Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2008:BC8624

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
21-02-2008
Datum publicatie
04-04-2008
Zaaknummer
13-529153-06
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Mensenhandel. 1) Ontvankelijkheid officier van justitie; Niet is gebleken dat het opsporings- en vervolgingsonderzoek eenzijdig is uitgevoerd. De rechtbank wijst in dat verband tevens op het uitgebreide gerechtelijk vooronderzoek. OM ontvankelijk. 2) Vrijspraak; werven met het oogmerk van uitbuiting. Veeleer was de verdachte uit op financieel gewin dan dat hij de situatie, waarin de slachtoffers verkeerden, met betrekking tot dat doel voor hen had gecreëerd of hen daartoe had overgehaald. 3) Vrijspraak; geen sprake van voltooide werving. Niet noodzakelijk is dat het in concreto tot uitbuiting is gekomen. 4) Vrijspraak; mensenhandel. 5) Vrijspraak; opzettelijk aanwezig hebben GHB. 6) Bewezenverklaring; opzettelijk aanwezig hebben cocaïne. De enkele mededeling van de officier van justitie ter terechtzitting mag niet als bewijsmiddel worden gebruikt. 7) Bewezenverklaring; werven met het oogmerk van uitbuiting en het profijt trekken uit seksuele handelingen 8) Bewezenverklaring; witwassen van gelden afkomstig uit mensenhandel. 9) Bewijsuitsluiting; samenvatten van verklaringen van de verdachte niet in strijd met artikel 29, derde lid Sv. Geen consequenties ex 359a Sv. 10) Stramotivering; handelen in strijd met de artikelen 200, lid 2 en lid 3, 207, lid 1 en 258, lid 2 Sv leidt niet strafvermindering nu verdachte hierdoor niet in zijn belangen is geschaad. 11) Strafmotivering; loverboys. 12) Kwalificatie; voortgezette handeling.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Parketnummer: 13/529153-06

Datum uitspraak: 21 februari 2008

op tegenspraak

VERKORT VONNIS

van de rechtbank Amsterdam, meervoudige strafkamer, in de strafzaak tegen

[verdachte]

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1980,

zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland,

gedetineerd in het Huis van Bewaring “Havenstraat” te Amsterdam.

De rechtbank heeft beraadslaagd naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen van 1 juni 2007, 30 augustus 2007, 23 november 2007, 31 januari 2008, 7 februari 2008 en 8 februari 2008.

1. Telastelegging

Aan verdachte is telastegelegd hetgeen staat omschreven in de dagvaarding zoals deze ter terechtzitting van 23 november 2007 nader is omschreven. Van de vordering nadere omschrijving is een kopie als bijlage 1 aan dit vonnis gehecht. De nader omschreven telastelegging geldt als hier ingevoegd.

2. Voorvragen

2.1 Ontvankelijkheid van de officier van justitie

In onderdelen 1 tot en met 29 van zijn pleidooi heeft de raadsman een aantal opmerkingen gemaakt die betrekking hebben – zakelijk samengevat – op de wijze waarop het onderzoek tegen zijn cliënt is verlopen. De verdediging noemt daarbij het beeld dat is geschapen door de in het dossier gevoegde CIE-informatie, de verouderde rapportages over het verschijnsel mensenhandel, de omstandigheid dat op een zeer laat stadium nog een proces-verbaal opgemaakt op 31 mei 2007 (onderdeel 22) aan het dossier is toegevoegd, en ten slotte een aantal andere processtukken die een maar heel beperkte en verdachte belastende visie op het onderzoek geven. De raadsman heeft aan zijn bemerkingen geen conclusie verbonden. Bij die onduidelijkheid zal de rechtbank een en ander bespreken in het kader van de niet-ontvankelijkheid van de officier van justitie in zijn vervolging.

Naar het oordeel van de rechtbank kunnen de stellingen die de raadsman in deze heeft betrokken niet tot het door hem kennelijk gewenste resultaat leiden. De raadsman heeft uit het oog verloren dat bij de behandeling ter terechtzitting de inhoud van het procesdossier aan zijn cliënt is voorgehouden en deze de gelegenheid heeft genomen om daarop te reageren en zijn visie op de telastegelegde feiten te geven. De rechtbank aanvaardt niet als juist de stelling van de verdediging dat de officier van justitie in het dossier bewust een eenzijdig beeld heeft geschapen en dat de in het dossier aanwezige rapportages zijn cliënt alleen belasten. Voor zover dat mocht doelen op de interpretatie van afgeluisterde en opgenomen telefoongesprekken, heeft verdachte bij de behandeling van deze gesprekken zijn opvatting daarover gegeven. Niet mag worden voorbijgegaan aan het feit dat de raadsman – om hem moverende redenen – heeft afgezien van de mogelijkheid om zelf telefoongesprekken te beluisteren. Ook overigens is bij het onderzoek ter terechtzitting niet gebleken dat het opsporings- en vervolgingsonderzoek eenzijdig is uitgevoerd. De rechtbank wijst in dit verband nog op het uitgebreide gerechtelijke vooronderzoek waarin op verzoek van verdachte een aantal getuigen is gehoord. Ten slotte geldt dat de rechtbank voor zover zij toekomt aan een keuze van bewijsmiddelen (welke keuze uitsluitend aan haar is) zal motiveren hoe die keuze is gemaakt.

De rechtbank acht het openbaar ministerie ontvankelijk in haar vervolging.

(…)

3. Waardering van het bewijs

3.1 Vrijspraken

Feiten 1 en 4 (eerste gedeelte)

De rechtbank acht niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen onder feiten 1 en 4 is telastegelegd voor zover dat zijn wettelijke grondslag vindt in het bepaalde ex artikel 273a (oud) en 273f lid 1, sub 1, te weten dat verdachte [slachtoffer1] en [slachtoffer2] heeft geworven met het oogmerk van uitbuiting. Veeleer was verdachte naar het oordeel van de rechtbank uit op louter financieel gewin door op manipulatieve wijze gebruik te maken van de situatie waarin [slachtoffer1] en [slachtoffer2] zich bevonden, dan dat hij deze situatie met betrekking tot dat doel voor hun had gecreeërd of hen daartoe had overgehaald. De rechtbank heeft bij de beoordeling hiervan rekening gehouden met de uit het Protocol inzake mensenhandel voortvloeiende wens om het begrip ‘werven’ (en de begrippen vervoeren, overbrengen, huisvesten en opnemen) niet enkel beperkt en letterlijk uit te leggen . De rechtbank betrekt in haar oordeel voorts de omstandigheid dat voornoemde personen op het moment dat verdachte hen leerde kennen, vrijwillig werkzaam waren in de prostitutie en ook thans nog als zodanig werkzaam zijn. Daarnaast neemt de rechtbank in aanmerking de omstandigheid dat de liefdesrelatie die beide vrouwen met verdachte hadden als serieus en langdurig kan worden aangemerkt en in het geval van [slachtoffer2], zoals ter terechtzitting is gebleken, ook nog steeds standhoudt. Nu eveneens niet wettig en overtuigend kan worden bewezen dat verdachte [slachtoffer1] en [slachtoffer2] met vorenbedoeld oogmerk heeft vervoerd, overgebracht, gehuisvest of opgenomen, wordt verdachte vrijgesproken van deze feiten.

Feit 2

De rechtbank acht niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen verdachte onder feit 2 is telastegelegd. De rechtbank stelt daarvoor allereerst vast dat [slachtoffer3], zoals ook door de raadsman betoogd, niet door verdachte in een uitbuitingssituatie is gebracht of hierin in het kader van het onderhavige onderzoek door toedoen van verdachte anderszins heeft verkeerd. Om tot een bewezenverklaring te kunnen komen, zal evenwel moeten worden vastgesteld of verdachte [slachtoffer3] heeft geworven (teneinde haar – in de nabije toekomst - in een dergelijke situatie te brengen) en of die werving voltooid is. Niet noodzakelijk is dat het in concreto tot uitbuiting is gekomen. Tegen die achtergrond stelt de rechtbank, op grond van de inhoud van de wettige bewijsmiddelen, vast dat de verdachte weliswaar heeft getracht [slachtoffer3] te werven als prostituee, maar dat zij zich hiertoe door hem niet heeft laten overhalen. Bij de rechter-commissaris heeft [slachtoffer3] in dit verband verklaard een spel met verdachte te spelen en nooit voor hem te willen werken. Van een voltooide werving kan dus geen sprake zijn. Nu het openbaar ministerie niet tot telastelegging van poging tot mensenhandel is overgegaan en eveneens niet wettig en overtuigend kan worden bewezen dat verdachte [slachtoffer3] met vorenbedoeld oogmerk heeft vervoerd, overgebracht, gehuisvest of opgenomen, zal de rechtbank verdachte vrij spreken van dit feit.

Feit 5

De rechtbank acht niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen onder feit 5 is telastegelegd. De rechtbank overweegt daartoe dat op grond van de stukken en hetgeen ter terechtzitting naar voren is gekomen, niet kan worden vastgesteld dat verdachte met de in de telastelegging genoemde feitelijkheden [slachtoffer4] in een uitbuitingssituatie heeft willen brengen of hiervan profijt heeft getrokken en dat tevens niet kan worden geconcludeerd dat haar relatie tot verdachte, gelet op haar verklaringen in dat verband, als kenmerkend voor de handelswijze van verdachte is aan te merken. Verdachte wordt van dit feit dan ook vrijgesproken.

Feit 7

De rechtbank acht niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen onder feit 7 is telastegelegd.

De rechtbank overweegt daartoe dat op grond van de stukken en hetgeen ter terechtzitting naar voren is gekomen, weliswaar kan worden vastgesteld dat na de aanhouding van verdachte op 5 maart 2007 te Roermond in diens auto GHB is aangetroffen, maar niet dat deze GHB zich te Amsterdam in de machtssfeer van verdachte bevond en aldus niet dat hij deze GHB aldaar opzettelijk aanwezig heeft gehad. Nu de toevoeging “in Nederland” ontbreekt in de telastelegging, wordt verdachte van dit feit dan ook vrijgesproken.

3.2 Overwegingen met betrekking tot het bewijs

Feiten 1 en 4 (tweede gedeelte)

De raadsman heeft betoogd dat niet uit de wettige bewijsmiddelen blijkt dat verdachte opzet heeft gehad op de telastegelegde gedragingen van feit 1 en feit 4. Hij verzoekt de rechtbank de verdachte dan ook vrij te spreken.

De rechtbank verwijst voor de verwerping van dit verweer naar de inhoud van de bewijsmiddelen, in samenhang bezien, en overweegt dat het op grond daarvan niet anders kan zijn dan dat verdachte doelbewust en met grove veronachtzaming van de belangen van de slachtoffers heeft gehandeld teneinde zichzelf te bevoordelen uit de opbrengst van de seksuele handelingen van de slachtoffers met derden. De verklaringen van verdachte in dat verband acht de rechtbank, gelet op de inhoud van de bewijsmiddelen, niet aannemelijk.

Feit 6

De raadsman van verdachte heeft aangevoerd dat verdachte dient te worden vrijgesproken van het telastegelegde onder feit 6 nu hiervoor niet voldoende bewijs voorhanden is. De mededeling van de officier van justitie ter terechtzitting omtrent de vindplaats van de verdovende middelen mag naar zijn oordeel niet voor het bewijs worden gebezigd. Subsidiair is de raadsman van oordeel dat verdachte dient te worden vrijgesproken, nu zonder de mededelingen van de officier van justitie niet kan worden vastgesteld of verdachte de verdovende middelen opzettelijk aanwezig heeft gehad.

De rechtbank gaat mee in het betoog van de raadsman dat de enkele mededeling van de officier van justitie ter terechtzitting dat de cocaïne is aangetroffen in de middenconsole van de auto die verdachte bestuurde, niet als bewijsmiddel mag worden gebruikt, nu deze verklaring niet valt onder de limitatieve opsomming van bewijsmiddelen ex artikel 339 van het Wetboek van Strafvordering (Sv). De rechtbank stelt daarnaast vast dat van de vindplaats van de cocaïne geen proces-verbaal is opgemaakt. Dit neemt niet weg dat uit het proces-verbaal en kennisgeving van inbeslagneming dat te dier zake op 5 maart 2007 is opgemaakt door [persoon1], blijkt dat de cocaïne is aangetroffen in de personenauto van verdachte, een BMW voorzien van het kenteken [nummer]. Op grond van dit gegeven en tevens in aanmerking genomen de omstandigheid dat verdachte alleen in de auto is aangetroffen en hiervan als bestuurder optrad, is de rechtbank van oordeel dat de cocaïne zich in de machtssfeer van verdachte bevond. Gelet op het feit dat verdachte pleegt om te gaan met mensen die soortgelijke verdovende middelen gebruiken en het, zoals verdachte zelf heeft verklaard, zeer goed mogelijk is dat zij verdovende middelen in zijn auto hebben achtergelaten, is de rechtbank van oordeel dat verdachte de cocaïne opzettelijk -in de zin van voorwaardelijk opzet – aanwezig heeft gehad.

3.3 Bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte

Feit 1

op tijdstippen in de periode van 1 januari 2005 tot en met 5 maart 2007 in Nederland, [slachtoffer1] door dwang en misleiding en misbruik van uit feitelijke omstandigheden voortvloeiend overwicht heeft gedwongen, hem, verdachte te bevoordelen uit de opbrengst van de seksuele handelingen van voornoemde [slachtoffer1] met een derde, bestaande die dwang en/of die misleiding en/of dat misbruik van uit feitelijke omstandigheden voortvloeiend overwicht, hierin dat:

- verdachte, voornoemde [slachtoffer1] meermalen heeft geslagen en/of gestompt en

- voornoemde [slachtoffer1] aan hem, verdachte, toestemming moest vragen als zij wilde

stoppen met haar werk als prostituee en

- voornoemde [slachtoffer1] aan hem, verdachte, moest laten weten hoeveel geld zij op een

avond had verdiend en

- voornoemde [slachtoffer1] van hem, verdachte, langer door moest werken als zij op een

avond niet voldoende geld had verdiend en

- hij, verdachte, tegen die [slachtoffer1] heeft gezegd dat zij samen een zaak zouden gaan

starten als zij, [slachtoffer1], voor hem, verdachte, zou blijven werken en

- voornoemde [slachtoffer1] door hem, verdachte, werd gecontroleerd als zij aan het werk was als prostituee teneinde te zien welke klanten zij had ontvangen en te zien of zij daadwerkelijk aan het werk was en

- voornoemde [slachtoffer1] aan hem, verdachte, deels het door haar in de prostitutie

verdiende geld moest afstaan en

- hij, verdachte, de telefoon van die [slachtoffer1] heeft gecontroleerd teneinde te weten met wie zij contact had;

Feit 3

op tijdstippen in de periode van 1 januari 2005 tot en met 5 maart 2007, in Nederland, voorwerpen, te weten geldsommen afkomstig uit de opbrengst van mensenhandel terzake [slachtoffer1] en [slachtoffer2] heeft verworven en voorhanden heeft gehad, terwijl hij wist dat bovenomschreven voorwerpen - onmiddellijk of middellijk – afkomstig waren uit enig misdrijf;

Feit 4

op tijdstippen in de periode van 1 januari 2005 tot en met 5 maart 2007 te Amsterdam en/of Utrecht en/of Den Haag, [slachtoffer2] door dwang en geweld en misbruik van uit feitelijke omstandigheden voortvloeiend overwicht, heeft gedwongen, hem, verdachte te bevoordelen uit de opbrengst van de seksuele handelingen van voornoemde [slachtoffer2] met een derde, bestaande die dwang en/of dat geweld en/of dat misbruik van uit feitelijke omstandigheden voortvloeiend overwicht, hierin dat:

- hij, verdachte, voornoemde [slachtoffer2] een of meermalen heeft geslagen enlof gestompt en

- voornoemde [slachtoffer2] aan hem, verdachte, toestemming moest vragen als zij wilde

stoppen met haar werk als prostituee en hij, verdachte, de werktijden van die [slachtoffer2] bepaalde en

- voornoemde [slachtoffer2] aan hem, verdachte, moest laten weten hoeveel geld zij op een avond had verdiend en

- voornoemde [slachtoffer2] van hem, verdachte, langer door moest werken als zij op een avond niet voldoende geld had verdiend en

- hij, verdachte een of meermalen de huur voor de boot/werkplek van voornoemde [slachtoffer2] aan het Zandpad te Utrecht heeft betaald en

- voornoemde [slachtoffer2] door hem, verdachte, werd gecontroleerd als zij aan het werk was als prostituee en

- voornoemde [slachtoffer2] aan hem, verdachte, deels het door haar in de prostitutie verdiende geld moest afstaan;

Feit 6

op 5 maart 2007, in Nederland, opzettelijk (in een personenauto BMW, gekentekend [nummer]) aanwezig heeft gehad twee wikkels cocaïne (gewicht circa 1,02 gram).

3.4 Partiële vrijspraak

Feit 3

De rechtbank acht, op grond van de stukken en hetgeen ter terechtzitting naar voren is gekomen, niet wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het witwassen van gelden afkomstig uit de opbrengst van mensenhandel terzake [slachtoffer3], nu niet is komen vast te staan dat zij inkomsten heeft gehad uit prostitutie, noch dat zij deze inkomsten heeft moeten afstaan aan verdachte. De rechtbank acht, op grond van de stukken van het dossier en hetgeen ter terechtzitting naar voren is gekomen, voorts niet wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het witwassen van gelden afkomstig uit de opbrengst van mensenhandel terzake [slachtoffer4] en ook niet terzake [slachtoffer1] en [slachtoffer2] anders dan in de periode van 1 januari 2005 tot en met 6 maart 2007, noch dat hij in genoemde periode één of meer personenauto’s van dergelijke afkomst in zijn bezit heeft gehad.

Voorzover in de telastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in zijn verdediging geschaad.

4. Het bewijs

De rechtbank grondt haar beslissing dat verdachte het bewezen geachte heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat.

4.1 Artikel 29, lid 3 Sv

De raadsman heeft ter terechtzitting betoogd dat de verklaringen van verdachte bij de politie dienen te worden uitgesloten van het bewijs, nu deze niet zijn opgemaakt met inachtneming van het bepaalde in artikel 29, derde lid Sv en voorts niet aan verdachte zijn voorgelezen, noch door verdachte zijn ondertekend. De raadsman wijst in dit verband tevens op het feit dat het openbaar ministerie, in weerwil van het proces-verbaal van de zitting van 23 november 2007, aan de raadsman geen voorstel heeft gedaan voor een wijze waarop door hem de dvd’s van de verhoren van verdachte zouden kunnen worden bekeken. Subsidiair is de raadsman van oordeel dat het verzuim dient te leiden tot strafvermindering.

De rechtbank overweegt als volgt. Artikel 29, derde lid Sv stelt de eis dat de verklaringen van verdachte, met name wanneer het gaat om bekennende verklaringen, zo precies mogelijk worden weergegeven. Op grond hiervan kan naar het oordeel van de rechtbank niet worden geconcludeerd dat het samenvatten van verklaringen, mede gelet op het feit dat de verklaringen van verdachte geen bekentenis inhouden, met deze bepaling in strijd is, temeer niet nu de verhoren van verdachte op DVD zijn opgenomen en de raadsman – al dan niet tezamen met verdachte - de weergave ervan had kunnen controleren en de behoorlijkheid van de ondervraging had kunnen toetsen. Verdachte is naar het oordeel van de rechtbank dan ook niet in enig rechtens te respecteren belang geschaad. De eis die de raadsman heeft gesteld aan de officier van justitie ten aanzien van het bekijken en beluisteren van deze DVD moet in dat opzicht als onredelijk in het kader van een redelijke procesvoering worden aangemerkt. De rechtbank is van oordeel dat het initiatief in deze niet bij de officier van justitie, maar bij de raadsman lag. Die heeft echter nagelaten enige actie te ondernemen. Hieraan zullen dan ook geen consequenties in strafvorderlijke zin worden verbonden. De rechtbank verwerpt het verweer.

5. De strafbaarheid van de feiten

De bewezen geachte feiten zijn volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.

6. De strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.

7. Motivering van de straffen en maatregelen

7.1 De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft bij requisitoir gevorderd dat verdachte ter zake van de door hem onder 1 tot en met 7 bewezengeachte feiten zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 5 jaren, met aftrek van voorarrest. Daarnaast heeft de officier van justitie gevorderd dat de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer1] als voorschot zal worden toegewezen tot een bedrag van in totaal 45.000 euro, met toepassing van de schadevergoedingsmaatregel. Tot slot heeft de officier van justitie gevorderd dat de onder verdachte inbeslaggenomen goederen, zoals vermeld op de onder 2 aangehechte bijlage, met nummers 1 en 5 zullen worden teruggegeven aan verdachte en dat de onder verdachte inbeslaggenomen goederen met nummers 6, 7, 8, 9, 10 en 11 zullen worden gehandhaafd ten behoeve van de (ter terechtzitting aangekondigde) ontnemingsvordering.

7.2 De motivering van de straffen en maatregelen.

De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen geachte, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals van een en ander ter terechtzitting is gebleken.

De rechtbank gaat daarbij eerst over tot bespreking van de verweren van de raadsman die naar zijn oordeel dienen te leiden tot strafvermindering ex artikel 359a Sv en zal vervolgens tot motivering van de op te leggen straf en maatregel overgaan.

7.2.1 Gerechtelijk vooronderzoek (GVO)

De raadsman heeft ter terechtzitting betoogd dat in het voorbereidend onderzoek is gehandeld in strijd met de artikelen 200, lid 2 en lid 3, 207, lid 1 en artikel 258, lid 2 Sv, welke artikelen steeds betrekking hebben op het GVO en dat deze onherstelbare vormverzuimen dienen te leiden tot strafvermindering op grond van artikel 359a Sv, nu verdachte hierdoor nadeel heeft ondervonden.

De rechtbank stelt hiertoe vast dat op 10 april 2007 een GVO is geopend teneinde [slachtoffer1] te horen en dat vervolgens niet is voldaan aan het bepaalde in de artikelen 200, tweede lid en derde lid en artikel 207, eerste lid Sv. De rechtbank zal hieraan evenwel geen rechtsgevolg in de vorm van strafvermindering verbinden, nu niet aannemelijk is geworden dat verdachte nadeel van de genoemde vormverzuimen heeft ondervonden. De rechtbank wijst daarvoor op het feit dat de zaak na eindiging van het GVO door de aanvang van het onderzoek ter terechtzitting steeds na afloop van de (pro formazitting) is teruggewezen naar de rechter-commissaris en dat aan alle verzoeken van verdachte en diens raadsman met betrekking tot de zaak van verdachte is voldaan. De rechtbank verwerpt het verweer.

Het verweer dat de officier van justitie van de dagvaarding niet schriftelijk kennis heeft gegeven aan de rechter-commissaris ex artikel 258, tweede lid is naar het oordeel van de rechtbank tardief gevoerd, nu verdachte reeds op 16 mei 2007 is gedagvaard en het GVO, nu hierop geen beroep is gedaan, op die datum gesloten werd geacht. De enkele omstandigheid dat de officier van justitie verdachte heeft gedagvaard zonder de rechter-commissaris van de dagvaarding in kennis te stellen, waardoor bij aanvang van de terechtzitting van 1 juni 2007 het GVO niet ingevolge genoemde bepaling was gesloten, kan in het onderhavige geval daarnaast niet tot de conclusie leiden dat verdachte in zijn belangen is geschaad en strafvermindering moet worden toegepast, omdat het praktische belang van deze bepaling is ondervangen door de latere terugwijzing naar de rechter-commissaris. De rechtbank verwerpt het verweer.

7.2.2 Artikel 29, lid 3 Sv

De raadsman heeft, in aanvulling op zijn betoog dat is opgenomen onder 4.1. van dit vonnis, subsidiair betoogd dat het door hem omschreven vormverzuim dient te leiden tot strafvermindering.

De rechtbank verwijst naar haar overwegingen onder 4.1 en concludeert dat geen omstandigheden zijn gebleken die moeten leiden tot strafvermindering als bedoeld in artikel 359a Sv.

De rechtbank verwijst voor haar motivering van de op te leggen straf in het algemeen naar recente uitspraken van de rechtbank ’s-Gravenhage en de rechtbank Amsterdam in soortgelijke zaken met respectievelijke LJN-nummers BC2949 en BC1037 en heeft voorts in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft zich gedurende een periode van ruim een jaar bevoordeeld uit de opbrengst van werkzaamheden uit prostitutie van twee vrouwen, waarmee hij een liefdesrelatie onderhield. Beide vrouwen, die al in de prostitutie werkten toen verdachte hen leerde kennen, heeft hij tot het afstaan van hun verdiende gelden gedwongen door jegens hen geweld te gebruiken, hen te misleiden of misbruik te maken van het overwicht dat hij, gezien hun afhankelijke situatie ten opzichte van hem, over hen had. Hoewel verdachte, mede gelet op het bewezenverklaarde, niet zozeer kan worden aangemerkt als een ‘loverboy’, die tot doel heeft merendeels jonge vrouwen in de prostitutie te brengen, stemt zijn handelswijze daarentegen met dergelijke praktijken in aanzienlijke mate overeen en het uiteindelijke doel is identiek.

Verdachte had gedurende de telastegelegde periode tegelijkertijd relaties met meerdere vrouwen die hij steeds heeft voorgespiegeld een gezamenlijke toekomst op te willen bouwen. Verdachte bespeelde en manipuleerde deze vrouwen vervolgens op zodanig geraffineerde wijze dat geen andere conclusie mogelijk was dan dat daarvoor hun verdiensten uit prostitutie nodig zijn. Het enige doel dat verdachte hierbij had, was geldelijk gewin. Verdachte trachtte zich bovendien voortdurend verder te verrijken door de slachtoffers op dwingende wijze aan te sporen langer door te werken als zij, naar zijn oordeel, niet genoeg hadden verdiend. Verdachte zag daarnaast reden de slachtoffers gedurende hun werkzaamheden te (laten) controleren en hun werktijden te bepalen.

Bij het begaan van de bewezenverklaarde feiten heeft verdachte geen enkel respect getoond voor deze vrouwen. Ook heeft hij geen enkel ontzag getoond voor hun zelfbeschikkingsrecht, en heeft hij ernstige inbreuk gemaakt op hun persoonlijke vrijheid; een in de nationale en in de internationale rechtsorde vastgelegd fundamenteel recht (zie bijvoorbeeld EHRM 26 juli 2005, Siliadin t. Frankrijk). Daar komt bij dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan ernstige, fysieke mishandelingen van deze vrouwen, die de rechtbank niet anders kan zien dan gepleegd teneinde de beoogde overmachtsituatie in stand te houden en kracht bij te zetten en de angst van deze vrouwen te vergroten, zodat zij het niet in hun hoofd haalden hun verdiende geld niet langer aan hem af te staan. Het feit dat verdachte voortdurend angst creëerde wordt nog bevestigd door het feit dat hij daarmee, zelfs nu, terwijl hij in detentie zit, door lijkt te gaan. Zo heeft één van de vrouwen die ter terechtzitting als getuige is gehoord, verklaard de avond voor haar getuigenis een brief te hebben ontvangen, waarvan de afkomst naar de opvatting van de rechtbank gelet op hetgeen de getuige daarover heeft verklaard, is te relateren aan verdachte, dan wel diens onmiddellijke omgeving, waarin stond geschreven dat “zij haar bek moest houden”.

Daarnaast heeft verdachte zich schuldig gemaakt aan het witwassen van de door de slachtoffers verdiende gelden en heeft hij cocaïne voorhanden gehad.

De rechtbank neemt het verdachte bijzonder kwalijk dat hij geen enkel inzicht in het respectloze en egoïstische karakter van zijn handelen heeft getoond en als excuus voor zijn handelen heeft aangevoerd dat zijn handelen te wijten was aan jaloezie en een gekwetst ego in verband met de vermeende omgang van de slachtoffers met andere mannen. Verdachte, zo blijkt met name uit de telefoongesprekken, meet zich een houding aan van superioriteit die feitelijk op volstrekt niets is gebaseerd.

De ernst van de genoemde feiten rechtvaardigen naar het oordeel van de rechtbank oplegging van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van aanzienlijke duur. De rechtbank heeft bij de vaststelling van deze duur in het bijzonder gelet op de persoon en persoonlijke omstandigheden van verdachte zoals deze ter terechtzitting zijn gebleken en op het uittreksel uit de Justitiële Documentatie van verdachte, waaruit onder meer blijkt dat verdachte eerder tot onvoorwaardelijke gevangenisstraffen is veroordeeld in verband met zeer ernstige geweldsdelicten en wapenbezit. Verdachte is niet eerder veroordeeld voor feiten die thans bewezen zijn verklaard.

De rechtbank ziet, anders dan de raadsman, in alle genoemde omstandigheden geen aanleiding over te gaan tot oplegging van een deels voorwaardelijke gevangenisstraf. Niet is gebleken welk strafdoel met het opleggen van een dergelijke strafmodaliteit zou worden gediend.

In aanmerking genomen de vrijspraken voor de onder 1 en 4 telastegelegde feiten, eerste gedeelte, alsmede de vrijspraken voor de onder 2, 5 en 7 telastegelegde feiten, is de rechtbank van oordeel dat aanleiding bestaat om bij de hoogte van de op te leggen vrijheidsstraf toch in aanzienlijke mate af te wijken van hetgeen door de officier van justitie is gevorderd.

7.3 Beslag

7.3.1 Verbeurdverklaring

De inbeslaggenomen en niet teruggegeven voorwerpen die staan vermeld op de aangehechte beslaglijst onder 7 tot en met 11 en die aan verdachte toebehoren, worden, nu de rechtbank niet is gebleken dat het beslag op deze voorwerpen reeds middels schriftelijke machtiging is omgezet in conservatoir beslag ex artikel 94a van het Wetboek van Strafvordering, anders dan door de officier van justitie gevorderd, verbeurd verklaard. Deze voorwerpen zijn daarvoor vatbaar, aangezien zij naar het oordeel van de rechtbank geheel of grotendeels door middel van het bewezen geachte zijn verkregen.

7.3.2 Teruggave

De inbeslaggenomen en niet teruggegeven voorwerpen die staan vermeld op de aangehechte beslaglijst onder 1, 5 en 6 en die aan verdachte toebehoren, worden teruggegeven aan verdachte, nu naar het oordeel van de rechtbank het belang van strafvordering zich hiertegen niet verzet.

7.4 De benadeelde partij en de schadevergoedingsmaatregel

De benadeelde partij [slachtoffer1] heeft - als voorschot op de vergoeding van immateriële schade - een bedrag van € 45.000 gevorderd. De rechtbank verstaat dit aldus, dat de benadeelde partij zich ten aanzien van zowel de materiële als immateriële schade voor een deel van haar vordering heeft gevoegd in dit strafproces, onder voorbehoud van het recht om het andere deel bij de burgerlijke rechter aanhangig te maken.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat een deel van de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer1], gelet op de stukken in het dossier, van zo eenvoudige aard is dat dit zich leent voor de behandeling in dit strafgeding. Tevens is komen vast te staan dat de benadeelde partij als gevolg van het hiervoor onder 2 bewezen geachte feit, rechtstreeks schade heeft geleden. De rechtbank waardeert de materiële schade op een bedrag van € 10.000 (tienduizend euro) en de immateriële schade op een bedrag van € 5.000 (vijfduizend euro). De vordering kan dan ook tot de som van beide bedragen worden toegewezen.

In het belang van [slachtoffer1] voornoemd wordt, als extra waarborg voor betaling aan laatstgenoemde, de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht aan verdachte opgelegd.

Voorts dient verdachte te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog zal maken.

Het overige deel van de vordering van de benadeelde partij is niet van zo eenvoudige aard dat dit zich leent voor behandeling in dit strafgeding. Gelet hierop zal de rechtbank bepalen dat de benadeelde partij in dat deel van de vordering niet-ontvankelijk is. De benadeelde partij kan dat deel van de vordering bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

8. Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straffen en maatregel zijn gegrond op de artikelen 24c, 33, 33a, 36f, 56, 57, 63, 273a (oud), 273f en 420bis van het Wetboek van Strafrecht.

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.

9. Beslissing

Verklaart het onder 1, eerste gedeelte, 2, 4, eerste gedeelte, 5 en 7 telastegelegde niet bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verklaart bewezen dat verdachte het onder 1, tweede gedeelte, 3, 4, tweede gedeelte en 6 telastegelegde heeft begaan zoals hiervoor onder 3.3. is aangegeven.

Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is telastegelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Het bewezenverklaarde levert op:

Ten aanzien van feit 1 (tweede gedeelte) en feit 4 (tweede gedeelte) en feit 3

De voortgezette handeling van mensenhandel, meermalen gepleegd

en witwassen, meermalen gepleegd

Ten aanzien van feit 6

Opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder C gegeven verbod

Verklaart het bewezene strafbaar.

Verklaart verdachte[verdachte], daarvoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 3 (drie) jaren

Beveelt dat de tijd die door veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van die straf in mindering gebracht zal worden.

Wijst de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer1], wonende op het [adres], toe tot een bedrag van € 15.000 (vijftienduizend euro).

Veroordeelt verdachte aan [slachtoffer1] voornoemd, het toegewezen bedrag te betalen.

Veroordeelt verdachte voorts in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil.

Bepaalt dat de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk is in haar vordering.

Legt aan verdachte de verplichting op, aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer1] te betalen de som van € 15.000 (vijftienduizend euro) bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door hechtenis voor de duur van 105 dagen met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de hiervoor opgelegde verplichting niet opheft.

Bepaalt dat, indien en voorzover verdachte heeft voldaan aan een van voornoemde betalingsverplichtingen, daarmee de andere is vervallen.

Verklaart de voorwerpen die staan vermeld op de aangehechte beslaglijst onder 7 tot en met 11 verbeurd.

Gelast de teruggave aan verdachte van de voorwerpen die staan vermeld op de aangehechte beslaglijst onder 1, 5 en 6.

Dit vonnis is gewezen door

mr. F.G. Bauduin, voorzitter,

mrs. A.H. van Zutphen en A. van Nass, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. N.K. Magnin, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 21 februari 2008.