Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2008:BC4148

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
12-02-2008
Datum publicatie
12-02-2008
Zaaknummer
13/523033-07 (zaak A); 13/462775-07 (zaak B); 13/467511-05 (tul)
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:GHAMS:2010:BN6408, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

uitspraak inzake beeldenroof uit onder andere het Singer Museum.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Parketnummers: 13/523033-07 (zaak A); 13/462775-07 (zaak B); 13/467511-05 (tul)

Datum uitspraak: 12 februari 2008

op tegenspraak

VERKORT VONNIS

van de rechtbank Amsterdam, meervoudige strafkamer, in de strafzaak tegen

[verdachte],

geboren te Muiden op [geboortedatum] 1971,

ingeschreven in de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens op het adres [adres] Muiden, gedetineerd in het Huis van Bewaring “Almere Binnen” te Almere.

De rechtbank heeft de zaken, die bij afzonderlijke dagvaardingen onder de bovenvermelde parketnummers zijn aangebracht, gevoegd. Deze zaken worden hierna genoemd respectievelijk zaak A en zaak B.

De rechtbank heeft beraadslaagd naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen van 28 en 29 januari 2008.

1. Telastelegging

Aan verdachte is telastegelegd hetgeen staat omschreven in de dagvaarding zoals deze ter terechtzitting is gewijzigd. Van de dagvaarding en de vordering wijziging telastelegging zijn kopieën als bijlagen 1 en 2 aan dit vonnis gehecht. De gewijzigde telastelegging geldt als hier ingevoegd.

2. Voorvragen

3. Waardering van het bewijs

3.1 Bewijsoverweging

Aan verdachte is een groot aantal feiten telastegelegd. De bewijsmiddelen voor deze feiten zijn verzameld in een omvangrijk dossier. De rechtbank acht het, gelet op de ontkenning van enige betrokkenheid door verdachte en het feit dat het verrichte onderzoek niet zonder meer in alle gevallen duidelijkheid schept omtrent deze betrokkenheid, noodzakelijk in een bewijsoverweging uiteen te zetten waarom zij in de aldaar genoemde gevallen tot een bewezenverklaring komt.

Zaak A

3.1.1 Verdachte is als zodanig aangemerkt naar aanleiding van het onderzoek dat is opgestart na de diefstal van bronzen beelden uit het Singer Museum te Laren in de nacht van 16 op 17 januari 2007. De rechtbank stelt de volgende feiten en omstandigheden vast die overigens als zodanig niet door verdachte zijn bestreden:

- in de periode van 16 januari 2007 tot en met 17 januari 2007 zijn uit de beeldentuin van het Singer museum te Laren 7 bronzen beelden weggenomen, waaronder het beeld ‘De Denker’ van Rodin;

- bij onderzoek in de directe omgeving van de beeldentuin en het daar omheen gelegen hekwerk is onder meer een aantal papiersnippers aangetroffen, welke papiersnippers tezamen een uitdraai van een route bleken te zijn [adres] adres [adres] naar een beeldentuin in Bosschenhoofd;

- onderzoek naar voornoemd adres heeft twee namen opgeleverd, te weten [medeverdachte 1] (hierna te noemen: [medeverdachte 1]) en [persoon 1];

- uit onderzoek naar diefstallen van bronzen beelden/kunstwerken in Nederland bleek dat in één geval een blauwe Peugeot-bus met kenteken [nummer] is gesignaleerd in de nabije omgeving van de gepleegde diefstal;

- het kenteken [nummer] bleek ingevolge een uittreksel van het kentekenregister op naam te staan van [medeverdachte 1], [adres];

- na de aanhouding van [medeverdachte 1] en [persoon 1] bleek dat [medeverdachte 1] informatie kon verschaffen omtrent de bronzen beelden die waren weggenomen in het Singer museum; [persoon 1] is kort daarna niet meer als verdachte aangemerkt;

- voorts zijn tijdens een doorzoeking in de woning van [medeverdachte 1] op 17 januari 2007 inbeslaggenomen onder meer de computer van [medeverdachte 1] en de genoemde Peugeot;

- tijdens een doorzoeking op 19 januari 2007 rondom de woning van [medeverdachte 1] zijn op aanwijzing van [medeverdachte 1] in diens tuin het beeld “De Denker” van Rodin, alsmede een gezicht van een tijdens die diefstal weggenomen bronzen beeld en – naar later bleek – een gezicht van een bij een andere diefstal weggenomen beeld teruggevonden;

- uit onderzoek naar de computer van [medeverdachte 1] is gebleken dat op deze computer een groot aantal routebeschrijvingen en informatie zijn opgezocht betreffende plaatsen waar onder meer bronzen beelden werden tentoongesteld;

- op 16 januari 2007 zijn bij verhuurbedrijf Gereedschap Verhuur Bussum rond 15.00 uur door [medeverdachte 1] een aggregaat en een slijptol gehuurd, welke gereedschappen op 17 januari 2007 in de middag zijn teruggebracht;

- de eigenaar van het verhuurbedrijf heeft verklaard dat [medeverdachte 1] ook op 21 en 22 december 2006, 5 en 6 januari 2007 en van 9 tot en met 15 januari 2007 slijptollen heeft gehuurd;

- de mede-eigenaar heeft verklaard dat [medeverdachte 1] op 17 januari 2007 samen was met een andere man, welke man [medeverdachte 1] ook de voorgaande keren vergezelde als hij slijptollen huurde. Deze onbekende man had tijdens het terugbrengen van het aggregaat op 17 januari 2007 een koperkleurige vlek op zijn trui ter hoogte van zijn borst;

Tussenconclusie van de rechtbank:

De rechtbank concludeert op grond van voornoemde feiten en omstandigheden dat [medeverdachte 1] betrokken is geweest bij voornoemde diefstal.

3.1.2 Bij de beoordeling van de aard en omvang van die betrokkenheid heeft de rechtbank het volgende redengevend geacht.

Verklaringen [medeverdachte 1]

[medeverdachte 1] heeft met betrekking tot het bovenstaande een aantal verklaringen afgelegd. De rechtbank heeft haar conclusie gebaseerd op de navolgende - zakelijk weergegeven - delen van deze verklaringen:

Twee verklaringen, afgelegd op 18 januari 2007:

Ik weet niets van diefstal van bronzen beelden bij onder andere musea. U vraagt mij waarom ik op 17 januari 2007 een aggregaat en een slijptol nodig had. Ik heb een palenstamper gemaakt en daarvoor had ik de slijper nodig. U zegt mij dat de politie te Elburg een soortgelijke zaak tegen mij heeft. Ik ben daar nooit geweest. Ik heb niets met diefstal te maken en weet ook niet waar de beelden zijn.

Verklaring, afgelegd op 19 januari 2007:

Ik kan u vertellen dat het beeld wat “Rodin” wordt genoemd begraven ligt op het terrein bij mijn woning. Het beeld ligt begraven bij een stel tegels naast de garage die bij de woning van mijn broer staat. Ik kan u vertellen dat ik niet weet waar die andere beelden zijn. Deze zijn wel in stukken gesneden. Ik heb plattegronden uitgeprint voor anderen. Ik heb voor deze mensen ook die slijptol gehuurd. Ik kan u vertellen dat ik niet zelf die slijptol heb bediend. Ik heb wel even wat tegen gehouden, dit is ook de reden geweest dat er slijpsel op mijn shirt zat. Ik weet niet precies hoe laat het was, maar ze hebben de beelden in de ochtend gebracht en in de struiken gegooid. Ze hebben mij toen opgehaald voor de sleutel van de garage. Ik heb met hen de beelden in de garage gezet. De stoppen gingen door en ik ben toen met een maat een aggregaat gaan huren. Ik heb de aggregaat thuis gebracht. De persoon die achtergebleven is, was er nog en die is gaan slijpen en ik heb dingen vastgehouden. De man die eerder wegging is teruggekomen tijdens het slijpen. Ik zag toen op tv over de beelden en zei toen dat het begraven moest worden. Die twee mannen hebben de beelden die waren stukgeslepen meegenomen.

Verklaring d.d. 26 januari 2007:

Ik heb zelf geen verstand van kunst. De naam Rodin had ik ook nog nooit gehoord. Dinsdag ochtend waren [voornaam 1] en [voornaam 2] bij mij thuis. Ik zou zijn volkswagen LT voor dinsdag en donderdag lenen. Deze had ik al vaker geleend. [voornaam 1] nam mijn auto dan mee en dan stond hij er in de ochtend altijd weer. [voornaam 2] heeft wel eens gevraagd of hij mijn pc mocht gebruiken om dingen op te zoeken. Hij heeft ook wel eens de printer gebruikt. Ze vroegen me of ik niet mijn schuur wilde verhuren voor een dag. Ze vertelden mij dat het was om dingen te slijpen en ze zouden mij er goed voor betalen. Op woensdag ochtend waren ze bij mij aan de deur. Ik geloof dat dat om 5.30 uur in de ochtend was. [voornaam 1] vroeg aan me of hij de schuur mocht gebruiken. Ik heb [voornaam 1] de sleutel gegeven. Ik ben denk ik rond 7.00 uur gaan kijken. Ik zag dat een aantal beelden stuk was geslepen. Ze waren de stukken aan het inladen. Ze vroegen of dat ene beeld kon blijven. Ik had de slijptol niet voor hen gehuurd. Ik zou die dag met [voornaam 3] een palenrammer maken. Toen ze weg waren ben ik weer naar huis gelopen. [voornaam 3] sliep in de huiskamer. Ik moest mijn vrouwtje naar de bus brengen. Ik heb haar naar Almere gebracht en en naar huis gereden en heb [voornaam 3] wakker gemaakt. We zijn samen naar Bussum gereden om een aggregaat te huren voor de palenrammer. We zijn gaan slijpen voor de palenrammer en hebben de slijper en aggregaat teruggebracht. Ik weet zeker dat [voornaam 1] en [voornaam 2] hier mee te maken hebben. [voornaam 1] ken ik nog uit de tijd van het wapen van Bussum. Ben hem later eens tegen gekomen bij de Gamma in Bussum. We hebben toen nummers uitgewisseld. Ik herinner mij Vizjer of Visser als naam. Die maat van [voornaam 1], [voornaam 2], is bijna net zo groot als ik. [voornaam 1] is iets kleiner. Ik ben nooit ’s nachts van huis geweest, ik ben altijd bij mijn vrouwtje [naam vrouw] geweest. Ik heb nooit eerder mijn schuur voor zoiets laten misbruiken. Ik heb vernomen dat jullie 18 slijpschijven hebben gevonden in mijn garage. Het grotendeel hiervan was van [voornaam 1], die had hij meegenomen.

Ter terechtzitting d.d. 28 januari en 29 januari 2008 heeft [medeverdachte 1] verklaard, zakelijk weergegeven:

[medev[voornaam 4]hte 2] heeft de route-uitdraai gemaakt die bij het Singer Museum is aangetroffen. Ik heb mijn auto vaak uitgeleend aan [medeverdachte 2]. Hij is een vriend van [voornaam 1]. Ik heb die avond mijn auto uitgeleend aan [voornaam 1]. Vanaf januari heeft [medeverdachte 2] uitdraaien gemaakt. U vraagt mij naar 16 en 17 januari 2007. Het klopt dat ik samen met een maat een aggregaat heb gehuurd. We zouden een camper slopen maar dit is door de commotie niet gebeurd. Ik ben wel eens ’s avonds weggeweest, even wat drinken met de jongens. Die bewuste avond ben ik gewoon thuis geweest. Ik ben met [voornaam 3] dronken geworden. De trui hing in de schuur. [voornaam 1] heeft deze aangehad. Het kan zijn dat ik die trui aan had toen ik de beelden vast had. Wat ik eerder heb gehuurd bij Gereedschap verhuur Bussum heb ik voor [medeverdachte 2] gehuurd. De gebruikte slijpschijven in de schuur waren van mijn vader, die bewaarde ze altijd. Ze waren niet van [voornaam 1], die nam ze altijd mee.

De peilingen met betrekking tot de telefoon kloppen niet. Het was niet mijn telefoon. Mijn telefoonnummer eindigt op [nummer]. De telefoon van [medeverdachte 2] is bij mij in beslag genomen. Deze eindigt op [nummer] of zo. Het is de telefoon van [medeverdachte 2]. De telefoon met dit nummer heb ik na 16 januari 2007 gekregen van [medev[medeverdachte 2]hte 2].

Tussenbeoordeling van de rechtbank

Voormelde delen van de door [medeverdachte 1] afgelegde verklaringen zijn naar het oordeel van de rechtbank op essentiële punten afwijkend van de vorige; immers, in de verklaringen die [medeverdachte 1] in januari 2007 heeft afgelegd, stelt [medeverdachte 1] in eerste instantie niets te weten van de diefstal van de bronzen beelden en later geeft hij toe betrokken te zijn geweest, maar dit op verzoek van [voornaam 1] en [voornaam 2] te hebben gedaan. Hoewel deze [voornaam 1] en [voornaam 2] volgens [medeverdachte 1] veelvuldig bij hem thuis op de computer uitdraaien hebben gemaakt en zijn auto hebben geleend, kan verdacht geen achternamen, noch andere identificerende kenmerken van deze personen geven. Het is naar het oordeel van de rechtbank voorts niet aannemelijk dat, indien [voornaam 1] en [voornaam 2] daadwerkelijk verantwoordelijk zouden zijn geweest voor de diefstallen, zij de route-beschrijvingen zouden laten starten bij het adres van [medeverdachte 1]. Ter terechtzitting echter verklaart [medeverdachte 1] dat [medeverdachte 2] het brein achter alle diefstallen is geweest en dat dit een goede vriend van [voornaam 1] zou zijn. [medeverdachte 2] heeft bij de rechter-commissaris verklaard geen andere [voornaam 1] te kennen dan de vader van zijn vriendin, [naam vader].

De rechtbank is nagegaan of de verklaringen van [medeverdachte 1] op enigerlei wijze worden ondersteund door feitelijkheden in het dossier; dit is - behoudens enkele gevallen waardoor nu juist betrokkenheid bij de diefstal kan worden afgeleid - niet het geval geweest.

3.1.3 Uit de aangifte blijkt voorts dat de beelden 80 tot 200 kilo wogen. Uit dit gegeven, in samenhang bezien met de door de Technische Recherche in hun rapport vastgestelde wijze waarop de diefstal heeft plaatsgevonden, leidt de rechtbank af dat deze diefstal in ieder geval niet alleen, dan wel niet zonder hulpmiddelen kon worden gepleegd. De rechtbank is van oordeel dat sprake is geweest van medeplegen op grond van het volgende:

Uit de verklaring van [medeverdachte 1] d.d. 26 januari 2007 blijkt dat in de nacht van 16 op 17 januari 2007 diens vriend [verdachte] (hierna te noemen: verdachte) bij hem is blijven overnachten en ook de volgende dag een groot deel van de dag bij [medeverdachte 1] heeft doorgebracht. Door de vriendin van [medeverdachte 1], [naam vriendin], wordt verklaard dat in voornoemde nacht een vriend van [medeverdachte 1] is blijven overnachten. Deze verklaringen wijzen naar het oordeel van de rechtbank in de richting van verdachte als medepleger van voornoemde diefstal. Verdachte ontkent echter alle betrokkenheid en stelt in de nacht van 16 op 17 januari 2007 bij iemand anders, te weten [naam], de nacht te hebben doorgebracht, deze heeft diens verklaring niet bevestigd.

In het dossier bevinden zich zendmastgegevens, waaruit blijkt dat de mobiele telefoons van verdacht en [medeverdachte 1] gelijktijdig de zendmast Laren A1 hebben aangestraald op de avond van 16 januari 2007. Op basis daarvan is het eveneens aannemelijk dat verdachte en [medeverdachte 1] de avond samen hebben doorgebracht.

3.1.4 De rechtbank heeft, het bovenstaande in aanmerking genomen, tevens de navolgende verklaringen, tapgesprekken en zendmastgegevens in haar overweging betrokken teneinde te kunnen beoordelen of kan worden vastgesteld dat verdachte degene is die de diefstal heeft gepleegd tezamen en in vereniging met [medeverdachte 1]

Verklaringen [medeverdachte 2]

In het dossier heeft de rechtbank meerdere verklaringen aangetroffen, afgelegd door [medeverdachte 2] (hierna te noemen: [medeverdachte 2]), die zien op de betrokkenheid van verdachte en [medeverdachte 1] bij een aantal feiten op de telastelegging. Gelet op het feit dat het hier een medeverdachte betreft bij een aantal feiten, acht de rechtbank het - mede gelet op hetgeen namens verdachte ter terechtzitting is aangevoerd - de betrouwbaarheid en de geloofwaardigheid van deze verklaringen te toetsen.

Daartoe stelt de rechtbank vast dat [medeverdachte 2] zich uit eigen beweging heeft gemeld bij het politiebureau op 27 januari 2007 met de mededeling dat hij openheid van zaken wilde geven over een aantal criminelen en door hen gepleegde diefstallen waarbij hij ook zelf betrokken zou zijn. In deze verklaringen heeft [medeverdachte 2] belastend verklaard over verdachte (en in mindere mate over [medeverdachte 1]) en zichzelf belast. Hoewel de rechtbank van oordeel is dat de verklaringen van [medeverdachte 2] op onderdelen niet geheel waarheidsgetrouw lijken te zijn en hij zijn eigen bijdrage aan de feiten in eerste instantie probeert te minimaliseren, worden de verklaringen op een groot aantal essentiële punten bevestigd door onderzoeksresultaten en/of verklaringen van getuigen. Tevens vertonen de verklaringen van [medeverdachte 2] een grote mate van consistentie en samenhang op voor de telastegelegde feiten relevante punten.

[medeverdachte 2] is voorts subject geweest van een gedragskundig onderzoek, van welk onderzoek de resultaten zijn vastgelegd in de Pro Justitia rapportage d.d. 3 april 2007, opgemaakt door drs. [naam psychiater], forensisch psychiater. Hieruit komt onder meer naar voren dat [medeverdachte 2] een manipulatieve persoon is en hij ten tijde van het plegen van de door hem genoemde delicten lijdend was aan een persoonlijkheidsstoornis; echter, de rechtbank heeft geen aanwijzingen dat deze persoonlijkheidsstoornis van invloed is geweest op de betrouwbaarheid van de door hem afgelegde verklaringen.

Tussenbeoordeling van de rechtbank

Het voorgaande leidt ertoe dat de rechtbank de feiten en omstandigheden als genoemd in de verklaringen van [medeverdachte 2] kan en zal gebruiken voor het bewijs voor zover deze worden ondersteund door andere bewijsmiddelen.

3.1.5 Het voorgaande ziet op de volgende verklaringen:

Verklaring [medeverdachte 2] d.d. 27 januari 2007 te 20.37 uur:

aan het eind van de ochtend na de diefstal bij het Singer hoorde ik via de radio dat er een grote diefstal van bronzen beelden was geweest bij het Singer te Laren. Om ongeveer 14.30 uur heb ik [voornaam 3] gebeld omdat ik graag wilde weten wat er die nacht was gebeurd. [voornaam 3] en ik spraken af bij de coffeeshop in Bussum aan de [adres] om 15.00 uur. Ik ben daar heen gereden met de Fiat Panda. Toen ik daar stond kwam op een gegeven moment de bestelbus van[naam]am] de [adres] inrijden. De bestelbus van [naam] is een blauwe Peugeot. Ik zag dat [naam] achter het stuur zat en dat [voornaam 3] naast hem zat.

De rechtbank is van oordeel dat dit deel van de verklaring steun vindt in de processen-verbaal van observatie met betrekking tot de subjecten [verdachte] en [medeverdachte 1].

- pv observatie 17012007.01Bono: te 14.44 uur zag ik dat het subject [medeverdachte 1] en NN1 uit perceel de [adres] te Bussum kwamen. Ik zag dat ze in de blauwe Peugeot stapten en dat deze vertrok. Te 14.50 uur zag ik dat de blauwe Peugeot in de [adres] te Bussum stopte. Ik zag dat de deur aan de passagierszijde van de Peugeot open ging en dat NN1 uitstapte. Ik zat dat de blauwe Peugeot verder reed. Te 14.52 uur zag ik dat NN1 stond te praten met de bestuurder van een personenauto, Fiat Panda, voorzien van kenteken [nummer].

- pv observatie 31012007.01.Bono: subject [verdachte] – op 17 januari 2007 te 14.50 uur zag ik dat een NN man in de [adres] te Bussum uit een blauwe bestelbus merk Peugeot stapte en richting een personenauto, merk Fiat Panda liep. Deze bevindingen zijn bij apart proces-verbaal, nummer 17012007.01Bono, gerelateerd. Op 31 januari 2007 zag ik een door het tactisch team verstrekte foto van bovengenoemd object. Ik herkende subject als zijnde de NN man die op 17 januari 2007 te 14.50 uur in de [adres] te Bussum uit voornoemde Peugeot stapte.

[voornaam 3] en ik zijn de coffeeshop ingegaan. [voornaam 3] begon te praten over de Singer zaak. Ik zag dat het t-shirt dat [voornaam 3] droeg aan de voorkant helemaal onder het slijpsel zat. Hij vertelde mij dat hij en [naam] hartstikke druk waren geweest met het stukslijpen van beelden. Ik vroeg hoe het gegaan was.

[voornaam 3] zei mij dat hij en [naam] met de auto het hek eruit hadden getrokken. Dat was het hek aan de achterzijde van het Singer. [voornaam 3] vertelde dat ze met grof geweld beelden hadden omgeduwd waardoor ze van de sokkel afbraken. Een beeld hadden ze nog wel omgegooid maar die konden ze niet van de sokkel afkrijgen. Dat beeld hadden ze achtergelaten. [voornaam 3] vertelde dat ze een kruiwagen hadden gebruikt.”

Tussenconclusie:

De rechtbank is van oordeel dat dit deel van deze verklaring steun vindt in het onderzoeksverslag van de Technische Recherche, zoals opgemaakt na de diefstal uit het Singer Museum. De rechtbank gaat ervan uit dat [medeverdachte 2] de informatie met betrekking tot hetgeen zich heeft afgespeeld tijdens de diefstal en de modus operandi op geen andere wijze heeft kunnen krijgen dan van de dader zelf.

- onderzoeksverslag TR: Aan de achterzijde van perceel “Oude Drift 1” te Laren is een beeldentuin gesitueerd. Deze tuin grenst direct aan de achterzijde van het Singer museum en is rondom afgesloten door middel van een metalen hekwerk. Aan de rechterzijde van het museum bevindt zich een inrit welke toegang geeft tot de beeldentuin. Deze inrit is voorzien van twee scharnierende draaihekken, voorzien van een slot. Wij zagen dat de sluitplaat van het slot op de bevestigingspunten was afgebroken waardoor het hek geopend kon worden. In het grasperk van de beeldentuin waren “enkelsporige” bandensporen waar te nemen met een bandbreedte van circa 9 centimeter. Gezien de aard en afmetingen zijn deze vermoedelijk veroorzaakt door een kruiwagen. Deze sporen liepen in de richting van de weggenomen beelden. Aan de rechterzijde van de beeldentuin bevonden zich drie stenen sokkels in het grasperk. Deze sokkels waren omver geduwd/getrokken en de bronzen beelden waren hiervan weggenomen. Een beeld was omver geduwd/getrokken en in het grasperk achtergebleven.

De beelden waren naar de woning van [naam] gebracht. Daar hadden zij de beelden stukgesneden met een slijper. [voornaam 3] vertelde dat ze 1 beeld niet kapot konden krijgen. Dat was het meest dure beeld. Daarvan hadden zij alleen een been of een arm kunnen afslijpen. Ze hadden na de diefstal de beelden direct stukgeslepen toen ze in Muiderberg kwamen. Direct ’s morgens hadden ze de brokken naar een opkoper gebracht.

De volgende dag vertelde [voornaam 3] mij dat het beeld in de tuin bij [naam] was begraven omdat ze het niet makkelijk stuk konden krijgen.

Tussenconclusie:

De rechtbank is van oordeel dat dit deel van de verklaring steun vindt in onder meer de processen-verbaal waarin wordt gerelateerd aan de verhuur van de aggregaat en de slijptol op 16 januari 2007, alsmede door het proces-verbaal van doorzoeking naar aanleiding van de verklaring van verdachte.

- verhuur aggregaat en slijptol op 16 januari 2007, teruggebracht op 17 januari 2007 in de middag;

- pv doorzoeking [adres], Muiderberg: op 19 januari 2007 waren wij, verbalisanten, op het adres [adres] naar aanleiding van de verklaring van [medeverdachte 1]. [medeverdachte 1] had verklaard dat het beeld van Rodin begraven lag in de tuin van het [adres]. Wij zijn gaan kijken en graven op de plaats die [medeverdachte 1] had omschreven tijdens het verhoor en troffen op deze plaats het beeld “De Denker” aan. Bij het beeld lagen twee hoofdjes, die ook afkomstig waren van een beeld. Wij zagen dat het beeld van Rodin ernstig beschadigd was. Wij zagen dat er op meerdere plaatsen

Verklaringen verdachte

Verdachte heeft zich, afgezien van een verklaring afgelegd op 31 januari 2007 en een summiere verklaring ter terechtzitting, beroepen op zijn zwijgrecht; van de verklaringen die verdachte heeft afgelegd acht de rechtbank de volgende delen - zakelijk weergegeven – relevant:

Uit zijn verklaring, afgelegd op 31 januari 2007 omstreeks 9.45 uur:

U vraagt mij waar ik was in de nacht van 16 op 17 januari 2007. Ik weet zeker dat ik toen die nacht bij mijn nichtje [naam] te Bussum was. U zegt mij dat iemand heeft verklaard dat ik bij hem was die bewuste nacht. Dat kan niet zo zijn.

U vraagt mij hoe ik aan de ontstekingen in mijn gezicht kom. Ik ben met de snorfiets op de grond gevallen. Ik zat toen afgelopen zondag achterop bij ene [naam].

Ik wil nog zeggen dat ik al heel lang niet meer in Muiderberg ben geweest. Ik denk al weken niet meer.

De verklaring van verdachte, afgelegd ter terechtzitting:

[n[naam] noem ik [naam], dat is zo gegroeid in de loop der jaren.

Getuigen

In het dossier zijn voorts verklaringen opgenomen van getuigen die hebben verklaard over de betrokkenheid van verdachte en [medeverdachte 1] bij voornoemde diefstal.

Zo heeft [naam] (hierna te noemen: “[naam]”) op 20 februari 2007 de volgende verklaring afgelegd:

Ik weet dat [voornaam 3] en [naam] bezig zijn geweest met het aan stukken slijpen van bronzen kunstvoorwerpen. Tijdens de slijpwerkzaamheden had [voornaam 3] heel veel slijpsel in zijn gezicht gekregen, waardoor dat ging zweren. Ik had in de dagen daarvoor [voornaam 3] al ene paar keer in persoon gesproken en ik had daarbij gezien dat er allemaal ontstoken plekjes in zijn gezicht zaten waar pus uit kwam. [voornaam 3] vertelde mij dat dat was ontstaan tijdens het stukslijpen van de bronzen kunstvoorwerpen. [voornaam 3] heeft mij gevraagd of ik een afzet-adres wist voor het brons. Ik ben toen gaan kijken of ik iemand wist die daar interesse in had. Ik had inderdaad iemand gevonden.

[naam] is bij de rechter-commissaris gehoord op verzoek van de verdediging en heeft op 9 januari 2008 verklaard bij de politie een onjuiste verklaring te hebben afgelegd, dit omdat hij woedend was op verdachte die hem in dit politieonderzoek zou hebben betrokken.

Tussenconclusie:

De rechtbank is van oordeel dat uit deze verklaring niet blijkt op welke punten hij onjuist heeft verklaard, mede omdat hij zich beroept op zijn verschoningsrecht. Voorts heeft [naam] zijn bij de politie afgelegde verklaringen niet ingetrokken. [naam] heeft bij de rechter-commissaris wederom verklaard dat de verbrandingen in het gezicht van [voorna[verdachte] allicht zijn gekomen door het slijpen van beelden. De rechtbank is, het bovenstaande in aanmerking genomen, van oordeel dat ook uit de verklaringen van [naam] blijkt van betrokkenheid van verdachte en [medeverdachte 1] bij het stuk slijpen van bronzen beelden, waaronder voornoemde diefstal.

Tapgesprekken

Voorts is uit (opgenomen) telefoongesprekken, gevoerd op 30 januari 2007 tussen [verdachte] en [naam] het volgende naar voren gekomen:

10.29 uur:

NN- man die door [voornaam 3] [naam] wordt genoemd, belt in. [voornaam 3] vertelt tegen [naam] dat zijn kop helemaal is verbrand door de splinters.

12.59 uur:

[naam] belt in naar [voornaam 3]. [naam] zegt: weet je wat wij kunnen doen, ik heb die vriend van mij net gesproken. Effe wat die dingen brengen. Van wat ik je zei….. waarom jouw kop er zo uit ziet.

[voornaam 3] zegt: ooh, ja.

Overige getuigen

Op 8 februari 2007 heeft [naam vriendin], de vriendin van [medeverdachte 2] het volgende verklaard:

Rond ongeveer 10 januari 2007 vertelde [voornaam 3] mij dat ze kunst zouden gaan stelen. [voornaam 3] vertelde mij dat ze [medeverdachte 2] daar verder buiten zouden laten.

Zij heeft voorts bij de rechter-commissaris verklaard op 27 september 2007:

[naam] heb ik nooit gezien. [voornaam 3] heb ik wel meerdere keren gezien. Ik heb [voornaam 3] tegen [medeverdachte 2] horen zeggen dat hij in de buurt van Blaricum kunst ging roven. Ze hadden het over bronzen beelden. Dat brons gingen ze verkopen. Het was na oud en nieuw toen [voornaam 3] dat zei. Later hoorde ik dat [naam] er ook bij betrokken was. Dat hoorde ik van [voornaam 3]. Volgens mij vertelde [voornaam 3] mij dat toen ik in de Boemel in Bussum was. [voornaam 3] vertelde mij dat het was gelukt, dat hij samen met [naam] daar was geweest en dat het gemakkelijk ging. [medeverdachte 2] was niet bij die kunstroof want hij was eerst met mij in de Kraan en daarna sliep hij bij [naam]. Ik was erbij toen [medeverdachte 2] [naam] vroeg bij [naam] te mogen slapen. Mij wordt het telefoonnummer [nummer] voorgehouden. Ik weet niet of dit nummer mij iets zegt, maar ik zal even in mijn huidige telefoon kijken of dit nummer onder de naam [medeverdachte 2] staat. Dat is niet het geval.

Conclusie:

Uit het bovenstaande stelt de rechtbank vast dat verdachte de diefstal van de bronzen beelden uit het Singer Museum te Laren in de nacht van 16 op 17 januari 2007 heeft gepleegd, tezamen en in vereniging met [medeverdachte 1].

3.1.6 Uit het voorgaande blijkt op welke wijze de rechtbank de bewijsmiddelen waardeert ten aanzien van het in zaak A onder 1 telastegelegde feit. De telastelegging vermeldt een groot aantal soortgelijke feiten. De rechtbank acht bovenstaande bewijswaardering eveneens van belang bij de beoordeling van die feiten, gelet op de wijze waarop deze feiten zijn gepleegd, de verklaringen van getuigen die in een aantal gevallen de verklaring van [medeverdachte 2] bevestigen, dan wel ondersteunen en onder meer het aantreffen van een deel van een bij een van deze diefstallen weggenomen beelden in de tuin van [medeverdachte 1].

3.2 De rechtbank acht niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen onder 4 sub c, sub k, sub n, sub o en sub r en onder 4 na “en/of (zaakdossier 4)” tot “en/of (zaakdossier 15)”, alsmede hetgeen in zaak B is telastegelegd, zodat verdachte daarvan dient te worden vrijgesproken. De rechtbank overweegt het navolgende.

Ten aanzien van het onder 4 sub c telastegelegde:

In het dossier bevindt zich onvoldoende wettig bewijs om te kunnen vaststellen dat verdachte dit feit heeft gepleegd. Immers, de opgenomen CIE-informatie wijst uitsluitend in de richting van [medeverdachte 1] omdat een blauw voertuig met het kenteken [nummer] op naam van [medeverdachte 1] in de omgeving van Chateau Sint Gerlach is waargenomen. De auto zou echter gesignaleerd zijn op 21 december 2007, welke datum buiten de telastegelegde periode ligt. De verklaring van [medeverdachte 2] ten aanzien van de betrokkenheid van verdachte en [medeverdachte 1] acht de rechtbank in dit concrete geval te weinig specifiek en overigens niet ondersteund door overig bewijs, zoals de in de bewijsoverweging genoemde uitdraaien van routes en/of informatie betreffende de beelden of zendmastgegevens.

Ten aanzien van het onder 4 sub k telastegelegde:

In het dossier bevindt zich onvoldoende wettig bewijs dat verdachte dit feit heeft gepleegd. De aangifte vermeldt de diefstal van een groot aantal goederen, waaronder een beertender. [medeverdachte 2] heeft verklaard dat hij van verdachte had gehoord dat de diefstal door verdachte en [medeverdachte 1] zou zijn gepleegd en dat de beertender nu bij [medeverdachte 1] thuis zou staan. Deze verklaring is, nu het technisch onderzoek geen resultaat heeft opgeleverd, de enige link naar verdachte. Nu de vriendin van [medeverdachte 1] voorts aannemelijk heeft gemaakt dat de beertender die bij [medeverdachte 1] thuis is aangetroffen door haar is aangekocht en overigens daarvan niet het tegendeel blijkt, komt de rechtbank niet tot een bewezenverklaring.

Ten aanzien van het onder 4 sub n telastegelegde:

Aan verdachte is de diefstal van de motorboot telastegelegd. Hiertoe is aangevoerd de verklaring van [medeverdachte 2] die heeft verklaard te hebben gehoord dat verdachte en [medeverdachte 1] een boot hebben weggenomen. Uit de aangifte en uit het onderzoek is verder geen betrokkenheid gebleken van verdachte bij de diefstal van deze boot; de verklaring van [medeverdachte 1] dat hij - overigens op een andere datum dan de datum waarop de boot is gestolen - , een boot uit het water heeft gehaald en een trailer heeft gehuurd waarbij verdachte hem zou hebben geholpen, is naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende om tot een bewezenverklaring te komen.

Ten aanzien van het onder 4 sub o telastegelegde:

Voor een bewezenverklaring van dit feit heeft de officier van justitie de verklaring van [medeverdachte 2] aangedragen, alsmede de zendmastgegegevens van de telefoon van verdachte en [medeverdachte 1] in de telastegelegde periode als directe link naar het gepleegde feit. De rechtbank heeft in de onder 3.1 weergegeven bewijsoverweging gesteld dat de verklaring van [medeverdachte 2] zal worden gebruikt voor zover ondersteund door enig ander bewijsmiddel. Nu de rechtbank ook zoals uit de navolgende onder 3.3 opgenomen overweging met betrekking tot de zendmastgegevens een dergelijk voorbehoud heeft gemaakt, komt de rechtbank in dit concrete geval niet tot een bewezenverklaring omdat de overtuiging in dit geval ontbreekt.

Ten aanzien van het onder 4 sub r telastegelegde:

De rechtbank acht onvoldoende wettig bewijs voorhanden om tot een bewezenverklaring te komen met betrekking tot dit feit. Uitsluitend [medeverdachte 2] heeft verklaard dat verdachte en [medeverdachte 1] kentekenplaten zouden hebben gestolen, maar niet waar dit zou zijn geweest en op welk tijdstip. De als bewijsmiddel aangevoerde zendmastgegevens van verdachte en van [medeverdachte 1] scheppen geen duidelijkheid op deze punten.

Ten aanzien van het onder 4 na “en/of (zaakdossier 4) tot “en/of (zaakdossier 15) telastegelegde:

De Rabobank heeft aangifte gedaan van een poging diefstal van bronzen beelden. Het enige aanknopingspunt in dit dossier voor de betrokkenheid van verdachte bij dit feit is de verklaring van [medeverdachte 2] die stelt dat verdachte hem deze informatie heeft verschaft. Het technisch onderzoek naar de zwarte verf heeft geen resultaat opgeleverd. De rechtbank acht, mede gelet op de onder 3.1 opgenomen bewijsoverweging, in dit geval onvoldoende wettig bewijs voorhanden voor een bewezenverklaring.

Ten aanzien van het in zaak B onder 1, 2 en 3 telastegelegde:

Ter zake van voornoemde feiten komt de rechtbank niet tot een bewezenverklaring. Immers, naast de aangifte is alleen de uitslag van de match van het aangetroffen DNA-materiaal met het DNA-profiel van verdachte voorhanden, welk materiaal is aangetroffen op respectievelijk een leeg bierblikje en een half volle wijnfles. Hoewel het aantreffen van DNA-materiaal van een verdachte op een plaats delict normaalgesproken een sterke aanwijzing is richting betrokkenheid van de verdachte, kan niet worden uitgesloten dat de goederen waarop het DNA-materiaal is aangetroffen op een ander moment op de plaats delict terecht zijn gekomen dan op het moment dat het feit is gepleegd.

3.3 Bespreking verweren

Gelet op hetgeen in haar bewijsoverweging ten aanzien van de feiten is overwogen en gelet op de vrijspraak van een aantal feiten, kan de rechtbank bespreking van een deel van de gevoerde verweren achterwege laten.

Zaak A, Feit 2

De raadsman heeft aangevoerd dat, gezien een rapport van de heer [werknemer KPN Security], werkzaam bij KPN Security d.d. 3 november 2003, niet zonder meer kan worden aangenomen dat op het moment dat de telefoon van verdachte “aanstraalt” op een bepaalde zendmast, verdachte zich op dat moment ook daadwerkelijk in de buurt bevindt van die zendmast. Uit het rapport blijkt immers dat het niet per definitie zo is dat in alle gevallen bij het voeren van een gesprek het dichtstbijzijnde basisstation wordt aangekozen. De raadsman is van mening dat de gegevens betreffende de paallocaties via welke gesprekken zijn gevoerd met het telefoonnummer van verdachte niet redengevend kunnen zijn voor een bewezenverklaring omdat niet met enige mate van zekerheid is te bepalen waar de mobiele gebruiker zich tijdens een GSM-verbinding feitelijk bevond. Op grond van die onzekerheid en daarmee de onbetrouwbaarheid van de daaruit verkregen gegevens dienen deze te worden uitgesloten van het bewijs. Hierdoor is onvoldoende (steun)bewijs aanwezig naast de verklaring van [medeverdachte 2] en dient verdachte te worden vrijgesproken van het telastegelegde feit.

De rechtbank overweegt als volgt.

Niet alleen in zaak A, feit 2 is gebruik gemaakt van de zendmastgegevens van de telefoon van verdachte; deze gegevens worden ook als bewijsmiddel gepresenteerd bij andere vermogensdelicten .

Het door de raadsman aangehaalde rapport betreft een rapport dat door de heer [werknemer KPN Security] als deskundige in een andere strafzaak is opgesteld. De rechtbank heeft geconstateerd dat tijdens een eerdere pro-forma zitting door de raadsman van medeverdachte [verdachte] is verzocht de heer [werknemer KPN Security] te horen als getuige-deskundige. De rechtbank heeft toen geoordeeld dat het verzoek diende te worden beoordeeld door de rechter-commissaris, nu tijdens die zitting door de raadsman onvoldoende was aangetoond waarom deze getuige-deskundige diende te worden gehoord. De rechtbank heeft in het dossier verder geen informatie meer aangetroffen met betrekking tot het verzoek en kennelijk bestond bij de verdediging geen behoefte meer deze getuige-deskundige te horen. Ook tijdens latere (pro-forma)-zittingen is een dergelijk verzoek niet meer gedaan. Bovenstaande feiten en omstandigheden leiden ertoe dat de rechtbank het door de raadsman ingediende rapport zal beoordelen op haar bruikbaarheid in deze zaak.

Het rapport ziet niet op specifieke kenmerken van een bepaalde strafzaak. Het rapport geeft in algemene bewoordingen weer hoe een KPN-GSM-netwerk werkzaam is in zowel een ideale situatie als in een reële situatie. De heer [werknemer KPN Security] stelt dat de ideale situatie niet altijd overeenkomt met de werkelijke situatie en dat daarom de verkregen basisstationlocaties niet altijd als absolute gegevens kunnen worden geïnterpreteerd. De redenen waarom het GSM-netwerk zich niet altijd conform de netwerkplanning gedraagt en de uitzonderingen op de regel dat het GSM-netwerk normaalgesproken het dichtstbijzijnde basisstation kiest, weergegeven in het rapport, zijn echter naar het oordeel van de rechtbank in de onderhavige zaak noch gesteld, noch gebleken.

De rechtbank heeft niet kunnen vaststellen of op de momenten dat de zendmastgegevens zijn gerelateerd sprake is geweest van storingen, weersomstandigheden of grootschalige evenementen waardoor andere basisstations zouden worden aangekozen dan de dichtstbijzijnde. In ieder geval zijn de telastegelegde feiten vrijwel allemaal gepleegd in de avonduren en gedurende de nacht, momenten waarop over het algemeen minder gebruik wordt gemaakt van (mobiele) telefonie.

Verder overweegt de rechtbank dat mogelijk in een aantal gevallen de zendmastgegevens niet doorslaggevend kunnen zijn omdat de basisstations zich vrij dicht bij elkaar bevinden, bijvoorbeeld ten aanzien van de woning van verdachte en [medeverdachte 1].

Echter, van belang zijn in dit geval de zendmastgegevens buiten dit gebied, zoals het feit dat de telefoons van zowel verdachte als van [medeverdachte 1] zijn aangestraald op een zendmast in de omgeving van Elburg op het moment dat daar een diefstal is gepleegd en het feit dat dit eveneens het geval is geweest in Uithoorn. De rechtbank is van oordeel dat weliswaar niet nauwkeurig de plaats kan worden bepaald waar verdachte zich op dat moment precies bevond, maar dat dit bij benadering en met voldoende nauwkeurigheid en zekerheid kan worden vastgesteld, te weten in de omgeving van Elburg, dan wel Uithoorn.

Het vorengaande in aanmerking genomen komt de rechtbank tot het oordeel dat de zendmastgegevens in ieder geval wel kunnen worden gebruikt als bewijs voor het feit dat verdachte en [medeverdachte 1] zich omstreeks het moment van bepaalde telastegelegde feiten beiden nabij de plaats delict en een andere lezing voor dit feit hoogst onwaarschijnlijk is.

De rechtbank verwerpt het verweer van de raadsman.

Zaak A, feit 3

De raadsman heeft aangevoerd dat, hoewel verdachte heeft toegegeven met [medeverdachte 2] diverse winkels in Ede te hebben bezocht, niets te hebben gekregen van de door [medeverdachte 2] aangeschafte goederen. Nu alleen de vage verklaring van [medeverdachte 2] voor bewijs kan worden gebezigd, verzoekt de raadsman verdachte van dit feit vrij te spreken.

De rechtbank overweegt het volgende.

De verklaring van [medeverdachte 2] is aanleiding geweest voor nader onderzoek in Ede, waarbij door een aantal ondernemers is bevestigd dat een drietal personen goederen heeft aangeschaft met een creditcard, dan wel heeft getracht dit te doen. Uit camerabeelden blijkt dat verdachte hierbij aanwezig was en verdachte bevestigt ook dat hij op de in de telastelegging genoemde datum met [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] in Ede is geweest. Ook op andere onderdelen wordt de verklaring van [medeverdachte 2] echter bevestigd; immers een tweetal getuigen heeft verklaard drie mannen te hebben zien wegrennen na een mislukte poging de creditcard te gebruiken. Voorts zou verdachte zich hebben voorgedaan als de broer van [medeverdachte 2]. Dit strookt niet met de verklaring van verdachte ter terechtzitting dat hij niet is weggerend en alleen is meegegaan om te shoppen, in de veronderstelling dat de creditcard van familie van [medeverdachte 2] was. Aannemelijker is dat, conform de verklaring van [medeverdachte 2], verdachte zich heeft voorgedaan als broer van verdachte om de valse hoedanigheid die [medeverdachte 2] had aangenomen, kracht bij te zetten. De rechtbank verwerpt het verweer van de raadsman.

Zaak A, onder g en h

De raadsman heeft gesteld dat, nu slechts de verklaring van [medeverdachte 2] in de richting van verdachte wijst, vrijspraak dient te volgen. Het sms-bericht zou te weinig specifiek zijn om te kunnen dienen als steunbewijs.

De rechtbank overweegt het volgende.

In het dossier bevindt zich een aangifte van diefstal van sleutels uit een makelaarskantoor te Bussum. De verklaring van [medeverdachte 2], waarin hij overigens ook zichzelf belast, sluit hierop aan. Voorts is onderzoek verricht naar de telefoon van [medeverdachte 2] waaruit blijkt dat hij het door hem genoemde sms-je heeft ontvangen. [naam vriendin] heeft de verklaring van [medeverdachte 2] bevestigd, in ieder geval op bepaalde essentiële punten. Bij [medeverdachte 1] zijn, op aanwijzing van [medeverdachte 2], de sleutels aangetroffen. Voorgaande bewijsmiddelen in onderling verband en samenhang bezien leveren naar het oordeel van de rechtbank voldoende bewijs op dat verdachte de feiten heeft gepleegd. De rechtbank verwerpt het verweer van de raadsman.

Zaak B, onder 4

De raadsman heeft aangevoerd dat, gelet op het feit dat het DNA-materiaal van verdachte is aangetroffen op een verplaatsbaar goed, dit niet uitsluit dat het DNA-materiaal op een ander moment op de plaats delict is aangetroffen dan op het moment dat het feit werd gepleegd. De raadsman verzoekt vrijspraak.

De rechtbank overweegt het volgende.

In het dossier bevinden zich onder meer een aangifte, een proces-verbaal van bevindingen van de Technische Recherche en de uitslag van het onderzoek door het NFI naar het op de koelkastdeur van de boot aangetroffen bloedspoor. Gelet op het feit dat het hier geen verplaatsbaar voorwerp betreft, te weten een koelkastdeur, aangever heeft verklaard dat dit bloed voorafgaand aan het gepleegde feit niet aanwezig was en verdachte geen verklaring heeft afgelegd over het aantreffen van zijn DNA-materiaal in de boot vlak na de gepleegde diefstal, is de rechtbank van oordeel dat verdachte degene is geweest die de diefstal heeft gepleegd. De rechtbank verwerpt het verweer van de raadsman.

Zaak B, onder 5

De raadsman heeft aangevoerd dat naar aanleiding van de aangifte van [medeverdachte 2] met betrekking tot de bedreiging aan zijn adres door verdachte, onderzoek is gedaan door de politie waaruit is gebleken dat op het moment van de bedreiging geen telefoontjes zijn gepleegd naar het telefoonnummer van [medeverdachte 2]. De raadsman verzoekt om vrijspraak nu het bewijs niet overtuigend genoeg zou zijn. Subsidiair verzoekt hij om nader onderzoek naar historische telefoongegevens d.d. 24 april 2007 rond 15.46 uur vanuit PI Almere.

De rechtbank overweegt het volgende.

Het dossier bevat een aangifte van [medeverdachte 2] waarin hij verklaart op 24 april 2007 te zijn gebeld door verdachte die de voice-mail van [medeverdachte 2] heeft ingesproken met de in de telastelegging opgenomen tekst. [medeverdachte 2] heeft verklaard de stem van verdachte te hebben herkend. Vervolgens heeft een verbalisant het bericht beluisterd en geconstateerd dat hij de stem van verdachte herkende; dit is vastgelegd in een proces-verbaal van bevindingen. De rechtbank ziet geen aanleiding te twijfelen aan de inhoud van dit proces-verbaal van bevindingen dat de aangifte bevestigt. Het door de raadsman aangevoerde onderzoek naar historische telefoongegevens is verricht naar aanleiding van de op 8 mei 2007 door verdachte gedane aangifte van bedreiging door verdachte, waaruit derhalve geen conclusie met betrekking tot 24 april 2007 kan worden getrokken.

De rechtbank is van oordeel dat, gezien bovenstaande constatering met betrekking tot de aangifte van 24 april 2007, de politie heeft kunnen afzien van nader onderzoek nu de aangifte voldoende werd bevestigd door de verbalisant. De rechtbank ziet ook nu geen aanleiding tot nader onderzoek en verwerpt het verweer van de raadsman.

3.4 De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte

ten aanzien van het onder 1 telastegelegde feit:

in de periode van 16 januari 2007 tot en met 17 januari 2007 te Laren, tezamen en in vereniging met en ander, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening uit de beeldentuin van het Singer museum heeft weggenomen 7 bronzen beelden met een geschatte waarde van circa 1.300.000,-- euro, toebehorende aan het Singer museum, waarbij verdachte en zijn mededader zich de toegang tot de plaats van het misdrijf hebben verschaft en/of de weg te nemen goederen onder hun bereik hebben gebracht door een hek dat toegang verschaft tot de beeldentuin te forceren en/of voornoemde beelden van de sokkel waaraan de beelden vast zaten af te breken;

ten aanzien van het onder 2 telastegelegde feit:

in de periode van 11 januari 2007 tot en met 12 januari 2007 te Huizen, tezamen en in vereniging met en ander, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen bronzen beelden, toebehorende aan de gemeente Huizen, waarbij verdachte en zijn mededader de weg te nemen goederen onder hun bereik hebben gebracht door voornoemde beelden van de sokkel waaraan de beelden vast zaten af te breken;

ten aanzien van het onder 3 telastegelegde feit:

op 8 januari 2007 te Ede, tezamen en in vereniging met een ander, telkens met het oogmerk om zich en/of een ander wederrechtelijk te bevoordelen, telkens door het aannemen van een valse naam en/of hoedanigheid, de Score en/of Aktie Sport en/of Douglas heeft bewogen tot de afgifte van een t-shirt en/of flesjes parfum waarde circa 500 euro en/of kledingstukken en/of schoenen, hebbende verdachte en/of zijn mededader toen aldaar telkens met vorenomschreven oogmerk - zakelijk weergegeven - valselijk en in strijd met de waarheid zich voorgedaan als zijnde de rechtmatige eigenaar van de creditcards waarmee bovengenoemde goederen zijn afgerekend, waardoor voornoemde Score en/of Aktie Sport en/of Douglas telkens werd bewogen tot bovenomschreven afgifte;

ten aanzien van het onder 4 telastegelegde feit:

in de periode van 11 november 2006 tot en met 27 januari 2007 op verschillende locaties in Nederland telkens tezamen en in vereniging met een ander of anderen met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening uit beeldentuinen en/of kastelen en uit woningen en bedrijfspanden heeft weggenomen:

a) in de periode van 14 januari 2007 tot en met 15 januari 2007 te Soest uit de tuin van perceel Pimpelmees 5, 4 bronzen beelden, toebehorende aan Stichting Hazart en/of Kunstenaarsvereniging De Ploegh;

b) in de periode van 22 december 2006 tot en met 9 januari 2007 te Huizen uit een tuincentrum perceel Naarderstraat 298a, 6 loden beelden, toebehorende aan Kwekerij De Limieten;

d) in de periode van 5 januari 2007 tot en met 8 januari 2007 te Loosdrecht uit een tuin van kasteel Sypesteijn een bronzen beeld, toebehorende aan [naam];

e) in de periode van 11 januari 2007 tot en met 12 januari 2007 te Maarssen uit een tuin van perceel Straatweg 31, 7 bronzen beelden, toebehorende aan [naam];

f) in de periode van 13 december 2006 tot en met 14 december 2006 te Berg en Terblijt, gemeente Valkenburg, uit een beeldentuin Giardino, 5 bronzen beelden, toebehorende aan Giardino beeldentuin en galerie;

g) op 4 januari 2007 te Bussum sleutels, toebehorende aan [naam];

h) op 4 januari 2007 te Bussum ene personenauto merk Toyota, type Corolla, kenteken [nummer], toebehorende aan [naam];

i) op 20 januari 2007 te Bussum uit een woning perceel Prinses Irenestraat 4, flessen drank en twee geldkistjes en een mobiele telefoon en een verrekijker en een fotocamera en een tafelklok en zilver tafelbestek en sleutels, toebehorende aan [naam];

j) in de periode van 5 januari 2007 tot en met 8 januari 2007 te Uithoorn vanaf het terrein van Fort aan de Drecht, 3 bronzen beelden, toebehorende aan [naam];

l) op 11 november 2006 te Laren uit een woning perceel Rozenlaantje 12 o.a. een televisie en een dvd-speler en autosleutels en een geldkistje, toebehorende aan [naam];

m) op 11 november 2007 te Laren een bestelauto merk Peugeot, type Expert, kenteken [nummer], toebehorende aan [naam];

p) in de periode van 5 januari 2007 tot en met 8 januari 2007 te Uithoorn vanaf het terrein van Fort aan de Drecht, 3 bronzen beelden, toebehorende aan [naam];

q) in de periode van 7 januari 2007 tot en met 8 januari 2007 te Bilthoven uit een tuin van perceel Sweelincklaan 83, 5 bronzen beelden, toebehorende aan [naam],

waarbij verdachte en zijn mededader(s) zich de toegang tot de plaats van het misdrijf hebben verschaft en/of de weg te nemen goederen onder hun bereik hebben gebracht door telkens een hek en/of (een) draadeind(en) los te schroeven en/of beelden van de sokkel en/of van de waterput en/of van een haak af te breken/af te knippen/af te trekken en/of de schroeven waarmee een beeld in de muur vast zat te forceren en/of (een) slot (en) en/of een stalen beveiligingskabel te forceren

en

op 12 november 2006 te Bussum opzettelijk en wederrechtelijk een bestelauto, merk Peugeot, type Expert, kenteken [nummer], toebehorende aan [naam], heeft vernield door voornoemde bestelauto in brand te steken;

ten aanzien van het in zaak B, onder 4 telastelegde:

in de periode van 8 april 2004 tot en met 9 april 2004 te Muiden, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening uit een veerboot heeft weggenomen een televisie en een hoeveelheid geld circa 286 euro, toebehorende aan Connection Water, waarbij verdachte zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door een ruit te forceren;

ten aanzien van het in zaak B, onder 5 telastegelegde:

op 24 april 2007 te Almere en/of Huizen telefonisch [medeverdachte 2] heeft bedreigd met zware mishandeling, immers heeft verdachte opzettelijk voornoemde [medeverdachte 2] dreigend de woorden toegevoegd: “vuile kankerhond, ik laat je poten breken [medeverdachte 2], later”.

Voorzover in de telastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in zijn verdediging geschaad.

4. Het bewijs

De rechtbank grondt haar beslissing dat verdachte het bewezen geachte heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat.

5. De strafbaarheid van de feiten

De bewezen geachte feiten zijn volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.

6. De strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.

7. Motivering van de straffen en maatregelen

De officier van justitie heeft bij requisitoir gevorderd dat verdachte ter zake van de door hem in zaak A onder 1, 2, 3, 4, 5 en in zaak B onder 1, 2, 3, 4 en 5 bewezengeachte feiten zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 6 jaren, met aftrek van voorarrest. Daarnaast heeft de officier van justitie gevorderd de navolgende voorwerpen verbeurd te verklaren:

2.00 STK schoeisel, kl. wit/blauw

Nike Airmax maat 44

De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen geachte, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon en de draagkracht van verdachte, zoals van een en ander ter terechtzitting is gebleken.

De rechtbank heeft bij de keuze tot het opleggen van een vrijheidsbenemende straf en bij de vaststelling van de duur daarvan in het bijzonder het volgende laten meewegen.

Verdachte heeft samen met zijn mededader een groot aantal diefstallen gepleegd. De meeste van deze diefstallen betroffen bronzen kunstwerken, te weten beelden, die onder meer in musea en door particulieren in eigen tuin werden tentoongesteld. De manier waarop verdachte en mededader te werk zijn gegaan geeft blijk van een enorm gebrek aan respect voor andermans eigendommen en de culturele waarde die de kunstwerken vertegenwoordigen voor belangstellenden en liefhebbers. Daaraan doet niet af dat een aantal van de kunstwerken opnieuw kan worden vervaardigd. Bovendien is een groot deel van de kunstwerken voorgoed verdwenen. De rechtbank rekent het verdachte ernstig aan dat hij financieel gewin bij zijn handelen de boventoon heeft laten voeren en – kennelijk – niet heeft nagedacht over de gevolgen die voornoemde diefstallen zou kunnen hebben op eigenaren en kunstliefhebbers. Dergelijke misdrijven treffen met name particulieren die hun zelf aangekochte kunstwerken in eigen tuin willen delen met anderen; immers, zij zijn niet altijd in staat hun tuin op de door verzekeringsmaatschappijen vereiste wijze te beveiligen, hetgeen ertoe leidt dat zij hun eigendommen onverzekerd tentoonstellen zodat een diefstal leidt tot grote financiële schade.

Daarnaast heeft verdachte samen met mededaders diefstallen gepleegd uit woningen. De ervaring leert dat dit bij bewoners leidt tot gevoelens van onveiligheid in hun eigen woonomgeving en in het algemeen in de samenleving onrust teweeg brengt.

Daarnaast is verdachte, blijkens het hem betreffende Uittreksel Justitiële Documentatie d.d. 1 februari 2007 reeds eerder wegens soortgelijke feiten veroordeeld.

Zoals hiervoor uiteengezet is in het onderhavige geval sprake van een zeer uitzonderlijk vermogensdelict. Dergelijke misdrijven rechtvaardigen een langdurige en onvoorwaardelijke gevangenisstraf. Gezien het feit dat sprake is van een vermogensdelict en niet in alle telastegelegde feiten een bewezenverklaring is gevolgd, ziet de rechtbank evenwel aanleiding bij de straftoemeting af te wijken van hetgeen door de officier van justitie is gevorderd. Bij de bepaling van de strafmaat heeft de rechtbank acht geslagen op de straf die is opgelegd in een zaak betreffende vergelijkbare vermogensdelicten (Rechtbank Amsterdam 26 juli 2004, LJN: AQ5391).

Verbeurdverklaring

De inbeslaggenomen en niet teruggegeven voorwerpen, te weten:

2.00 STK schoeisel, kl. wit/blauw

Nike Airmax maat 44

die aan verdachte toebehoren, worden verbeurd verklaard en zijn daarvoor vatbaar, aangezien deze voorwerpen geheel of grotendeels uit de baten van het in zaak A onder 3 bewezen geachte zijn verkregen.

Ten aanzien van de benadeelde partijen en de schadevergoedingsmaatregel

Kunststichting Hazart

Uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de vordering van de benadeelde partij Kunststichting Hazart te Soest, van zo eenvoudige aard is dat zij zich leent voor de behandeling in dit strafgeding. Tevens is komen vast te staan dat de benadeelde partij als gevolg van het hiervoor in zaak A onder 4 sub a bewezengeachte feit, rechtstreeks schade heeft geleden. De rechtbank waardeert deze op een bedrag van

€ 4.375,- (vierduizenddriehonderdenvijfenzeventig euro) . De vordering kan dan ook tot dat bedrag worden toegewezen.

Voorts dient de verdachte te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog zal maken.

De rechtbank zal de hierna te noemen schadevergoedingsmaatregel opleggen, aangezien verdachte jegens het slachtoffer Kunststichting Hazart, naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade die door het in zaak A onder 4 sub a bewezen geachte feit is toegebracht. De rechtbank waardeert deze op een bedrag van € 4.375,- (vierduizenddriehonderd

en vijfenzeventig euro).

[naam]

Uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de vordering van de benadeelde partij [naam] te Amersfoort, van zo eenvoudige aard is dat zij zich leent voor de behandeling in dit strafgeding. Tevens is komen vast te staan dat de benadeelde partij als gevolg van het hiervoor in zaak A onder 4 sub d bewezen geachte feit, rechtstreeks schade heeft geleden. De rechtbank waardeert deze op een bedrag van € 3.767,50 (drieduizendzevenhonderd en zevenenzestig euro en vijftig cent), te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade tot aan de dag van de algehele voldoening.

De vordering kan dan ook tot dat bedrag worden toegewezen. Voorts dient de verdachte te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog zal maken.

In het belang van [naam] voornoemd wordt, als extra waarborg voor betaling aan laatstgenoemde, de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht aan verdachte opgelegd.

[naam 2]

Uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat een deel van de vordering van de benadeelde partij [naam 2] te Maarssen, te weten het door benadeelde partij ter terechtzitting toegelichte 1/3 deel zijnde gietkosten, van zo eenvoudige aard is dat dit zich leent voor de behandeling in dit strafgeding. Tevens is komen vast te staan dat de benadeelde partij als gevolg van het hiervoor in zaak A onder 4 sub e bewezen geachte feit, rechtstreeks schade heeft geleden. De rechtbank waardeert deze op een bedrag van € 14.900,- (veertienduizendennegenhonderd euro). De vordering kan dan ook tot dat bedrag worden toegewezen.

Voorts dient de verdachte te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog zal maken.

In het belang van [naam 2] voornoemd wordt, als extra waarborg voor betaling aan laatstgenoemde, de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht aan verdachte opgelegd.

Het overige deel van de vordering van de benadeelde partij is niet van zo eenvoudige aard dat dit zich leent voor behandeling in dit strafgeding. Gelet hierop zal de rechtbank bepalen dat de benadeelde partij in dat deel van de vordering niet-ontvankelijk is. De benadeelde partij kan dat deel van de vordering bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

[naam]

Uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de vordering van de benadeelde partij [naam], van zo eenvoudige aard is dat zij zich leent voor de behandeling in dit strafgeding. Tevens is komen vast te staan dat de benadeelde partij als gevolg van het hiervoor in zaak A onder 4 sub p bewezen geachte feit, rechtstreeks schade heeft geleden. De rechtbank waardeert deze op een bedrag van € 30.000,- (dertigduizend euro), te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade tot aan de dag van de algehele voldoening. De vordering kan dan ook tot dat bedrag worden toegewezen. Voorts dient de verdachte te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog zal maken.

In het belang van [naam] voornoemd wordt, als extra waarborg voor betaling aan laatstgenoemde, de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht aan verdachte opgelegd.

[naam]

Uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de vordering van de benadeelde partij [naam], van zo eenvoudige aard is dat zij zich leent voor de behandeling in dit strafgeding. Tevens is komen vast te staan dat de benadeelde partij als gevolg van het hiervoor in zaak A onder 4 sub q bewezen geachte feit, rechtstreeks schade heeft geleden. De rechtbank waardeert deze op een bedrag van € 24.450,- (vierentwintigduizend vierhonderdenvijftig euro). De vordering kan dan ook tot dat bedrag worden toegewezen. Voorts dient de verdachte te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog zal maken.

In het belang van [naam] voornoemd wordt, als extra waarborg voor betaling aan laatstgenoemde, de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht aan verdachte opgelegd.

Singer museum

Uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de vordering van de benadeelde partij Het Singer Museum te Laren niet van zo eenvoudige aard is dat zij zich leent voor de behandeling in dit strafgeding. Gelet hierop zal de rechtbank bepalen dat de benadeelde partij in de vordering niet-ontvankelijk is. De benadeelde partij kan de vordering slechts bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

De Elborg

Nu aan verdachte - zonder toepassing van artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht – in het in zaak A onder 4 sub o geen straf of maatregel is opgelegd, zal de rechtbank bepalen dat de benadeelde partij De Elborg B.V. in de vordering niet-ontvankelijk is. De benadeelde partij kan die slechts bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

Tenuitvoerlegging voorwaardelijke veroordeling

Bij de stukken bevindt zich de op 6 februari 2007 ter griffie van deze rechtbank ontvangen vordering van de officier van justitie in het arrondissement Amsterdam in de zaak met parketnummer 13/467511-05, betreffende het onherroepelijk geworden vonnis d.d. 5 september 2006 van de politierechter te Amsterdam, waarbij verdachte is veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 12 maanden, met bevel dat van deze straf een gedeelte, groot 4 maanden niet tenuitvoergelegd zal worden, tenzij de rechter later anders mocht gelasten op grond dat veroordeelde zich voor het einde van een op 2 jaren bepaalde proeftijd aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Tevens bevindt zich bij de stukken een akte waaruit blijkt dat de kennisgeving, bedoeld in artikel 366a van het Wetboek van Strafvordering, op 17 januari 2008 aan verdachte is uitgereikt.

Gebleken is dat verdachte zich voor het einde van voornoemde proeftijd aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt, zoals naar voren komt uit de verdere inhoud van dit vonnis. De rechtbank ziet hierin aanleiding de tenuitvoerlegging van dat voorwaardelijk strafdeel te gelasten.

8. Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straffen en maatregel zijn gegrond op de artikelen 33, 33a, 36f, 45, 47, 57, 285, 311, 326 en 350 van het Wetboek van Strafrecht.

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.

9. Beslissing

Verklaart het in zaak A onder 4 sub c, sub k, sub n, sub o en sub r en onder 4 na “en/of (zaakdossier 4)” tot “en/of (zaakdossier 15)”, alsmede het in zaak B onder 1, 2 en 3 telastegelegde niet bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verklaart bewezen dat verdachte het in zaak A onder 1, 2, 3, 4 sub a, sub b, sub d, sub e, sub f, sub g, sub h, sub i, sub j, sub l, sub m, sub p, sub q, en vanaf “en/of (zaakdossier 4) tot “en/of (zaakdossier 15) en in zaak B onder 4 en 5 telastegelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 3 is aangegeven.

Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is telastegelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Het bewezenverklaarde levert op:

Ten aanzien van het in zaak A onder 1 en onder 4 sub a,

Diefstal door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft en het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak en verbreking

Ten aanzien van het in zaak A onder 2, onder 4 sub d, sub f, sub p bewezenverklaarde:

Diefstal door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van verbreking

Ten aanzien van het in zaak A onder 4 sub b, sub g, sub i , sub l en sub q bewezenverklaarde:

Diefstal door twee of meer verenigde personen

Ten aanzien van het in zaak A onder 4 sub h en sub m bewezenverklaarde:

Diefstal door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van een valse sleutel

Ten aanzien van het in zaak A onder 4 sub j bewezenverklaarde:

Diefstal door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van een valse sleutel

Ten aanzien van het in zaak A, onder 4 sub e bewezenverklaarde

Diefstal door twee of meer verenigde personen waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van braak

Ten aanzien van het in zaak A onder 4 vanaf “en/of (zaakdossier 15) tot en met “betrof” bewezenverklaarde:

Vernieling

Ten aanzien van het in zaak A onder 3 bewezenverklaarde:

medeplegen van oplichting

Ten aanzien van het in zaak B onder 4 bewezenverklaarde:

Diefstal waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van braak

Ten aanzien van het in zaak B onder 5 bewezenverklaarde:

Bedreiging met zware mishandeling

Verklaart het bewezene strafbaar.

Verklaart verdachte, [verdachte], daarvoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 54 maanden.

Beveelt dat de tijd die door veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering (en in voorlopige hechtenis) is doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van die straf in mindering gebracht zal worden.

Verklaart verbeurd:

2.00 STK schoeisel, kl. wit/blauw

Nike Airmax maat 44

Benadeelde partij Kunststichting Hazart

Wijst de vordering van de benadeelde partij Kunststichting Hazart, gevestigd op het adres Bosstraat 2 te Soest, toe tot een bedrag van € 4.375,- (vierduizenddriehonderd en vijfenzeventig euro).

Veroordeelt verdachte aan Kunststichting Hazart voornoemd, het toegewezen bedrag te betalen, behoudens voor zover deze vordering reeds door of namens een ander is betaald.

Veroordeelt verdachte voorts in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil.

Legt aan verdachte de verplichting op, aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer Kunststichting Hazart, te betalen de som van € 4.375,-(vierduizenddriehonderd en vijfenzeventig euro), behoudens voor zover deze vordering reeds door of namens een ander is betaald, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door hechtenis voor de duur van 51 dagen, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de hiervoor opgelegde verplichting niet opheft.

Bepaalt dat, indien en voor zover verdachte heeft voldaan aan een van voornoemde betalingsverplichtingen, daarmee de andere is vervallen.

Benadeelde partij [naam]

Wijst de vordering van de benadeelde partij [naam], wonende op het adres [adres], toe tot een bedrag van € 3.767,50 (drieduizendzevenhonderd en zevenenzestig euro), te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf de dag van het ontstaan van de schade tot en met de dag van algehele voldoening.

Veroordeelt verdachte aan [naam] voornoemd, het toegewezen bedrag te betalen, behoudens voor zover deze vordering reeds door of namens een ander is betaald.

Veroordeelt verdachte voorts in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil.

Legt aan verdachte de verplichting op, aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer [naam], te betalen de som van € 3.767,50,- (drieduizendzevenhonderd en zevenenzestig euro), te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf de dag van het ontstaan van de schade tot en met de dag van algehele voldoening, behoudens voor zover deze vordering reeds door of namens een ander is betaald, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door hechtenis voor de duur van 48 dagen, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de hiervoor opgelegde verplichting niet opheft.

Bepaalt dat, indien en voor zover verdachte heeft voldaan aan een van voornoemde betalingsverplichtingen, daarmee de andere is vervallen.

Benadeelde partij [naam 2]

Wijst de vordering van de benadeelde partij [naam 2], wonende op het adres [adres], toe tot een bedrag van € 14.900,- (veertienduizendennegenhonderd euro).

Veroordeelt verdachte aan [naam 2] voornoemd, het toegewezen bedrag te betalen, behoudens voor zover deze vordering reeds door of namens een ander is betaald.

Veroordeelt verdachte voorts in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil.

Bepaalt dat de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk is in zijn vordering.

Legt aan verdachte de verplichting op, aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer [naam 2], te betalen de som van € 14.900,- (veertienduizendennegenhonderd euro), behoudens voor zover deze vordering reeds door of namens een ander is betaald, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door hechtenis voor de duur van 104 dagen, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de hiervoor opgelegde verplichting niet opheft.

Bepaalt dat, indien en voor zover verdachte heeft voldaan aan een van voornoemde betalingsverplichtingen, daarmee de andere is vervallen.

Benadeelde partij [naam]

Wijst de vordering van de benadeelde partij [naam], wonende op het adres [adres], toe tot een bedrag van € 30.000,- (dertigduizend euro), te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade tot en met de dag van algehele voldoening.

Veroordeelt verdachte aan [naam] voornoemd, het toegewezen bedrag te betalen, behoudens voor zover deze vordering reeds door of namens een ander is betaald.

Veroordeelt verdachte voorts in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil.

Legt aan verdachte de verplichting op, aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer [naam], te betalen de som van € 30.000,- (dertigduizend euro), te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade tot en met de algehele voldoening, behoudens voor zover deze vordering reeds door of namens een ander is betaald, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door hechtenis voor de duur van 180 dagen, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de hiervoor opgelegde verplichting niet opheft.

Bepaalt dat, indien en voor zover verdachte heeft voldaan aan een van voornoemde betalingsverplichtingen, daarmee de andere is vervallen.

Benadeelde partij [naam]

Wijst de vordering van de benadeelde partij [naam], wonende op het adres [adres], toe tot een bedrag van € 24.450,- (vierentwintigduizend vierhonderdenvijftig euro).

Veroordeelt verdachte aan [naam] voornoemd, het toegewezen bedrag te betalen, behoudens voor zover deze vordering reeds door of namens een ander is betaald.

Veroordeelt verdachte voorts in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil.

Legt aan verdachte de verplichting op, aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer [naam], te betalen de som van € 24.450,- (vierentwintigduizend vierhonderdenvijftig euro), behoudens voor zover deze vordering reeds door of namens een ander is betaald, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door hechtenis voor de duur van 142 dagen, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de hiervoor opgelegde verplichting niet opheft.

Bepaalt dat, indien en voor zover verdachte heeft voldaan aan een van voornoemde betalingsverplichtingen, daarmee de andere is vervallen.

Verklaart de benadeelde partijen Singer Museum te Laren en De Elborg B.V. niet-ontvankelijk in hun vordering.

Gelast de tenuitvoerlegging van de straf, voor zover deze voorwaardelijk is opgelegd bij voornoemd vonnis d.d. 5 september 2006, zijnde een gevangenisstraf voor de duur van 4 maanden.

Dit vonnis is gewezen door

mr. M. van Mourik, voorzitter,

mrs. C. Klomp en B. van Berge Henegouwen, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. M.B. Weber, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 12 februari 2008.