Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2008:BD0470

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
24-04-2008
Datum publicatie
25-04-2008
Zaaknummer
EA 08-85
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Arbeidsconflict Joodse Omroep met haar directeur. Non-actief stelling onnodig escalerend en diffamerend. Door inhoud en verspreiding aan bijna de hele omroepwereld van een e-mail door de directeur heeft zij de weg terug onmogelijk gemaakt. C=0,7.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

SECTOR KANTON - LOCATIE HILVERSUM

Kenmerk : EA 08-85

Datum : 24 april 2008

491

Beschikking van de kantonrechter te Hilversum op een verzoek als bedoeld in artikel 7:685 van het Burgerlijk Wetboek, ingediend door:

STICHTING NIK MEDIA

gevestigd en kantoorhoudende te Hilversum

verzoekster

nader te noemen NIK Media dan wel De Joodse Omroep

gemachtigde: mr. W.M. Hes

t e g e n:

[verweerster]

wonende te [woonplaats]

verweerster

nader te noemen [verweerster]

gemachtigde: mr. W. van der Meer de Walcheren

VERLOOP VAN DE PROCEDURE

De Joodse Omroep heeft op 26 februari 2008 een verzoek ingediend dat strekt tot ontbinding van de tussen partijen bestaande arbeidsovereenkomst.

[verweerster] heeft op 2 april 2008 een verweerschrift ingediend.

Het verzoek is behandeld ter terechtzitting van 3 april 2008. De Joodse Omroep is verschenen bij [persoon 1], [persoon 2] en [persoon 3] en haar gemachtigde. [verweerster] is verschenen, vergezeld door haar gemachtigde.

BEOORDELING VAN HET VERZOEK

1. Als gesteld en onvoldoende weersproken staat vast:

1.1. [verweerster], thans 52 jaar oud, is sedert 1 september 2000 in dienst van De Joodse Omroep laatstelijk als directeur/programmaleider. Het brutosalaris bedraagt € 8.087,94 per maand exclusief vakantietoeslag en eindejaaruitkering ad 5,5 %.

1.2. De stichting NIK Media is in oktober 2000 opgericht. De stichting heeft tot doel de verzorging van programma’s voor landelijke omroep(..) in opdracht van het NIK (Nederlands Israëlitisch Kerkgenootschap) dat ingevolge artikel 39 f lid 1 van de Mediawet zendtijd voor landelijke omroep heeft verkregen.

1.3. NIK Media zendt sedert 2005 uit onder de naam Joodse Omroep.

1.4. Op grond van het bepaalde in artikel 4 van de statuten van NIK Media bestaat het bestuur uit tussen de drie en zeven bestuursleden. Deze worden benoemd en ontheven door de Permanente Commissie (PC) tot de Algemene Zaken van het NIK, het dagelijks bestuur van NIK. Artikel 4 lid 2 van de statuten bepaalt dat bij een bestuur van zeven leden ten minste twee leden van de PC van het NIK lid van het bestuur zijn.

1.5. Artikel 10 lid 2 van de statuten van NIK Media bepaalt dat “De zakelijk leider en de programmaleider worden benoemd, geschorst en uit hun functie ontheven door de PC, op voordracht van het bestuur”.

1.6. Bij e-mail van 9 juli 2007 schrijft de heer [persoon 4] namens het bestuur van de Joodse Omroep aan [verweerster] onder meer:“(..) Het bestuur dat je programma activiteiten waardeert maar ontevreden is over het functioneren van de organisatie en het om meerdere redenen noodzakelijk vindt de organisatie te versterken heeft daarom besloten je opdracht te geven - binnen drie dagen (..) een voorstel te doen voor een headhunter. Bij ingebreke blijven daarvan zal het bestuur een bureau c.q. een headhunter aanzoeken. Bureau c.q. headhunter brengt verslag uit aan [persoon 5] en jou, de keuze wordt bepaald door jou (jij stelt de functionaris ook aan) en behoeft instemming van het bestuur. E.e.a is noodzakelijk omdat het bestuur jouw benadering niet in het belang vindt van de organisatie, het laatstelijk door jou voorgestelde organisatieplan niet vindt passen in het beleid dat het begin 2005 heeft vastgesteld en wij nu meer dan 2,5 jaar bezig zijn in de bestaande vacature te voorzien. De eerste taken van de nieuwe functionaris zullen zijn: -implementatie van de Cultural Governance Code, waaronder (..).

1.7. Bij e-mail van 12 juli 2007 antwoordt [verweerster] onder meer:

“(..) Als algemeen directeur van de uitvoerende organisatie van NIK Media deel ik jullie (nogmaals) mede dat het bestuur geen enkele bevoegdheid heeft zich te mengen in de taken die onder mijn verantwoordelijkheid vallen, o.m. personele zaken. (..) Ik had gehoopt in alle rust (..), maar (opnieuw) wordt mijn vertrouwen in hem (en jullie) beschaamd.(..)”.

1.8. Bij brief van 19 juli 2007 schrijf het bestuur aan [verweerster] onder meer:

“Uit je reactie van 12 juli jl. concluderen wij (o.a.) dat wij als bestuur van de Stichting NIK Media en jij als programma- en zakelijk directeur een fundamenteel verschillende opvatting hebben over de verantwoordelijkheden van het bestuur en wat daarmee samenhangt.(..) hebben wij ons genoodzaakt gezien je onlangs een opdracht te geven om in de reeds lang bestaande vacature te voorzien. Je hebt tot op heden geweigerd die opdracht uit te voeren.(..) In je reactie stel je “opnieuw” door het bestuur en een lid daarvan in je vertrouwen te zijn beschaamd. Daaruit maken wij op dat er een vertrouwenscrisis is ontstaan. (..) Reeds eerder (medio 2006)had het bestuur je te kennen gegeven geen vertrouwen meer te hebben in jouw optreden m.b.t. tot een deel van je zakelijke activiteiten. Begin dit jaar hadden wij besloten op basis van hersteld vertrouwen verder te gaan (..).

1.9. Het (voormalig) bestuur van De Joodse Omroep heeft bij e-mail van 23 augustus 2007 aan de PC aangegeven dat zij heeft besloten [verweerster] voor te dragen uit haar functie als zakelijk- en programma leider te ontheffen, omdat er sprake is van een vertrouwensbreuk en de samenwerkingsrelatie onherstelbaar is verstoord. [verweerster] is bij e-mail van dezelfde datum op de hoogte gesteld van het desbetreffende besluit.

1.10. Omdat de PC de voordracht tot ontheffing uit haar functie niet voetstoots heeft overgenomen is het bestuur van NIK Media op 10 september 2007 afgetreden.

1.11. Bij brief van 18 oktober 2007 schrijft de PC aan [verweerster] onder meer:

“(..) Wij hebben geconstateerd (na gesprekken: kantonrechter) dat er sprake was van een ernstig verstoorde verhouding tussen u en het bestuur. De Permanente Commissie acht het beide partijen toe te rekenen dat partijen in dit conflict terecht zijn gekomen”. Verder deelt zij mede dat zij tot nader order het bestuur zal vormen (hierna te noemen het voorlopige bestuur) en dat zij een commissie heeft benoemd. Die commissie dient antwoord te geven op de volgende vraagpunten:

1. waar is het misgegaan, hoe heeft het kunnen gebeuren? Ter beantwoording van die vragen zou de commissie input kunnen krijgen van voormalig bestuursleden en [verweerster].

2. hoe kan geborgd worden dat de directeur kan functioneren in een nieuwe constellatie en wat voor eisen moeten worden gesteld aan profielen en bestuur in de nieuwe samenstelling.

1.12. Tussen partijen is vervolgens een discussie ontstaan over de samenstelling van de commissie. Naar aanleiding van de inbreng van [verweerster] heeft eind november 2007 de PC besloten dat de Commissie, nader te noemen de Commissie [persoon 6], uit drie, naar haar oordeel, onpartijdige leden zou bestaan. Deze zou zich laten adviseren door organisatie- en adviesbureau Greep.

1.13. [verweerster] is niet ingegaan op uitnodigingen voor een kennismakingsgesprek met de Commissie [persoon 6]. Zij schrijft op 2 januari 2008 aan de heer [persoon 6] onder meer:

“Met betrekking tot de toedracht van het aftreden van het oude bestuur wil ik eerst nog een aantal punten ophelderen met de PC”. Tot dat dat gebeurt is een ontmoeting niet opportuun.”

1.14. Bij e-mail van 7 januari 2008 nodigt de PC [verweerster] uit voor een bespreking op 10 januari 2008.

1.15. In antwoord op voormelde e-mail schrijft [verweerster] op 9 januari 2008 aan het (voorlopige) bestuur onder meer:

“Om de onpartijdigheid van de commissie te toetsen hoor ik graag van u: (..) Als u besluit niet op mijn vragen in te gaan (zoals in de vorige vergadering bij meerderheid van stemmen is gebeurd) en toch (zoals u schrijft)verder te gaan met het onderzoek, dan is de uitkomst van zo’n onderzoek van nul en generlei waarde”.

1.16. Bij brief van 31 januari 2008 heeft de PC nogmaals aan [verweerster] meegedeeld wat de opdracht aan de Commissie en het bureau is. Voorts schrijft zij: “Er bestaan zakelijke relaties met de leden van de commissie, maar niet zodanig dat deze de uitkomst van het onderzoek kunnen beïnvloeden. Ten overvloede wijzen wij erop dat ieder van de drie een uitstekende professionele reputatie heeft en als integer te boek staat. Wij wijzen u erop dat de samenstelling van de commissie juist op uw aanraden is gewijzigd, geen leden zijn van de Permanente Commissie en geheel uit mensen bestaat die niet eerder bij het bestuur van NIK Media betrokken zin geweest. Met het onderzoeksbureau dat de commissie voor ogen heeft, heeft NIK tot nu toe geen enkele band in welke zin dan ook.(..) “Gelet op uw rol en de huidige impasse dringen wij er bij u nogmaals op aan zo spoedig mogelijk met de commissie o.l.v. [persoon 6] te spreken.(..)”

1.17. Bij brief van 31 januari 2008 heeft het bestuur van NIK media “in het kader van de gezagverhouding bestuur-directeur” de opdracht aan [verweerster] gegeven binnen een termijn van twee weken na heden een gesprek te voeren met de Commissie [persoon 6].

1.18. In antwoord op die brief schrijft [verweerster] op 7 februari 2008 onder meer:

“Alle door u beoogde onderzoeken zijn geld-en tijdverslindend en overbodig. Als er dan iets onderzocht moet worden dan is het de relatie bestuur NIK en bestuur Nik Media en besteding van gelden en doorberekening gelden. Ook het verleden t.a.v. geldstromen zou betrokken moeten worden in dit onderzoek”.

1.19. De PC heeft op 12 februari 2008 de voordracht van het (voorlopige) bestuur van NIK Media [verweerster] te schorsen overgenomen, omdat een onderzoek door [verweerster] consequent en categorisch tegengewerkt wordt en er sprake is van een ernstig verstoorde verhouding met het (voorlopig) bestuur van NIK Media.

1.20. Bij e-mail van 12 februari 2008 heeft [verweerster] bij CIPO (Commissie integriteit Publieke Omroep, ook wel Commissie Dijkstal genoemd) melding gemaakt van een vermoeden van een misstand bij de Joodse Omroep.

1.21. Artikel 3.1. van de regeling Klokkenluider behorende bij de Richtlijnenregeling Goed Bestuur en Integriteit luidt: ( pr33) “De medewerker die met in achtneming van de bepalingen in deze regeling het vermoeden van een misstand heeft gemeld, wordt op geen enkele wijze in zijn positie benadeeld als gevolg van dat melden.”

1.22. Bij brief van 15 februari 2008 heeft de PC [verweerster] van haar beslissing op de hoogte gebracht en haar met onmiddellijke ingang geschorst.

1.23. Bij brief van 15 februari 2008 heeft het bestuur van NIK Media aan [verweerster] meegedeeld dat zij, gezien voormelde brief, besloten heeft de arbeidsovereenkomst te (laten) beëindigen.

1.24. In het najaar van 2007 tot en met januari 2008 heeft tussen [verweerster] en het (voorlopig) bestuur van NIK Media een discussie plaatsgevonden over betaling van een aantal facturen (onder meer betreffende juridisch advies over de arbeidsrechtelijke situatie met [verweerster]), dat door het voormalig bestuur reeds was goedgekeurd. Ten einde uit de impasse te komen heeft er een gesprek plaats gevonden met de accountant van NIK Media, KPMG. De accountant heeft ingestemd met betaling van de desbetreffende nota’s.

1.25. Naar aanleiding van een verslag over de bespreking met de accountant dienaangaande schrijft [verweerster] in de e-mail van 7 februari 2008 aan de deelnemers van het gesprek onder meer:

“(..) Mijn grootste bezwaar is tegen de afsluitende zin van je verslag:

“Bovenstaande kosten zijn gemaakt in opdracht van het (oude) bestuur van de Joodse Omroep en zullen door de Joodse Omroep worden gedragen. De facturen zullen voor akkoord worden getekend door [persoon 1] mede onder verwijzing naar deze bespreking en de bijlage en de bestuursnotulen. De kosten zullen worden betaald door de Joodse Omroep”.

Dit is op geen enkel moment op deze manier verwoord of geconcludeerd: Ik heb gezegd dat als de nota’s in mijn bezit zijn, geaccordeerd door de penningmeester, het aan mij als directeur blijft om over de rechtmatigheid en doelmatigheid van de nota’s een oordeel te vellen”.

1.26. Bij e-mail van 21 februari 2008 heeft [verweerster] meer dan 100 geadresseerden in de mediawereld op de hoogte gesteld van het conflict tussen haar en het bestuur van NIK Media. Zij schrijft in die mail onder meer: “Na constateringen van bestuurlijke en financiële misstanden bij dit bestuur met dubbele petten gemeld te hebben aan de Commissie Dijkstal, ben ik per ommegaande geschorst. De rechtsbescherming die de richtlijnen Goed Bestuur volgens de klokkenluidersregeling zouden moeten bieden in dit soort situaties, is door het nieuwe bestuur volkomen genegeerd en de Commissie Dijkstal staat, ondanks verwoede pogingen om in te grijpen, machteloos. Blijft dus gewoon weer de weg te bewandelen langs aangifte, rechter, publiciteit, politiek etc.”.

1.27. Bij brief van 13 maart 2008 schrijft CIPO aan [verweerster] onder meer:

“ CIPO zal in haar externe berichtgeving, onder meer richting NIK Media/Joodse Omroep, naar voren brengen, dat CIPO zich ontvankelijk acht om- kort gezegd- uw klacht in behandeling te nemen, met name omdat vooralsnog niet is gebleken van een uitzonderingsgrond zoals opgenomen en in de richtlijn op grond waarvan CIPO zich niet ontvankelijk dient te verklaren en CIPO het gelet op uw schorsing aannemelijk acht dat u kunt, althans had kunnen vrezen voor tegenmaatregelen als gevolg van een interne melding. Voorts zal CIPO berichten dat zij afziet van inhoudelijke behandeling van de klacht, omdat (i) de bestuurlijke aspecten reeds bij het onderzoek dat is gestart naar aanleiding van richtlijn 1 aan de orde zullen komen, (ii) de financiële aspecten naar alle waarschijnlijkheid door het Commissariaat van de Media onderzocht zullen worden en (iii) de overige aspecten geen misstanden zijn waarover CIPO adviseert”.

1.28. [verweerster] heeft de Joodse Omroep en individuele bestuursleden van NIK aansprakelijk gesteld voor schade wegens belediging en doelbewust bezorgen van een slechte naam.

2. De Joodse Omroep verzoekt om ontbinding van de arbeidsovereenkomst wegens gewichtige redenen in de zin van een verandering in de omstandigheden van zodanige aard dat de arbeidsovereenkomst tussen partijen billijkheidshalve dadelijk behoort te eindigen. Daartoe stelt De Joodse Omroep - kort gezegd - dat uit de feiten, deels hiervoor weergegeven, valt af te leiden dat [verweerster] als zakelijk leider en technisch directeur een geheel eigen koers vaart. Zij geeft zich geen rekenschap van de positie, de verantwoordelijkheid en van de bevoegdheden van het bestuur. [verweerster] miskent dat er een gezagsverhouding bestaat tussen haar en het bestuur van NIK Media. Met het voormalig bestuur is een zodanig vertrouwensbreuk ontstaan dat het voormalig bestuur een voordracht bij de PC heeft gedaan om [verweerster] te ontheffen van haar functies. De PC heeft die voordracht op zorgvuldige wijze willen afhandelen en eerst een gedegen onderzoek over de organisatie van NIK Media en de rol van zowel het bestuur als [verweerster] in haar rol van directeur daarin te doen. Omdat naar het zich liet aanzien dat onderzoek in acht weken zou kunnen worden afgerond, heeft de PC zich genoodzaakt geacht om zelf zo lang het bestuur van NIK Media te vormen. Het Commissariaat voor de Media heeft tegen deze tussenoplossing geen bezwaar. Ondanks de duidelijke instructie aan haar, heeft [verweerster] categorisch geweigerd haar medewerking te geven aan de Commissie [persoon 6] en het bureau Greep. Als gevolg daarvan is ook de relatie met het huidige bestuur ernstig verstoord geraakt. De Joodse Omroep ziet geen andere mogelijkheid dan de arbeidsovereenkomst te beëindigen. Zij stelt dat de verandering van omstandigheden in overwegende mate aan [verweerster] is te wijten. Ten slotte wijst zij erop dat De Joodse Omroep gesubsidieerd wordt ten behoeve van het maken van televisie- en radioprogramma’s. Een eigen vermogen heeft zij niet. Toekenning van een vergoeding zou de continuïteit van de Joodse Omroep in gevaar kunnen brengen.

3. [verweerster] betwist dat er gewichtige redenen voor ontbinding zijn in de door De Joodse Omroep bedoelde zin en verzet zich tegen de door De Joodse Omroep gevorderde ontbinding. [verweerster] voert allereerst aan dat De Joodse Omroep niet ontvankelijk is in haar verzoek, omdat zij daar volgens de statuten niet toe bevoegd is. Zij stelt voorts dat haar schorsing plaats vond direct nadat het bestuur van De Joodse Omroep kennis had genomen van haar melding aan KPMG, waarin zij twijfels uitte over de onafhankelijkheid van de accountant en een toelichting vroeg. Zij wijst verder op de klokkenluidersregeling en stelt dat die regeling een ontvankelijkheid in de weg staat. Ter ondersteuning van haar stellingen voert zij verder - kort gezegd - aan dat zij altijd buitengewoon goed heeft gefunctioneerd als programma- en zakelijk leider, waarvoor zij veel lof uit binnen- en buitenland heeft ontvangen. Zij stelt dat het enige waar het bestuur haar deelgenoot van heeft gemaakt is haar zorg over de continuïteit voor het geval zij plotseling zou wegvallen. De gestelde verstoring van de arbeidsrelatie met oude bestuur is niet relevant, omdat dit bestuur is afgetreden. Datzelfde geldt voor het huidige (voorlopige) bestuur, nu het huidige bestuur heeft aangekondigd af te treden om plaats te maken voor een bestuur onafhankelijk van het bestuur van NIK, een situatie waar zij altijd voor gepleit heeft. Zij bestrijdt te hebben geweigerd mee te werken aan het onderzoek van de Commissie [persoon 6]. Zij heeft slechts vragen gesteld over de onafhankelijkheid van haar leden en de opdracht aan de Commissie, omdat de uiteindelijk benoemde leden zakelijke banden hebben met NIK. Zij stelt dat het niet meer dan normaal is dat zij vragen stelt over facturen, die betaald moeten worden. Als directeur is zij verantwoordelijk voor de besteding van gelden. Zij voert verder aan dat zij vanaf 2000 in een lastige positie verkeerde omdat door de bestuurssamenstelling, meer specifiek de banden tussen NIK en NIK Media, er problemen waren over bevoegdheden en gezag. Dat loopt als een rode draad door haar dienstverband. Zij heeft vanaf 2000 altijd open een eerlijk geprobeerd dat ter discussie te stellen in het belang van good governance van De Joodse Omroep.

4. [verweerster] heeft op 25 oktober 2000 een schriftelijke arbeidsovereenkomst met NIK Media getekend. Derhalve bestaat er een arbeidsovereenkomst tussen verzoeker en verweerster. NIK Media is dus ontvankelijk. Dat krachtens de statuten van NIK Media, NIK oordeelt over ontheffing uit de functie van de zakelijk- en programmaleider doet daar niet aan af.

5. Niet weersproken is dat [verweerster] haar voornemen een melding aan CIPO te doen niet eerst intern heeft gemeld. Voorts heeft [verweerster] niet aannemelijk gemaakt dat zij de desbetreffende melding aan CIPO vóór 12 februari 2008 ter kennisneming aan De Joodse Omroep heeft gestuurd en dat die melding ook is ontvangen. Het causale verband tussen de melding en het onderhavige verzoek is derhalve niet komen vast te staan. Daargelaten de vraag of een beroep op de klokkenluidersregeling de arbeidsrechtelijke bescherming biedt die [verweerster] voorstaat, wordt om die reden reeds het beroep op niet-ontvankelijkheid verworpen. Daar komt bij dat (de gemachtigde van) De Joodse Omroep ter zitting onweersproken heeft gesteld dat CIPO hem heeft meegedeeld dat de melding van [verweerster] inmiddels ongegrond is verklaard. De melding van [verweerster] aan CIPO kan voor het overige dan ook geen rol spelen bij de beoordeling van het onderhavige verzoek.

6. Vooropgesteld dient te worden dat het onderhavige verzoek niet is gegrond op het functioneren van [verweerster] als programma leider. Zij verdient, zoals blijkt uit de steunbetuigingen alsmede uit het verzoekschrift, daarvoor veel lof. In het geding is slechts de vraag of partijen, (het bestuur van) De Joodse Omroep en [verweerster] als zakelijk leider, in de toekomst nog tot een vruchtbare samenwerking kunnen komen. De stelling van [verweerster] dat het probleem opgelost is als er een nieuw bestuur, onafhankelijk van het bestuur van NIK wordt benoemd, de problemen uit de lucht zijn, miskent de problematiek, zoals die uit de hiervoor vermelde feiten naar voren komt. Daar komt bij dat naar onweersproken is gesteld, geen enkele persoon wilde toetreden tot een nieuw te vormen bestuur, voordat de problemen met en over de zakelijke leiding zijn opgelost. Uit de stellingen van partijen in hun respectievelijke verzoek- en verweerschrift leidt de kantonrechter af dat er weinig of geen vertrouwen meer tussen partijen bestaat. Dat hoeft niet direct tot de conclusie te leiden dat een voortzetting van de arbeidsrelatie niet tot de mogelijkheden behoort. De kantonrechter heeft evenwel één en ander maal tijdens de behandeling van de zaak getracht partijen te bewegen met elkaar in gesprek te gaan, teneinde te bezien of alsnog tot een werkbare relatie gekomen kan worden. De kantonrechter heeft moeten constateren dat gezien de scherpte van de uitlatingen over en weer partijen geen verdraagzaamheid ten opzichte van elkaar meer kunnen opbrengen. Een en ander leidt tot de conclusie dat een herstel van de vertrouwensbreuk alsmede een vruchtbare samenwerking in de toekomst dan ook niet meer tot de mogelijkheden behoort. Dat levert een verandering van omstandigheden op, die een ontbinding van de arbeidsovereenkomst op korte termijn rechtvaardigt.

7. In het geding is vervolgens de vraag of aan [verweerster] ten laste van De Joodse Omroep een vergoeding naar billijkheid toekomt.

8. Bij vaststelling van de vergoeding is in zijn algemeenheid, en ook in het onderhavige geval, op de voet van de kantonrechterformule bepalend in wiens risicosfeer de verandering van de omstandigheden, die aan de ontbinding ten grondslag wordt gelegd ligt, aan wie deze in overwegende mate te verwijten is en wat de kansen van de werknemer zijn op de arbeidsmarkt na ontbinding, met inachtneming van de overige omstandigheden van het geval.

9. De samenwerking was van het begin af aan lastig, stellen partijen. Naar de kantonrechter begrijpt lagen de problemen in de sfeer van bevoegdheden en verantwoordelijkheden van het bestuur versus de zakelijk leider en omgekeerd. Het bestuur van de Joodse Omroep heeft die latente springstof in hun relatie niet voortvarend aangepakt. Begin 2007 hebben partijen op basis van hersteld vertrouwen besloten verder te gaan, zoals blijkt uit de brief van 19 juli 2007. Uit de overgelegde stukken valt af te leiden dat het bestuur van De Joodse Omroep één en ander maal haar, naar het oordeel van de kantonrechter terechte, zorg heeft uitgesproken over de organisatorische continuïteit van De Joodse Omroep. In de visie van het bestuur diende er een tweede parttime ondersteuner/vervanger voor [verweerster] te komen. [verweerster] vindt een dergelijke versterking, gezien de omvang van het bureau niet noodzakelijk. [verweerster] heeft niet aannemelijk gemaakt dat zij in haar voorstellen richting bestuur dienaangaande zich constructief heeft opgesteld. Elke schriftelijke onderbouwing van haar stelling dienaangaande ontbreekt. [verweerster] stelt voorts dat die kwestie geen aanleiding kon zijn om te constateren dat er sprake was van een verstoorde arbeidsrelatie, maar die stelling staat haaks op haar uitlatingen in de e-mail 12 juli 2007, hiervoor genoemd in 1.7. Het één en ander leidde uiteindelijk tot de voordracht van het (oude) bestuur aan de CP, [verweerster] te ontheffen uit haar functie. Evenals de CP is de kantonrechter van oordeel dat in september 2007, aan partijen in gelijke mate een verwijt van de verstoring van de samenwerkingsrelatie toekomt. Naar het oordeel van de kantonrechter is die verstoring voor een deel te wijten aan de genoemde onduidelijkheid in de bevoegdheids- en verantwoordelijkheidsstructuur en anderzijds aan de autonome opstelling van [verweerster]. Gezien het bepaalde in artikel 10 van de statuten van De Joodse Omroep is het vervolgens aan de CP hoe om te gaan met de impasse die in september 2007 als gevolg van het aftreden van het (oude) bestuur is ontstaan. De stelling van [verweerster] dat, waar het hier gaat om een conflict tussen twee organen, het logisch was geweest een onafhankelijke commissie te benoemen, berust op een misvatting. Het betreft hier een conflict tussen werkgever en werknemer. Bovendien kan niet zonder nadere toelichting worden geoordeeld dat [verweerster] geen vertrouwen in de leden van de Commissie [persoon 6] kon hebben, zoals uiteindelijk door de PC voorgesteld in november 2007. Uit de e-mail van [verweerster] d.d. 7 februari 2008 heeft het (voorlopig) bestuur van de De Joodse Omroep terecht kunnen afleiden dat [verweerster] weigerde met de leden van de Commissie [persoon 6] in gesprek te gaan. [verweerster] miskent daarmee de gezagsrelatie die er tussen partijen bestaat, evenals zij doet in haar mail van 7 februari 2008 in de kwestie van de betaling van de facturen. Hoewel de kantonrechter wel ziet dat er wederom een impasse was ontstaan in de samenwerking tussen [verweerster] en het bestuur is de kantonrechter van oordeel dat De Joodse Omroep toen te snel is gekomen tot het oordeel dat de samenwerking beëindigd diende te worden. Minst genomen had zij een gesprek moeten forceren en [verweerster] moeten wijzen op de arbeidsrechtelijke consequenties van haar weigering. Aldus is de schorsing voor [verweerster] “uit de lucht komen vallen”. Die schorsing heeft naar het oordeel van de kantonrechter onnodig escalerend en diffamerend voor [verweerster] gewerkt. Dat valt De Joodse Omroep te verwijten. Partijen zijn kennelijk nadien niet meer met elkaar in gesprek gekomen, hetgeen de kantonrechter gezien de lange samenwerking van partijen niet goed kan plaatsen. Het is evenwel voldoende aannemelijk dat [verweerster] met haar e-mail, hiervoor genoemd in 1.26, een weg terug onmogelijk heeft gemaakt. Bijna de hele omroepwereld werd aldus onnodig betrokken in het conflict. Bovendien is de inhoud van de e-mail een ongefundeerd, zware aanslag op de integriteit van het bestuur. Dat is [verweerster] zwaar aan te rekenen.

10. Al het voorgaande in overweging nemend komt de kantonrechter tot het oordeel dat op gronden van billijkheid aan [verweerster] ten laste van De Joodse Omroep een vergoeding toekomt, te stellen op het hieronder toe te kennen bedrag. Niet gesteld of aannemelijk is gemaakt dat de positie van [verweerster] op de arbeidsmarkt afwijkt van een gemiddelde werknemer van haar leeftijd. Voorts hebben bij de bepaling van de hoogte van de vergoeding meegewogen de duur van het dienstverband, de leeftijd van [verweerster] en de hoogte van haar loon. ( A= 13, B= € 9.179,82, C= 0,7). Bij gebreke van een cijfermatige onderbouwing is niet aannemelijk gemaakt dat een vergoeding ten laste van de Joodse Omroep haar voortbestaan in gevaar brengt.

11. De kantonrechter merkt ten slotte op dat (de gemachtigde van) [verweerster] uitdrukkelijk heeft verzocht de vernedering, de smaad en de laster die [verweerster] zou zijn toebracht buiten beschouwing te laten bij de vaststelling van de vergoeding.

12. Naar vaste rechtspraak geldt dat het resultaat van de rechterlijke toetsing aan de eisen van redelijkheid en billijkheid en goed werkgeverschap in beginsel ten volle, onder meeweging van alle, voor het oordeel van de (kanton)rechter relevante factoren, tot uitdrukking behoort te komen in de hoogte van de vergoeding. Daarom heeft de kantonrechter bij haar oordeel over de hoogte van de vergoeding wel het diffamerende karakter van de schorsing meegewogen. Voor het overige is geen rekening gehouden met de verwijten als door (de gemachtigde van) [verweerster] gesteld, aangezien daar nader onderzoek naar verricht moet worden volgens [verweerster].

13. Nu aan [verweerster] een vergoeding wordt toegekend, moet aan De Joodse Omroep de gelegenheid worden geboden haar verzoek in te trekken.

14. Er zijn termen de proceskosten te compenseren, behoudens in het geval dat De Joodse Omroep het verzoek intrekt, in welk geval De Joodse Omroep in de kosten aan de zijde van [verweerster] wordt veroordeeld.

BESLISSING

De kantonrechter:

I. ontbindt de arbeidsovereenkomst tussen partijen met ingang van 15 mei 2008;

II. kent aan [verweerster] een vergoeding toe ten laste van De Joodse Omroep ter hoogte van € 83.536,36 bruto, een en ander strekkende tot aanvulling van door [verweerster] te ontvangen uitkeringen dan wel elders verdiend loon;

III. veroordeelt De Joodse Omroep tot betaling van deze vergoeding en verklaart deze veroordeling uitvoerbaar bij voorraad;

IV. bepaalt dat het onder I t/m III gestelde rechtskracht ontbeert, indien het verzoek door De Joodse Omroep uiterlijk op 13 mei 2008 wordt ingetrokken;

V. wijst het meer of anders verzochte af;

VI. bepaalt dat partijen ieder de eigen proceskosten dragen, behoudens in het geval De Joodse Omroep het verzoek zal intrekken, in welk geval De Joodse Omroep wordt veroordeeld in de kosten van deze procedure aan de zijde van [verweerster], die tot op heden worden begroot op € 545,- voor salaris van haar gemachtigde, voorzover verschuldigd, inclusief BTW.

Aldus gegeven door mr. A.J.M. Breedveld-van Beeck Calkoen, kantonrechter en in het openbaar uitgesproken op 24 april 2008 in aanwezigheid van de griffier.

De griffier De kantonrechter