Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2008:BC9288

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
02-04-2008
Datum publicatie
11-04-2008
Zaaknummer
370996 / HA ZA 07-1504 (AV)
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Boek "Een man tegen de staat" bevat onrechtmatige passages over een generaal-majoor b.d. Deze functionaris was destijds betrokken bij het onderzoek naar de dood van een defensiemedewerker in 1984 bij een incident met een mortiermijn. Een aantal passages over zijn handelen vinden geen steun in de feiten en dienen gerectificeerd te worden door middel van een inlegvel in nog niet verkochte exemplaren en in eventuele volgende drukken. Ook dient een rectificatie op de website van de uitgever te volgen en dienen de schrijver en de uitgever een schadevergoeding van € 7.500,- te betalen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK AMSTERDAM

Sector civiel recht

zaaknummer / rolnummer: 370996 / HA ZA 07-1504 (AV)

Vonnis van 2 april 2008

in de zaak van

[eiser],

wonende te [woonplaats],

eiser in conventie,

verweerder in reconventie,

procureur mr. E.L. Kalis,

tegen

1. [gedaagde 1],

wonende te Amsterdam,

2. de stichting

STICHTING UITGEVERIJ PAPIEREN TIJGER,

gevestigd te Breda,

gedaagden in conventie,

eisers in reconventie,

procureur mr. F.F. Blokhuis.

Partijen zullen hierna [eiser], [gedaagde 1] en de Uitgeverij genoemd worden.

1. De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding van 11 mei 2007, met bewijsstukken;

- de conclusie van antwoord in conventie en van eis in reconventie, met bewijsstukken;

- het ambtshalve gewezen tussenvonnis van 5 september 2007, waarbij een comparitie van partijen is gelast;

- het proces-verbaal van de comparitie van partijen die op 7 december 2007 heeft plaatsgevonden, met de daarin vermelde stukken, waaronder de conclusie van antwoord in reconventie;

- verwijzing naar de meervoudige kamer.

1.2. Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De feiten

2.1. [gedaagde 1] is onderzoeksjournalist en heeft een boek geschreven met de titel “Een man tegen de staat” (hierna: het boek). Op de kaft van het boek staat een foto [A.] met de tekst:

“Defensiemedewerker [A.] is al 23 jaar vogelvrij

Hij strijdt tegen een overheid die zelfs misdrijven niet schuwt

in het grootse klokkenluidersschandaal van Nederland”

Het boek bestaat uit twee delen. Het eerste deel getiteld: “Het verhaal van het ongeluk en de dood, de misleiding en de strijd”, (pagina 9 tot en met 276) bevat een feitelijk relaas vanuit het perspectief van [A.]. Het tweede deel met als titel “Liegen, bedriegen en bedreigen voor volk en vaderland” is een analyse en opinie van [gedaagde 1]. Op de achterkant van het boek (alsmede op de website van de Uitgeverij) staat onder andere de volgende tekst:

“Op 14 september 1984 voert [B.], munitiespecialist van Defensie, tests uit met een mortiermijn van Nederlandse makelij. Bij de leiding is dan al bekend dat de mijn ernstige gebreken vertoont. Er zijn al eerder ongelukken mee gebeurd, met fatale afloop. Eigenlijk zou het wapen niet meer gebruikt mogen worden, maar vernietiging is kostbaar en zou gezichtsverlies voor de legerleiding betekenen. Als [B.] bij de test om het leven komt, doet Defensie er dan ook alles aan om de ware toedracht te verhullen.

[A.], maatschappelijk werker bij Defensie, krijgt de opdracht om [B.]’s weduwe te vertellen dat de dood van haar man door hemzelf is veroorzaakt. [A.] wil niet liegen en weigert. Prompt wordt hij ontslagen - het begin van een lange strijd met als inzet de waarheid en persoonlijke rehabilitatie.

Die strijd duurt inmiddels 23 jaar. Een man tegen de staat is de onthullende reconstructie van de affaire die ondertussen is uitgegroeid tot Nederlands grootste klokkenluidersschandaal.”

2.2. [eiser] is thans Generaal-majoor b.d. en raadadviseur van de Minister van Justitie, tewerkgesteld bij de IND (Dienst Terugkeer en Vertrek). Ten tijde van het ongeval op 14 september 1984 was [eiser], in de rang van Luitenant-kolonel (Overste), Districtscommandant Gelderland van de Koninklijke Marechaussee en als opsporingsambtenaar en Hulpofficier van Justitie belast met het onderzoek naar de toedracht van het ongeval. De resultaten van dit onderzoek zijn vastgelegd in het ongevalsrapport (P 674/1984) en in het onderzoeksrapport van 12 april 1985 (P 4/85), opgesteld door [eiser] en [C.]. In de zomer van 1989 heeft mevrouw [B.] van [eiser] inzage gekregen in procesverbaal P 4/85 en met hem daarover gesproken.

2.3. De Minister van Defensie erkende in een brief aan mevrouw [B.] van 27 maart 1997 alsnog dat Defensie aansprakelijk was voor het ongeval. De Ombudsman heeft geoordeeld dat de Minister zich in redelijkheid niet gedurende een reeks van jaren op het standpunt heeft kunnen stellen dat het ongeval mede te wijten was aan eigen schuld van [B.]. De Nationale Ombudsman heeft daartoe een onderzoek verricht naar de gang van zaken rond de ongevallen met de AP-23 mijn in 1983 en 1984, waarvan hij op 19 april 1999 rapport heeft uitgebracht. In dit rapport vermeldt de Ombudsman onder meer:

“3.2.1. […] na het ongeval op 14 september 1984 [rechtbank: zijn] in totaal drie onderzoeken ingesteld: twee onderzoeken door de Koninklijke marechaussee en één - technisch onderzoek door MVA-4. Op 1 juli 1985 werd het laatste onderzoek afgerond. […]

MVA-4 gaf in haar eindrapport van 1 juli 1985 aan het hoogst waarschijnlijk te vinden dat het ongeval was veroorzaakt doordat de slagpinveer van de mijn na het omtrekken van de hefboom in de S-stand was komen te staan. […]

Uit het onderzoekrapport van de Koninklijke marechaussee van 12 april 1985 (proces-verbaal nr. P 4/85) blijkt dat de mogelijkheid van het optreden van de S-stand al sinds 1970 bij Defensie bekend was. […]

De MOD had in dit beproevingsverslag onder meer aangegeven dat gezien de mogelijkheid dat de slagpinveer zich in de S-stand bevond, bij beproevingen weigeraars steeds van afstand dienden te worden vernietigd. Uit proces-verbaal nr. P 4/85 blijkt dat Defensie niets heeft gedaan met deze aanbeveling. […]

Niettemin was de Minister van Defensie, op basis van hetgeen in proces-verbaal nr. P 4/85 is gesteld over de wijze van handelen van de beproevingsleider, geruime tijd van mening dat de wijze van handelen van de beproevingsleider mede een oorzaak was van het ongeval. Pas in 1997, op grond van de hiervoor onder 3.1.2. genoemde twee notities, kwam de Minister op dit standpunt terug.

3.2.2. Uit proces-verbaal nr. P 4/85 komt naar voren dat verschillende medewerkers van MBA-1 en MVA-4 al vóór het ongeval op 14 september 1984 kennis droegen van het feit dat de AP-23 mijn gevaarlijk was, en wisten dat weigeraars van afstand dienden te worden vernietigd. Het sub-hoofd van de beproevingsgroep munitie van MBA-1 liet aan de Koninklijke marechaussee weten dat hij dit medio 1984 aan de beproevingsleider had meegedeeld. Ook andere personen zouden dergelijke signalen aan de beproevingsleider hebben afgegeven. […]

3.2.4. Op het punt van de waarschuwingen die zijn geuit tegenover de beproevingsleider is voorts van belang dat er in personeeltechnisch opzicht het nodige schortte aan de organisatie van MBA-1. Dit blijkt uit de bij proces-verbaal nr. P 4/85 gevoegde processen-verbaal van verhoor.

Zo was er sprake van een achterstand bij het periodiek onderzoek […]

Bovendien was er, zoals het plaatsvervangend hoofd van de Sectie Munitie en klein kaliber wapens van MBA-1 aan de Koninklijke marechaussee heeft laten weten, sprake van overbelasting, én was de bezetting van functies zeer miniem […]

Betrokkene wees erop dat er naar zijn mening sprake was van een te gehaaste functievervulling. Voorts kon er naar zijn mening niet meer uitgebreid en zorgvuldig aandacht worden besteed aan de veiligheid. Verder benadrukte hij dat de beproevingsleider met zijn geringe ervaring (van drie jaar) wel de autoriteit op munitiegebied was, en dat hij naast deze aanmerkelijke verantwoordelijkheid was overstelpt met andere werkzaamheden. Ook uit het proces-verbaal van verhoor van de directe chef van de beproevingsleider […] komt naar voren dat de bezetting van functies niet was zoals zij behoorde te zijn en dat er sprake was van overbelasting.

Uit het proces-verbaal van verhoor van degene die tot 1 mei 1984 plaatsvervangend hoofd was van de Sectie Munitie en klein kaliber wapens blijkt tevens dat ook hij op de hoogte was van de mogelijkheid van het optreden van de S-stand bij de AP-23 mijn, en dat hij wist dat een AP-23 die had geweigerd niet mocht worden benaderd. Hij gaf aan dat hij toen hij de dienst op 1 mei 1984 verliet zijn opvolger daarover niet had kunnen informeren, omdat deze op dat moment nog niet bekend was. […]

3.2.5. […] Gelet op de problemen waarmee MBA-1 te kampen had, te weten achterstand bij periodiek onderzoek, overbelasting, minimale bezetting en (daardoor) weinig tijd/aandacht voor veiligheid en een gebrek aan voldoende ervaring, moet worden geoordeeld dat Defensie in dit opzicht duidelijk tekort is geschoten.

3.2.6. Aannemelijk is dat de hiervoor […] genoemde omstandigheden en problemen er mede debet aan zijn geweest dat de beproevingsleider, voorzover jegens hem opmerkingen zijn gemaakt over de onbetrouwbaarheid van de AP-23 mijn, niet een specifiek voor het periodiek onderzoek van de AP-23 mijn bestemde veiligheidsprocedure heeft vastgesteld.

Op dit punt is tevens van belang dat het niet gebruikelijk was om voor ieder periodiek onderzoek een aparte veiligheidsprocedure op te stellen. In de interne order Munitieveiligheid van de Commissie van Proefneming van MBA-1 […] was een algemene veiligheidsprocedure vastgelegd. In deze veiligheidsprocedure is aangegeven dat in het geval van een weigering de beproevingsleider vijf minuten (of langer) “na het verlopen van een eventueel te verwachten vertragingstijd” de ontsteking veilig dient te stellen of uit te nemen. Ook in het verslag van het tussentijds situatieoverleg van 17 september 1984 […] is aangegeven dat een en ander ter beoordeling wordt overgelaten aan de beproevingsleider.

Mocht er dus al sprake zijn geweest van een gebruikelijke veiligheidsprocedure die - volgens proces-verbaal nr. P 4/85 - inhield dat in het geval van een weigering overleg diende te worden gevoerd met alle leden van de groep, dan is het niet juist dat deze procedure niet is vastgelegd in de interne order Munitieveiligheid van de Commissie van Proefneming van MBA-1.

Gezien het vorenstaand is het oordeel van de Koninklijke marechaussee, zoals opgenomen in proces-verbaal nr. P 4/85, dat de beproevingsleider zich ten onrechte niet heeft geconformeerd aan het gebruikelijke veiligheidsgedrag, maar op onverklaarbare wijze zijn eigen veiligheidsprocedure heeft gevolgd, niet houdbaar.

2.4. Een transcript van 20 januari 2006 van een interview door [gedaagde 1] van voormalig officier van Justitie [D.] luidt, voor zover relevant:

“[D.] [rechtbank: [D.]] ‘Zo kom je er wel steeds dichterbij een onderzoek naar valsheid in geschrifte, oplichting, nalatigheid en dergelijke. Dat zie ik zo langzamerhand wel in, maar nogmaals dat is dan op basis van wat ik nu weet. Zoals ik het in mijn brief schrijf is het ook: op basis van de informatie die toen beschikbaar was, is er geen reden voor heropening voor een strafrechtelijke vervolging voor dood door schuld.’

[gedaagde 1] [rechtbank: [gedaagde 1]] ‘U heeft zich ook volledig gebaseerd op een rapport van de Koninklijke Marechaussee dat nogal gekleurd is geweest.’

[D.] ‘… onvolledig… en kennelijk… ja… dus ook nog eens gekleurd.’

[…]

[D.] ‘Ik heb in 1989 natuurlijk ook niet geweten dat er zo suggestief is geverbaliseerd. Zo misleidend… dat is inderdaad onthutsend… als dat vervolgens als basis wordt aangedragen voor een oordeel van Justitie, ja dan voel ik mij zelf ook misbruikt… Hoe kun je dat nou in vredesnaam doen?’

[D.] ‘Ik constateer ook dat dit in strijd is met alles wat fatsoenlijk is en ook met de regelgeving.’”

2.5. In maart 2006 heeft [gedaagde 1] de afdeling Voorlichting van het Ministerie van Defensie benaderd met het verzoek [eiser] enkele vragen voor te mogen leggen omtrent zijn persoonlijk handelen met betrekking tot de processen-verbaal 674/84 en 4/85. Omdat tussen de Staat, [A.] en mevrouw [B.] schikkingsovereenkomsten tot stand waren gekomen, heeft [eiser] op advies van de Minister van Defensie afgezien van een gesprek met [gedaagde 1].

2.6. Het boek is in oktober 2006 uitgegeven door de Uitgeverij.

2.7. In De Stentor van 28 oktober 2006 is een interview met [gedaagde 1] verschenen. In het artikel staat onder meer:

“[gedaagde 1] zegt: ‘Juist met dit onderzoek maakte [eiser] zelf razendsnel carrière, hij werd generaal-majoor van de Marechaussee, de hoogste baas. Iemand die dit soort zaken kennelijk tot een structurele werkwijze maakte, want ook bij het wegraken van het filmrolletje in Screbrenica speelde hij een bepalende rol. Hij had aan dit dossier zijn maatschappelijke carrière te danken - de man is letterlijk over lijken gegaan’. Met documenten wil hij aantonen dat [eiser] (nu rechterhand van minister Verdonk) moedwillig materiaal achterhield. ‘Ik meet hem niet voor niets zo breed uit, ik denk dat het geen verschil maakt of je een topcrimineel als [E.] bent of [eiser] heet, ik denk dat de samenleving erbij gebaat is dat dit soort mensen, die zo structureel uiterst dubieuze dingen hebben gedaan, achter de tralies belanden.”

2.8. Teneinde verdere publicaties te voorkomen heeft [eiser] een kortgeding aangespannen tegen [gedaagde 1] en de Uitgeverij. Bij vonnis van 1 maart 2007 zijn de vorderingen van [eiser] afgewezen.

2.9. Kort na de kortgeding zitting publiceerde [gedaagde 1] op zijn website: www.eenmantegendestaat.nl (hierna: de website) onder meer de volgende tekst:

“De Telegraaf was bij de zitting aanwezig en noteerde hoe [eiser] zijn rol bij de mijnongelukken uit 1983 en 1984 bagatelliseerde. [gedaagde 1] en zijn advocaat Fulco Blokhuis van Boekx Advocaten hebben tijdens de rechtszitting een groot aantal geheime rapporten, verklaringen en (openbare) documenten overgelegd die [gedaagde 1]s stelling onderbouwt dat [eiser] een zeer belangrijke rol in de doofpotaffaire speelde.”

2.10. Nadat het kortgeding vonnis was gewezen, publiceerde [gedaagde 1] op de website onder andere het volgende:

“Auteur [gedaagde 1] noemt [eiser] onder meer de ‘lijkenruimer’ van de toenmalige defensieminister Job de Ruiter. Bovendien stelt [gedaagde 1] in zijn boek dat [eiser] een zeer misleidend rapport had opgesteld over een ongeluk met een mortiermijn in 1984 en dat de oud-militair mogelijk valsheid in geschrifte pleegde om de toedracht van het ongeval in de doofpot te stoppen.”

2.11. Op 22 november 2007 stond onder de kop“Bij Defensie raakt alleen de doofpot niet zoek” de volgende tekst op de website van [gedaagde 1]:

“Defensie heeft geprobeerd de mogelijke betrokkenheid van militairen bij een dodelijk ongeluk in 1987 in de doofpot te stoppen, dat schrijft De Telegraaf op donderdag 31 augustus. De in de ochtendkrant omschreven zaak vertoont grote gelijknissen met gebeurtenissen uit de zaak-[A.] en de mijnongelukken uit 1983 en 1984 die in totaal acht mensen het leven kostten.

Wie kent er nog meer (bewijsbare) zaken die door Marechaussee-bevelhebber [eiser] middels misleidende processen-verbaal bij het O.M., de Tweede Kamer of de media werden weg gehouden?”

3. De vordering in conventie

3.1. [eiser] vordert, kort samengevat, bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad:

A. te verklaren voor recht dat de in het boek opgenomen passages met betrekking tot [eiser] en/of de uitlatingen van [gedaagde 1] in het interview van De Stentor van 28 oktober 2006, onrechtmatig zijn;

B. [gedaagde 1] en de Uitgeverij te veroordelen de publicatie van het boek te staken en gestaakt te houden, met bevel de reeds gedistribueerde exemplaren van het boek, voor zover nog aanwezig bij boekhandels en distributeurs, terug te nemen, onder verbeurte van een dwangsom;

C. [gedaagde 1] en de Uitgeverij te bevelen de in de dagvaarding gespecificeerde passages van het boek te rectificeren in de dagbladen Het Parool, De Volkskrant en De Stentor, en op de websites van zowel [gedaagde 1] als de Uitgeverij, alsmede door middel van een inlegvel in de nog niet verkochte exemplaren van het boek, alles onder verbeurte van een dwangsom;

D. [gedaagde 1] en de Uitgeverij hoofdelijk te veroordelen tot vergoeding van de door [eiser] geleden en nog te lijden materiële en immateriële schade van EUR 15.000,=;

E. [gedaagde 1] en de Uitgeverij te veroordelen in de kosten van het geding.

3.2. [eiser] stelt daartoe -kort gezegd- dat [gedaagde 1] zowel in het boek als in de media, waaronder de website, een aantal onjuiste mededelingen over hem heeft gedaan en dat [gedaagde 1] daardoor onrechtmatig jegens hem heeft gehandeld. Ook de Uitgeverij heeft jegens [eiser] onrechtmatig gehandeld omdat zij het boek heeft uitgegeven en ook op haar website de aantijgingen die op de achterzijde van het boek staan vermeld, heeft geplaatst.

3.3. Met betrekking tot het boek voert [eiser] aan dat de volgende passages onrechtmatig zijn:

A. Op pagina 57 en 58 van het boek:

“De uiterst selectieve wijze waarop [eiser] en [C.] omgaan met het gebruik van verklaringen in de conclusie van P4/85 verraadt dat het duo er veel aan gelegen is om [B.] als zondebok neer te zetten. ‘De Heer [B.] conformeert zich niet aan het gebruikelijke veiligheidsgedrag van de Groep Periodiek Onderzoek,’ stellen de onderzoekers, ‘doch volgt op onverklaarbare wijze zijn eigen veiligheidsprocedure.’ Behendig voorzien [eiser] en [C.] het handelen van [B.] van waardeoordelen; bij conclusies over de technische staat van de AP-23 en het handelen van Defensieambtenaren blijven de waardeoordelen achterwege. […]

In alle conclusies over de handelwijze van [B.] laten de rapporteurs belangrijke ontlastende informatie achterwege. Als [eiser] en [C.] stellen dat de beproevingsleider ‘zich niet conformeert aan het gebruikelijke veiligheidsgedrag’, blijft onvermeld dat er voor het beproeven van AP-23-mortiermijnen helemaal geen geschreven handleiding bestond met daarin een duidelijk omschreven veiligheidsprotocol.”

B. Op pagina 74 van het boek:

“Op de werkkamer van [D.] in Zwolle blijkt dat [D.] alleen kan beschikken over proces-verbaal 674/1984, het eerste onderzoeksrapport waarin getuigen van het ongeval op 14 september 1984 worden gehoord. Het vervolgonderzoek P4/85 is door de opstellers [eiser] en [C.] weliswaar pro justitia opgemaakt, maar nooit aan de Zwolse officier van justitie toegestuurd.”

C. Op pagina 74 van het boek:

“[F.] is […] als ‘vertrouwenspersoon’ aanwezig bij het gesprek tussen [B.] en [eiser], ook is er een juriste van het ministerie van Defensie. De BVD-agente is getuige als [eiser] de weduwe verbaal bedreigt. Hij probeert de weduwe er zo van te weerhouden actie te ondernemen als ze kennis heeft genomen van het rapport.”

En op pagina 76 van het boek:

“De opmerking over de intimidatie van [eiser] tijdens de inzage van het rapport doet [G.] af als een verkeerde interpretatie. ‘Het is jammer en pijnlijk te constateren dat daar waar van onze kant slechts een zo groot mogelijke zorgvuldigheid werd bedoeld, dat door u is opgevat als intimidatie van de kant van betrokkenen.’´

D. Op pagina 78 van het boek:

“De onderzoeken van de Koninklijke Marechaussee noemt [D.] achteraf ‘onvolledig en gekleurd’. De voormalig officier van justitie vindt het onbegrijpelijk dat [eiser] en [C.] een dergelijk rapport hebben afgeleverd. ‘Ik heb in 1989 niet geweten dat er zo suggestief is geverbaliseerd. Zo misleidend, zo onthutsend. Als dat vervolgens als basis wordt aangedragen voor een oordeel van justitie, ja, dan voel ik mijzelf ook misbruikt. Hoe kun je dat nou in vredesnaam doen? Het is een schandelijk onderzoek.’”

E. Op pagina 226 van het boek:

“Kort na de fotoherkenning ontvangt [A.] een oproep voor het opmaken van een aanvullend proces-verbaal. Ditmaal moet hij zich melden in Zeist, in het brigadekwartier De Berekuil van de Koninklijke Marechaussee.

In De Berekuil wordt hij door twee opsporingsambtenaren van de marechaussee stevig onder handen genomen. De twee officieren zeggen dat zij over de zaak hebben overlegd met marechausseecommandant [eiser] en dat deze heeft besloten dat het opgemaakte proces-verbaal niet aan de auditeur-militair van het Openbaar Ministerie in Arnhem mag worden doorgestuurd. Volgens [eiser] is [A.] een gevaarlijke gek wiens verzinsels schadelijk zijn voor de krijgsmacht.”

F. Op pagina 306 van het boek heeft [gedaagde 1] een artikel uit het Algemeen Dagblad uit 1998 opgenomen, waarin Minister van Defensie De Grave heeft gesteld dat het “vanzelfsprekend is als de marechaussee bij het signaleren van strafrechtelijke misdragingen eerst naar justitie stapt en daarna rapporteert aan Defensie. Maar toch is dat kennelijk jarenlang niet gebeurd. Dat kan niet en moet anders.” [gedaagde 1] heeft in het onderschrift aan dat artikel de conclusie verbonden:

“Ook in de zaak-[A.] werden door marechausseecommandant [eiser] en trawanten belangrijke dossiers niet aan justitie voorgelegd”.

G. Op pagina 310 van het boek citeert [gedaagde 1] artikel 225 van het Wetboek van Strafrecht en schrijft daarna op pagina 310-311:

“Het opmaken van processen-verbaal waarbij bewijzen worden gemanipuleerd of achtergehouden om de ware toedracht van ongevallen te verhullen, kan volgens dit wetsartikel als fraude worden aangemerkt.

Dat is precies wat [eiser] in 1983 en 1984 deed: met feiten rommelen zodat de ware oorzaken van de mijnongelukken werden afgedekt. Volgens bronnen bij Defensie heeft hij er zijn militaire bliksemcarrière bij de Koninklijke Marechaussee aan te danken. Binnen een decennium werd de luitenant-kolonel bevorderd tot generaal-majoor.

[eiser] schoof twee transporteurs in 1983 voor verwisseling van de mijn de schuld in de schoenen. Een jaar later had volgens [eiser]’ proces-verbaal P4/85 [B.] zelf schuld aan zijn dodelijke ongeval.

[…]

Nog schokkender is dat [eiser] in P4/85 mogelijke verdachten ‘pro justitia’ verhoort, maar justitie nooit een afschrift van het proces-verbaal stuurt. Voormalig officier van justitie [D.] krijgt P4/85 pas voor het eerst in 1989 onder ogen.

‘Ik heb in 1989 niet geweten dat er zo suggestief is geverbaliseerd’, zegt hij in dit boek over het werk van [eiser]. ‘Zo misleidend, zo onthutsend. Als dat vervolgens als basis wordt aangedragen voor een oordeel van justitie, ja, dan voel ik mijzelf ook misbruikt. Hoe kun je dat nou in vredesnaam doen? Het is een schandelijk onderzoek.’

In feite fungeerde [eiser] als lijkenruimer voor Defensieminister Job de Ruiter. Door de valselijk opgemaakte rapportages - [eiser] was zeer selectief in de informatie die hij wel en niet in de rapporten opnam - wist hij het ministerie van Defensie voor gezichtsverlies te behoeden. Met zijn processen-verbaal leidde [eiser] de aandacht af van zowel de mankementen van de AP-23-mortiermijn als van Defensieminister De Ruiter, die er niet in was geslaagd de in 1983 aan de Tweede Kamer beloofde veiligheidsmaatregelen door te voeren.

[…]

De inspanningen werden terugbetaald. Als in 1995 [eiser] onder vuur ligt onder verdenking van het verduisteren van bewijsmateriaal van misdragingen door Dutchbatters in Screbrenica door de Koninklijke Marechaussee, wordt oud-minister De Ruiter van stal gehaald om de gangen van [eiser] cum suis te onderzoeken. Uiteraard blijkt de opperbevelhebber van de Koninklijke Marechaussee brandschoon.”

3.4. Het standpunt van [eiser] komt, voor zover relevant hierna aan de orde.

4. Het verweer in conventie

4.1. [gedaagde 1] en de Uitgeverij hebben de vordering gemotiveerd betwist. Hun verweer komt, voor zover relevant, hierna aan de orde.

5. De vordering in reconventie

5.1. [gedaagde 1] en de Uitgeverij vorderen in reconventie, kort samengevat:

A. te verklaren voor recht dat de publicatie en uitgave van het boek en meer in het bijzonder de weergave van de passages van het boek, die in conventie onderwerp van het geschil zijn gemaakt, niet onrechtmatig zijn jegens [eiser];

B. [eiser] te veroordelen tot het bekend maken van de naam, het adres, de woonplaats, het e-mailadres en het telefoonnummer van de persoon van wie hij het manuscript van het boek heeft gekregen, op straffe van een dwangsom;

C. [eiser] te veroordelen tot betaling van de volledige proceskosten van het geding, te vermeerderen met rente, alsmede in de buitengerechtelijke kosten.

6. Het verweer in reconventie

6.1. [eiser] heeft de vordering gemotiveerd betwist. Zijn standpunt komt, voor zover relevant, hierna aan de orde.

7. De beoordeling

7.1. Gelet op de onderlinge samenhang zal de rechtbank de conventie en de reconventie tegelijkertijd behandelen.

7.2. Niet is betwist dat [eiser] door het boek en de uitlatingen van [gedaagde 1] in andere media, in zijn eer en goede naam is aangetast, zodat moet worden bezien of deze aantasting, gelet op alle omstandigheden van het geval, onrechtmatig is. Bij die beoordeling staan in beginsel twee gelijkwaardige belangen tegenover elkaar; het belang van [eiser] bij eerbiediging van zijn persoonlijke levenssfeer waaronder zijn belang om niet lichtvaardig via de media beschuldigd of verdacht gemaakt te worden en het belang van [gedaagde 1] bij uitingsvrijheid en in dat verband het belang misstanden die de samenleving raken aan de orde te stellen. Niet in geschil is, dat het optreden van de overheid jegens mevrouw [B.] en de heer [A.] nader onderzoek rechtvaardigt en publieke aandacht verdient. Van [gedaagde 1] als onderzoeksjournalist mag worden verlangd dat hij zijn feitelijke beschuldigingen aan het adres van individuele personen die een zekere rol spelen in het verhaal, zoals [eiser], zorgvuldig onderbouwt en formuleert. Tegen deze achtergrond vormen de juistheid van de aan [eiser] gemaakte verwijten, althans de feitelijke onderbouwing, de inkleding en de wijze van presentatie daarvan onder meer omstandigheden die in de afweging van de hiervoor genoemde belangen betrokken dienen te worden. Voorts heeft te gelden dat ook met betrekking tot (louter) waardeoordelen een voldoende feitelijke basis moet bestaan voor de desbetreffende uiting, omdat zelfs een waardeoordeel excessief en daarom onrechtmatig kan zijn indien elke feitelijke basis daarvoor ontbreekt (zie HR 18 januari 2008, LJN BB3210, Hoge Raad, C06/161HR). Aan de hand van alle terzake dienende omstandigheden van het geval dient vervolgens te worden afgewogen welk van de betrokken grondrechten in dit geval het zwaarste weegt. Gelet op deze uitgangspunten zal de rechtbank beoordelen of de door [eiser] aangevoerde passages voldoende steun vinden in het voor [gedaagde 1] ten tijde van het schrijven van het boek beschikbare feitenmateriaal, waarbij in het bijzonder zal worden bezien of daar waar sprake is van waardeoordelen deze niet excessief zijn gelet op de aangevoerde onderbouwing.

Passage A (zie hiervoor onder 3.3.) van het boek

7.3. Met betrekking tot deze passage stelt [eiser] dat hetgeen hierin is vermeld geen steun vindt in de feiten. Uit de door [gedaagde 1] geraadpleegde bronnen is volgens [eiser] niet komen vast te staat dat [eiser] bij het opstellen van proces-verbaal P4/85 (al dan niet moedwillig) selectief met verklaringen zou zijn omgegaan, laat staan dat daaruit zou blijken dat [eiser] er veel aan gelegen zou zijn geweest [B.] als zondebok neer te zetten. [eiser] stelt dat hij het mede door hem (als leider van een onderzoeksteam van dertig leden) uitgevoerde onderzoek naar eer en geweten heeft verricht, hetgeen evenzeer geldt voor het opstellen van de daaruit voortvloeiende processen-verbaal. Van behendige manipulatie van processen-verbaal is dan ook geen sprake en derhalve is, aldus nog steeds [eiser], de beschuldiging in deze passage ongefundeerd. Uit het inleidend proces-verbaal P4/85 blijkt volgens [eiser] bovendien dat hij wel degelijk in het proces-verbaal heeft opgenomen dat er geen geschreven handleiding met een veiligheidsprotocol bestond voor de mortiermijn AP-23. Met betrekking tot het rapport van de Nationale Ombudsman (zie hiervoor onder 2.3.) stelt [eiser] dat weliswaar hierin is geoordeeld dat de in proces-verbaal P4/85 vervatte conclusie dat [B.] zich ten onrechte niet heeft geconformeerd aan het gebruikelijke veiligheidsgedrag, maar op onverklaarbare wijze zijn eigen veiligheidsprocedure heeft gevolgd, niet houdbaar is, maar dat is volgens [eiser] een oordeel achteraf en daaruit volgt volgens [eiser] op geen enkele wijze dat hij het proces-verbaal zou hebben gemanipuleerd.

7.4. De rechtbank overweegt als volgt. Deze passage is niet slechts een weergave van feiten, maar is duidelijk ook voorzien van waardeoordelen ten aanzien waarvan heeft te gelden dat deze weliswaar door de feiten moeten worden ondersteund, maar niet volledig op feiten behoeven te zijn gebaseerd. Het staat een auteur vrij om vanuit een feitelijk perspectief een waardeoordeel te vellen, mits

-zoals hiervoor reeds overwogen- dit waardeoordeel niet excessief is. Dat [eiser] bij het opstellen van P4/85 selectief is omgegaan met het gebruik van verklaringen is per definitie waar, niet alles wat gezegd is wordt uiteindelijk opgenomen in een onderzoeksrapport. Het waardeoordeel dat [gedaagde 1] daaraan verbindt is dat [eiser] op uiterste selectieve wijze is omgegaan met verklaringen, waarbij er veel aan gelegen was om [B.] als zondebok neer te zetten. Dit waardeoordeel -los van het antwoord op de vraag of dit ook werkelijk de opzet is geweest van [eiser]- vindt voldoende steun in het voor [gedaagde 1] ten tijde van het schrijven van het boek beschikbare feitenmateriaal. Hetzelfde geldt voor hetgeen overigens in de betwiste passage is opgenomen. Uit het rapport van de Nationale Ombudsman, welk rapport [gedaagde 1] heeft benut bij het schrijven van zijn boek, blijkt immers dat het oordeel in proces-verbaal P4/85 omtrent het op onverklaarbare wijze volgen van een eigen veiligheidsprocedure door [B.], niet houdbaar is. Dat deze conclusie door de Nationale Ombudsman, zoals [eiser] betoogt, een oordeel achteraf betreft, doet niet af aan de omstandigheid dat [gedaagde 1] dit rapport als bron heeft gebruikt en aldus voldoende heeft onderbouwd hetgeen in de door [eiser] betwiste passage A is opgenomen. Van een excessief waardeoordeel is derhalve in deze passage geen sprake.

Passage B (zie hiervoor onder 3.3.) van het boek

7.5. [eiser] stelt dat op grond van het militair strafprocesrecht zoals dat in 1985 gold, de Koninklijke Marechaussee alleen processen-verbaal kon sturen aan een aantal defensieautoriteiten. Die autoriteiten beoordeelden vervolgens of het proces-verbaal aan het Openbaar Ministerie moest worden doorgestuurd. [eiser] had geen enkele invloed op het al dan niet doorsturen van processen-verbaal en ook voor wat betreft het onderzoek had hij daarop geen enkele invloed. Derhalve heeft [gedaagde 1] ten onrechte vermeld dat [eiser] heeft nagelaten de processen-verbaal door te sturen, aldus [eiser]. [gedaagde 1] heeft verklaringen van een aantal personen aangehaald die de conclusie zouden rechtvaardigen dat het opvallend is dat de Officier van Justitie het proces-verbaal niet kreeg toegestuurd. Indien [gedaagde 1] bij zijn onderzoek het destijds geldende recht er op had nagekeken, hetgeen verwacht mag worden van een redelijk handelend onderzoeksjournalist, had hij geleerd dat [eiser] niets in een doofpot heeft gestopt door het proces-verbaal niet aan de Officier van Justitie te sturen, aldus steeds [eiser].

7.6. De rechtbank overweegt het volgende. Als ontbetwist staat vast dat het proces-verbaal P4/85 niet is doorgestuurd naar de Officier van Justitie. In de betwiste passage constateert [gedaagde 1] dit derhalve terecht. Een waardeoordeel is in deze passage niet gegeven. Met de kortgeding rechter (zie het kortgeding vonnis van 1 maart 2007) is de rechtbank van oordeel dat voor zover [gedaagde 1] de stelling poneert dat het verwonderlijk is dat het proces-verbaal destijds niet naar de Officier van Justitie is gezonden, deze stelling is gebaseerd op een uitspraak van soortgelijke strekking van de (toenmalig) Officier van Justitie [D.]. Derhalve is zulks voldoende door [gedaagde 1] onderbouwd. Het antwoord op de vraag of [eiser] al dan niet bevoegd was om het proces-verbaal door te sturen naar de Officier van Justitie kan buiten beschouwing blijven, omdat [gedaagde 1] gelet op de door hem gebruikte bron (Officier van Justitie [D.]) niet had hoeven bedenken dat [eiser] het proces-verbaal niet had mogen doorsturen op grond van het destijds geldende militair strafprocesrecht. Hier wreekt zich de omstandigheid dat [eiser] er voor heeft gekozen [gedaagde 1] niet te woord te staan voordat het boek werd gepubliceerd, hetgeen voor rekening en risico van [eiser] dient te blijven.

Passage C (zie hiervoor onder 3.3.) van het boek

7.7. [eiser] stelt dat de reactie van [G.] op de stelling van mevrouw [B.] dat [eiser] haar verbaal zou hebben bedreigd, ten onrechte gekleurd is weergegeven in het boek met: “de opmerking wordt door Defensie afgedaan”. Deze inkleuring past volgens [eiser] niet in een reconstructie van de feiten, die naar zijn aard objectief behoort te zijn. Volgens [eiser] kan geen enkele door [gedaagde 1] geraadpleegde bron de conclusie rechtvaardigen dat [eiser] de opzet had mevrouw [B.] te weerhouden actie te ondernemen naar aanleiding van het proces-verbaal P4/85, zodat die conclusie onrechtmatig is.

7.8. De rechtbank stelt voorop dat voorzover [eiser] met betrekking tot deze passage stelt dat [gedaagde 1] ten onrechte heeft opgenomen dat [eiser] mevrouw [B.] zou hebben geïntimideerd, dit niet opgaat. Uit de noot bij de passage op pagina 74 van het boek blijkt dat [gedaagde 1] als bron een brief d.d. 20 november 1992 van mevrouw [B.] aan het ministerie van Defensie heeft gebruikt. In deze brief schrijft mevrouw [B.], voor zover relevant:

“Het, tot aan de beantwoording van vragen (gesteld in de tweede kamer), consequent afwijzen van schuld, en het slechts met intimidatie naar mijn zijde, door de heer [eiser], generaal der Koninklijke Marechaussee, in bijzijn van de juriste van defensie, afstaan van het onderzoeksrapport 2”

In een hier voorafgaande brief van 9 november 1991 schrijft mevrouw [B.] met betrekking tot hetzelfde gesprek:

“Dit hele gesprek heb ik als één grote intimidatiepoging gezien.” Aldus heeft [gedaagde 1] voldoende onderbouwd dat er sprake zou zijn van intimidatie. Door in de voetnoot te vermelden dat zulks afkomstig is uit de brief van mevrouw [B.] is ook duidelijk waar deze bewering vandaan komt. Van onrechtmatigheid is in zoverre geen sprake. De toevoeging van [gedaagde 1] dat [eiser] daarmee probeerde de weduwe er van te weerhouden actie te ondernemen als ze kennis had genomen van het rapport, is een conclusie die [gedaagde 1] baseert op grond van hetgeen daarvoor staat vermeld en vormt derhalve een waardeoordeel, dat voldoende is gebaseerd op de feiten en niet excessief is zodat ook dit naar het oordeel van de rechtbank niet onrechtmatig is.

7.9. Op pagina 76 heeft [gedaagde 1] de reactie van de heer [G.] van het Ministerie van Defensie opgenomen, waar eveneens een waardeoordeel van [gedaagde 1] in verweven is. Uit het betoog van [eiser] blijkt dat zijn bezwaar zich richt tegen dit waardeoordeel. Ook hiervan heeft te gelden dat dit waardeoordeel voldoende is gebaseerd op de feiten en niet excessief is en derhalve niet onrechtmatig is.

Passage D (zie hiervoor onder 3.3.) van het boek

7.10. Met betrekking tot deze passage overweegt de rechtbank als volgt. Deze passage is een weergave van het interview dat [gedaagde 1] op 20 januari 2006 heeft gevoerd met voormalig Officier van Justitie [D.]. Uit een e-mailwisseling tussen [gedaagde 1] en [D.] blijkt dat [D.] [gedaagde 1] uitdrukkelijk heeft voorgehouden dat hij zich in de weergegeven passage uitliet over een medewerker van de Dienst Materieel Koninklijke Landmacht en niet over [eiser]. [D.] schrijft in een e-mail van 27 april 2006:

“Het geciteerde deel uit ons gesprek stond in de context van hetgeen u mij meedeelde over wat een medewerker van de DMKL [als getuige] zou hebben gedaan. Ik liet mij uit over zijn gedragingen en zijn bewust nalaten en ik sprak in dat deel niet over de verbalisanten die het proces-verbaal opstelden. Zonder die context zou de suggestie kunnen ontstaan dat dat laatste wèl het geval was.”

Nu [D.] voorafgaand aan publicatie van het boek uitdrukkelijk afstand heeft gedaan van de context waarin het citaat is geplaatst dat [gedaagde 1] op pagina 78 van het boek heeft opgenomen, had [gedaagde 1] deze passage niet zo mogen opnemen in het boek. Dat [gedaagde 1] dit wel heeft gedaan maakt deze passage onrechtmatig.

Passage E (zie hiervoor onder 3.3.) van het boek

7.11. [eiser] ontkent dat hij [A.] ooit voor een gevaarlijke gek zou hebben uitgemaakt en voert aan dat [gedaagde 1] deze passage niet van enige bronvermelding heeft voorzien.

7.12. De rechtbank overweegt het volgende. De voetnoot onder deze passage geeft aan dat dit een reconstructie betreft op basis van een getuigenverklaring. Duidelijk is dat deze passage is geschreven vanuit het perspectief van [A.]. Gesteld noch gebleken is dat [A.] ontkend heeft dit te hebben gezegd. Aldus gaat de rechtbank er van uit dat deze passage (in ieder geval) stoelt op uitlatingen van [A.] zodat ook deze passage voldoende onderbouwd is. Ook voor wat betreft deze passage heeft te gelden dat de omstandigheid dat [eiser] er voor heeft gekozen [gedaagde 1] niet te woord te staan, terwijl [eiser] op de hoogte was van het feit dat [gedaagde 1] een boek aan het schrijven was over de hele affaire met betrekking tot [A.] waarbij ook [eiser] zou worden genoemd, voor rekening en risico van [eiser] komt.

Passage F (zie hiervoor onder 3.3.) van het boek

7.13. [eiser] stelt met betrekking tot deze passage wederom dat het niet aan hem was om een proces-verbaal al dan niet aan de Officier van Justitie te sturen. De rechtbank verwijst naar hetgeen hiervoor reeds is overwogen omtrent het doorsturen van het proces-verbaal. Voor zover [eiser] zijn bezwaren mede richt tot het woord “trawant”, is de rechtbank van oordeel dat dit weliswaar suggestief en denigrerend woordgebruik is, maar dat de vormgeving waarin een journalist een onderbouwd feit brengt, hem in beginsel vrij staat. Het is een journalist in dat kader toegestaan “to shock and offend”, mits zoals reeds overwogen, zulks niet excessief is. Hiervan is in het kader van deze passage geen sprake.

Passage G (zie hiervoor onder 3.3.) van het boek

7.14. Met betrekking tot deze passage is de rechtbank van oordeel dat [eiser] terecht stelt dat deze (deels) onnodig grievend en dus onrechtmatig is. Het beschikbare feitenmateriaal/de beschikbare bronnen ondersteunen de verregaande beschuldigingen die [gedaagde 1] hier poneert niet, zoals de beschuldiging dat [eiser] fraude zou hebben gepleegd en dat hij zijn “bliksemcarrière” hieraan te danken zou hebben. De in de conclusie van antwoord door [gedaagde 1] aangehaalde bronnen dragen deze beschuldiging niet. Bovendien zijn de beschuldigingen in deze passage buitengewoon grievend. Zoals de opmerking dat [eiser] als “lijkenruimer voor Defensieminister Job de Ruiter” zou fungeren. Al deze opmerkingen leveren een persoonlijke aanval op jegens [eiser] die een onrechtmatige inbreuk vormt op zijn persoonlijke levenssfeer. Ook wordt in deze passage opnieuw het citaat van [D.] opgevoerd waarvan, zoals hiervoor reeds overwogen, [D.] bij e-mail van 27 april 2006 jegens [eiser] als een der verbalisanten nadrukkelijk afstand heeft gedaan.

De website van [gedaagde 1] en het interview in De Stentor

7.15. Bij het voorgaande komt nog de omstandigheid dat [gedaagde 1] zijn uitlatingen over [eiser] niet alleen in het boek heeft gedaan, maar bovendien op zijn website de onrechtmatige uitlatingen omtrent “lijkenruimer” en het plegen van valsheid in geschrifte heeft herhaald. Ook heeft [gedaagde 1] op zijn website een oproep geplaatst voor: “meer (bewijsbare) zaken die door Marechaussee-bevelhebber [eiser] middels misleidende processen-verbaal bij het O.M., de Tweede kamer of de media werden weggehouden”. Deze oproep gaat te ver en is onrechtmatig jegens [eiser]. Tenslotte komt bij dit alles de omstandigheid dat [gedaagde 1] in een interview in De Stentor naast de reeds hiervoor weergegeven grievende en op de persoonlijke levenssfeer van [eiser] inbreuk makende uitlatingen heeft gezegd dat “het geen verschil maakt of je een topcrimineel als [E.] ben of [eiser] heet, ik denk dat de samenleving erbij gebaat is dat dit soort mensen, die zo structureel uiterst dubieuze dingen hebben gedaan, achter de tralies belanden.” Dit alles in onderlinge samenhang bezien maakt dat in dit geval het recht op persoonlijke levenssfeer van [eiser] zwaarder weegt dan het recht van [gedaagde 1] op uitingsvrijheid zodat [gedaagde 1] onrechtmatig jegens [eiser] heeft gehandeld.

Het in 3.1. sub A. (in conventie) gevorderde; de verklaring voor recht

7.16. Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen zal de rechtbank de gevorderde verklaring voor recht in die zin toewijzen dat voor recht zal worden verklaard dat de onder 3.3. als sub D en sub G weergegeven passages van het boek alsmede de onder 2.7. weergegeven uitlatingen in de Stentor, onrechtmatig zijn jegens [eiser].

Het in 3.1. sub B (in conventie) gevorderde; staken van publicatie van het boek

7.17. Deze vordering zal de rechtbank afwijzen, nu toewijzing van deze vordering niet proportioneel zou zijn. In het kader van de grote misstanden die het boek aan de kaak stelt, spelen de onrechtmatig bevonden passages slechts een marginale rol. Dat [eiser] dit persoonlijk anders zal opvatten maakt het voorgaande niet anders.

Het in 3.1. sub C (in conventie) gevorderde; rectificatie

7.18. De gevorderde rectificatie in Het Parool, De Volkskrant en De Stentor zal de rechtbank afwijzen. Het interview in De Stentor dateert van 28 oktober 2006 en is derhalve te lang geleden om een rectificatie nog zinvol te doen laten zijn. De gevorderde rectificatie in Het Parool en De Volkskrant gaat de rechtbank te ver, nu de onrechtmatige uiting niet in die kranten is gepleegd. Wel zal de rechtbank de vordering toewijzen met betrekking tot het inlegvel. In de nog niet verkochte exemplaren van het boek en eventueel volgende drukken dient duidelijk zichtbaar een inlegvel te worden geplaatst met als tekst:

“RECTIFICATIE

In het boek Een man tegen de Staat, uitgegeven door Stichting uitgeverij De Papieren Tijger, zijn door mij, [gedaagde 1], een aantal beschuldigingen en uitlatingen aan het adres van de heer [eiser] gedaan die de rechtbank onvoldoende gegrond en bovendien grievend acht. Het gaat om de volgende passages:

- Op pagina 310-311 heb ik een passage opgenomen waarin ik de heer [eiser] van fraude beschuldig, ik stel dat de heer [eiser] zijn militaire bliksemcarrière bij de Koninklijke Marechaussee te danken heeft aan het verhullen van de ware oorzaken van de mijnongelukken, en ik de heer [eiser] betitel als lijkenruimer voor Defensieminister Job de Ruiter. Deze beschuldigingen en uitlatingen jegens de heer [eiser] zijn onvoldoende gegrond door mij gedaan en zijn grievend jegens de heer [eiser] en worden hierbij gerectificeerd conform de veroordeling bij vonnis van de rechtbank Amsterdam, op 2 april 2008 gewezen.

- Verder citeer ik op pagina 78 en op bladzijde 311 voormalig Officier van Justitie [D.], waarbij ten onrechte de indruk wordt gewekt dat hij doelt op de heer [eiser], generaal-majoor b.d. Dit is niet het geval. Ook dit rectificeer ik conform de veroordeling bij vonnis van de rechtbank Amsterdam, op 2 april 2008 gewezen.

[gedaagde 1]

en

Stichting Uitgeverij De Papieren Tijger”

7.19. Voormelde rectificatie dienen [gedaagde 1] en de Uitgeverij tevens duidelijk zichtbaar te plaatsen op hun websites. Met betrekking tot de Uitgeverij betekent dit op dezelfde website en webpagina als waarop de achterkant van het boek is geplaatst en met betrekking tot [gedaagde 1] heeft te gelden dat hij de rectificatie dient te plaatsen op de homepage van website www.eenmantegendestaat.nl. Aan de rectificatie in rechtsoverweging 7.18 en 7.19 vermeld zal een dwangsom worden verbonden als hierna vermeld met een hierna te noemen maximum.

Het in 3.1. sub D (in conventie) gevorderde; schade

7.20. Naast de hiervoor reeds toegewezen rectificatie, welke reeds kan worden gezien als een gedeeltelijke schadevergoeding acht de rechtbank voor de onrechtmatig bevonden (herhaalde) uitingen een bedrag aan immateriële schadevergoeding van EUR 7.500,= in overeenstemming met de wettelijke maatstaven. De rechtbank neemt daarbij in het bijzonder in overweging dat de ondeugdelijk onderbouwde beschuldigingen en de grievende opmerkingen buitengewoon schadelijk zijn voor een ambtenaar als [eiser] die in hoge mate afhankelijk is van zijn reputatie en integriteit.

7.21. Voornoemde schadevergoeding zal hoofdelijk worden toegewezen, nu de Uitgeverij naast [gedaagde 1] aansprakelijk is vanwege de openbaarmaking van de onrechtmatig bevonden uitingen in zowel het boek als op haar eigen website.

Het in 5.1. sub A (in reconventie) gevorderde; verklaring voor recht

7.22. Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, behoeft het in 5.1. sub A. gevorderde geen verdere bespreking.

Het in 5.1. sub B (in reconventie) gevorderde; bekendmaking gegevens persoon manuscript

7.23. [gedaagde 1] stelt ter onderbouwing van deze vordering dat [eiser] het manuscript als productie in het geding heeft gebracht. Het manuscript is voorafgaande aan publicatie door de uitgever onder embargo aan een zeer beperkt aantal journalisten gezonden, zodat zij een recensie konden schrijven. Kennelijk heeft een van de journalisten het embargo geschonden, aangezien [eiser] de hand op (een kopie van) het manuscript heeft weten te leggen. Deze kopie van het manuscript is een ongeoorloofde verveelvoudiging, waarmee de auteursrechten van de Uitgeverij en [gedaagde 1] worden geschonden. Op grond hiervan, aldus steeds [gedaagde 1] en de Uitgeverij, hebben [gedaagde 1] en de Uitgeverij recht en belang om te weten van wie [eiser] dit manuscript heeft verkregen, zodat zij in de toekomst kunnen voorkomen dat op handen zijnde publicaties uitlekken.

7.24. [eiser] heeft de vordering gemotiveerd betwist en voert aan dat er geen rechtsgrond bestaat voor toewijzing van de vordering. Bovendien weten [gedaagde 1] en de Uitgeverij zelf aan welke personen zij het manuscript hebben toegezonden, zodat zij in deze beperkte groep personen zelf navraag kunnen doen wie het manuscript heeft verspreid.

7.25. De rechtbank zal deze vordering afwijzen. Met [eiser] is de rechtbank van oordeel dat voor toewijzing hiervan geen rechtsgrond bestaat. Kennelijk hebben [gedaagde 1] en de Uitgeverij afspraken gemaakt met een select groepje mensen die het manuscript hebben ontvangen en heeft een van hen deze afspraak geschonden. Het is dan aan [gedaagde 1] en de Uitgeverij om binnen dit selecte gezelschap te onderzoeken wie de afspraak heeft geschonden. Dit gaat [eiser] in zoverre niet aan.

7.26. Tenslotte overweegt de rechtbank dat de toegewezen schadevergoeding, alsmede de toegewezen rectificatie, gekwalificeerd dienen te worden als een dringende maatschappelijke noodzaak in de zin van artikel 10 lid 2 EVRM.

7.27. [gedaagde 1] en de Uitgeverij zullen als de grotendeels in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten (zowel in conventie als in reconventie) worden veroordeeld.

De proceskosten in conventie

7.28. [gedaagde 1] en de Uitgeverij zullen als de grotendeels in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van [eiser] in conventie worden begroot op:

- dagvaarding EUR 84,31

- vast recht 330,00

- salaris procureur 904,00 (2 punten × tarief EUR 452,00)

Totaal EUR 1.318,31

De proceskosten in reconventie

7.29. [gedaagde 1] en de Uitgeverij zullen als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van [eiser] worden begroot op:

- salaris procureur EUR 452,00 (1,0 punten × factor 1,0 × tarief EUR 452,00)

Totaal EUR 452,00

8. De beslissing

De rechtbank

in conventie

8.1. verklaart voor recht dat de in het boek “Een man tegen de staat” opgenomen passages zoals hiervoor weergegeven onder 3.3. sub D en G, alsmede de uitlatingen in De Stentor van 28 oktober 2006 (zie rechtsoverweging 7.15) onrechtmatig zijn;

8.2. veroordeelt [gedaagde 1] en de Uitgeverij tot het binnen 30 dagen na betekening van dit vonnis plaatsen van een inlegvel in de nog niet verkochte exemplaren van het boek “Een man tegen de staat” alsmede in eventuele volgende drukken, met de tekst:

RECTIFICATIE

In het boek Een man tegen de Staat, uitgegeven door Stichting uitgeverij De Papieren Tijger, zijn door mij, [gedaagde 1], een aantal beschuldigingen en uitlatingen aan het adres van de heer [eiser] gedaan die de rechtbank onvoldoende gegrond en bovendien grievend acht. Het gaat om de volgende passages:

- Op pagina 310-311 heb ik een passage opgenomen waarin ik de heer [eiser] van fraude beschuldig, ik stel dat de heer [eiser] zijn militaire bliksemcarrière bij de Koninklijke Marechaussee te danken heeft aan het verhullen van de ware oorzaken van de mijnongelukken, en ik de heer [eiser] betitel als lijkenruimer voor Defensieminister Job de Ruiter. Deze beschuldigingen en uitlatingen jegens de heer [eiser] zijn onvoldoende gegrond door mij gedaan en zijn grievend jegens de heer [eiser] en worden hierbij gerectificeerd conform de veroordeling bij vonnis van de rechtbank Amsterdam, op 2 april 2008 gewezen.

- Verder citeer ik op pagina 78 en op bladzijde 311 voormalig Officier van Justitie [D.], waarbij ten onrechte de indruk wordt gewekt dat hij doelt op de heer [eiser], generaal-majoor b.d. Dit is niet het geval. Ook dit rectificeer ik conform de veroordeling bij vonnis van de rechtbank Amsterdam, op 2 april 2008 gewezen.

[gedaagde 1]

en

Stichting Uitgeverij De Papieren Tijger;

8.3. bepaalt dat [gedaagde 1] en de Uitgeverij voor iedere dag of gedeelte daarvan dat zij in strijd handelen met het onder 8.2 bepaalde, aan [eiser] een dwangsom verbeuren van EUR 1.000,=, tot een maximum van EUR 100.000,=;

8.4. veroordeelt De Uitgeverij tot het binnen 10 dagen na betekening van dit vonnis duidelijk zichtbaar plaatsen van de tekst zoals weergegeven in rechtsoverweging 8.2 op dezelfde website en webpagina als waarop de achterkant van het boek is geplaatst;

8.5. bepaalt dat De Uitgeverij voor iedere dag of gedeelte daarvan dat zij in strijd handelt met het onder 8.4 bepaalde, aan [eiser] een dwangsom verbeurt van EUR 1.000,=, tot een maximum van EUR 100.000,=;

8.6. veroordeelt [gedaagde 1] tot het binnen 10 dagen na betekening van dit vonnis duidelijk zichtbaar plaatsen van de tekst zoals weergegeven in rechtsoverweging 8.2 op de homepage van website www.eenmantegendestaat.nl;

8.7. bepaalt dat [gedaagde 1] voor iedere dag of gedeelte daarvan dat hij in strijd handelt met het onder 8.6 bepaalde, aan [eiser] een dwangsom verbeurt van EUR 1.000,=, tot een maximum van EUR 100.000,=;

8.8. veroordeelt [gedaagde 1] en de Uitgeverij hoofdelijk te betalen een bedrag van EUR 7.500,00 (zevenduizend vijfhonderd euro);

8.9. veroordeelt [gedaagde 1] en de Uitgeverij hoofdelijk in de proceskosten, aan de zijde van [eiser] tot op heden begroot op EUR 1.318,31, te vermeerderen met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf veertien dagen na betekening van dit vonnis tot de dag van volledige betaling, alsmede te vermeerden met de nakosten;

8.10. verklaart dit vonnis in conventie tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

8.11. wijst het meer of anders gevorderde af;

in reconventie

8.12. wijst de vorderingen af;

8.13. veroordeelt [gedaagde 1] en de Uitgeverij in de proceskosten, aan de zijde van [eiser] tot op heden begroot op EUR 452,00.

Dit vonnis is gewezen door mr. W. Tonkens - Gerkema, voorzitter, mr. H.C. Hoogeveen en mr. L. Voetelink en in het openbaar uitgesproken op 2 april 2008.?