Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2008:BC7181

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
06-02-2008
Datum publicatie
19-03-2008
Zaaknummer
304191
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Wijziging processuele hoedanigheid, in vervolg procedure mede optreden namens VVE?

Eisers hebben niet reeds bij dagvaarding gesteld (mede) op te treden namens de VVE. In navolging van de uitspraak van de HR van 2 april 1993 (NJ 1993, 573) oordeelt de rechtbank dat eisers niet hangende de procedure die hoedanigheid alsnog kunnen aannemen. Eisers worden derhalve niet-ontvankelijk verklaard in hun vordering voor zover die betrekking heeft op aangelegenheden die de VVE aangaan. Verder hebben eisers hun standpunt dat zij de aanhangig gemaakte vordering voor zichzelf hebben kunnen instellen en dat deze daarom, voor zover het hun eigen schade betreft, toewijsbaar is, niet voldoende onderbouwd. Dit standpunt wordt daarom gepasseerd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK AMSTERDAM

Sector civiel recht

zaaknummer / rolnummer: 304191 / HA ZA 04-3739

Vonnis van 6 februari 2008

in de zaak van

1. [A],

wonende te [-],

2. [B],

wonende te [-],

eisers,

procureur mr. F.B. Falkena,

tegen

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

HOLLANDSE STEEN VASTGOED B.V.,

gevestigd te Amsterdam,

gedaagde,

procureur mr. O.A.H. van Dalsum.

Partijen zullen hierna [A] c.s. en Hollandse Steen Vastgoed genoemd worden.

1. De procedure

1.1. Het verdere verloop van de procedure blijkt uit:

- het tussenvonnis van 7 februari 2007,

- de akte na tussenvonnis van [A] c.s. van 3 oktober 2007,

- de antwoordakte na tussenvonnis van Hollandse Steen Vastgoed van 14 november 2007.

1.2. Ten slotte is wederom vonnis bepaald.

2. De verdere beoordeling

2.1. In voornoemd tussenvonnis heeft de rechtbank vooralsnog tot uitgangspunt genomen dat [A] c.s., bij inleidende dagvaarding uitsluitend optredend namens zichzelf, niet hangende de procedure hun processuele hoedanigheid konden wijzigen, in die zin dat zij na de daartoe verkregen toestemming van de VVE in het vervolg van de procedure alsnog zouden optreden namens de VVE. Zoals de rechtbank in haar voornoemde tussenvonnis heeft vermeld, heeft zij bij dit voorlopige uitgangspunt mede gelet op hetgeen Hollandse Steen Vastgoed in dit kader gemotiveerd en gestaafd met jurisprudentie tot dusver had aangevoerd. Hierbij heeft de rechtbank met name van belang geacht het door Hollandse Steen Vastgoed in haar antwoordakte na comparitie aangehaalde arrest van de Hoge Raad van 22 oktober 2004 (NJ 2006, 202). In navolging van zijn eerdere uitspraak van 2 april 1993 (NJ 1993, 573) heeft de Hoge Raad daarin immers overwogen – voor zover hier relevant – dat een eisende partij die niet reeds bij dagvaarding heeft gesteld (mede) op te treden als gevolmachtigde van een met name genoemde volmachtgever, niet hangende de procedure die hoedanigheid alsnog kan aannemen. Zonder (vooralsnog) aan haar voorlopige uitgangspunt, zoals hiervoor verwoord, consequenties te verbinden, heeft de rechtbank in haar voornoemde tussenvonnis [A] c.s. in de gelegenheid gesteld bij akte hierop te reageren.

2.2. [A] c.s. hebben in het verlengde van het vorenstaande een akte na tussenvonnis genomen. Zij stellen zich daarin op het standpunt dat het voorlopige uitgangspunt van de rechtbank niet juist is. Allereerst voeren zij daartoe aan dat de door Hollandse Steen Vastgoed aangehaalde jurisprudentie niet van toepassing is in dit geding, omdat het in de onderhavige zaak – anders dan in de aangehaalde jurisprudentie – niet om hoger beroep gaat, maar om een procedure in eerste aanleg. De rechtbank wijst dit standpunt van [A] c.s. van de hand. Uit het eerdergenoemde arrest van de Hoge Raad van 2 april 1993 blijkt immers dat het oordeel dat een eisende partij niet hangende de procedure (mede) een andere hoedanigheid kan aannemen dan bij dagvaarding gesteld, geldt voor alle (bij dagvaarding) aanhangig gemaakte zaken, ongeacht de stand waarin zij zich bevinden.

2.3. In hun akte na tussenvonnis hebben [A] c.s. voorts aangevoerd dat Hollandse Steen Vastgoed geen belang heeft bij het niet accepteren van een wijziging van de hoedanigheid van eisers tijdens de procedure. De rechtbank overweegt hieromtrent dat, zelfs indien deze door Hollandse Steen Vastgoed betwiste stelling voor juist moet worden gehouden, dit geen afbreuk doet aan de bovenstaande rechtsregel. Zoals uit het voornoemde arrest van de Hoge Raad van 2 april 1993 ook blijkt, is het voor een eisende partij immers, ongeacht het standpunt van de gedaagde partij daaromtrent, hoe dan ook niet mogelijk om hangende de procedure haar bij dagvaarding gestelde hoedanigheid te wijzigen. Dat [A] c.s. – zoals zij verder in hun akte nog aanvoeren – proceseconomisch nadeel zullen lijden door in de onderhavige procedure niet ontvangen te worden in hun vordering namens de VVE, waardoor zij, in dat geval als gevolmachtigden van de VVE, Hollandse Steen Vastgoed opnieuw zullen moeten dagvaarden, doet daaraan niet af.

2.4. De rechtbank kan [A] c.s. verder evenmin volgen in hun stelling dat de rechtbank (eerder) in deze procedure van oordeel is (geweest) dat [A] c.s. in hun vordering namens de VVE ontvangen kunnen worden. Dit standpunt vindt immers geen steun in het proces-verbaal van de comparitie van 8 mei 2006, op welke zitting een en ander volgens [A] c.s. op die manier door de rechtbank zou zijn verwoord, en ook niet in de overige processtukken. Deze stelling van [A] c.s., waaraan zij de conclusie verbinden dat de rechtbank thans gebonden is aan dat (eerdere) oordeel en dat zij daarom niet meer kan oordelen dat [A] c.s. niet-ontvankelijk zijn in hun vordering namens de VVE, schuift de rechtbank dan ook terzijde.

2.5. Gelet op het voorgaande maakt de rechtbank haar voorlopige uitgangspunt dat [A] c.s. die niet reeds bij dagvaarding hebben gesteld (mede) op te treden namens de VVE, niet hangende de procedure die hoedanigheid alsnog kunnen aannemen, tot haar definitieve oordeel. Zij zal [A] c.s. derhalve niet-ontvankelijk verklaren in hun vordering voor zover die betrekking heeft op aangelegenheden die de VVE aangaan.

2.6. In voornoemd tussenvonnis heeft de rechtbank [A] c.s. voorts in de gelegenheid gesteld om, indien zij van mening mochten zijn dat een of meer onderdelen van de vordering wel door hen voor zichzelf konden worden ingesteld, deze mening in de door hen te nemen akte na het tussenvonnis naar voren te brengen en te onderbouwen. De rechtbank stelt vast dat [A] c.s. in hun akte niets hierover hebben opgenomen, anders dan de blote stelling dat de door hen ingestelde vorderingen ook door leden van de VVE voor zichzelf aanhangig gemaakt kunnen worden, waaraan zij vervolgens de conclusie verbinden dat de voorliggende vordering daarom voor wat betreft hun eigen schade – (vooralsnog) door hen, overigens zonder nadere toelichting, vastgesteld op de helft van de oorspronkelijke vordering – toewijsbaar is. Nu [A] c.s. dit standpunt op geen enkele wijze nader hebben onderbouwd, is niet duidelijk waarop zij een en ander baseren. Bovendien is bij gebrek aan onderbouwing onduidelijk hoe zij hun bovenstaande stelling en de daaraan verbonden conclusie zien in het licht van het (aanvankelijk) niet betwiste standpunt van Hollandse Steen Vastgoed dat de thans voorliggende vordering betrekking heeft op schade die feitelijk door de VVE is geleden en/of op maatregelen die feitelijk onder de bestuurs- en beheerstaak van de VVE vallen. Gezien het voorgaande zal de rechtbank het standpunt van [A] c.s. dat zij de aanhangig gemaakte vordering voor zichzelf hebben kunnen instellen en dat deze daarom, voor zover het hun eigen schade betreft, toewijsbaar is, als onvoldoende onderbouwd passeren.

2.7. Nu [A] c.s. niet ontvangen kunnen worden in hun vordering, zullen zij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van Hollandse Steen Vastgoed worden begroot op:

- vast recht EUR 3.080,00

- salaris procureur 1.356,00 (3,0 punten × tarief EUR 452,00)

Totaal EUR 4.436,00

2.8. De rechter, ten overstaan van wie de comparitie van partij is gehouden en door wie het voornoemde tussenvonnis is gewezen, heeft dit vonnis niet kunnen wijzen om organisatorische redenen.

3. De beslissing

De rechtbank

3.1. verklaart [A] c.s. niet-ontvankelijk in hun vordering,

3.2. veroordeelt [A] c.s. in de proceskosten, aan de zijde van Hollandse Steen Vastgoed tot op heden begroot op EUR 4.436,00,

3.3. verklaart dit vonnis wat betreft de kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. L.R. Wisse en in het openbaar uitgesproken op 6 februari 2008.?