Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2008:BC9776

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
13-03-2008
Datum publicatie
17-04-2008
Zaaknummer
390437 / KG ZA 08-217 AB/MV
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Het is eiser bij vonnis van 25 april 2007 van de rechtbank Amsterdam verboden om de gedaagden in het openbaar in verband te brengen met de Deventer moordzaak. Volgens dat vonnis moet eiser een dwangsom betalen van € 5.000,- (met een maximum van € 250.000,-) voor iedere keer dat hij dit verbod overtreedt.

Volgens de gedaagden heeft eiser het verbod tenminste 113 keer overtreden; zij hebben daarom executoriaal beslag gelegd op het woonhuis van eiser.

Eiser probeert in dit kort geding de openbare verkoop van zijn huis te voorkomen.

De voorzieningenrechter legt het vonnis van 25 april 2007 van de rechtbank Amsterdam beperkt uit. Hij is van oordeel dat de vraag of eiser dwangsommen moet betalen, en zo ja hoeveel, een nader onderzoek vergt, wat in kort geding niet kan. Dit betekent dat gedaagden niet zo maar kunnen overgaan tot openbare verkoop van de woning van eiser. Zij zullen eerst door de bodemrechter moeten laten uitmaken of inderdaad dwangsommen zijn verschuldigd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK AMSTERDAM

Sector civiel recht, voorzieningenrechter

zaaknummer / rolnummer: 390437 / KG ZA 08-217 AB/MV

Vonnis in kort geding van 13 maart 2008

in de zaak van

[eiser],

wonende te […],

eiser in conventie bij dagvaarding van 15 februari 2008,

verweerder in reconventie,

procureur mr. H. Bos,

tegen

1. [gedaagde sub 1],

2. [gedaagde sub 2],

beiden wonende te […] (gemeente […]),

gedaagden in conventie,

verzoekers in reconventie,

procureur mr. C.B.M. Scholten van Aschat,

advocaten mrs. J.S. Staijen en J. Vlug te Deventer.

Partijen zullen hierna [eiser] en [gedaagden] worden genoemd.

1. De procedure

Ter terechtzitting van 25 februari 2008 heeft [eiser] gesteld en gevorderd overeenkomstig de in fotokopie aan dit vonnis gehechte dagvaarding. [gedaagden] hebben verweer gevoerd met conclusie tot weigering van de gevraagde voorziening, en vervolgens in reconventie gevorderd overeenkomstig de in fotokopie aan dit vonnis gehechte akte. [eiser] heeft de vordering in reconventie bestreden. Na verder debat hebben partijen verzocht vonnis te wijzen.

2. De feiten

2.1. In een destijds door [gedaagde sub 1] aangespannen kort geding heeft de voorzieningenrechter van deze rechtbank op 22 december 2006 - kort gezegd -

[eiser] op straffe van dwangsommen verboden om [gedaagde sub 1] op welke wijze dan ook in het openbaar als moordenaar van of verdachte van de moord op mevrouw […] aan te wijzen.

Daarbij heeft de voorzieningrechter de primaire vordering - om [eiser] te verbieden [gedaagde sub 1] op welke wijze dan ook in het openbaar in verband te brengen met de Deventer moordzaak - afgewezen. Daartoe werd overwogen dat [eiser] dan ook vaststaande feiten, die op enige wijze verband houden met zowel [gedaagde sub 1] als de Deventer moordzaak, niet meer (publiekelijk) naar voren zou mogen brengen, wat een te zware inbreuk zou vormen op zijn vrijheid van meningsuiting.

2.2. In een door [gedaagden] begonnen bodemprocedure heeft de rechtbank Amsterdam [eiser] op 25 april 2007 verboden:

“ – met inachtneming van hetgeen in rechtsoverweging 5.11 is overwogen – na betekening van dit vonnis [gedaagden] in woord of geschrift, direct of indirect, middellijk of onmiddellijk, in het openbaar waaronder tevens te verstaan via internet, websites of weblog in verband te brengen met de moord op mevrouw […], op straffe van een dwangsom van EUR 5.000,= per persoon voor iedere keer dat [eiser] dit verbod overtreedt, met een maximum van in totaal (dus voor beide eisers gezamenlijk) EUR 250.000,--,”

Daartoe heeft de rechtbank onder meer het volgende overwogen:

5. 1. (…) Het blijven aanwijzen van [gedaagde sub 1] als moordenaar in de Deventer moordzaak is, zo oordeelde de rechter in kortgeding, dan ook onrechtmatig jegens [gedaagde sub 1]. De rechtbank is van oordeel dat de kortgedingrechter op goede gronden tot haar oordeel is gekomen en neemt die gronden hierbij over en maakt ze tot de hare.

5.2. (…) Immers, zolang iemand niet door een rechter is veroordeeld, dient hij niet publiekelijk als moordenaar te worden bestempeld. Voor zover het eventueel falen van het openbaar ministerie aan de orde wordt gesteld is dat iets wat als ernstige misstand kan worden aangemerkt waaraan ruchtbaarheid mag worden gegeven. In dat verband gaat het bij herhaling en op indringende wijze in het openbaar aanwijzen van een ander, in dit geval [gedaagde sub 1], als de dader echter te ver.

5.3. Evenals de kortgedingrechter heeft overwogen, is de rechtbank van oordeel dat het doorgaan met het uiten van beschuldigingen jegens [gedaagde sub 1] bij de huidige stand van zaken niets wezenlijks meer zal toevoegen aan het door [eiser] gestelde doel. (…)

5.11 Ook het sub IX gevorderde zal worden toegewezen met dien verstande dat de dwangsom wordt beperkt tot een bedrag en een maximum als hierna volgt. Dit verbod houdt in dat [eiser] niet in het openbaar [gedaagde sub 1] als moordenaar of verdachte van de moord op mevrouw […] mag aanwijzen. Evenmin mag [eiser] [gedaagde sub 2] als medeplichtige aanwijzen. Het staat [eiser] echter wel vrij om bij de daarvoor geëigende instanties zijn overtuiging hieromtrent uit te dragen. Tenslotte heeft met betrekking tot het toe te wijzen verbod te gelden dat indien de omstandigheden zich wijzigen en [gedaagde sub 1] en/of [gedaagde sub 2] alsnog door het Openbaar Ministerie als verdachten zouden worden aangeduid of indien [gedaagde sub 1] zou worden veroordeeld voor de moord op mevrouw […] ofwel indien [gedaagde sub 2] zou worden veroordeeld wegens betrokkenheid bij de moord op mevrouw […], deze uitspraak opnieuw dient te worden bezien. In dit verband heeft tevens te gelden dat [gedaagden] het [eiser] niet zullen kunnen tegenwerpen indien [eiser] in de tegen hem aangespannen procedures (zowel de civiele procedures als de strafprocedure) tijdens rechtzittingen en in de processtukken het verbod overtreedt. [eiser] zal in die situatie geen dwangsommen verbeuren.

2.3. Het vonnis van de rechtbank is op 27 april 2007 aan [eiser] betekend. [eiser] heeft tegen dat vonnis hoger beroep ingesteld bij het gerechtshof te Amsterdam. Het gerechtshof heeft nog geen arrest gewezen.

2.4. Op 9, 11 en 12 oktober 2007 heeft de deurwaarder, op verzoek van [gedaagden], een proces-verbaal van bevindingen opgesteld. Uit de processen-verbaal blijkt, aldus [gedaagden], dat [eiser] het onder 2.2. weergegeven verbod 113 keer heeft overtreden door uitlatingen op zijn websites www[…].nl en www.geenonschuldigenvast.nl.

2.5. Op 15 november 2007 heeft de deurwaarder [eiser] aangezegd dat hij het verbod minimaal 50 maal heeft overtreden en is hem bevel gedaan EUR 250.000,- aan verbeurde dwangsommen te betalen.

2.2. Op 26 november 2007 heeft de deurwaarder executoriaal beslag gelegd op de woning van [eiser]. De volgende stap zal zijn dat die woning in het openbaar wordt verkocht.

3. Het geschil

3.1. [eiser] vordert in conventie – kort gezegd – de executie van het vonnis van 25 april 2007 te staken en het executoriale beslag op zijn woning op te heffen.

3.2. [eiser] stelt hiertoe – samengevat weergegeven – dat de deurwaarder ten onrechte heeft geconstateerd dat sprake is van 113 overtredingen.

Hij is van mening dat het noemen van (vaststaande) feiten die verband houden met [gedaagden] en de moord op mevrouw […] niet onder het verbod valt. In dit verband verwijst hij naar het eerdere kort geding, waarin de voorzieningenrechter heeft geoordeeld dat de primaire vordering te ruim was geformuleerd om te kunnen worden toegewezen.

Uitlatingen op zijn website die zijn geplaatst vóór het vonnis en daar nu nog op te vinden zijn, vallen volgens [eiser] evenmin onder het verbod. Dit verbod ziet uitsluitend op de toekomst. [gedaagden] hadden bij de rechtbank verwijdering of rectificatie van die uitlatingen kunnen vorderen, maar dat hebben zij niet gedaan.

[eiser] vindt verder dat door derden (forummembers) op zijn website gedane uitlatingen hem niet kunnen worden toegerekend. Overigens heeft hij na het vonnis van 25 april 2007 zijn websites (onverplicht) geschoond en een groot aantal van zijn ‘logs’ verplaatst naar een niet toegankelijk gedeelte van die websites. Omdat het hoger beroep nog aanhangig is, heeft hij de desbetreffende ‘logs’ nog niet vernietigd. Het is de deurwaarder kennelijk toch gelukt het niet toegankelijke gedeelte te bereiken. Toen [eiser] hierop opmerkzaam werd gemaakt, heeft hij direct actie ondernomen, waardoor dit thans niet meer mogelijk is. Verder kan het zijn dat de deurwaarder ‘oude’ pagina’s van de website op zijn scherm heeft gekregen, bijvoorbeeld omdat die pagina’s zijn opgenomen in het ‘cachegeheugen’ van Google. Daar kan [eiser] niets aan veranderen.

Tot slot voert [eiser] aan dat hij het verbod evenmin heeft overtreden door een aantal journalisten (per e-mail) zijn pleitnota in de tegen hem aangespannen strafzaak wegens smaad en het document met de titel […],[…] en de Magneetstrip toe te zenden. Hij heeft dit gedaan in het kader van zijn verdediging in die strafzaak. Volgens rechtsoverweging 5.11 van het vonnis is dit toegestaan. Ook het op verzoek van mr. G.J. Knoops toezenden aan journalisten van diens reactie op de conclusie van de advocaat-generaal in de bij de Hoge Raad aanhangige herzieningsprocedure kan niet als een overtreding van het verbod worden aangemerkt. Alleen omdat [eiser] een groot aantal journalisten kent, heeft mr. Knoops hem verzocht deze reactie te verspreiden.

3.3. [gedaagden] hebben tegen de vordering in conventie – samengevat weergegeven – het verweer gevoerd dat het verbod zoals opgenomen in het vonnis van 25 april 2007 door de bewoordingen in verband brengen met verstrekkender is dan het verbod dat [eiser] is opgelegd in het kort gedingvonnis van 22 december 2006. In dat laatste vonnis is het [eiser] slechts verboden om [gedaagde sub 1] aan te wijzen als moordenaar of verdachte van de moord op mevrouw [...]. De beslissing van de rechtbank om een verder strekkend verbod op te leggen is weloverwogen genomen. Het verbod houdt verder in het middellijk en indirect leggen van een verband tussen [gedaagden] en de moord op mevrouw […]. Dit betekent dat [eiser] ook derden geen gelegenheid mag bieden dit te doen.

Uit de processen-verbaal van bevindingen van de deurwaarder blijkt van in totaal 113 overtredingen. Het is de deurwaarder op eenvoudige wijze gelukt toegang te krijgen tot zogenaamde niet toegankelijke gedeeltes van de website. Verder kunnen de e-mails van [eiser] aan (een onbekend aantal) journalisten en het verzenden van de reactie van mr. Knoops als overtreding van het verbod worden aangemerkt. De in rechtsoverweging 5.11 genoemde uitzondering geldt voor de rechtszaal, niet voor de krant. De slotsom is, aldus [gedaagden], dat het aantal overtredingen met gemak het aantal van 50 overstijgt, waardoor het maximum aan dwangsommen is verbeurd.

3.4. In reconventie vorderen [gedaagden] – kort gezegd – een verruiming van de in het vonnis van 25 april 2007 opgelegde dwangsom tot EUR 50.000,- per overtreding. Zij stellen hiertoe dat [eiser] doorgaat met het doen van verboden uitlatingen. Kennelijk vormen de dwangsommen onvoldoende prikkel om hiermee op te houden. Dit valt te begrijpen, omdat uit recente publicaties in de pers is gebleken dat [eiser] door derden wordt gefinancierd.

3.5. Als verweer tegen de vordering in reconventie voert [eiser] aan dat op grond van het vonnis van 25 april 2007 geen dwangsommen zijn verbeurd. Er is volgens hem dan ook geen aanleiding tot verruiming van de dwangsommen.

4. De beoordeling

4.1. In een geschil over de executie van dwangsommen moet allereerst worden vastgesteld wat doel en strekking zijn van de veroordeling waaraan de dwangsommen zijn verbonden. Daarbij geldt dat de veroordeling niet verder strekt dan ter bereiking van het daarmee beoogde doel. De draagwijdte van een gegeven verbod kan zo beperkt worden opgevat.

Bij beantwoording van de vraag of dwangsommen zijn verbeurd moeten vervolgens de ter uitvoering van het vonnis verrichte handelingen worden getoetst aan de inhoud van de veroordeling, zoals die is uitgelegd. Daarbij geldt dat geen dwangsommen zijn verbeurd indien het onredelijk zou zijn van de veroordeelde meer inspanningen en zorgvuldigheid te vergen dan hij heeft betracht.

4.2. Ofschoon het verbod ruim is geformuleerd, blijkt uit de rest van het vonnis dat de rechtbank niet heeft bedoeld dat dit verder zou strekken dan het eerder in kort geding gegeven verbod.

Het verbod is immers gegeven “met inachtneming van hetgeen in rechtsoverweging 5.11 is overwogen”.

In die rechtsoverweging staat met zoveel woorden:

“Dit verbod houdt in dat [eiser] niet in het openbaar [gedaagde sub 1] als moordenaar of verdachte van de moord op mevrouw […] mag aanwijzen. Evenmin mag [eiser][gedaagde sub 2] als medeplichtige aanwijzen.”

Ook uit de overige hiervoor onder 2.2. aangehaalde overwegingen blijkt dat de rechtbank zich bij het oordeel van de kort gedingrechter heeft aangesloten. Van het weloverwogen opleggen van een verder strekkend verbod is, anders dan [gedaagden] hebben betoogd, geen sprake.

Dit betekent dat de woorden “in verband te brengen met de moord op mevrouw […]” aldus beperkt moeten worden uitgelegd dat het [eiser] verboden is [gedaagde sub 1] in het openbaar als moordenaar of verdachte van de moord op mevrouw […] aan te wijzen, en [gedaagde sub 2] als medeplichtige.

Het betekent verder dat blijft gelden dat het niet mogen noemen van vaststaande feiten die [gedaagden] in verband brengen met de Deventer moordzaak een te grote inbreuk zou vormen op de vrijheid van meningsuiting van [eiser]. Met het noemen van dergelijke feiten wordt het verbod in het vonnis van 25 april 2007 dan ook niet overtreden.

4.3. Wat niet opgaat is het verweer van [eiser], dat uitlatingen gedaan op het internet vóór het vonnis van 25 april 2007 niet als een overtreding van het verbod kunnen worden aangemerkt.

Indien die uitlatingen na betekening van het vonnis nog op het internet te vinden zijn, worden ze ook na betekening van het vonnis nog openbaar gemaakt en vallen ze dus onder het verbod. Voor zover de inhoud van die uitlatingen strijdig is met het verbod hadden zij – op straffe van dwangsommen – van het internet moeten worden verwijderd. Daartoe hoefden [gedaagden] niet nog afzonderlijk verwijdering of rectificatie te vorderen.

4.4. [eiser] zal er ook voor moeten zorgen dat op de door hem beheerde websites geen uitlatingen staan waarmee het verbod wordt overtreden. Het gaat immers ook om indirecte of middellijke uitingen.

Voor zover hij degene is die zich daarop uitlaat is hij daar zelf bij. Voor zover dat door anderen gebeurt kan van hem worden gevergd dat hij uitlatingen die in strijd zijn met het verbod zo spoedig mogelijk verwijdert. Laat hij dit na, dan verbeurt hij dwangsommen.

[eiser] blijkt zich daarvan ook bewust. Hij heeft op de zitting gezegd dat hij de reacties op zijn websites regelmatig controleert, dat hij bepaalde uitlatingen van derden heeft verwijderd en die derden ook (per e-mail) erop heeft gewezen dat bepaalde uitlatingen gezien het vonnis van 25 april 2007 niet door de beugel kunnen.

4.5. Ter zitting is door [gedaagden] aangevoerd dat het mogelijk is op de website www.[..].nl verborgen pagina’s te bereiken (waarop met het verbod strijdige uitlatingen zouden staan) door op het internetadres http://www.[..].nl/index.php?itemid=... op de plaats van de drie puntjes een willekeurig driecijferig nummer in te vullen.

Uitlatingen die door de deurwaarder op deze wijze zijn aangetroffen op verborgen (niet toegankelijke) gedeeltes van de website van [eiser] kunnen voorlopig echter niet als een overtreding van het verbod worden aangemerkt. Niet aannemelijk is dat de gemiddelde internetgebruiker die pagina’s daadwerkelijk zal hebben weten te bereiken. Hier geldt verder dat het onredelijk zou zijn van [eiser] meer inspanningen en zorgvuldigheid te vergen dan hij heeft betracht. Na het vonnis van 25 april 2007 heeft hij immers een groot aantal ‘logs’ verplaatst naar die verborgen pagina’s. Nadat hij – mede door de processen-verbaal van de deurwaarder – erop opmerkzaam was gemaakt dat een aantal van die ‘logs’ toch nog bereikbaar waren, heeft hij zijn “technici” vervolgens de opdracht gegeven dit ‘luikje’ onmiddellijk te dichten. Het verweer van [eiser] dat ‘oude’ pagina’s van zijn website nog kunnen worden aangetroffen omdat deze pagina’s zijn opgeslagen in het ‘cachegeheugen’ van Google is voor deze zaak niet van belang. Door [gedaagden] zijn immers geen overtredingen van het verbod gesteld die op die manier aan het licht zijn gekomen.

4.6. [eiser] heeft op 8 november 2007 voor de strafrechter moeten verschijnen, nadat hem smaad ten laste was gelegd. Mede ten behoeve van zijn verdediging in deze strafzaak is in rechtsoverweging 5.11. van het vonnis een uitzondering opgenomen, inhoudende dat [eiser] geen dwangsommen zal verbeuren indien hij tijdens de rechtzitting en in de processtukken het verbod overtreedt. In dit kader heeft [eiser] gemeend dat het hem vrijstond stukken die hij bij de rechtbank heeft ingediend, te weten zijn pleitnota en het document […], […] en de Magneetstrip, te verspreiden onder die journalisten, die kenbaar hadden gemaakt bij de rechtzitting aanwezig te zullen zijn. Op de zitting heeft hij verklaard dat het om ongeveer 15 journalisten ging. Het is niet aannemelijk dat hij het verbod daarmee heeft overtreden. Allereerst zijn de pleitnota en de daarbij behorende e-mail niet in het geding gebracht, zodat niet valt te beoordelen of de inhoud ervan strijdig is met het verbod. Verder staat het [eiser] vrij in het kader van zijn verdediging processtukken onder de aandacht te brengen van journalisten die op de rechtzitting aanwezig zouden zijn, met name nu door hem onweersproken is gesteld dat ook het requisitoir van de officier van justitie (mede ten behoeve van diezelfde journalisten) op het internet is verschenen.

Met het enkele verzenden van de reactie van mr. Knoops op de conclusie van de advocaat-generaal in het bij de Hoge Raad aanhangige herzieningsverzoek heeft [eiser] het verbod voorlopig evenmin overtreden. Ook deze reactie is niet in het geding gebracht, zodat de inhoud ervan niet kan worden beoordeeld. Verder gaat het hier om een stuk dat niet is opgesteld door [eiser], terwijl niet is komen vast te staan dat [eiser] enige bemoeienis heeft gehad met de inhoud ervan.

4.7. De conclusie tot zover is dat het verbod beperkt moet worden uitgelegd, dat vaststaande feiten die verband houden met de Deventer moordzaak er niet onder vallen, dat [eiser] dwangsommen kan verbeuren vanwege met het verbod strijdige uitlatingen die vóór het vonnis van 25 april 2007 op internet zijn verschenen en daarna nog op internet te vinden waren of zijn, dat [eiser] in beginsel ook dwangsommen kan verbeuren voor uitlatingen van derden die op zijn websites zijn blijven staan en dat hij tot op heden geen dwangsommen heeft verbeurd voor uitlatingen die door de deurwaarder zijn aangetroffen op verborgen pagina’s van zijn website.

Ten slotte is vastgesteld dat [eiser] in het kader van zijn verdediging in de strafzaak bepaalde documenten heeft mogen verspreiden onder een beperkte groep journalisten zonder hiervoor dwangsommen te verbeuren en dat hetzelfde geldt voor het verspreiden van de reactie van mr. Knoops.

4.8. [gedaagden] hebben 113 prints overgelegd die de deurwaarder heeft gemaakt van de websites van [eiser] en waarop de passages waarin het verbod zou worden overtreden blauw zijn gekleurd.

In dit kort geding – dat zich niet leent voor een nader onderzoek naar de feiten – kan niet worden vastgesteld of die passages al dan niet vaststaande feiten betreffen en of zij al dan niet afkomstig zijn van de verborgen pagina’s, terwijl niet altijd kan worden vastgesteld wie de desbetreffende uitlatingen heeft gedaan en of [eiser] reacties van anderen die in strijd zijn met het verbod tijdig heeft verwijderd. Daardoor kan ook niet worden beoordeeld of [eiser] dwangsommen heeft verbeurd en zo ja, hoe vaak.

Een en ander zal in een door [gedaagden] aan te spannen bodemprocedure moeten worden uitgemaakt. Van het simpelweg betekenen van de 113 prints aan [eiser] om vervolgens over te gaan tot de openbare verkoop van zijn huis kan geen sprake zijn. Daarvoor ligt de zaak, zoals uit het voorgaande volgt, veel te ingewikkeld.

De executie van de dwangsommen zal dan ook worden geschorst totdat in bodemprocedure over de verschuldigdheid daarvan zal zijn beslist.

Nu ook niet op voorhand kan worden gezegd dat geen enkele dwangsom is verbeurd wordt de vordering tot opheffing van het beslag afgewezen.

4.9. [gedaagden] zullen als de grotendeels in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de kosten van het geding in conventie, aan de zijde van [eiser] begroot op EUR 85,44 aan dagvaardingskosten, op EUR 254,- aan vastrecht en op EUR 816,- aan salaris procureur, derhalve in totaal EUR 1.155,44.

4.10. Aangezien het nog maar de vraag is of [eiser] dwangsommen heeft verbeurd en in ieder geval niet kan worden gezegd dat hij zich aan het vonnis van 25 april 2007 niets gelegen laat liggen, is er geen aanleiding de dwangsommen te verhogen, zoals in reconventie gevorderd. Die vordering wordt dus afgewezen.

4.11. [gedaagden] zullen als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de kosten van het geding in reconventie, aan de zijde van [eiser]. In verband met de samenhang met het geding in conventie worden deze kosten echter begroot op nihil.

5. De beslissing

De voorzieningenrechter

In conventie:

5.1. schorst de door [gedaagden] aangevangen executie van het vonnis van 25 april 2007 totdat in een door hen aan te spannen bodemprocedure zal zijn beslist dat [eiser] op grond van dit vonnis dwangsommen heeft verbeurd,

5.2. veroordeelt [gedaagden] hoofdelijk in de proceskosten van het geding in conventie, aan de zijde van [eiser] tot op heden begroot op EUR 1.155,44,

5.3. verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,

5.4. wijst het meer of anders gevorderde af,

In reconventie:

5.5. weigert de gevraagde voorziening,

5.6. veroordeelt [gedaagden] in de proceskosten van het geding in reconventie, aan de zijde van [eiser] tot op heden begroot op nihil.

Dit vonnis is gewezen door mr. A.J. Beukenhorst, voorzieningenrechter, bijgestaan door mr. M. Veraart, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 13 maart 2008.?