met verweerder niet te frustreren, komt voor zijn eigen rekening en risico. De rechtbank ziet daarom geen aanleiding om te oordelen dat verweerder zich voor het vaststellen van de financiële compensatie op de tarieven uit 2001 zou moeten baseren.

Gelet op vorenstaande kunnen de door eiser aangevoerde gronden niet leiden tot vernietiging van het bestreden besluit. De rechtbank zal het beroep daarom ongegrond verklaren.

De rechtbank ziet geen aanleiding om een der partijen in de proceskosten te veroordelen of te bepalen dat aan eiser het griffierecht dient te worden vergoed.

3. BESLISSING

De rechtbank:

verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan op 28 maart 2008 door mr. J.P. Smit, voorzitter, en

mrs. Th.P.J. de Graaf en M.T. Boerlage, rechters, in tegenwoordigheid van

mr. A.E.M. Boogerman, griffier, en bekendgemaakt door verzending aan partijen op de hieronder vermelde datum.

De griffier, De voorzitter,

Tegen deze uitspraak kunnen een belanghebbende en het bestuursorgaan gedurende zes weken na toezending van deze uitspraak hoger beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State te ‘s-Gravenhage.

Afschrift verzonden op:

Doc: