Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2008:BC8104

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
20-12-2008
Datum publicatie
06-04-2010
Zaaknummer
AWB 07 / 1889
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Aanslag reclamebelasting onvoldoende gemotiveerd.

De rechtbank is van oordeel dat de uitspraak op bezwaar niet deugdelijk is gemotiveerd nu verweerder slechts heeft gesteld dat uit de ter beschikking staande gegevens, waaronder de door de Algemene Buitendienst geconstateerde feiten, eiser terecht als belastingplichtige in de heffing is betrokken. De rechtbank is van oordeel dat deze gegevens en feiten voor de rechtbank onvoldoende controleerbaar zijn en in onvoldoende mate getoetst kunnen worden. ook voor het overige heeft verweerder onvoldoende inzichtelijk gemaakt dat eiser voor de op de aanslag genoemde periode en voor een reclamebord aan het in de aanslag genoemde pand als belastingplichtige in de heffing kon worden betrokken.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Belastingblad 2010/662
FutD 2010-1225
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Sector Bestuursrecht

Zaaknummer: 07/1889 RECLBL

Uitspraak van de enkelvoudige kamer

in de zaak van:

[Eiseres],

gevestigd te Amsterdam,

eiser,

gemachtigde [naam],

tegen

de heffingsambtenaar van de gemeente Amsterdam,

verweerder.

Ontstaan en loop van de zaak

Verweerder heeft eiser op 31 juli 2007 een aanslag reclamebelasting van € [bedrag] opgelegd voor een reclamebord aan de woning [a[huisnummer] te Amsterdam voor de periode van 1 januari 2006 tot en met 14 februari 2006.

Het hiertegen door eiser gemaakte bezwaar heeft verweerder bij uitspraak op bezwaar van 3 november 2006 ongegrond verklaard. Tegen deze uitspraak heeft eiser beroep ingesteld bij brief van 7 november 2006.

De rechtbank heeft de zaak ter zitting behandeld op 15 november 2007, waar eiser, vertegenwoordigd door [naam], is verschenen. Verweerder is ter zitting vertegenwoordigd door H. Oderkerk.

Motivering

1. In geschil is of verweerder eiser terecht en op goede gronden een aanslag reclamebelasting van € [bedrag] heeft opgelegd voor de periode van 1 januari 2006 tot en met 14 februari 2006 voor een reclamebord aan de woning [adres] te Amsterdam.

2. Ingevolge artikel 216 van de Gemeentewet besluit de raad tot het invoeren, wijzigen of afschaffen van een gemeentelijke belasting door het vaststellen van een belastingverordening.

Ingevolge artikel 227 van de Gemeentewet kan ter zake van openbare aankondigingen zichtbaar vanaf de openbare weg reclamebelasting worden geheven.

Ingevolge artikel 3, onder a, van de Verordening op de heffing en de invordering van de reclamebelasting Amsterdam 2005 wordt de belasting geheven van degene van wie een openbare aankondiging afkomstig is of wordt aangetroffen, met dien verstande dat: een openbare aankondiging in verband met verhuur dan wel verkoop van onroerende zaken wordt geacht te zijn gedaan door degene naar wie in het opschrift wordt verwezen.

Ingevolge artikel 4, eerste lid, van de Reclamebelastingverordening Amsterdam 2005, wordt de belasting geheven naar het aantal vanaf de weg zichtbare aantal strekkende meters.

Ingevolge artikel 4, tweede lid, van de Reclamebelastingverordening Amsterdam 2005, wordt het aantal strekkende meters bepaald door de langste zijde van de denkbeeldige rechthoek, waardoor de verticale projectie van de aankondiging dan wel vanaf de openbare weg zichtbare gedeelte van de aankondiging wordt omsloten.

Ingevolge artikel 4, derde lid, van de Reclamebelastingverordening Amsterdam 2005, wordt de belasting geheven naar de maatstaven en de tarieven die zijn opgenomen in de bij deze verordening opgenomen tabel.

Ingevolge artikel 4, zesde lid, van de Reclamebelastingverordening Amsterdam 2005, worden gedeelten van in de tabel vermelde eenheden voor een geheel gerekend.

De Tarieventabel 2006, behorende bij de Reclamebelastingverordening Amsterdam 2005, luidt – voor zover hier van belang – als volgt:

Nr. Omschrijving Eenheid Tijdseenheid Tarief in Euro’s

A B C

Openbare aankondiging

1 Onverlichte openbare aankondiging meter jaar 41,42 25,48 17,74

2 Onverlichte openbare aankondiging meter week 2,91 1,65 1,11

Ingevolge artikel 8, tweede lid, aanhef en onder c, van de Reclameverordening Amsterdam 2005, wordt de belasting niet geheven terzake van een onverlichte openbare aankondiging die kleiner is dan één strekkende meter en plat is aangebracht tegen het gevelvlak.

3. Met betrekking tot de aanslag met het specificatienummer [nummer] heeft verweerder gesteld dat uit de aan verweerder ter beschikking staande gegevens, waaronder de door de Algemene Buitendienst van de Dienst Belastingen van de gemeente Amsterdam geconstateerde feiten, blijkt dat de in de heffing betrokken openbare aankondiging, bestaande uit een vouwbord (V-bord) op het adres [adres] te Amsterdam in het op de aanslag aangegeven tijdvak aanwezig is geweest en dat eiser terecht als belastingplichtige in de heffing is betrokken. Het tijdvak betreft de periode van 1 januari 2006 tot en met 14 februari 2006. Voorts heeft verweerder zich op het standpunt gesteld dat het V-bord bestaat uit twee delen waarbij ieder deel, meestal met een lengte van één meter per zijde, belastbaar is. Twee zijden zijn dan al gauw twee maal één meter is twee meter oftewel twee eenheden. De Reclameverordening Amsterdam 2005 biedt niet de mogelijkheid om op de door eiser aangevoerde gronden een gehele of gedeeltelijke vrijstelling te verlenen.

In het verweerschrift heeft verweerder aangegeven dat op grond van artikel 4, zesde lid, van de Reclamebelastingverordening Amsterdam een gedeelte van de in de tabel vermelde eenheid voor één geheel wordt gerekend en dat de vrijstellingsbepaling waar eiser naar verwijst alleen van toepassing is op een openbare aankondiging die kleiner is dan een strekkende meter en die plat is aangebracht tegen het gevelvlak. Volgens verweerder voldoet het vouwbord van eiser niet aan dit criterium.

4. Eiser heeft aangevoerd dat uit de kadastrale gegevens blijkt dat de woning [adres] in eigendom is bij de heer [naam]. Eiser stelt dat de woning [adres] nooit door hem is verkocht en dat hij als makelaar nooit enige bemoeienis heeft gehad met dit object. Op de woning [adres] heeft eiser nooit een vouwbord aangebracht. De door verweerder overgelegde foto’s geven geen enkele verwijzing naar een bij het op de foto vastgelegde object behorende adres. [adres] bestaat uit een complex van veertien woningen. Er is voor gekozen de aanslag te laten gelden voor nummer [huisnummer]. Dit is in het complex een begane-grond-woning. Op de foto is te zien, dat het bord op een verdieping hangt. Voorts heeft verweerder nagelaten op een andere wijze, bijvoorbeeld via de diverse verkoopsites op internet, zoals de sites van Funda en MVA, te controleren welk object bij welke makelaar in de verkoop is. De handelswijze van verweerder is onzorgvuldig geweest. Ook stelt eiser zich op het standpunt, dat de reclameborden die hij gebruikt in de vorm van vouwborden kleiner zijn dan 1 m² en binnen de vrijstelling vallen dan wel dat zij slechts één eenheid vormen. Tevens worden er formaten van borden opgegeven die niet overeenkomen met de standaard borden die door makelaars in Amsterdam meestal worden gebuikt. Eiser heeft voorts aangevoerd dat er een volstrekt willekeurige periode is aangenomen dat het bord aanwezig zou zijn geweest. Ten slotte zijn er onverklaarbare verschillen in de bedragen per dag per bord, die bij diverse aanslagen aan eiser zijn opgelegd.

5. Het is aan verweerder om te bewijzen dat hij terecht en op goede gronden een aanslag reclamebelasting van € [bedrag] aan eiser heeft opgelegd voor de periode van 1 januari 2006 tot en met 14 februari 2006 voor een reclamebord aan de woning [adres] te Amsterdam. Verweerder is daarin naar het oordeel van de rechtbank niet geslaagd.

6. De rechtbank heeft – op grond van hetgeen door verweerder ter zitting naar voren is gebracht – de gang van zaken met betrekking tot het uitsturen van een ambtshalve aanslagen reclamebelasting vastgesteld. De procedure is - kort samengevat - als volgt. Ambtenaren van de Algemene Buitendienst van de Dienst Belastingen van de gemeente Amsterdam controleren, doorgaans lopende, een hen toegewezen stadsdeel, waarin zij veelvuldig aanwezig zijn, op reclameborden. Bij constatering van een bord, dat onder de Reclamebelastingverordening valt, wordt hiervan een aantekening en een foto gemaakt. De buitendienstambtenaar neemt geen contact op met de bewoner of de gebruiker van het object waaraan het bord is bevestigd. Vervolgens wordt er na terugkeer op het kantoor van de dienst aan de hand van de aantekening een aangiftebiljet verstuurd aan de belanghebbende, zijnde de persoon of het bedrijf, dat op het reclamebord staat aangegeven. Als dit aangiftebiljet niet wordt teruggestuurd wordt er ambtshalve een aanslag gezonden aan de belastingplichtige.

7. Verweerder heeft ter zitting aangegeven, dat in de onderhavige zaak door een ambtenaar van de buitendienst is geconstateerd dat in de periode van 1 januari 2006 tot en met 14 februari 2006 op/bij het objectadres [adres] een V-bord van het bedrijf van eiser aangebracht is geweest. Daarvan is een aantekening en een foto gemaakt. Op 9 maart 2006 is daarvan aan eiser een aangiftebiljet verstuurd. Omdat dit niet is geretourneerd is aan eiser een ambtshalve aanslag opgelegd voor de genoemde periode.

8. De rechtbank stelt vast dat er van de constatering van het makelaarsbord aan de woning [adres] geen ambtsedig proces-verbaal is opgemaakt. Voorts stelt de rechtbank vast dat er op het aangiftebiljet geen naam of functie is vermeld van de persoon die de constatering van de aanwezigheid van het reclamebord aan het objectadres [adres] heeft gedaan of het aangiftebiljet heeft opgesteld. Ook geeft de foto, behorende bij het aangiftebiljet geen aanduiding of kenmerken weer waaruit kan worden opgemaakt, dat de foto is gemaakt van de woning [adres] of van het objectadres [adres] te Amsterdam. Gelet op hetgeen hiervoor in rechtsoverwegingen 6. en 7. is overwogen is de rechtbank van oordeel dat de uitspraak op bezwaar niet deugdelijk is gemotiveerd. In de uitspraak op bezwaar heeft verweerder immers slechts gesteld dat uit de ter beschikking staande gegevens, waaronder de door de Algemene Buitendienst geconstateerde feiten, eiser terecht als belastingplichtige in de heffing is betrokken. De rechtbank is van oordeel dat deze gegevens en feiten voor de rechtbank onvoldoende controleerbaar zijn en in onvoldoende mate getoetst kunnen worden. Ook voor het overige heeft verweerder onvoldoende inzichtelijk gemaakt dat eiser voor de op de aanslag genoemde periode en voor een reclamebord aan het in de aanslag genoemde pand als belastingplichtige in de heffing kon worden berokken. Gelet hierop komt de uitspraak voor vernietiging in aanmerking wegens strijd met de artikelen 3:2 en 7:12 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Het beroep zal dan ook gegrond worden verklaard.

9. De rechtbank stelt voorts vast dat verweerder in de uitspraak op bezwaar heeft gesteld dat een V-bord bestaat uit twee delen waarbij ieder deel meestal een lengte heeft van één meter. De precieze lengte van het bord is door verweerder niet onderzocht. De afmetingen van het bord zijn door eiser bestreden. De rechtbank is van oordeel dat het onvoldoende zorgvuldig is van verweerder om in de uitspraak op bezwaar uit te gaan van een lengte die meestal één meter is. Ook gelet hierop dient de uitspraak op bezwaar te worden vernietigd wegens strijd met de artikelen 3:2 en 7:12 van de Awb.

10. Ten slotte overweegt de rechtbank dat - zoals door verweerder ter zitting ook is verklaard - de hoogte van de aanslag mede afhankelijk is van het tijdvak waarin het bord aan de gevel is bevestigd. Ten aanzien van het tijdvak overweegt de rechtbank dat in de aanslag als begin van het tijdvak waarover reclamebelasting dient te worden betaald 1 januari 2006 is genomen. Ter zitting is door zowel eiser als de gemachtigde van verweerder aangegeven dat het niet waarschijnlijk is dat de borden van het makelaarskantoor op 1 januari 2006 zijn geplaatst. De rechtbank is gezien het voorgaande van oordeel dat het bord òf reeds voor 1 januari 2006 aan de gevel was bevestigd òf eerst op 2 januari 2006 aan de gevel is bevestigd. Ook ten aanzien van het tijdvak is de rechtbank dus van oordeel dat onvoldoende onderzocht is wanneer dit is aangevangen en wanneer het is geëindigd. Het beroep zal om deze reden eveneens gegrond worden verklaard.

11.1. De rechtbank acht termen aanwezig om met toepassing van artikel 8:75 van de Awb verweerder te veroordelen in de proces¬kosten die eiser in verband met de behandeling van het beroep bij de rechtbank redelijkerwijs heeft moeten maken. Op grond van artikel 1 van het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb) kan een veroordeling in de kosten uitsluitend betrekking hebben op:

- kosten van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

- kosten van een getuige, deskundige of tolk die door een partij of een belanghebbende is

meegebracht of opgeroepen, dan wel van een deskundige die aan een partij verslag heeft

uitgebracht;

- reis- en verblijfskosten van een partij of een belanghebbende;

- verletkosten van een partij of een belanghebbende;

- kosten van uittreksels uit de openbare registers, telegrammen, internationale telexen,

internationale telefaxen en internationale telefoongesprekken, en

- kosten van het als gemachtigde optreden van een arts in zaken waarin enig wettelijk voor

schrift verplicht tot tussenkomst van een gemachtigde die arts is.

11.2. Het bedrag aan reis- en verblijfkosten genoemd in artikel 1, onder c, van het Bpb dient op grond van artikel 2, eerste lid, onder c, van het Bpb te worden vastgesteld overeen-komstig artikel 11, eerste lid, aanhef en onder c, van het Besluit tarieven in strafzaken 2003. Het tarief voor vergoedingen wegens reiskosten bedraagt een tarief waarvan de hoogte gelijk is aan de reiskosten per openbaar middel van vervoer, laagste klasse, dan wel een kilometer-vergoeding van € 0,28 per kilometer, indien openbaar vervoer niet of niet voldoende moge-lijk is.

11.3. De rechtbank stelt vast dat het reizen met openbaar vervoer vanuit Amsterdam naar de rechtbank te Alkmaar met het openbaar vervoer mogelijk is. De rechtbank bepaalt de kos-ten op € 13,52. Dit bedrag is samengesteld uit € 1,82 voor de reiskosten per tram en € 11,70 voor de reiskosten per trein naar Alkmaar en terug.

11.4. De gestelde verletkosten van eiser komen slechts voor een gedeelte voor vergoeding in aanmerking. Verletkosten zijn volgens de toelichting op het Bpb kosten van tijdsverzuim door bijvoorbeeld vrijaf te moeten nemen voor het bijwonen van een zitting en de heen- en terugreis. Het gaat dus niet, aldus de toelichting, om tijdsverzuim door voorbereidende han-deling, zoals het opstellen of lezen van stukken (zie de Nota van Toelichting, Stb. 1993, 763). Blijkens de toelichting van eiser bij de opgegeven verletkosten bestaan de kosten onder andere uit voorbereidingshandelingen. Deze komen naar het oordeel van de rechtbank dus niet voor een proceskostenveroordeling in aanmerking. Slechts de kosten voor het bijwonen van de zitting en de reistijd komen voor vergoeding in aanmerking. De rechtbank begroot deze kosten op € 212,36 (vier uren maal € 53,09).

11.5. De kosten van het uittreksel uit het kadaster ad. € 15,00 (drie maal € 5,00) komen voor vergoeding in aanmerking.

Beslissing

De rechtbank

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt de bestreden uitspraak op bezwaar;

- bepaalt dat verweerder een nieuwe uitspraak moet doen met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is

overwogen;

- bepaalt dat de gemeente Amsterdam aan eiser het griffierecht ten bedrage van € 281,00 vergoedt.

- veroordeelt verweerder in de aan de zijde van eiser redelijkerwijs gemaakte proceskosten ten bedrage van

€ 240,88;

- wijst de gemeente Amsterdam aan als de rechtspersoon die de proceskosten moet ver-goeden;

- bepaalt dat de betaling van € 240,88 dient te worden gedaan aan eiser.

Deze uitspraak is gedaan op 20 december 2007 door mr. T. Luigjes, rechter, in tegenwoordigheid van mr. C. van Steenoven, griffier.

griffier rechter

Tegen deze uitspraak kunnen partijen hoger beroep instellen. Hoger beroep wordt ingesteld door binnen zes weken na de datum van verzending van deze uitspraak een brief (beroepschrift) en een kopie van deze uitspraak te zenden aan het gerechtshof te Amsterdam (belastingkamer), Postbus 1312, 1000 BH Amsterdam.