Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2008:BC8160

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
21-03-2008
Datum publicatie
31-03-2008
Zaaknummer
AWB 06-976 WW44
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Weigering bouwvergunning had niet op grond van het door het landelijk bureau Bibob uitgebrachte advies mogen worden gebaseerd.

Bureau Bibob baseert de ernstige mate van gevaar dat de bouwvergunning gebruikt zal worden om geld wit te wassen grotendeels op een aantal (internationale) krantenartikelen. Omdat de betrouwbaarheid en relevantie van de (internationale) krantenartikelen niet met zekerheid is vast te stellen, kan daaraan geen betekenis worden toegekend zolang die betrouwbaarheid niet op enigerlei wijze wordt bevestigd. Aan informatie uit (internationale) krantenartikelen kan slechts betekenis worden toegekend, indien sprake is van een combinatie met andere, soortgelijke informatie, die overtuigend en duidelijk is, afkomstig is uit officiële bronnen en direct is terug te voeren op eiser. De overige informatie die ten grondslag is gelegd aan het Bibob-advies is onvoldoende concreet en overtuigend om te dienen als een bevestiging van de informatie uit de (internationale) krantenartikelen.

Wetsverwijzingen
Woningwet
Woningwet 40
Woningwet 44a
Wet bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur
Wet bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur 1
Wet bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur 3
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOM 2008/595
Module Ruimtelijke ordening 2008/2083

Uitspraak

Rechtbank Amsterdam

Sector Bestuursrecht

meervoudige kamer

UITSPRAAK

in het geding met reg.nr. AWB 06/976 WW44

tussen:

[eiser], wonende te [woonplaats],

eiser,

vertegenwoordigd door mr. M.O. Klaasen,

en

het dagelijks bestuur van het stadsdeel Amsterdam Centrum van de gemeente Amsterdam,

verweerder,

vertegenwoordigd door mr. N. Boelens.

1. PROCESVERLOOP

De rechtbank heeft op 17 februari 2006 een beroepschrift ontvangen gericht tegen het besluit van verweerder van 17 januari 2006, verzonden op 19 januari 2006 (het bestreden besluit).

Het onderzoek is gesloten ter zitting van 11 december 2007.

2. OVERWEGINGEN

2.1 Het verloop van de procedure

Door verweerder is op 14 januari 2005 een aanvraag van eiser ontvangen ter verkrijging van een reguliere bouwvergunning voor het veranderen van de eerste, tweede, derde en vierde verdieping van het pand op het perceel [adres] (het pand) met bestemming daarvan tot acht woningen. Deze aanvraag is door verweerder mede beschouwd als een aanvraag om sloopvergunning.

Eiser is, naar aanleiding van zijn aanvraag, verzocht om een aantal vragen schriftelijk te beantwoorden alsmede een aantal documenten over te leggen.

Mede naar aanleiding van de door hem overgelegde gegevens is eiser vervolgens op de hoogte gesteld van het feit dat verweerder op grond van de Wet bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur (Wet Bibob) advies heeft gevraagd bij het Landelijk Bureau Bibob (Bureau Bibob). Het Bureau Bibob heeft een advies uitgebracht (Bibob-advies). Naar aanleiding van dit advies heeft verweerder eiser medegedeeld dat zijn aanvraag zal worden afgewezen. Eiser is in de gelegenheid gesteld om het Bibob-advies in te zien en heeft zijn zienswijze ingediend.

Bij primair besluit van 14 juli 2005 heeft verweerder de aanvraag bouw- en sloopvergunning afgewezen. Verweerder heeft zich, onder overneming van het Bibob-advies, op het standpunt gesteld dat er een ernstige mate van gevaar bestaat dat de aangevraagde vergunning mede gebruikt zal worden om uit gepleegde strafbare feiten verkregen of te verkrijgen, op geld waardeerbare voordelen te benutten. Tegen dit besluit heeft eiser tijdig bezwaar gemaakt.

Bij het bestreden besluit heeft verweerder, onder overneming van het advies van de bezwaarschriftencommissie, het bezwaar ongegrond verklaard en het primaire besluit gehandhaafd. Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat, gelet op de hoogte van de aanneemsom, de onduidelijkheid omtrent de financiering van het bouwplan en de verklaringen van eiser omtrent zijn eerdere veroordelingen, er voldoende aanleiding bestond om het Bureau Bibob om advies te vragen. Dat de vergunningaanvraag van eiser één van de eerste zaken is waarop het (nog niet) gepubliceerde beleid van toepassing is, kan niet afdoen aan het feit dat toch het Bibob-instrumentarium is ingezet. Er bestaat ernstige mate van gevaar dat de vergunning mede gebruikt zal worden om uit gepleegde strafbare feiten verkregen of te verkrijgen, op geld waardeerbare voordelen te benutten. Dit is gebaseerd op het vermoeden dat eiser de (internationale) opiumwetgeving heeft overtreden, hetgeen blijkt uit een aantal internationale krantenartikelen. Voorts is de geconstateerde onduidelijkheid met betrekking tot de financiering van het bouwplan door eiser niet opgehelderd. Verweerder heeft daarnaast het belang van het voorkomen van benutting van verkregen voordelen uit gepleegde strafbare feiten zwaarder laten wegen dan de belangen die het opknappen van het pand in slechte staat en de persoonlijke belangen van eiser met zich meebrengen. Ten slotte is gesteld dat er geen sprake is van een punitieve sanctie, zodat er geen strijd is met het EVRM.

In beroep heeft eiser aangevoerd dat er sprake is van willekeur door de Wet Bibob op eiser toe te passen, terwijl dat in vergelijkbare gevallen niet gebeurt. Voorts heeft het Bureau Bibob verkeerde en incomplete bronnen aangewend voor het onderzoek, in die zin dat het Bureau Bibob dan wel verweerder geen waarde mag hechten aan krantenartikelen. Daarnaast is het onduidelijk hoe twee drugsgerelateerde veroordelingen uit 1984 en 1994 thans tot het vermoeden leiden dat de verbouwing met zwart geld wordt gefinancierd. Daarnaast geldt dat het aantal strafbare feiten geen beeld geeft van structurele criminaliteit. Het belang van eiser is onvoldoende meegewogen. Verweerder heeft niet nader onderzocht of het advies van het Bureau Bibob zorgvuldig tot stand is gekomen. Ten slotte levert de weigering om vergunning te verlenen strijd op met artikel 6 van het EVRM.

2.2 Artikel 8:29 van de Algemene wet bestuursrecht

Verweerder heeft voornoemd Bibob-advies in het geding gebracht en medegedeeld dat uitsluitend de rechtbank kennis zal mogen nemen van dit stuk. De rechtbank in andere samenstelling heeft onder toepassing van artikel 8:29, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) beslist dat de beperking van de kennisneming is gerechtvaardigd. Eiser heeft de rechtbank toestemming verleend mede op de grondslag van het Bibob-advies uitspraak te doen.

2.3 Wettelijk kader

Het van toepassing zijnd wettelijk kader luidt, voor zover van belang voor de beoordeling van het tussen partijen bestaande geschil, als volgt.

Ingevolge artikel 40, eerste lid, van de Woningwet is het verboden te bouwen zonder of in afwijking van een vergunning van burgemeester en wethouders (bouwvergunning).

Ingevolge artikel 44a, eerste lid en onder a, van de Woningwet is bepaald dat in afwijking van artikel 44, eerste lid, de reguliere bouwvergunning tevens kan worden geweigerd in het geval en onder de voorwaarden, bedoeld in artikel 3 van de Wet Bibob, met dien verstande dat voor de toepassing van artikel 3 van die wet in deze wet onder betrokkene mede wordt verstaan degene die op grond van feiten en omstandigheden redelijkerwijs met een aanvrager van de bouwvergunning gelijk kan worden gesteld.

Ingevolge het tweede lid van voornoemd artikel kan voordat toepassing wordt gegeven aan het eerste lid en onder a, het Bureau Bibob om een advies worden gevraagd.

Ingevolge artikel 1, eerste lid, aanhef en onder c ten zevende, van de Wet Bibob wordt in deze wet onder beschikking verstaan: een beschikking terzake van een vergunning als bedoeld in artikel 40, eerste lid, van de Woningwet.

Ingevolge artikel 3, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wet Bibob kunnen bestuursorganen, voorzover zij bij of krachtens de wet daartoe de bevoegdheid hebben gekregen, weigeren een aangevraagde beschikking te geven dan wel een gegeven beschikking intrekken, indien ernstig gevaar bestaat dat de beschikking mede zal worden gebruikt om uit gepleegde strafbare feiten verkregen of te verkrijgen, op geld waardeerbare voordelen te benutten.

Ingevolge artikel 3, tweede lid, van de Wet Bibob wordt, voorzover het ernstig gevaar als bedoeld in het eerste lid, aanhef en onder a, betreft, de mate van het gevaar vastgesteld op basis van:

a. feiten en omstandigheden die erop wijzen of redelijkerwijs doen vermoeden dat de betrokkene in relatie staat tot strafbare feiten als bedoeld in het eerste lid, onderdeel a,

b. in geval van vermoeden de ernst daarvan,

c. de aard van de relatie en

d. de grootte van de verkregen of te verkrijgen voordelen.

Ingevolge artikel 3, vierde lid, van de Wet Bibob staat de betrokkene in relatie tot strafbare feiten als bedoeld in het tweede lid, indien:

a. hij deze strafbare feiten zelf heeft begaan,

b. […]

c. een ander deze strafbare feiten heeft gepleegd en deze persoon direct of indirect leiding geeft dan wel heeft gegeven aan, zeggenschap heeft dan wel heeft gehad over, vermogen verschaft dan wel heeft verschaft aan betrokkene, of in een zakelijk samenwerkingsverband tot hem staat.

Ingevolge artikel 3, vijfde lid, van de Wet Bibob vindt de weigering dan wel intrekking, bedoeld in het eerste lid, slechts plaats indien deze evenredig is met:

a. de mate van het gevaar […].

2.4 De beoordeling door de rechtbank

Verweerder heeft het bestreden besluit gebaseerd op het concept van de Beleidsregel gemeente Amsterdam voor bouwvergunningen in het kader van de Wet Bibob. Hieruit blijkt dat een algemeen beleidsuitgangspunt is dat bouwactiviteiten met een aanneemsom vanaf

€ 50.000,00 in beginsel altijd aan een kritische toets of onderzoek worden onderworpen. Dit onderzoek houdt in dat de aanvrager bij de aanvraag extra vragen (onder andere over de financiering) en documenten dient te beantwoorden respectievelijk over te leggen

Onder verwijzing naar de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (AbRvS) van 22 juni 2005 (LJN: AT7970; AB 2005, 330) is de rechtbank van oordeel dat dit beleid niet als kennelijk onredelijk kan worden aangemerkt en dat niet is gebleken van een onjuiste toepassing ervan. Daarbij heeft verweerder het bestreden besluit, alhoewel het beleid ten tijde daarvan nog niet was neergelegd in een beleidsregel als bedoeld in artikel 1:3, vierde lid, van de Awb, voldoende gemotiveerd nu daarin immers niet is volstaan met een verwijzing naar het beleid, maar ook is aangegeven waarom in dit geval toepassing is gegeven aan dat beleid.

De rechtbank dient de aanleiding om advies te vragen aan het Bureau Bibob marginaal te toetsen. Gelet op de, na ontvangst van aanvullende financiële gegevens nog steeds, bestaande onduidelijk over de financiering van het bouwplan en de hoogte van de aanneemsom kan naar het oordeel van de rechtbank niet worden gezegd dat verweerder in redelijkheid niet tot het aanvragen van het Bibob-advies heeft kunnen overgaan. Met betrekking tot de inzet van het Bibob-instrumentarium is de rechtbank dan ook van oordeel dat in het onderhavige geval geen sprake is van willekeur. Eisers beroepsgrond faalt.

Eiser heeft voorts aangevoerd dat door de weigering van de vergunningen er sprake is van een punitieve sanctie en de daaruit voortvloeiende negatieve sancties. Er is dan ook sprake van strijd met artikel 6 van het EVRM. Met betrekking tot de feiten waarvoor eiser is veroordeeld heeft verweerder volgens eiser ook het ne-bis-in-idem beginsel geschonden.

Onder verwijzing naar de uitspraak van de AbRvS van 22 november 2006 (LJN: AZ2786; AB 2006, 232) is de rechtbank van oordeel dat artikel 6, tweede lid, van het EVRM alleen geldt voor strafrechtelijke of daarmee vergelijkbare procedures en dat het Bibob-instrumentarium buiten dat kader valt, alleen al om de reden dat het Bibob-advies en de mede daarop te gronden beslissing van het betrokken bestuursorgaan er niet toe strekken de schuld van iemand aan een strafbaar feit vast te stellen.

De toepassing van de in artikel 3 van de Wet Bibob neergelegde weigeringsgrond heeft tot doel te voorkomen dat bestuursorganen onbewust en ongewild door vergunningen te verlenen, subsidie te geven of een overheidsopdracht te gunnen, criminele activiteiten faciliteren. De weigering heeft niet als strekking leed toe te voegen om langs die weg normconform gedrag te bewerkstelligen. Derhalve is geen sprake van een punitieve sanctie. Dat de weigering van de vergunningen wel door eiser als zodanig wordt ervaren, doet hieraan niets af.

Verweerder heeft bij de toepassing van artikel 3 van de Wet Bibob een eigen, bestuursrechtelijke verantwoordelijkheid, die los staat van de verantwoordelijkheid van de met strafvervolging en strafoplegging belaste organen. Nu geen sprake is van bestraffing, maar van een bestuurlijke maatregel ter voorkoming van het faciliteren van criminele activiteiten, is van schending van het ne-bis-in-idem beginsel evenmin sprake. Eisers beroepsgronden dienaangaande falen.

Onder verwijzing naar de uitspraak van de AbRvS van 18 juli 2007 (LJN: BA9799; AB 2007, 357) mag een bestuursorgaan, gelet op de expertise van het Bureau Bibob, in beginsel van het advies van het Bureau uitgaan. Dit neemt niet weg dat een bestuursorgaan zich ervan moet vergewissen dat het advies en het daartoe ingestelde onderzoek naar de feiten op zorgvuldige wijze tot stand is gekomen en dat de feiten de conclusies kunnen dragen. Dat is bijvoorbeeld niet het geval indien de feiten voor de conclusie te weinig of te weinig directe aanwijzingen bieden of omdat ze in verschillende richtingen wijzen, onderling tegenstrijdig zijn of niet stroken met hetgeen overigens bekend is.

Het Bureau Bibob heeft op basis van informatie uit uiteenlopende bronnen geconcludeerd dat er een ernstige mate van gevaar bestaat dat de vergunning mede gebruikt zal worden om uit gepleegde strafbare feiten verkregen of te verkrijgen, op geld waardeerbare voordelen te benutten.

Ten aanzien van dit vermoeden baseert het Bureau Bibob zich grotendeels op een aantal (internationale) krantenartikelen. Uit deze krantenartikelen blijkt – kort samengevat – dat eiser zich heeft beziggehouden met de handel in verdovende middelen. Nu de bedragen die doorgaans omgaan in de handel in verdovende middelen niet gering zijn bestaat er, aldus het Bureau Bibob, een ernstige mate van gevaar dat de bouwvergunning mede gebruikt zal worden om uit gepleegde strafbare feiten verkregen of te verkrijgen, op geld waardeerbare voordelen te benutten.

Omdat de betrouwbaarheid en relevantie van de (internationale) krantenartikelen niet met zekerheid is vast te stellen, kan daaraan geen betekenis worden toegekend zolang die betrouwbaarheid niet op enigerlei wijze wordt bevestigd. Aan zodanige informatie kan slechts betekenis toekomen, indien sprake is van een combinatie met andere, soortgelijke informatie, die overtuigend en duidelijk is, afkomstig is uit officiële bronnen en direct is terug te voeren op eiser. In dit geval is de overige informatie die ten grondslag is gelegd aan het Bibob-advies onvoldoende concreet en overtuigend om te dienen als een voldoende bevestiging van de informatie uit de (internationale) krantenartikelen.

Op grond van het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat de bevindingen van het Bureau Bibob zoals ten grondslag gelegd aan het bestreden besluit, onvoldoende steun bieden voor de conclusie dat sprake is van ernstig gevaar als bedoeld in artikel 3, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wet Bibob. Het besluit had daarom niet op het advies van het Bureau Bibob mogen worden gebaseerd.

2.5 Conclusie

Gelet op het voorgaande is het beroep gegrond en zal de rechtbank het bestreden besluit vernietigen wegens strijd met de artikelen 3:2 en 3:9 van de Awb en verweerder opdragen een nieuw besluit op bezwaar te nemen.

De rechtbank zal verweerder veroordelen in de kosten die eiser voor dit geding heeft gemaakt. Tevens dient het door eiser betaalde griffierecht te worden vergoed.

Beslist wordt als volgt.

3. BESLISSING

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit;

- bepaalt dat verweerder een nieuw besluit neemt op het bezwaar met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen;

- bepaalt dat de gemeente Amsterdam (het stadsdeel Amsterdam-Centrum) aan eiser het door hem betaalde griffierecht van € 138,00 (zegge: honderdenachtendertig euro) vergoedt;

- veroordeelt verweerder in de kosten van het geding, aan de zijde van eiser begroot op

€ 644,00 (zegge: zeshonderdenvierenveertig euro), te betalen door de gemeente

Amsterdam (het stadsdeel Amsterdam-Centrum) aan eiser.

Deze uitspraak is gedaan op 21 maart 2008 door mr. M. de Rooij, voorzitter,

mrs. N.M. van Waterschoot en J. Struiksma, leden,

in tegenwoordigheid van mr. V.M. Behrens, griffier,

en bekend gemaakt door verzending aan partijen op de hieronder vermelde datum.

De griffier, De voorzitter,

Tegen deze uitspraak kunnen een belanghebbende en het bestuursorgaan gedurende zes weken na toezending van deze uitspraak hoger beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State te ’s-Gravenhage.

Afschrift verzonden op:

DOC: A