Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2008:BC5970

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
27-02-2008
Datum publicatie
06-03-2008
Zaaknummer
349762
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:GHAMS:2010:BQ5804
Hoger beroep: ECLI:NL:GHAMS:2011:BQ5806, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Beroepsaansprakelijkheid advocaat, causaliteit

Bij eerder tussenvonnis was reeds geoordeeld dat gedaagde als advocaat een beroepsfout heeft begaan. De rechtbank ziet in het gestelde onvoldoende aanleiding terug te komen van eerder genomen eindbeslissingen.

Thans is nog aan de orde de vraag naar de waarschijnlijkheid dat het LISV bereid zou zijn geweest tot een schikking indien de beroepstermijn niet was overschreden alsmede de vraag naar de hoogte van de buitengerechtelijke kosten.

De rechtbank komt uiteindelijk tot het oordeel dat onvoldoende is komen vast te staan dat eiser schade heeft geleden ten gevolge van de verloren kans op een schikking. Nu niet is komen vast te staan dat eiser ten gevolge van de beroepsfout schade heeft geleden, wordt het gevorderde afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK AMSTERDAM

Sector civiel recht

zaaknummer / rolnummer: 349762 / HA ZA 06-2818

Vonnis van 27 februari 2008

in de zaak van

[A],

wonende te [-],

eiser,

procureur mr. J.F.M.J. Mathijsen,

tegen

1. [B],

wonende te [-],

2. de maatschap

[C] & PARTNERS ADVOCATEN,

gevestigd te Amsterdam,

gedaagden,

procureur mr. J.W. van Rijswijk.

Eiser zal hierna [A] worden genoemd en gedaagden gezamenlijk [B] c.s. en afzonderlijk [B] en [C].

1. De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het tussenvonnis van 13 juni 2007

- de akte van [A]

- de antwoordakte van [B] c.s.

- de akte houdende uitlating producties van [A]

- de akte uitlating producties van [B] c.s..

1.2. Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De verdere beoordeling

2.1. Bij het tussenvonnis van 13 juni 2007 (hierna: het tussenvonnis) is [A] in de gelegenheid gesteld zich uit te laten over de vraag hoe zijn verloren kans op een schikking met het LISV ten gevolge van de in het tussenvonnis vastgestelde beroepsfout van [B] moet worden gewaardeerd, alsmede over de hoogte van zijn buitengerechtelijke kosten.

2.2. [A] heeft zich hieromtrent uitgelaten bij akte. Bij dezelfde akte heeft [A] aangevoerd dat de rechtbank terug zou moeten komen van evident onjuiste eindoordelen in het tussenvonnis. Hij voert het volgende aan:

a. Uit de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 16 februari 2006 kan afgeleid worden dat het proces-verbaal en observatierapport tijdens de bezwaarfase, dus uiterlijk tijdens de beroepsfase ingebracht hadden dienen te worden. Derhalve is evident onjuist het oordeel van de rechtbank dat niet gebleken is dat de inhoud van het aanvullend beroepschrift van [B] niet voldeed aan hetgeen van een redelijk handelend en redelijk bekwaam advocaat mag worden verwacht;

b. Er is een onoverbrugbare discrepantie tussen het oordeel van de rechtbank dat het LISV de loonadministratie terecht heeft verworpen en het uit de schikking met de Belastingdienst blijkende feit dat deze de loonadministratie niet heeft verworpen.

2.3. Met [B] c.s. is de rechtbank van oordeel dat in hetgeen [A] aanvoert geen nieuwe gegevens gevonden kunnen worden die het onaanvaardbaar zouden maken dat de gegeven eindbeslissingen in stand worden gelaten. Zoals [B] c.s. terecht aanvoeren, wordt dezelfde argumentatie gevoerd als eerder in de processtukken naar voren gebracht en die door de rechtbank in het tussenvonnis gemotiveerd is verworpen.

2.4. Ter toelichting moge nog het volgende dienen. Ten aanzien van de gestelde misslag onder a. overweegt de rechtbank dat op de volgende gronden geen sprake is van een kennelijke misslag.

De rechtbank heeft geoordeeld dat in het aanvullend beroepschrift is ingegaan op de inhoud van het proces-verbaal en observatierapport en dat op dat moment niet nodig was dat de gehele inhoud daarvan werd bijgevoegd. Indien het beroepschrift tijdig zou zijn ontvangen, was er de mogelijkheid geweest deze in een later moment van de procedure nog in te dienen. Dat dit niet gebeurd is, omdat het beroepschrift niet tijdig is ontvangen, heeft niet tot gevolg dat geoordeeld zou moeten worden dat een redelijk handelend en redelijk bekwaam advocaat de producties dus eerder (bij het aanvullende beroepschrift) in het geding gebracht zou hebben.

Overigens heeft dit oordeel geen invloed gehad op de uiteindelijk gegeven eindbeslissing van de rechtbank dat de kans op een succesvolle uitkomst van de beroepsprocedure zeer gering was geweest, indien het beroepschrift wel tijdig was ingediend. De rechtbank heeft dit oordeel immers gebaseerd op het theoretische geval dat het beroepschrift tijdig was ingediend én het proces-verbaal en het observatierapport in de procedure betrokken waren.

2.5. Eveneens ter toelichting overweegt de rechtbank met betrekking tot de onder b. gestelde misslag het volgende. De stelling van [A], dat uit de schikking met de Belastingdienst zonder meer zou kunnen worden afgeleid dat de loonadministratie door het LISV ten onrechte is verworpen, kan niet worden gevolgd. Dit standpunt gaat er ten onrechte aan voorbij dat het LISV een eigen afweging maakt ten aanzien van het al dan niet verwerpen van de loonadministratie. Voorts had alleen al op grond van de eigen stellingen van [A], dat er hooguit onjuist is geadministreerd ten aanzien van de werknemer [D] en de fooien, gekomen kunnen worden tot verwerping van de loonadministratie.

2.6. De rechtbank houdt gelet op het vorenoverwogene onverkort vast aan wat is overwogen in het tussenvonnis. Ter beoordeling liggen nog voor de vragen naar de waarschijnlijkheid dat het LISV bereid zou zijn geweest tot een schikking indien de beroepstermijn niet was overschreden en die naar de hoogte van de buitengerechtelijke kosten. De rechtbank overweegt hieromtrent als volgt.

Waardering verloren kans op schikking

2.7. [A] voert in zijn aktes aan dat de verloren kans op een voor hem succesvolle uitkomst van schikkingsonderhandelingen gewaardeerd moet worden op 100%, in die zin dat in die onderhandelingen in ieder geval eenzelfde resultaat zou zijn bereikt als vastgelegd in de vaststellingsovereenkomst met de Belastingdienst. Hij voert hiertoe aan dat de in deze procedure overgelegde bewijsmiddelen voldoende aantonen dat van de door hem gevoerde loonadministratie uitgegaan kan worden, hooguit met aanpassing ten aanzien van de werknemer [D] en fooien. Hij wijst er nogmaals op dat de Belastingdienst hiervan uiteindelijk ook overtuigd is geraakt en op die grond tot de schikking met hem is gekomen. Ten aanzien van de door [B] c.s. overgelegde correspondentie tussen [B] en het GAK voert hij aan dat daaraan geen waarde kan worden toegekend, gelet op de context en de afdeling waarmee werd gecorrespondeerd.

2.8. [B] c.s. voeren aan dat de kans op een schikking met (destijds) het GAK op nihil moet worden gesteld. Op grond van een brief van het GAK van 30 maart 2000 blijkt dat geen schikkingen worden getroffen waar sprake is van frauduleus handelen. Op basis van diverse dossierstukken blijkt dat hier sprake was van frauduleus handelen. Ten tweede blijkt uit de brief van het GAK van 17 april 2000 dat slechts tot een schikking wordt overgegaan indien in ieder geval is voldaan aan bepaalde voorwaarden ten aanzien van crediteuren. Tot slot voeren [B] c.s. aan dat het uitgangspunt van [A], dat min of meer uitgegaan zou kunnen worden van de juistheid van de gevoerde loonadministratie om meerdere redenen onjuist is. Aan dit alles doet niet af, aldus nog steeds [B] c.s., dat de Belastingdienst op pragmatische gronden wel tot een schikking is overgegaan.

2.9. De rechtbank is van oordeel dat onvoldoende is komen vast te staan dat [A] schade heeft geleden ten gevolge van de verloren kans op een schikking. Daartoe is van belang dat uit de door [B] c.s. overgelegde correspondentie met het GAK blijkt dat tot een schikking geen bereidheid bestond, ook niet toen de bestuursrechtelijke procedure nog liep. [A] heeft bij zijn uitlating over deze producties onbetwist gelaten dat aan de voorwaarden ten aanzien van crediteuren niet was voldaan, zodat alleen al op die grond aangenomen kan worden dat het GAK niet tot een schikking bereid was geweest.

2.10. Voorts is de rechtbank van oordeel dat [A] in ieder geval onvoldoende heeft aangevoerd om aannemelijk te maken dat het GAK van haar goed onderbouwde looncontrolerapport zou zijn teruggekomen. [A] voert in dit verband niet meer aan dan dat de Belastingdienst hiertoe is overgegaan op basis van de gegevens uit het volledige observatierapport. Zelfs indien zou komen vast te staan dat de Belastingdienst wel op inhoudelijke gronden tot een schikking is gekomen, wat gelet op de thans aanwezige stukken al niet waarschijnlijk lijkt, is deze enkele omstandigheid onvoldoende om op grond daarvan aan te nemen dat het GAK/het LISV dus ook tot een schikking bereid zou zijn geweest. De rechtbank verwijst in dit kader ook naar wat is overwogen onder 2.5.

2.11. Op grond van het vorenoverwogene wordt geconcludeerd dat niet geoordeeld kan worden dat [A] ten gevolge van de beroepsfouten van [B] schade heeft geleden, bestaande uit een verloren kans op een voor hem gunstige schikking met het LISV. Voor zover de vordering van [A] zag op deze schadepost, ligt deze dan ook voor afwijzing gereed.

2.12. Op grond van hetgeen in het tussenvonnis en in dit vonnis is overwogen moet worden geoordeeld dat [B] beroepsfouten heeft gemaakt door te laat beroep in te stellen tegen de beslissing van het LISV en met de tardieve toezending van het proces-verbaal met het observatierapport aan [A] en zijn belastingadviseur. Omdat onvoldoende is komen vast te staan dat uit deze beroepsfouten schade voor [A] is voortgevloeid, zullen zijn op deze beroepsfouten gebaseerde vorderingen tot vergoeding van schade (waaronder begrepen buitengerechtelijke kosten) worden afgewezen.

2.13. [A] zal als de grotendeels in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de kosten van het geding aan de zijde van [B] c.s. Deze kosten worden begroot op:

- vastrecht € 2.540,--

- salaris procureur (3 punten tarief V € 1.421,--) € 4.263,--

Totaal € 6.803,--

3. De beslissing

De rechtbank

3.1. wijst de vorderingen af,

3.2. veroordeelt [A] in de proceskosten aan de zijde van [B] c.s., tot heden begroot op € 6.803,--,

3.3. verklaart deze proceskosten veroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. N.C.H. Blankevoort, mr. J.J. Bade en mr. C.H. Rombouts en in het openbaar uitgesproken op 27 februari 2008.?