Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2008:BC9296

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
28-03-2008
Datum publicatie
11-04-2008
Zaaknummer
13/467227-07
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Veroordeling van een verdachte die, terwijl hij onder invloed verkeerde van cocaïne en alcohol, een vriendin diverse malen met een mes gestoken, ten gevolge waarvan deze vriendin is overleden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Parketnummer: 13/467227-07

Datum uitspraak: 28 maart 2008

op tegenspraak

VERKORT VONNIS

van de rechtbank Amsterdam, meervoudige strafkamer, in de strafzaak tegen

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1945,

zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland,

gedetineerd in het Penitentiair Ziekenhuis te Scheveningen.

De rechtbank heeft beraadslaagd naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 14 maart 2008.

1. Telastelegging

Aan verdachte is telastegelegd hetgeen staat omschreven in de dagvaarding zoals deze ter terechtzitting van 14 maart 2008 is gewijzigd. Van de dagvaarding en de vordering wijziging telastelegging zijn kopieën als bijlagen 1 en 2 aan dit vonnis gehecht. De gewijzigde telastelegging geldt als hier ingevoegd.

2. Voorvragen

3. Waardering van het bewijs

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte ter zake van moord zal worden veroordeeld. Zij acht voorbedachte rade aanwezig nu verdachte het slachtoffer welbewust heeft gestoken op het moment dat zij zich achter de bank bevond en overeind kwam. Zo’n twintig minuten later heeft verdachte haar opnieuw gestoken, ditmaal ondermeer in het hart. Er is gedurende een langere periode geweld gebruikt tegen het slachtoffer. Verdachte heeft bovendien verklaard dat hij geïrriteerd was over het slachtoffer op het moment dat zij haar ontlasting liet lopen en dat het hem niet interesseerde wat er op dat moment met haar gaande was. Dat deze onverschilligheid mogelijk het gevolg is geweest van door verdachte gebruikte cocaïne, verontschuldigt hem niet, aldus de officier van justitie.

De raadsman is van mening dat bij zijn cliënt ten tijde van het delict geen sprake is geweest van een opzet gericht op de dood van het slachtoffer. Zijn cliënt had de situatie niet meer in de hand en is ontremd gedrag gaan vertonen. Een bewezenverklaring van het subsidiair telastegelegde ligt dan ook in de rede, aldus de raadsman.

De rechtbank overweegt als volgt.

Verdachte heeft verklaard dat hij het slachtoffer eerst in de hals heeft gesneden. Hij heeft waargenomen dat zij ten gevolge van deze verwonding veel bloed verloor en dat zij enige malen het bewustzijn leek te verliezen. Geruime tijd later heeft verdachte het slachtoffer in de borst gestoken. Op dat moment bevond het slachtoffer zich volgens verdachte achter de bank waarop hij zat. Het slachtoffer richtte zich op naar verdachte toe en verdachte heeft naar haar uitgehaald met het mes, waarbij hij voelde dat het mes afstuitte op het borstbeen. Enige tijd later, toen verdachte merkte dat het slachtoffer hem weer van achter de bank benaderde, heeft verdachte opnieuw uitgehaald. Verdachte zegt dat hij op dat moment voelde dat het mes in haar lichaam drong.

Uit het obductieverslag opgemaakt op 17 december 2007 door dr. V. Soerdjbalie-Maikoe, arts en patholoog, komt naar voren dat op het lichaam van het slachtoffer in totaal negen scherprandige klievingen van huid en huidperforaties zijn waar te nemen. Eén scherprandige klieving in de hals en acht huidperforaties in relatie met steekkanalen in de borststreek. Eén van de steekkanalen in de borstkas eindigt in het hart, drie andere in de linkerlong. De arts-patholoog concludeert dat het intreden van de dood van het slachtoffer zondermeer verklaard kan worden door weefselschade en orgaanfunctieverlies (van hart en longen) in combinatie met bloedverlies ten gevolge van inwerking van uitwendig klievend en/of snijdend en perforerend geweld.

Uit het door de gedragsneuroloog prof. dr. C. Jonker opgemaakte rapport d.d. 12 september 2007 komt naar voren dat de gedragskeuzen c.q. gedragingen van verdachte ten tijde van het plegen van het telastegelegde beïnvloed zijn geweest door hersenorganisch lijden in de zin van een organisch frontaal syndroom. Ten gevolge hiervan is verdachte, als hem iets niets bevalt en de situatie voor hem onoverzichtelijk is geworden niet in staat zijn impulsen onder controle te houden en mist hij reflectie op eigen handelen. Op dergelijke momenten is verdachte belemmerd in zijn keuzevrijheid en hij heeft bovendien de neiging te persisteren in een bepaald gedragspatroon door tekortschieten van mentale flexibiliteit. Het is voorts niet ondenkbaar dat het gedrag van verdachte ten tijde van het telastegelegde versterkt is door het gebruik van cocaïne en alcohol, aldus de deskundige.

De rechtbank is van oordeel dat ten tijde van het telastegelegde bij verdachte voorwaardelijk opzet heeft bestaan gericht op de dood van het slachtoffer. Weliswaar werd verdachtes handelen in sterke mate beïnvloed door het vastgestelde hersenorganisch lijden, maar verdachte is niet van elk inzicht in de draagwijdte van zijn handelen en de mogelijke gevolgen daarvan verstoken geweest. Verdachte was zich ervan bewust dat hij het slachtoffer op een vitale plek had geraakt, toen hij naar haar uithaalde toen zij van achter de bank omhoog kwam. Verdachte merkte immers, zoals hij ook ter terechtzitting heeft verklaard, dat het mes afstuitte op haar borstbeen. Desondanks heeft verdachte op vergelijkbare wijze opnieuw naar haar uitgehaald, toen hij merkte dat het slachtoffer enige tijd later wederom omhoog kwam achter de bank. Daarbij is het mes in haar lichaam gedrongen, zoals verdachte heeft verklaard. Verdachte heeft verklaard dat hij ten tijde van het telastegelegde in sterke mate geïrriteerd was door het gedrag van het slachtoffer en tevens onder invloed van alcohol en drugs verkeerde, waardoor hij onverschillig stond tegenover de gevolgen van zijn handelen. Door zijn handelwijze heeft verdachte bewust de aanmerkelijke kans aanvaard dat het slachtoffer door het door hem toegebrachte letsel zou komen te overlijden.

Anders dan de officier van justitie, acht de rechtbank voorbedachte rade niet bewezen. Van een moment van kalm overleg is niet gebleken. De enkele omstandigheid van het tijdsverloop tussen het toebrengen van de verschillende (steek)verwondingen acht de rechtbank onvoldoende om zo’n moment van kalm overleg aan te nemen.

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte:

op 28 maart 2007 te Amsterdam opzettelijk [slachtoffer] van het leven heeft beroofd, immers heeft verdachte met dat opzet met een mes in de hals van die [slachtoffer] gesneden en met dat mes in hart en longen van die [slachtoffer] gestoken, tengevolge waarvan die [slachtoffer] is overleden;

Voorzover in de telastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in zijn verdediging geschaad.

4. Het bewijs

De rechtbank grondt haar beslissing dat verdachte het bewezen geachte heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat.

5. De strafbaarheid van het feit

Het bewezen geachte feit is volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.

6. De strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte geheel uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.

7. Motivering van de straf en maatregel

De officier van justitie heeft bij requisitoir gevorderd dat verdachte ter zake van het door haar bewezengeachte feit (moord) zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 18 maanden en TBS met voorwaarden.

Bij de beslissing met betrekking tot de op te leggen straf en maatregel heeft de rechtbank in het bijzonder rekening gehouden met de ernst van het bewezen geachte, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals van een en ander ter terechtzitting is gebleken, waarbij onder meer is gelet op:

- een uittrekstel uit het justitieel documentatieregister betreffende verdachte, d.d. 30 maart 2007;

- een rapport betreffende verdachte opgemaakt door prof. dr. C. Jonker, gedragsneuroloog, d.d. 12 september 2007;

- een multidisciplinaire rapportage betreffende verdachte opgemaakt door drs. B. van Giessen, klinisch en forensisch psycholoog, drs. W.M.J. Hassing, psychiater en M.L. van der Wielen, forensisch milieurapporteur, d.d. 19 oktober 2007;

- een Maatregelrapport opgemaakt door M.L. van der Wielen van de Reclassering Nederland, d.d. 22 februari 2008.

De rechtbank overweegt in het bijzonder het navolgende;

Verdachte heeft, terwijl hij onder invloed verkeerde van cocaïne en alcohol, een vriendin diverse malen met een mes gestoken, ten gevolge waarvan deze vriendin is overleden. Verdachte heeft zich aldus schuldig gemaakt aan een bijzonder ernstig strafbaar feit waardoor iemand het leven is ontnomen en waarbij de familie en vrienden van het slachtoffer onherstelbaar verdriet is aangedaan.

De ernst van het bewezengeachte feit rechtvaardigt naar het oordeel van de rechtbank in beginsel een gevangenisstraf van lange duur.

In het hierboven genoemde rapport van de gedragsneuroloog is ondermeer het volgende opgenomen:

“Bij betrokkene is sprake van een hersenorganisch lijden in de zin van een organisch frontaal syndroom (‘organische persoonlijkheidsverandering’).

Ten tijde van het plegen van het ten laste gelegde was sprake van dit hersenorganisch lijden.

Het is zeer waarschijnlijk dat de gedragskeuzen c.q. gedragingen van betrokkene ten tijde van het plegen van het ten laste gelegde beïnvloed geweest zijn door het hersenorganisch lijden. Als betrokkene iets niet bevalt, en de situatie voor hem onoverzichtelijk is geworden, is hij niet in staat zijn impulsen onder controle te houden en mist hij het vermogen tot reflectie op eigen handelen. Op dergelijke momenten is betrokkene belemmerd in zijn keuzevrijheid en heeft bovendien de neiging te persisteren in een bepaald gedragspatroon door tekortschieten van mentale flexibiliteit. (…) Op grond van de gedragsneurologische deelrapportage kan betrokkene dan ook als sterk verminderd toerekeningsvatbaar worden beschouwd voor het tenlaste gelegde.”

In het hierboven genoemde multidisciplinaire rapport is ondermeer te lezen:

“Op grond van de vastgestelde hersenorganische beschadigingen die bij betrokkene de controle van impulsen ernstig ondermijnen evenals de reflectie op gedragingen, dient betrokkene voor het tenlastegelegde feit, indien bewezen, als sterk verminderd toerekeningsvatbaar te worden beschouwd.

De hersenorganische beschadigingen zullen ook in de toekomst aanwezig blijven. (…)

De gezondheidstoestand van betrokkene is momenteel echter wel zo slecht dat betrokkene klinische verzorging en zelfs verpleging nodig heeft. Betrokkene is niet in staat om voor zichzelf te zorgen. Betrokkene beseft dit ook zelf en zou ook het liefst verzorgd en verpleegd worden. Het is echter niet goed te voorspellen of betrokkene in een weinig beveiligde omgeving zoals een reguliere verpleeghuisafdeling, de verleiding kan weerstaan om drugs te gaan gebruiken, of te wel, zich te onttrekken aan de regels.

Omdat de kans op herhaling van soortgelijke feiten als het tenlastegelegde aanwezig is en betrokkene vanuit zijn sterke neiging tot drugsgebruik zich ook aan een vrijwillige behandeling zou kunnen onttrekken, adviseren wij uw college om betrokkene de maatregel TBS met voorwaarden op te leggen. (…)

De medische en psychiatrische problematiek van betrokkene vraagt om een behandeling in een instelling waarin zowel klinisch medische zorg gegeven wordt als ook voldoende beveiliging in de vorm van een gesloten setting.”

De rechtbank neemt de conclusie dat verdachte als sterk verminderd toerekeningsvatbaar moet worden beschouwd met betrekking tot het door hem begane feit over. Gelet op de ernst van het feit acht de rechtbank het echter noodzakelijk aan verdachte een straf op te leggen, zoals door de officier van justitie is gevorderd, hoewel verdachte van moord wordt vrijgesproken.

De rechtbank sluit zich aan bij het door de deskundigen uitgebrachte advies om verdachte TBS met voorwaarden op te leggen.

Mede aangezien het bewezen geachte een misdrijf is waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van vier jaren of meer is gesteld, en de veiligheid van anderen het opleggen van deze maatregel eist, dient verdachte naar het oordeel van de rechtbank ter beschikking gesteld te worden.

De Reclassering Nederland adviseert in bovengenoemd het advies van de rapporteurs Pro Justitia te volgen. De reclassering is bereid de verantwoordelijkheid van de TBS op zich te nemen en toezicht op betrokkene te houden onder de voorwaarde dat betrokkene zich houdt aan alle aanwijzingen die door de reclassering worden gegeven. Vast staat dat betrokkene kan worden opgenomen op de forensisch psychiatrische afdeling (FPA) van de GGZ Noord-Holland Noord te Heiloo. Na afloop van de behandeling in de FPA te Heiloo dient betrokkene mee te werken aan het voorgeschreven nazorgtraject, ook als dat een ambulante c.q. intramurale behandeling bij een andere instelling inhoudt.

Verdachte heeft zich bereid verklaard de voorwaarden zoals vermeld in het maatregelrapport na te komen.

8. Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf en maatregel zijn gegrond op de artikelen 37a, 38, 38a en 287 van het Wetboek van Strafrecht.

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.

9. Beslissing

Verklaart de onder 1 telastegelegde moord niet bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verklaart bewezen dat verdachte het telastegelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 3 is aangegeven.

Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is telastegelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Het bewezenverklaarde levert op:

Doodslag

Verklaart het bewezene strafbaar.

Verklaart verdachte, [verdachte], daarvoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 18 (achttien) maanden.

Beveelt dat de tijd die door veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van die straf in mindering gebracht zal worden.

Gelast dat verdachte ter beschikking zal worden gesteld, voor de duur van twee jaren onder de volgende voorwaarden:

- bepaalt dat veroordeelde zich laat opnemen (bij voorkeur op 31 maart 2008) op de Forensische Afdeling van de GGZ Noord-Holland Noord te Heiloo;

- bepaalt dat veroordeelde zich vervolgens aansluitend laat opnemen in een geschikte verpleeghuisvoorziening met voldoende beveiliging in de vorm van een gesloten setting, beide opnames tezamen voor de duur van maximaal 2 jaar;

- beveelt dat veroordeelde de hem opgelegde voorwaarden zal naleven en de aanwijzingen en opdrachten opvolgt die hem door of namens de reclassering worden gegeven.

Geeft opdracht aan de Reclassering Nederland om aan veroordeelde bij de naleving van de voorwaarden hulp en steun te verlenen.

Dit vonnis is gewezen door

mr. J.M.J. Lommen-van Alphen, voorzitter,

mrs. Q.R.M. Falger en A.A. Spoel, rechters,

in tegenwoordigheid van B. de Hoogh, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 28 maart 2008.