Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2008:BC7313

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
20-03-2008
Datum publicatie
18-04-2008
Zaaknummer
13-447878-07, 13-440357-07(TUL)
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De rechtbank acht bewezen dat verdachte op 11 oktober 2007 zijn klasgenoot opzettelijk van het leven heeft beroofd, door met een vlindermes in de hals, de zij, de onderbuik en de rug van het slachtoffer te steken, tengevolge waarvan het slachtoffer is overleden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Parketnummers: 13/447878-07, 13/440357-07 (tul)

Datum uitspraak: 20 maart 2008

op tegenspraak

VONNIS

van de rechtbank Amsterdam, meervoudige strafkamer, in de strafzaak tegen

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1993,

ingeschreven in de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens op het adres

[adres] gedetineerd in de Justitiële Jeugd Inrichting “De Heuvelrug, locatie Eikenstein” te 3704 HB Zeist, Utrechtseweg 37.

De rechtbank heeft beraadslaagd naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 10 maart 2008.

1. Telastelegging

Aan verdachte is telastegelegd hetgeen staat omschreven in de dagvaarding zoals deze ter terechtzitting is gewijzigd. Van de dagvaarding en de vordering wijziging telastelegging zijn kopieën als bijlagen 1 en 2 aan dit vonnis gehecht. De gewijzigde telastelegging geldt als hier ingevoegd.

2. Voorvragen

3. Waardering van het bewijs

Naar het oordeel van de rechtbank is het volgende vast komen staan:

Verdachte heeft zowel bij de politie als ter terechtzitting bekend dat hij op 11 oktober 2007 te Amsterdam een mes heeft getrokken waarmee hij op korte afstand van het slachtoffer zwaaiende bewegingen heeft gemaakt, waarbij hij het slachtoffer meerdere keren heeft geraakt. De verklaringen van diverse getuigen waaronder [getuige1] bij de politie (p. 21 e.v.) en bij de rechter-commissaris, [getuige2] bij de politie (p. 100 e.v.), en [getuige3] bij de politie (p. 18) bevestigen dat verdachte op korte afstand van het slachtoffer bewegingen heeft gemaakt richting het slachtoffer, waarna deze direct ging bloeden. Voorts blijkt uit het sectierapport d.d. 29 februari 2008 dat het slachtoffer een viertal wonden heeft opgelopen, te weten vier scherprandige huidperforaties. De rechtbank overweegt hierbij dat uit de beschrijving van dat letsel in het sectierapport is op te maken dat verdachte niet slechts zwaaiende bewegingen heeft gemaakt, maar ook stekende bewegingen. Door deze verwondingen is het slachtoffer overleden.

De rechtbank is voorts van oordeel op grond van de vastgestelde feiten en omstandigheden dat verdachte door zo te handelen willens en weten de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat het slachtoffer ten gevolge van zijn handelen zou komen te overlijden, het zogenaamde voorwaardelijke opzet.

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte op 11 oktober 2007 te Amsterdam opzettelijk [slachtoffer] van het leven heeft beroofd, immers heeft verdachte met dat opzet met een vlindermes in de hals, de zij, de onderbuik en de rug gestoken, tengevolge waarvan voornoemde [slachtoffer] is overleden.

Voor zover in de telastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in zijn verdediging geschaad.

4. Het bewijs

4.1 bewijsmiddelen.

De rechtbank grondt haar beslissing dat verdachte het bewezen geachte heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat.

1. De verklaring die de verdachte ter terechtzitting heeft afgelegd, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:

Het klopt dat ik op 11 oktober 2007 te Amsterdam mijn mes heb getrokken en daarmee zwaaiende bewegingen heb gemaakt in de richting van [slachtoffer]. [slachtoffer] stond op dat moment ongeveer 50 centimeter bij mij vandaan. Ik heb hem daarbij meerdere keren geraakt.

2. Een proces-verbaal met nummer 2007274847-38 van 17 oktober 2007, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar [brigadier van politie], brigadier van politie Amsterdam-Amstelland (doorgenummerde pag. 114 t/m 121).

Dit proces-verbaal houdt onder meer in als verklaring van [getuige4], zakelijk weergegeven:

Het was ongeveer 12.15 uur. [slachtoffer] zag ik zitten op de middelste steen. [verdachte] (de rechtbank begrijpt [verdachte]) stond voor de eerste steen met zijn rug naar mij toe op een afstand van ongeveer twee meter. [slachtoffer] en [verdachte] hadden ruzie. Ik zag toen dat [slachtoffer] en [verdachte] met hun gezichten naar elkaar toe stonden. Ik denk niet dat er meer dan een meter ruimte tussen hen was. Op dit moment stonden [verdachte] en [slachtoffer] op een afstand van ongeveer 40 centimeter voor mij. Ik zag dat [verdachte] een mes pakte uit de rechterzak van zijn bodywarmer. Ik zag dat [verdachte] met een armbeweging met zijn rechterhand eerst naar de zijkant uithaalde om vanuit zijn zij te steken in het lichaam van [slachtoffer]. De eerste twee steken naar [slachtoffer] toe waren hetzelfde van bewegen en steken, namelijk vanuit de zij van [verdachte] met zijn arm op het lichaam van [slachtoffer]. De derde keer dat [verdachte] stak kon ik zien dat [verdachte] vanuit zijn zij opnieuw uithaalde maar dan meer in de richting van de nek van [slachtoffer].

3. Een proces-verbaal met nummer 2007274847-2 van 11 oktober 2007, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar [hoofdagent van politie], hoofdagent van politie Amsterdam-Amstelland (doorgenummerde pag. 21 t/m 23).

Dit proces-verbaal houdt onder meer in als verklaring van [getuige1], zakelijk weergegeven:

Ik stond samen met 2 vrienden op het schoolplein. Ongeveer 2 meter naast ons stond een groepje van 5 jongens. Vanuit het niets ontstond een vechtpartij tussen 2 jongens. Hierbij zag ik dat ze voorovergebogen stonden. Vervolgens zag ik dat ze allebei ineens overeind kwamen en ik zag dat de dader iets "puntigs" in zijn handen had. Ik zag dat hij dit voorwerp in zijn rechterhand vasthield. Vervolgens zag ik dat hij met het voorwerp in zijn rechterhand een duwende beweging maakte naar de nek van het slachtoffer. Ik zag direct het bloed uit zijn nek spuiten.

4. Een proces-verbaal met nummer 2007274847-37 van 17 oktober 2007, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar [hoofdagent van politie], hoofdagent van politie Amsterdam-Amstelland (doorgenummerde pag. 100 t/m 102).

Dit proces-verbaal houdt onder meer in als verklaring van [getuige2], zakelijk weergegeven:

We zijn vervolgens bij de grote stenen gaan zitten. Ik keek naar links, in de richting van het metrostation, en zag op een afstand van ongeveer 5 tot 10 meter [slachtoffer] zitten. Ik zag dat hij daar samen zat met [getuige4], [jongen1], [jongen2] en [verdachte]. Ik zag dat [verdachte] voor de stenen stond. Ik zag dat [slachtoffer] op stond en [verdachte] met zijn rechtervuist in het gezicht sloeg. Ik zag dat [verdachte] met zijn rug naar mij toe stond. Ik zag dat hij zijn rechterarm strekte en horizontaal naar achterhaalde. Ik zag dat hij iets zilverkleurigs in zijn hand vasthield. Ik zag dat hij uithaalde in de richting van [slachtoffer] zijn arm. Ik zag dat [verdachte] zijn arm weer naar achter haalde en weer naar boven bracht in de richting van [slachtoffer]. Ongeveer vijf seconden later zag ik dat er bloed uit de nek van [slachtoffer] spatte.

5. Een proces-verbaal met nummer 2007274847-6 van 11 oktober 2007, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar [hoofdagent van politie], hoofdagent van politie Amsterdam-Amstelland (doorgenummerde pag. 18 t/m 20).

Dit proces-verbaal houdt onder meer in als verklaring van [getuige3], zakelijk weergegeven:

We zijn teruggelopen naar het schoolplein. Wij zijn toen op de keien die bij de ingang van de school staan gaan zitten. Toen wij daar zaten hoorde ik dat er twee jongens met elkaar aan het discussiëren. Ik heb niet gezien dat andere leerlingen zich met de twee jongens bemoeiden. Ik zag dat beide jongens steeds tegen elkaar duwden. Nadat deze jongens ongeveer een tot twee minuten met elkaar aan het discussiëren waren keek ik wederom om in de richting van deze jongens. Op dat moment zag ik dat de Turkse jongen met zijn rechterhand een zwaaiende beweging maakte in de richting van de hals van de Marokkaanse jongen.

6. Een verslag, nummer 2007.10.12. 005 van het Nederlands Forensisch Instituut, d.d. 29 februari 2008, opgemaakt door de beëdigde deskundige dr. V. Soerdjbalie-Maikoe, arts en patholoog-anatoom.

Dit verslag houdt onder meer in als verklaring van voornoemde deskundige, zakelijk weergegeven:

Op 12 oktober 2007 heeft ondergetekende, dr. V. Soerdjbalie-Maikoe, arts en patholoog, ingevolge mondelinge opdracht van de officier van justitie te Amsterdam, als beëdigd deskundige, in het Nederlands Forensisch Instituut te Den Haag, de uit- en inwendige schouwing verricht op het lijk van [slachtoffer], geboren op [geboortedatum] 1991,

gewoond hebbende te [woonplaats] en overleden te VU Medisch Centrum Amsterdam op

11 oktober 2007 omstreeks 13.06 uur.

Bij sectie op het lichaam van [slachtoffer] is het navolgende gebleken:

A2. Laag op de rug links een schuin verlopende, scherprandige huidperforatie ter lengte van 1,2 cm met onderhuidse bloeduitstorting. Steekkanaallengte van 1 cm met perforatie van de huid, weke delen.

A3. In de linkeroksel een schuin verlopende scherprandige huidperforatie ter lengte van 1,8 cm met onderhuidse bloeduitstorting. Steekkanaallengte minmiaal 3,5 cm met perforatie van de huid en weke delen waaronder de voorste rompspier links, tussen de 9e en 10e rib zijwaarts, buikvlies links zijwaarts, milt met een oppervlakkige scheur en hieromheen 5 ml bloed in de buikholte, middenrif links met in relatie hiermee 40 ml bloed in de linkerborstholte.

A4. Aan de onderbuik links zijwaarts, net boven de heup, een in lengterichting van het lichaam verlopende scherprandige huidperforatie ter lengte van 1,3 cm met onderhuidse bloeduitstorting. Steekkanaallengte van minimaal 7 cm door de huid en weke delen waaronder de buikspier links, buikvlies links zijwaarts.

A5. In de hals links een schuin verlopende scherprandige huidperforatie ter lengte van 2 cm met onderhuidse bloeduitstorting. Steekkanaallengte van 2,5 cm met perforatie van de huid en weke delen, waaronder de halsspier links, linkerhalsslagader.

Conclusie:

Bij sectie op het lichaam van [slachtoffer] wordt het intreden van de dood verklaard door verbloeding en inademing van bloed, opgetreden door inwerking van uitwendig mechanisch scherprandig klievend/snijdend en perforerend geweld.

7. Een proces-verbaal met nummer 2007274847-69 van 3 december 2007, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar [opsporingsambtenaar] (doorgenummerde pag. 343 en 344).

Dit proces-verbaal houdt onder meer in als verklaring van verbalisant voornoemd, zakelijk weergegeven:

Het op 11 oktober 2007 bij [verdachte] inbeslaggenomen voorwerp voldoet aan de volgende omschrijving:

Soort voorwerp: vlindermes

Totale lengte: 20,8 cm

Lengte lemmet: 8,8 cm.

5. De strafbaarheid van het feit

Het bewezen geachte feit is volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.

6. De strafbaarheid van verdachte

De raadsman van verdachte heeft ter terechtzitting primair een beroep gedaan op noodweerexces en subsidiair op putatief noodweerexces, zoals in zijn pleitnotities verwoord. Daartoe heeft hij onder meer aangevoerd dat verdachte niet uit was op een confrontatie met het latere slachtoffer, dat hij in de val was gelokt en dat hij geen andere keus had dan het wapen, dat hij voorhanden had, aan te wenden. Het feit dat verdachte een mes op zak had staat aan een beroep op noodweerexces niet in de weg, aldus de raadsman. Er was sprake van een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding pur sang, nu verdachte buiten plotseling werd geconfronteerd met de dreigende aanwezigheid van de groep jongens die om hem heen is gaan staan en direct door het latere slachtoffer vol in het gezicht werd geslagen. De raadsman verwijst hierbij onder meer naar een arrest van het Hof Amsterdam (NJ1998/319).

Gelet op het voorgaande is de raadsman van oordeel dat verdachte weliswaar de grenzen van de noodzakelijke verdediging heeft overschreden, maar daarvoor straffeloos is te achten.

Alvorens tot bespreking van het verweer over te gaan overweegt de rechtbank het volgende:

a. Verdachte heeft in een verhoor op 31 oktober 2007 bij de politie en ter terechtzitting verklaard dat hij gedurende lange tijd is gepest, onder meer door het latere slachtoffer, ook al in de eerste en tweede van het Calvijn Junior College. De rechtbank acht dit niet aannemelijk geworden. De rechtbank baseert haar oordeel op het navolgende. Uit de uitgebreide verklaring van verdachte afgelegd bij de politie op

11 oktober 2007 (p. 41 e.v.) blijkt dat verdachte niet heeft verklaard over langdurig pesten: "Ik zit sinds dit jaar op school en het ging goed en geen problemen. Eigenlijk is het afgelopen maandag begonnen. Toen heeft hij een brandende sigaret tegen mijn wang gedrukt. [bijnaam jongen 2] (de rechtbank begrijpt dat dit de bijnaam is van [jongen2]) heeft toen die sigaret in mijn gezicht uitgedrukt." Later in deze verklaring heeft hij dit genuanceerd door te verklaren: "Ik ben toen in een andere klas terecht gekomen. Dit was ongeveer drie weken geleden. De problemen zijn ontstaan toen ik in die andere klas kwam. Sinds ik in die andere klas ben gekomen word ik gepest door [slachtoffer]." De later afgelegde verklaring van verdachte bij de politie en diens verklaring ter terechtzitting dat hij gedurende langere tijd op het Calvijn Junior College werd gepest, wordt niet door getuigenverklaringen over die periode bevestigd.

b. De rechtbank acht wel aannemelijk dat verdachte gedurende de laatste drie weken in zijn nieuwe klas op het TeC West gepest is, o.a. door het latere slachtoffer [slachtoffer] De rechtbank baseert dit op de verklaringen van verdachte zelf en de verklaringen hierover van [getuige5] bij de politie (p. 146 e.v.) "Iedereen was een beetje tegen hem. [verdachte] werd een klein beetje buiten gesloten omdat hij nieuw was. Hij wilde de baas spelen. Toen is de hele klas hem een beetje gaan pesten." en diens verklaring bij de RC “Als de rest van de klas hatelijk deed, deed [slachtoffer] mee” en de verklaring van [getuige6] bij de politie (p. 130 e.v.) "Heb je wel eens gemerkt dat [verdachte] gepest werd? Ja, wel. Iets met zijn achternaam. Dat zou in het Turks iets met hoer te maken hebben."

c. Naar het oordeel van de rechtbank is verder vast komen te staan dat verdachte op maandag

8 oktober 2007, terwijl hij deel uitmaakte van een groepje jongens, bestaande uit [slachtoffer], [getuige7], [jongen2] ("[bijnaam jongen 2]") en [getuige6] ("[bijnaam getuige 6]"), door [jongen2] een sigaret in zijn gezicht gedrukt heeft gekregen. Dit wordt ondersteund, behalve door de verklaring van verdachte omtrent het uitdrukken van de sigaret ook door de verklaringen van [getuige 7] bij de politie (p. 125 e.v.) “[bijnaam jongen 2] (hiermee wordt [jongen2] bedoeld) pakte zijn sigaret en drukte dat uit tegen de wang van [verdachte]” en [getuige6] bij de politie (p. 130 e.v.). ”Ik zag dat [jongen2] een sigaret in zijn hand vasthield en deze op de wang van [verdachte] drukte”.

en de medische verklaring (p. 202) "Het letsel op de rechterwang kan goed passen bij een brandwond door een sigaret".

d. Uit de verklaringen van verdachte bij de politie direct na het delict en zijn ter terecht-zitting afgelegde verklaring blijkt dat verdachte dit incident als zeer vernederend heeft ervaren. Het is, zo verklaart hij, voor hem aanleiding geweest om het vlindermes bij zich te gaan dragen. "Ik wilde mezelf niet laten vernederen. Ik wilde dat niet meer" (p. 41 e.v.).

e. De rechtbank stelt voorts vast, zoals ook door verdachte wordt aangegeven, dat verdachte bij de politie en ter terechtzitting heeft verklaard nooit melding te hebben gemaakt van pesterijen en geen hulp heeft gevraagd bij, ouders, familie, vrienden of op school. Op TeC West heeft hij weliswaar, doch zonder succes, zich ingespannen om te kunnen terugkeren naar zijn oude klas, waar hij volgens eigen zeggen niet werd gepest, maar hij heeft hierbij echter niet verteld dat de reden hiervoor was dat hij werd gepest in zijn nieuwe klas.

f. Verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat hij het vlindermes die maandag na het sigaret-incident heeft aangeschaft. De rechtbank acht daarentegen aannemelijk dat verdachte dit mes eerder in zijn bezit had. Dit baseert de rechtbank onder meer op de verklaringen van [getuige8] (p.160 e.v.) "Ik wist dat hij regelmatig een mes bij zich had op school. Ik zat een keer in de klas naast [slachtoffer]. Die dag had [verdachte] ook een mes bij zich. Het mes wat hij toen bij zich had liet hij aan [slachtoffer] zien. [slachtoffer] gaf hem aan mij door. Het was een mes wat je kon openklappen. Het heft van dit mes was zwart. Op het handvat zaten grijze, rubberachtige streepjes. Wanneer het mes was opengeklapt, was het ongeveer 20 centimeter lang", [getuige 7] (p. 125 e.v.) "Ik moest denken aan een paar weken daarvoor. [verdachte] had mij toen een vlindermes laten zien." en van [getuige5] (p.146 e.v.) "Ik heb gezien dat [verdachte] toen een vlindermes uit zijn zak pakte en daarmee steekbewegingen maakte. Hij stak het mes voor zich uit richting [slachtoffer]. Het handvat was zwart met witte strepen en een marmer look".

Gelet op die verklaringen, met name de beschrijvingen van het mes, en gelet op de eigen waarneming van de rechtbank van het bij verdachte inbeslaggenomen vlindermes ter terechtzitting (en ook de foto van het mes p. 241), welke een opvallende gelijkenis vertoont met beschrijvingen van het mes, acht de rechtbank het aannemelijk dat verdachte het mes eerder bij zich is gaan dragen, dan hij zelf aangeeft.

g. Voorts acht de rechtbank aannemelijk dat verdachte en het latere slachtoffer op

11 oktober 2007 tijdens de wiskundeles ruzie hadden, waarbij zij elkaar over en weer hebben geslagen. Ook acht de rechtbank het aannemelijk dat [slachtoffer] verdachte te kennen had gegeven hem na de les op te wachten. Dit blijkt onder meer uit de verklaring van de verdachte ter terechtzitting en zijn verklaring bij de politie (p. 41 e.v.). De verdachte verklaart ter terechtzitting dat dit de eerste keer was dat hij [slachtoffer] had teruggeslagen. Verder verwijst de rechtbank in dit verband naar de verklaringen van [getuige 7] (p. 125 e.v.) "[verdachte] en [slachtoffer] zaten naast elkaar. Halverwege de les zag ik dat [slachtoffer] [verdachte] een klap op zijn bovenarm gaf. Ik zag dat [verdachte] [slachtoffer] een klap terug gaf. Zo ging het maar door, vijf keer of zo" en [getuige9] (p. 94 e.v.) "Op die afgelopen donderdag had ik samen met de klas van [slachtoffer] en [verdachte] les. Dat was om 10.00 uur. [verdachte] en [slachtoffer] kwamen toen al scheldend de klas binnen. Tijdens de les van 11.45 tot 12.30 uur zag ik ze weer. [slachtoffer] en [verdachte] duwden elkaar en ze sloegen elkaar" en die van [getuige6] (p. 131) “Ik hoorde dat [slachtoffer] zei dat hij op [verdachte] stond te wachten omdat hij met hem wilde vechten”.

h. De rechtbank constateert dat er een zeer kort tijdsverloop is geweest tussen het moment waarop verdachte het wiskundelokaal heeft verlaten en het gevecht buiten school waarbij [slachtoffer] om het leven kwam. Dit blijkt onder meer uit de verklaring van [getuige10] (p. 141 e.v.), docent wiskunde, "Nee, niemand is voor 12.00 uur weggegaan uit de klas" en "Ik gaf ook wiskunde aan dezelfde klas. Dit was tot 12.15 uur". Uit de verklaring van [getuige 7] (p. 125 e.v.) "Daarna had ik wiskunde tot 12.30 uur. Ik mocht eerder weg. Ongeveer om 12.20 uur. [slachtoffer] mocht ook weg". Voorts staat vast dat verdachte om 12.22 uur, terwijl hij in de aula was, is gebeld door [getuige6] (proces-verbaal van bevindingen van 29 februari 2008). Uit het proces-verbaal van bevindingen van

11 oktober 2007 (p. 1 e.v.) blijkt dat de politie om 12.25 een melding kreeg van een steekpartij en dat de politie om 12.35 uur ter plaatse was.

De rechtbank constateert dat verdachte, nu hij aangeeft na [slachtoffer] uit het lokaal te zijn vertrokken, niet lang kan hebben gewacht in de aula, zoals hij zelf ter terechtzitting en ook bij de politie heeft verklaard op 11 oktober 2007 (p. 41 e.v.) "Ik had tien minuten in de aula gewacht en had gedacht dat [slachtoffer] en [bijnaam jongen 2] weg zouden zijn".

i. Zoals hiervoor vermeld is vast komen staan dat [getuige6], volgens verdachte een vriend van [slachtoffer] en ook een van degenen die hem regelmatig pestte, verdachte, terwijl deze zich in de aula bevond, heeft gebeld met het verzoek naar buiten te komen. Dit blijkt behalve uit de telefoongegevens die zich in het dossier bevinden ook uit de verklaring van verdachte ter terechtzitting en de verklaring van [getuige6] hierover (p. 134 e.v.) "Ik stond buiten en [slachtoffer] vroeg mij of ik [verdachte] wilde bellen of hij naar buiten wilde komen. Dit was vlak voor de steekpartij. Toen heb ik [verdachte] gebeld. Ik zei tegen hem: "Kom even naar buiten." Verdachte verklaart hierover ter terechtzitting dat hij, toen [getuige6] hem belde, hoopte samen met [getuige6] weg te kunnen lopen van school. Hij heeft tijdens dat telefoongesprek niet gevraagd aan [getuige6] of [slachtoffer] er nog was, omdat hij geen mietje wilde lijken.

j. Vervolgens staat vast dat verdachte direct hierna naar buiten is gelopen.

k. Ter terechtzitting heeft verdachte -voor het eerst- verklaard dat hij toen hij buiten kwam omsloten werd door [jongen2], [slachtoffer] en [getuige6]. Naar het oordeel van de rechtbank is dit niet aannemelijk geworden. De rechtbank constateert allereerst dat verdachte hierover niet consistent heeft verklaard. Bij de politie (p. 41 e.v.) heeft verdachte hier over verklaard. ”[slachtoffer] viel mij lastig. Toen zag ik hem buiten met zijn vriend [jongen2]. Ik zag hun daar en ze gingen mijn weg blokkeren." Hij spreekt daar met andere woorden niet over ingesloten worden en hij heeft ook niet eerder over een rol van [getuige6] gesproken. Ook overigens blijkt uit het dossier niet dat verdachte op een gegeven moment zou zijn ingesloten.

l. Ter terechtzitting verklaart verdachte verder voor het eerst dat [jongen2] hem op een gegeven moment bij zijn nek vastpakte. Nog afgezien van het feit dat hij zelf aangeeft zich losgerukt te hebben, wordt dit vastpakken niet bevestigd in enig andere verklaring en acht de rechtbank dit derhalve niet aannemelijk.

m. De rechtbank acht verder niet aannemelijk dat behalve [slachtoffer] nog een van de andere jongens een actieve rol heeft gespeeld, in de zin van slaan van verdachte. Verdachte verklaart bij de politie dat [slachtoffer] en [jongen2] zijn weg naar huis blokkeerde en nadat [slachtoffer] begon te slaan, ook [jongen2] hard begon te slaan. Ter zitting verklaart hij hierover anders namelijk dat nadat hij was ingesloten, alle vier de jongens voor hem kwamen staan en na het vastpakken van [jongen2] bij zijn nek en het losrukken, ze hem begonnen te slaan. Deze lezingen worden niet door getuigen bevestigd. [getuige1] op p. 21 verklaart “In dat groepje van 5 ontstond ineens vanuit het niets een vechtpartij tussen

2 jongens” en [getuige3] op p. 19 “Ik zag dat er ook andere leerlingen in de directe omgeving van de twee discussierende jongens stonden en op de daar geplaatste keien zaten. Ik heb niet gezien dat andere leerlingen zich met de twee jongens bemoeiden”.

n. De rechtbank sluit op basis van de diverse verklaringen niet uit dat [slachtoffer] verdachte als eerste heeft lastiggevallen en ook als eerste een klap heeft uitgedeeld aan verdachte. De rechtbank verwijst in dit verband, behalve naar de verklaringen van verdachte, ook naar de verklaring van [getuige6] bij de RC ”[verdachte] kwam naar buiten en [slachtoffer] vroeg hem verder op te gaan en daar te gaan vechten. [verdachte] wilde dat niet en verzocht hem met rust te laten.”, zijn verklaring bij de politie (p. 130 e.v.) “Het was voor mij duidelijk dat [verdachte] niet mee wilde. Ik zag dat [slachtoffer] [verdachte] in zijn gezicht sloeg met zijn vuisten en platte hand." en de verklaring van [getuige2] bij de politie (p. 100 e.v.) “Ik zag dat [verdachte] voor de stenen stond. Ik zag dat [slachtoffer] op stond en [verdachte] met zijn rechtervuist in het gezicht sloeg”.

o. De rechtbank acht verder aannemelijk dat verdachte, zoals hij zelf heeft verklaard, een einde wilde maken aan de pesterijen en vernederingen en daarom het mes aan de jongens wilde laten zien. Dit leidt de rechtbank onder meer af uit de verklaring van verdachte ter terechtzitting: ”Ik had terug kunnen gaan, maar ik dacht dat ze toch door zouden gaan en ik wilde dat er een einde aan zou komen. Ik heb er niet aan gedacht om terug te gaan. Ik trok het mes om ze te laten ophouden. Ik heb op dat moment niet overwogen om te stoppen.”

p. Uit onder meer de verklaring van de verdachte ter terechtzitting is komen vast te staan dat verdachte op een gegeven moment tijdens de confrontatie met [slachtoffer] het mes uit zijn jaszak heeft gehaald, waarna hij onmiddellijk, terwijl [slachtoffer] heel dicht bij hem stond, zwaaiende bewegingen heeft gemaakt en dat [slachtoffer] daarbij meerdere keren met dat mes is geraakt (sectierapport). De rechtbank voegt hieraan toe dat uit de beschrijving van het letsel in het sectierapport is op te maken dat verdachte niet slechts zwaaiende bewegingen heeft gemaakt, maar ook stekende bewegingen.

Gelet op het hiervoor vermelde is de rechtbank van oordeel dat het niet aannemelijk is geworden dat er sprake is geweest van een noodweersituatie en derhalve kan het beroep op noodweerexces niet slagen. Weliswaar kan een eventuele klap van [slachtoffer] als een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding van verdachte worden aangemerkt, maar verdachte had naar het oordeel van de rechtbank, nu hij tevoren wist dat [slachtoffer] op een dergelijke confrontatie uit was, deze op diverse momenten kunnen vermijden, danwel zich hieraan kunnen onttrekken. Allereerst had het voor de hand gelegen om niet zo kort na het einde van de les, na een telefoontje van een vriend van [slachtoffer] en een van degenen waarvan hij aangeeft dat ze hem pesten, naar buiten te gaan zonder zich te vergewissen of [slachtoffer] al weg was. Verder had verdachte, na het verlaten van het schoolgebouw, op het moment dat hij [slachtoffer] zag, zich terug kunnen trekken door het schoolgebouw weer binnen te gaan. Ook na het moment van de klap van [slachtoffer], acht de rechtbank het aannemelijk dat voor verdachte nog de mogelijkheid bestond zich aan een verdere confrontatie met [slachtoffer] te onttrekken. Van een noodzakelijke verdediging op dat moment was derhalve geen sprake. Dit is ook begrijpelijk in het licht van de verklaring van verdachte zelf bij de politie (p. 41 e.v.) waarin hij aangeeft dat hij na het incident op maandag 8 oktober 2007 een einde wilde maken aan de pesterijen en vernederingen en toen het mes bij zich is gaan dragen, en van zijn verklaring ter terechtzitting dat hij het mes wilde laten zien om de jongens weg te jagen om zodoende een einde te maken aan de pesterijen.

Gelet op het voorgaande verwerpt de rechtbank het beroep van de raadsman op noodweerexces.

De rechtbank verwerpt tevens het niet nader onderbouwde beroep op putatief noodweer exces, waarvan de rechtbank aanneemt dat hier putatief noodweer wordt bedoeld, nu niet is gesteld, noch is gebleken van enige verschoonbare dwaling.

Er is ook overigens geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.

7. Motivering van de straf en maatregel

De officier van justitie heeft bij requisitoir gevorderd dat verdachte ter zake van het door haar bewezen geachte feit zal worden veroordeeld tot een jeugddetentie voor de duur van elf maanden, met aftrek van voorarrest, en de oplegging van de maatregel tot plaatsing in een inrichting voor jeugdigen voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren, de tenuitvoerlegging van de vordering na voorwaardelijke veroordeling, evenals toewijzing van de vorderingen van de benadeelde partijen.

De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen geachte, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals van een en ander ter terechtzitting is gebleken.

De rechtbank heeft bij de keuze tot het opleggen van een vrijheidsbenemende straf en bij de vaststelling van de duur daarvan in het bijzonder het volgende laten meewegen.

De 14-jarige verdachte heeft tijdens een ruzie met het 16-jarige slachtoffer op een druk bezet schoolplein een mes getrokken en daarmee het slachtoffer dodelijk verwond. Ofschoon de rechtbank begrip heeft voor emoties die door pestgedrag van klasgenoten/leeftijdsgenoten bij slachtoffers daarvan worden opgewekt acht de rechtbank niettemin een keuze om zich daartegen te weer te stellen door een mes voorhanden te hebben en te tonen, uiterst laakbaar. Een dergelijke keuze draagt het risico in zich op ernstig of zelfs dodelijk letsel, zoals hier ook is gebeurd.

Verdachte heeft door zijn gewelddadig handelen naar aanleiding van -veelvoorkomend- pestgedrag het vertrouwen geschonden voor zowel ouders, leerlingen als leerkrachten dat school een veilige plek is, waar kinderen zich in een pedagogisch klimaat tot verantwoordelijke volwassenen kunnen ontwikkelen. De ervaring leert dat niet valt uit te sluiten dat met name jeugdige getuigen van een dergelijk geweld, in de toekomst zelf zullen kiezen voor een gewelddadige oplossing.

Door het onderhavige feit is de rechtsorde ernstig geschokt. Verdachte heeft ook bijgedragen aan vergroting van de reeds bestaande gevoelens van onveiligheid in de maatschappij. Daarnaast leert de ervaring dat dergelijke misdrijven vaak diep ingrijpen in het leven van de nabestaanden. Dit blijkt ook uit de ter terechtzitting door een broer van het slachtoffer afgelegde verklaring.

Voornoemde omstandigheden rechtvaardigen de oplegging van een vrijheidsbenemende straf.

Uit een uittreksel uit het Algemeen Documentatieregister van 12 oktober 2007 is gebleken dat verdachte eerder is veroordeeld voor een geweldsdelict en hij daarvoor nog in een proeftijd loopt.

De rechtbank heeft acht geslagen op:

- een rapport van de Raad voor de Kinderbescherming te Amsterdam van 16 februari 2007, opgemaakt door mw. E. Mes, raadsonderzoeker;

- een rapport van de Raad voor de Kinderbescherming te Amsterdam van 23 oktober 2007, opgemaakt door mw. M. Dik, raadsonderzoeker;

- een rapport d.d. 28 januari 2008, opgemaakt door drs. Ph.L. Teepe, kinder- en jeugdpsychiater en drs. P.P.L.J. Wentink, GZ-psycholoog over de geestvermogens van verdachte, en

- een rapport d.d. 10 maart 2008 van Bureau Jeugdzorg Agglomeratie Amsterdam, opgemaakt door mw. A. Perini, jeugdreclasseerder.

De psychiater en psycholoog (hierna: de deskundigen) concluderen dat bij de verdachte geen sprake is van een ziekelijke stoornis van de geestvermogens. Wel is er sprake van een enigszins gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogens, welke hoofdzakelijk is terug te voeren op de oppositioneel-opstandige gedragsstoornis. Deze enigszins gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogens bestond ook ten tijde van het hem telastegelegde.

De enigszins gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogens heeft indirect, en in lichte mate, invloed gehad op de gedragingen c.q. gedragskeuzen van de verdachte ten tijde van het ten laste gelegde. Echter, deze gebrekkige ontwikkeling is duidelijk van invloed geweest op de keuze van de verdachte om voorafgaand aan het telastegelegde een mes bij zich te dragen. Deze keuze heeft een element in zich van het recht in eigen hand nemen, en past bij een innerlijke verschuiving van slachtofferperspectief naar daderperspectief. Als gevolg van de enigszins gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogens was hij eveneens in verminderde mate in staat om de situatie waarin hij zich ten tijde van het delict bevond goed te overzien en juist in te schatten. De deskundigen achten de verdachte voor zijn handelen ten tijde van het plegen van het telastegelegde verminderd toerekeningsvatbaar.

Van belang voor de kans op recidive is verdachte's neiging om een mes bij zich te dragen en de interne verschuiving van het slachtofferperspectief naar daderperspectief. Tevens is voor de kans op recidive van belang dat verdachte als gevolg van zijn beperkte inzicht in sociale situaties geneigd is de rol van slachtoffer terecht te komen, zonder voldoende oog te hebben voor zijn eigen rol en aandeel daarin. Met name is hij op momenten geneigd om anderen uit te dagen en afwijzing uit te lokken. Ook is hij vanuit angst en onzekerheid onvoldoende in staat om op een sociaal vaardige en redzame wijze op te komen voor zichzelf en zijn belangen temidden van leeftijdgenoten. Daarbij is hij onvoldoende geneigd om in dergelijke situaties hulp in te roepen van volwassenen.

Er zijn geen duidelijke aanwijzingen voor agressieproblematiek gevonden.

Geadviseerd wordt om verdachte, naast het strafrechtelijk afdoen van zijn zaak met het hem opleggen van een straf van jeugddetentie, tevens een voorwaardelijke maatregel van plaatsing in een inrichting voor jeugdigen op te leggen, met als bijzondere voorwaarde het ondergaan van dagbehandeling zoals gegeven door de Bascule. Deze behandeling dient tevens gericht te zijn op het weerbaarder maken van verdachte en competenter maken in de sociale omgeving met leeftijdgenoten en het beter leren omgaan met de gevoelens die het gepest worden bij hem oproepen. Als onderdeel van deze begeleiding dient eveneens aandacht besteed te worden aan emotioneel doorwerken van de impact die zijn daad gehad heeft op de samenleving en zijn persoon (en het gezin). Tevens wordt geadviseerd verdachte voor het bijsturen en monitoren van zijn ontwikkeling als bijzondere voorwaarde jeugdreclasseringbegeleiding op te leggen.

Ter terechtzitting hebben de deskundigen verklaard bij hun conclusies te blijven. Daar is nog aan toegevoegd dat zij het idee hebben dat dagbehandeling bij de Bascule voldoende voorwaarde is voor een goede ontwikkeling van de verdachte en om hem goed op de rails te zetten. De deskundigen schatten in dat een voorwaardelijke maatregel tot plaatsing in een inrichting voor jeugdigen een voldoende passend juridisch kader is voor de verdachte.

Mw. Perini van Bureau Jeugdzorg Agglomeratie Amsterdam heeft ter terechtzitting nog verklaard dat zij verdachte heeft aangemeld voor dagbehandeling bij de Bascule. Indien hij nog langer in detentie dient te blijven kan zijn behandeling door de Waag, die een poliklinische functie heeft binnen Eikenstein, tijdens die detentie aanvangen.

De rechtbank neemt de adviezen van de deskundigen voor wat betreft de toerekenbaarheid en tot het opleggen van de maatregel van plaatsing in een inrichting voor jeugdigen over. De rechtbank neemt hierbij in aanmerking dat:

- het bewezen geachte een misdrijf betreft waarvoor voorlopige hechtenis is toegelaten;

- de veiligheid van anderen dan wel de algemene veiligheid van personen of goederen het opleggen van de maatregel vereist;

- de maatregel in het belang is van een zo gunstig mogelijke verdere ontwikkeling van verdachte.

Gelet op de omstandigheid dat de rechtbank met de deskundigen van oordeel is dat ten aanzien van verdachte vooralsnog een ambulante behandeling bij de Bascule afdoende effectief lijkt te zijn zal de rechtbank de maatregel van plaatsing in een inrichting voor jeugdigen opleggen in voor¬waardelijke vorm, met als bijzondere voorwaarden dat verdachte dagbehandeling krijgt bij de Bascule en hij begeleid wordt door de jeugdreclassering, mede gericht op de behandeling bij de Bascule.

Ten slotte is de rechtbank van oordeel dat, conform de eis van de officier van justitie, de oplegging van een jeugddetentie voor de duur van elf maanden passend is, enerzijds gelet op het feit dat de verdachte ten tijde van het plegen van het delict te beschouwen is als verminderd toerekeningsvatbaar, en anderzijds nu in een zaak waarbij de rechtsorde zo ernstig is geschokt, ook een stuk vergelding dient plaats te vinden. Daarnaast overweegt de rechtbank dat hierbij met de zeer jeugdige leeftijd van verdachte afdoende rekening is gehouden nu de wetgever de duur van de maximaal op te leggen jeugddetentie voor jeugdigen tussen de 12 en 16 jaar heeft beperkt tot een jaar, terwijl voor meerderjarige verdachten een maximum straf van 15 jaar voor een dergelijk delict zou gelden.

Ten aanzien van de benadeelde partijen

Uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat een deel van de vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij1], van zo eenvoudige aard is dat dit zich leent voor de behandeling in dit strafgeding. Tevens is komen vast te staan dat de benadeelde partij als gevolg van het hiervoor bewezen geachte feit, rechtstreeks schade heeft geleden. De rechtbank waardeert deze op een bedrag van € 3.329,71 (drieduizend en driehonderdnegentwintig euro en eenenzeventig eurocent). De vordering kan dan ook tot dat bedrag worden toegewezen.

Voorts dient de verdachte te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog zal maken.

Het overige deel van de vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij1] wordt afgewezen omdat dat deel al door de verzekering van de benadeelde partij is vergoed.

In het belang van [benadeelde partij1] voornoemd wordt, als extra waarborg voor betaling aan laatstgenoemde, de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht aan verdachte opgelegd.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat een deel van de vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij2], van zo eenvoudige aard is dat dit zich leent voor de behandeling in dit strafgeding. Tevens is komen vast te staan dat de benadeelde partij als gevolg van het hiervoor bewezen geachte feit, rechtstreeks schade heeft geleden. De rechtbank waardeert deze op een bedrag van € 1.200,= (eenduizend en tweehonderd euro). De vordering kan dan ook tot dat bedrag worden toegewezen.

Voorts dient de verdachte te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog zal maken.

In het belang van [benadeelde partij2] voornoemd wordt, als extra waarborg voor betaling aan laatstgenoemde, de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht aan verdachte opgelegd.

Tenuitvoerlegging voorwaardelijke veroordeling

Bij de stukken bevindt zich de op 17 oktober 2007 ter griffie van deze rechtbank ontvangen vordering van de officier van justitie in het arrondissement Amsterdam in de zaak met parketnummer 13/440357-07, betreffende het onherroepelijk geworden vonnis d.d. 21 juni 2007 van de kinderrechter te Amsterdam, waarbij verdachte is veroordeeld tot een werkstraf voor de duur van 80 uur, subsidiair 40 dagen jeugddetentie, met bevel dat van deze straf een gedeelte, groot 30 uur, subsidiair 15 dagen jeugddetentie niet tenuitvoergelegd zal worden, tenzij de rechter later anders mocht gelasten op grond dat veroordeelde zich voor het einde van een op 2 jaar, bepaalde proeftijd aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt, met als bijzondere voorwaarde de maatregel hulp en steun

Tevens bevindt zich bij de stukken een akte waaruit blijkt dat de kennisgeving, bedoeld in artikel 366a van het Wetboek van Strafvordering, op 5 september 2007 aan verdachte is uitgereikt.

Gebleken is dat verdachte zich voor het einde van voornoemde proeftijd aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt, zoals naar voren komt uit de verdere inhoud van dit vonnis. De rechtbank acht echter gelet op de op te leggen straf het niet opportuun de vordering toe te wijzen.

8. Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf en maatregel zijn gegrond op de artikelen 36f, 77g, 77i, 77s, 77x, 77y, 77z, en 287 van het Wetboek van Strafrecht.

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.

9. Beslissing

Verklaart bewezen dat verdachte het telastegelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 3 is aangegeven.

Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is telastegelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Het bewezenverklaarde levert op:

doodslag.

Verklaart het bewezene strafbaar.

Verklaart verdachte, [verdachte], daarvoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot een jeugddetentie voor de duur van 11 (elf) maanden.

Beveelt dat de tijd die door veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van die straf in mindering gebracht zal worden.

Legt aan verdachte op de maatregel van plaatsing in een inrichting voor jeugdigen.

Beveelt dat deze maatregel niet tenuitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechtbank later anders gelast.

Stelt daarbij een proeftijd van 2 (twee) jaar vast.

De tenuitvoerlegging kan worden gelast, indien veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd aan een strafbaar feit schuldig maakt.

Tevens kan de tenuitvoerlegging worden bevolen indien de verdachte de navolgende bijzondere voorwaarden niet naleeft.

Stelt als bijzondere voorwaarden:

- dat veroordeelde zich zo spoedig mogelijk stelt en dat hij gedurende de proeftijd blijft onder toezicht en leiding van Bureau Jeugdzorg Agglomeratie Amsterdam en zich gedurende die proeftijd gedraagt naar de door of namens die instelling te geven aanwijzingen, zolang deze instelling dat noodzakelijk oordeelt;

- dat veroordeelde dagbehandeling volgt bij de Bascule.

Geeft aan genoemde instelling opdracht om aan veroordeelde bij de naleving van die aanwij¬zingen hulp en steun te verlenen.

Wijst de vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij1], wonende op het [adres] toe tot een bedrag van € 3.329,76 (drieduizenddriehonderd euro en negenentwintig eurocent).

Veroordeelt verdachte aan [benadeelde partij1] voornoemd, het toegewezen bedrag te betalen.

Veroordeelt verdachte voorts in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil.

Wijst de vordering voor het overige deel af.

Legt aan verdachte de verplichting op, aan de Staat, ten behoeve van [benadeelde partij1], te betalen de som van € 3.329,76 (drieduizenddriehonderd euro en negenentwintig eurocent), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door jeugddetentie voor de duur van 67 dagen, met dien verstande dat de toepassing van die jeugddetentie de hiervoor opgelegde verplichting niet opheft.

Bepaalt dat, indien en voor zover verdachte heeft voldaan aan een van voornoemde betalingsverplichtingen, daarmee de andere is vervallen.

Wijst de vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij2], wonende op het [adres], toe tot een bedrag van € 1.200,= (eenduizend en tweehonderd euro).

Veroordeelt verdachte aan [benadeelde partij2] voornoemd, het toegewezen bedrag te betalen.

Veroordeelt verdachte voorts in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil.

Legt aan verdachte de verplichting op, aan de Staat, ten behoeve van [benadeelde partij2], te betalen de som van € 1.200,= (eenduizend en tweehonderd euro), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door jeugddetentie voor de duur van 24 dagen, met dien verstande dat de toepassing van die jeugddetentie de hiervoor opgelegde verplichting niet opheft.

Bepaalt dat, indien en voor zover verdachte heeft voldaan aan een van voornoemde betalingsverplichtingen, daarmee de andere is vervallen.

Wijst af de vordering tenuitvoerlegging in de zaak met parketnummer 13/440357-07.

Dit vonnis is gewezen door

mr. A.M.F. Huigen, voorzitter tevens kinderrechter,

mrs. F.P.M. Eberhard en C.J. Petiet, rechters,

in tegenwoordigheid van A. Gordon, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 20 maart 2008.