Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2008:BC3884

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
23-01-2008
Datum publicatie
08-02-2008
Zaaknummer
338571
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Eerste en enige aanleg
Inhoudsindicatie

Onrechtmatige daad, noodweerexces, voorschot op immateriele schadevergoeding

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK AMSTERDAM

Sector civiel recht

zaaknummer / rolnummer: 338571 / HA ZA 06-858

Vonnis van 23 januari 2008

in de zaak van

A,

wonende te ( woonplaats ),

eiser,

procureur mr. R.L. Weilers,

tegen

B,

wonende te ( woonplaats ),

gedaagde,

procureur voorheen mr. J.A.F. Stoel, thans mr. F.M. Suërs.

Partijen zullen hierna A en B genoemd worden.

1. De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding van 21 maart 2006, met bewijsstukken;

- de conclusie van antwoord, met bewijsstukken;

- het ambtshalve gewezen tussenvonnis van 8 november 2006, waarbij een comparitie van partijen is gelast die op 3 april 2007 heeft plaatsgevonden en het daarvan opgemaakte proces-verbaal, met de daarin vermelde stukken;

- de akte strekkende tot het inbrengen van stukken;

- de antwoordakte.

1.2. Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De feiten

2.1. Als enerzijds gesteld en anderzijds erkend dan wel niet of niet voldoende weersproken, alsmede op grond van de in zoverre niet betwiste inhoud van de overgelegde bewijsmiddelen, staat in deze zaak het volgende vast:

a. Op 24 augustus 2002 heeft B zwaar lichamelijk letsel aan A toegebracht, toen A bij zijn ex-partner C (hierna: C) zijn zoontje D kwam ophalen. A is als gevolg van het letsel in coma geraakt en heeft tot medio oktober 2002 op de intensive care afdeling van het AMC gelegen. Daarna is hij overgeplaatst naar de afdeling Longziekten waar hij verder behandeld is voor onder andere zijn spraak- en slikprobleem, het krachtsverlies aan zijn rechterarm en beide benen. Uiteindelijk is A tot 12 december 2002 onder de naam E opgenomen geweest in het AMC.

b. Vervolgens is A opgenomen in Revalidatiecentrum … (hierna: het revalidatiecentrum). Bij opname heeft hij nog steeds pijnklachten in bekken, heupen, knieën, enkels en beide schouders en kan zelf nauwelijks bewegen. Van 1 april tot en met 18 april 2003 is A vanwege een longembolie tijdelijk weer opgenomen in het AMC. Op 16 februari 2004 is hij uit het revalidatiecentrum ontslagen.

c. Bij brief van 8 juli 2004 heeft dr. F, revalidatiearts van het revalidatiecentrum, de huisarts van A, dr. G, voor zover van belang, bericht:

“[…]

Tijdens de klinische periode zijn er problemen geweest rondom afspraken met patiënt die tot rauwelijks ontslag geleid hebben. Met dhr. A zijn afspraken gemaakt over gedragsregels voorafgaand tijdens de poliklinische revalidatie. Deze is hij in de afgelopen weken, voorafgaand aan de poliklinische revalidatie niet nagekomen en hebben er toe geleid dat we de patiënt de toegang tot het revalidatiecentrum ontzegd hebben. De consequentie is dat patiënt hier niet zal starten met revalidatie dagbehandeling.

[…]”

d. A wordt na zijn ontslag uit het revalidatiecentrum nog een paar keer in het AMC opgenomen voor de behandeling van botverkalking in heupen, knieën en onderrug, bestaande uit bestralingen en operaties. Na deze behandelingen wordt hij verder behandeld in Verpleeghuis …, totdat A op 1 juli 2004 een eigen, aangepaste woning kan betrekken. A is nog steeds gebonden aan een rolstoel, krijgt hulp bij het wassen en aankleden en therapie om te leren lopen.

e. Op 29 maart 2003 heeft A bij politie Amsterdam-Amstelland aangifte gedaan tegen B. Bij vonnis van 23 juni 2005 is B veroordeeld voor mishandeling dat zwaar lichamelijk letsel tot gevolg heeft gehad. B heeft een werkstraf van 100 uren, subsidiair 50 dagen hechtenis, gekregen. Over het beroep van B op noodweer/noodweerexces oordeelde de rechtbank:

“[…]

Verdachte heeft samen met zijn broer de confrontatie met het slachtoffer opgezocht, waarbij zij zich gerealiseerd (moeten) hebben dat deze confrontatie op een handgemeen kon uitlopen. Wat er verder ook zij van de motieven van verdachte en zijn broer, die naar eigen zeggen opkwamen voor hun zuster en haar kind, onder deze omstandigheden kon verdachte geen geslaagd beroep op noodweer of noodweerexces doen.

[…]

Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is ook overigens niet aannemelijk geworden. […]”

f. A is door de rechtbank in de strafzaak als benadeelde partij niet ontvankelijk verklaard in zijn vordering vanwege de complexiteit van de vordering.

g. Bij brief van 26 juli 2005 is B aansprakelijk gesteld voor de materiële en immateriële schade die A als gevolg van de mishandeling op 24 augustus 2002 lijdt, en verzocht op voorhand een voorschot van EUR 10.000,= te betalen. Hieraan heeft B geen gehoor gegeven.

h. Bij brief van 26 april 2007 heeft fysiotherapeut H (hierna: H) van Fysiotherapie …, voor zover van belang, mr. Weilers bericht:

“[…]

Momenteel is de situatie van Dhr. B. A in die mate verbeterd dat er enige hoopgeving bestaat dat uw cliënt mogelijkerwijs weer met hulpmiddelen zou kunnen lopen. Dan spreek ik over een mogelijkheid en geen zekerheid.

[…]”

3. Het geschil

3.1. A vordert bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:

a. te verklaren voor recht dat B op grond van onrechtmatige daad volledig aansprakelijk is voor de door A geleden en te lijden materiële en immateriële schade ten gevolge van de mishandeling door B op 24 augustus 2002;

b. B te veroordelen tot vergoeding van de materiële en immateriële schade die A heeft geleden en nog zal lijden, nader op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet;

c. B te veroordelen om aan A een voorschot op het hem toekomende smartengeld wegens blijvende invaliditeit te betalen van EUR 20.000,=;

d. met veroordeling van B in de proceskosten.

3.2. B verweert zich en voert aan dat gezien de eerdere mishandelingen van zijn zus C waaronder een vechtpartij tussen beiden op 14 juli 2002 waarvan C bij de politie aangifte heeft gedaan, zijn handelen gerechtvaardigd en geboden was ter noodzakelijke verdediging van zijn broer I tegen de ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding van diens lijf door A. Hij heeft zich daarbij proportioneel tegen de aanval van A verdedigd, aldus B. Voorts voert B aan dat A bewust het risico heeft genomen geconfronteerd te worden met verzet tegen het afdwingen van een omgangsregeling met zijn driejarig zoontje D. Een redelijk handelend mens zou onder de gegeven omstandigheden niet op omgang met zijn zoontje hebben gestaan, maar via de rechter een bezoekregeling hebben laten vaststellen. Door de onredelijke opstelling van A dient de vergoedingsplicht van B komen te vervallen, althans te worden verminderd door de schade te verdelen tussen A en B in evenredigheid met de overwegende mate waaraan A aan de schade heeft bijgedragen. B maakt bezwaar tegen verwijzing naar de schadestaat procedure. Nu het letsel vier jaar geleden aan A is toegebracht, moet een medische eindtoestand zijn ingetreden en de schade begroot kunnen worden in de hoofdprocedure. A moet de aard en de ernst van het opgelopen letsel bewijzen. Expertise is daarvoor noodzakelijk. Bij de vergoedingsplicht moet rekening worden gehouden met de eventuele consequenties van het gedrag van A in het revalidatiecentrum dat tot rauwelijks ontslag van A heeft geleid. Ook de medische voorgeschiedenis van A dient bij vaststelling van de vergoedingsplicht te worden betrokken. Een expertiserend arts zal hierover uitsluitsel moeten geven. In het dossier bevinden zich ook rekeningen van het ziekenhuis. Voor zover deze rekeningen niet door de ziektekostenverzekeraar van A zijn voldaan, omdat hij niet verzekerd zou zijn, heeft hij niet aan zijn schadebeperkingsplicht voldaan en komt dat voor zijn rekening, aldus nog steeds B. Gezien de voorgeschiedenis met huiselijk geweld van A jegens C en het feit dat B slechts een beperkte draagkracht verzoekt hij de te betalen schadevergoeding te matigen.

4. De beoordeling

4.1. Over de toedracht van het handgemeen op 24 augustus 2002 lopen de verklaringen van partijen uiteen. Vaststaat evenwel dat B veroordeeld is voor mishandeling van A, terwijl dat feit zwaar lichamelijk letsel tot gevolg heeft gehad. Deze veroordeling is onherroepelijk, zodat de rechtbank, gezien de dwingende bewijskracht van het vonnis, er vanuit moet gaan dat mishandeling van A heeft plaatsgevonden.

4.2. Op grond van artikel 6:162 van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) is hij die jegens een ander een onrechtmatige daad pleegt die hem kan worden toegerekend, verplicht de schade die de ander dientengevolge lijdt te vergoeden, behoudens bij de aanwezigheid van een rechtvaardigingsgrond.

4.3. B beroept zich op noodweer als rechtvaardigingsgrond. Bij noodweer dient aan de hand van het proportionaliteitsbeginsel te worden getoetst of het gehanteerde middel geboden was. Nu niet vast is komen te staan dat A ten tijde van het handgemeen een vuurwapen bij zich droeg alsmede gelet op de ernst van het letsel van A, is de rechtbank van oordeel dat B disproportioneel geweld jegens A heeft gebruikt, zodat sprake is van een onrechtmatige daad.

4.4. Ten aanzien van de toerekenbaarheid van de onrechtmatige daad doet B een beroep op noodweerexces als schulduitsluitingsgrond. Van noodweerexces kan sprake zijn als de verdachte in een noodsituatie als onmiddellijk gevolg van een hevige, door de aanranding veroorzaakte gemoedsbeweging a) bij de verdediging verder gaat dan geboden is of b) nadat de noodweersituatie is beëindigd nog een niet meer noodzakelijke verdedigingshandeling pleegt. Gesteld noch gebleken is dat de door de wederrechtelijke aanranding van zijn broer I veroorzaakte gemoedsbeweging van doorslaggevend belang is geweest voor de gedraging van B. Daarbij komt dat B met zijn broer de confrontatie met A heeft opgezocht. Het beroep op noodweerexces faalt dan ook. Een en ander leidt tot de conclusie dat de door B gepleegde onrechtmatige daad hem kan worden toegerekend.

4.5. Ten aanzien van de schade voert B aan dat sprake is van eigen schuld aan de zijde van A. A heeft bewust het risico genomen geconfronteerd te worden met verzet tegen het afdwingen van een omgangsregeling met zijn driejarig zoontje D, aldus B. A heeft ter comparitie verklaard dat C zelf had gezegd dat hij zijn zoon kon komen halen en dat hij geen problemen verwachtte. Niet is gebleken dat C zich ten opzichte van A heeft verzet tegen het door A aangekondigde bezoek. Voorts staat vast dat A niet op de hoogte was van de aanwezigheid van B en zijn broer op het adres waar hij zijn zoon zou ophalen. Als onbetwist staat tevens vast dat A bij het ophalen van zijn zoontje D geen geweld jegens C of D heeft gebruikt. B heeft verklaard dat zijn broer I D vervolgens van A heeft afgepakt, waarna het handgemeen ontstond. Het voorgaande in ogenschouw genomen is de rechtbank van oordeel dat B onvoldoende heeft gesteld om eigen schuld aan de zijde van A aan te kunnen nemen.

4.6. Bij akte strekkende tot het inbrengen van stukken heeft A nadere medische gegevens in het geding gebracht. H heeft mr. Weilers bericht dat A met kleine stappen vooruitgaat en dat de situatie van A zodanig verbeterd is dat er hoop is dat A met hulpmiddelen zal kunnen lopen. Van een medische eindtoestand lijkt nog geen sprake te zijn, zodat de schade nog niet begroot kan worden en verwijzing naar de schadestaat procedure in de rede ligt. In de schadestaat procedure zal ook aandacht moeten worden besteed aan de mogelijke gevolgen van het rauwelijkse ontslag van A uit het revalidatiecentrum. In die procedure kan ook een eventuele medische voorgeschiedenis van A worden betrokken.

4.7. Gezien de ernst van het letsel van A ziet de rechtbank aanleiding het gevorderde voorschot van EUR 20.000,= ter zake van immateriële schadevergoeding toe te wijzen. De rechtbank ziet geen reden het gevorderde voorschot te matigen. Wel zal in de schadestaat procedure beoordeeld moeten worden of er ten aanzien van het meerdere plaats is voor matiging.

4.8. Hetgeen partijen verder nog naar voren hebben gebracht kan, als reeds in het voorgaande behandeld dan wel niet ter zake dienend, buiten beschouwing blijven.

4.9. B zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van A worden begroot op:

- dagvaarding EUR 84,87

- salaris procureur 1.447,50 (2,5 punten × tarief EUR 579,00)

Totaal EUR 1.972,37

5. De beslissing

De rechtbank

5.1. verklaart voor recht dat B op grond van onrechtmatige daad volledig aansprakelijk is voor de door A geleden en te lijden materiële en immateriële schade ten gevolge van de mishandeling door B op 24 augustus 2002;

5.2. veroordeelt B tot vergoeding van de materiële en immateriële schade die A heeft geleden en nog zal lijden, nader op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet;

5.3. veroordeelt B om aan A een voorschot op de hem toekomende immateriële schadevergoeding wegens blijvende invaliditeit te betalen van EUR 20.000,00 (twintig duizend euro),

5.4. veroordeelt B in de proceskosten, aan de zijde van A tot op heden begroot op EUR 1.972,37, te voldoen aan de griffier door overmaking op rekeningnummer 19.23.25.728 ten name van MVJ Arrondissement Amsterdam onder vermelding van "proceskostenveroordeling" en het zaak- en rolnummer,

5.5. verklaart dit vonnis voor wat betreft 5.2, 5.3 en 5.4 uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. L. Voetelink en in het openbaar uitgesproken op 23 januari 2008.?