Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2008:BC3827

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
23-01-2008
Datum publicatie
07-02-2008
Zaaknummer
297406
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Eerste en enige aanleg
Inhoudsindicatie

onrechtmatige daad, wetenschappelijk wangedrag

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR-Updates.nl 2008-0092
RAV 2008, 41
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK AMSTERDAM

Sector civiel recht

zaaknummer / rolnummer: 297406 / HA ZA 04-2758

Vonnis van 23 januari 2008

in de zaak van

A,

wonende te ( woonplaats ),

eiser,

procureur mr. A.J.W.H.M. Versteeg,

tegen

het krachtens wettelijk voorschrift

rechtspersoonlijkheid bezittende

ACADEMISCH MEDISCH CENTRUM,

gevestigd te Amsterdam,

gedaagde,

procureur mr. W.Th. Snoek.

Partijen zullen hierna A en het AMC genoemd worden.

1. De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding voor de kantonrechter van 05 april 2004

- de incidentele conclusie tot verwijzing

- de conclusie van antwoord in het incident tot verwijzing

- het incidenteel vonnis van de kantonrechter van 21 juli 2004, inhoudende verwijzing van de zaak naar de sector civiel van de rechtbank

- een akte van A houdende in het geding brengen van stukken

- de conclusie van antwoord met producties

- de conclusie van repliek met producties

- de conclusie van dupliek met producties

- het proces-verbaal van de pleidooizitting van 20 oktober 2005 en de op die datum overgelegde pleitnotities van beide partijen

- een nadere conclusie van het AMC met producties

- een nadere conclusie van antwoord van A.

1.2. Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De feiten

2.1. Van 01 februari 1998 tot in elk geval 15 oktober 2003 heeft A wetenschappelijk onderzoek verricht binnen het onderzoeksproject “Unravelling the role of NM41 in thyroid development and function”. A deed dit in dienstverband bij AMC Medical Reseach B.V. (hierna: AMR) dat huisvesting en faciliteiten betrekt van het AMC. Aldus heeft hij onderzoek verricht binnen de muren van het AMC, met begeleiding en ondersteuning vanuit het AMC en onder vlag van het AMC als wetenschappelijke instelling. Dat onderzoek heeft onder meer geresulteerd in een proefschrift waarop A op 11 april 2003 is gepromoveerd. Bij de totstandkoming van dat proefschrift is A onder meer begeleid door co-promotor B (hierna: B). Per 01 juni 2003 heeft B ad interim de leiding gekregen over voornoemd onderzoeksproject, uit hoofde waarvan zij ook het verdere onderzoek van A heeft begeleid.

Sinds 01 april 2003 is A is aangesteld bij AMR als recipiënt van een NWO VENI fellowship.

2.2. In juli 2002 heeft het AMC een Researchcode ingevoerd, een bundeling van richtlijnen ter bevordering en bewaking van onafhankelijk en integer wetenschappelijk onderzoek binnen het AMC. Deze Researchcode is van toepassing verklaard op iedereen die binnen het AMC wetenschappelijk onderzoek verricht. Daaraan is brede bekendheid gegeven binnen de gehele organisatie, onder andere via intranet, openbare discussiebijeenkomsten en de verspreiding van brochures. Gelijktijdig is binnen het AMC een Ombudsman Wetenschap (hierna: de Ombudsman) aangesteld, bij wie melding kan worden gemaakt van vermeend wetenschappelijk wangedrag. Blijkens hoofdstuk 15 van de Researchcode is de Ombudsman onafhankelijk en kan hij zelf beslissen of hij naar aanleiding van een dergelijke melding onderzoek verricht en hoe dat onderzoek wordt vormgegeven. Verder zijn in dat hoofdstuk een aantal procedurevoorschriften opgenomen die de Ombudsman als leidraad dient te volgen. Één van die voorschriften luidt dat mededeling wordt gedaan aan de Raad van Bestuur (van het AMC, hierna: de RvB), indien een ingesteld onderzoek tot de conclusie leidt dat sprake is geweest van ernstig wetenschappelijk wangedrag.

2.3. B heeft zich op 04 september 2003 tot de Ombudsman gewend in verband met een viertal gedragingen van A die naar haar oordeel wetenschappelijk ontoelaatbaar waren. Op 11 september 2003 is A door de Ombudsman van deze beschuldigingen op de hoogte gesteld, waarbij een verslag van de bespreking met B, waarin de klachten waren omschreven, aan A is verstrekt. Op 16 september 2003 heeft de Ombudsman een vervolggesprek gehad met B, waarbij B heeft aangegeven haar klachten te willen handhaven. In dat gesprek heeft B bovendien een nieuwe (vijfde) klacht geformuleerd en is besproken op welke wijze B haar beschuldigingen zou kunnen staven. Vervolgens heeft op 22 september 2003 een gezamenlijk gesprek plaatsgevonden tussen de Ombudsman, B en A in aanwezigheid van een vierde persoon als getuige. In dat gesprek zijn de notulen van de laatste bespreking tussen de Ombudsman en B aan A voorgehouden en hebben zowel B als A de gelegenheid gekregen om hun visie ten aanzien van de vijf klachten uiteen te zetten en over en weer op elkaars standpunten te reageren.

2.4. Op 30 september 2003 heeft de Ombudsman zijn conclusies in een rapport neergelegd en dat rapport, behalve aan A en B, ook aan de RvB toegezonden.

Die conclusies luiden onder meer dat A:

- fictieve resultaten heeft weergegeven in een conceptartikel bestemd voor publicatie in een medisch tijdschrift;

- fictieve resultaten heeft weergegeven in hoofdstuk 5 van zijn gepubliceerde proefschrift;

- op de titelpagina van hoofdstuk 4 van zijn proefschrift ten onrechte heeft vermeld dat dat hoofdstuk ter publicatie aan het tijdschrift Nature zou zijn aangeboden;

- een onjuiste beschrijving heeft gegeven van de gevolgde methodologie bij een experiment in een manuscript bestemd voor publicatie in een medisch tijdschrift.

2.5. Naar aanleiding van het rapport van de Ombudsman heeft de RvB een ad hoc commissie, bestaande uit de voormalig voorzitter en de secretaris van de RvB, ingesteld om haar te adviseren over eventueel te treffen maatregelen. Deze commissie heeft na kennisneming van het rapport en een gezamenlijk gesprek met B en A de RvB onder meer geadviseerd om A de toegang tot de onderzoekslaboratoria te ontzeggen en in het verlengde daarvan A niet toe te staan nog publicaties over zijn onderzoek op naam van het AMC te doen uitgaan. De RvB heeft deze adviezen overgenomen en die beslissing op 15 oktober 2003 bij monde van de voorzitter aan A persoonlijk medegedeeld. Blijkens het schriftelijk verslag van dat gesprek heeft de voorzitter de beslissing van de RvB als volgt gemotiveerd:

“[…] this means that A has in four instances exhibited behaviour which is scientifically unacceptable and which can be classified as scientific misconduct. Luckily for A and the AMC most of these instances have been rectified before a paper was submitted to a journal or presented at a conference.

In the subsequent hearing of the Ad hoc committee it has become clear that A does not seem to appreciate the importance of the misconduct nor of the AMC Research code. The Committee indicates that means the AMC can not be sure it will not happen again in the future […]

The Dean concludes that both the actual incidents of scientific misconduct and the consequent discussion which has evolved in the lab make that A has lost the trust of the academic community in the AMC. […]”

2.6. In 2003 is bij de Koninklijke Nederlandse Akademie van Wetenschappen te Amsterdam een Landelijk Orgaan Wetenschappelijke Integriteit (hierna: het LOWI) ingesteld, dat tot taak heeft het bestuur van een wetenschappelijke instelling te adviseren over klachten inzake de schending van wetenschappelijke integriteit. Het LOWI kan blijkens haar reglement worden gevraagd om een oordeel in het geval een klager of een beklaagde zich niet kan verenigen met het besluit van het bestuur van de instelling over de bij die instelling ingediende klacht inzake een vermoede schending van de wetenschappelijke integriteit.

2.7. Na de pleidooien in deze procedure hebben partijen gezamenlijk besloten de klachten zoals ingediend bij de Ombudsman alsnog voor te leggen aan het LOWI voor een inhoudelijk oordeel. Beide partijen hebben het LOWI daartoe van stukken voorzien. Daarna heeft het LOWI buiten aanwezigheid van partijen eerst de Ombudsman en de promotor van A, C, gehoord. Vervolgens heeft een mondelinge behandeling plaatsgevonden, waarbij beide partijen hun standpunten hebben toegelicht en door het LOWI zijn ondervraagd. Op 30 januari 2007 heeft het LOWI partijen een schriftelijk gemotiveerd oordeel toegezonden, waarna partijen nog een nadere conclusie in de onderhavige procedure hebben genomen en ten slotte om vonnis hebben gevraagd.

3. Het geschil

3.1. A vordert, na vermindering van eis, bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:

- voor recht te verklaren dat het AMC onrechtmatig jegens A heeft gehandeld door bij besluit van 15 oktober 2003 A de toegang tot de laboratoria te ontzeggen en hem te verbieden publicaties uit te doen gaan over zijn onderzoek waarin de naam van het AMC wordt vermeld;

- het AMC te gebieden binnen 7 dagen na betekening van het in deze procedure te wijzen vonnis een aantal in de dagvaarding nader omschreven personen en instellingen, althans de door de rechtbank aan te wijzen personen en instellingen, omtrent die verklaring voor recht te berichten, met bepaling dat het AMC gehouden is afschriften van de brieven die het verstuurt tegelijkertijd aan A te verzenden, een en ander op verbeurte van een dwangsom;

- het AMC te veroordelen tot schadevergoeding, nader op te maken bij staat;

- het AMC te veroordelen in de proceskosten.

3.2. A legt aan die vorderingen ten grondslag dat het AMC ten onrechte heeft geconcludeerd dat A wetenschappelijk wangedrag verweten kon worden en dat gevaar voor herhaling bestond. Inhoudelijk bestonden er dus geen redenen om A niet langer deel te laten uitmaken van de wetenschappelijke gemeenschap van het AMC. Bovendien acht hij de wijze van totstandkoming van het besluit van 15 oktober 2003 onzorgvuldig en onbehoorlijk.

3.3. Het AMC voert verweer. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4. De beoordeling

4.1. A bestrijdt niet dat het AMC gerechtigd is om een wetenschapper die herhaaldelijk wetenschappelijk wangedrag vertoont, de toegang tot zijn laboratoria te ontzeggen en te verbieden nog langer te publiceren onder vermelding van zijn naam. A ontkent echter dat hij zich wetenschappelijk heeft misdragen

4.2. Naar het oordeel van de rechtbank is van wetenschappelijk wangedrag in elk geval sprake indien een wetenschapper bij de verslaglegging van zijn onderzoek ten behoeve van publicatie of ander extern gebruik, gegevens onjuist en/of misleidend presenteert en/of fictieve gegevens als echt presenteert. Daarbij acht de rechtbank, anders dan het LOWI, het niet relevant of de daaraan verbonden risico’s voor de verdere wetenschapsbeoefening –

onder meer belemmering van de mogelijkheid tot een juiste waardering, herhaling en uitbreiding/toepassing van het onderzoek – alsmede voor de reputatie van de onderzoeker en de instelling waar hij zijn onderzoek verricht, zich uiteindelijk ook daadwerkelijk hebben gerealiseerd.

4.3. Uit 2.4 en 2.5 blijkt dat het AMC onder meer drie voorbeelden van dergelijk wangedrag, beweerdelijk gepleegd door A, aan haar besluit van 15 oktober 2003 ten grondslag heeft gelegd. Het gaat dan om de volgende beschuldigingen:

a. het presenteren van een tabel (met toelichting) in een voor publicatie gereedliggend concepttijdschriftartikel, met daarin beweerde gegevens van elf patiënten, waar in werkelijkheid slechts gegevens aanwezig waren over acht patiënten; als gevolg daarvan vormden de drie patiënten bij wie mutaties waren ontdekt een veel hoger percentage van het totaal (3/8 = 37,5%) dan blijkt uit dit conceptartikel (3/11 = 27,2%);

b. het presenteren van een figuur op bladzijde 122 van zijn proefschrift, te weten een foto van een zogeheten western blot, bestaande uit drie zogeheten verticale “laantjes”, waarvan het derde laantje volgens de legenda een controle-onderzoek met gebruikmaking van Htori3 cellen weergeeft, terwijl dat controle-onderzoek in werkelijkheid niet met Htori3 cellen, maar met CHO cellen is uitgevoerd; aldus wekt de foto met bijbehorende toelichting de indruk dat in het desbetreffende experiment iets is aangetoond – de specificiteit van het opgewekte antilichaam - dat in werkelijkheid nooit is komen vast te staan;

c. het beschrijven, in een ter publicatie aangeboden reviewartikel, van een experiment dat nooit op die wijze heeft plaatsgevondenen en dat op de beschreven wijze ook niet de geclaimde resultaten zou opleveren.

4.4. De rechtbank stelt allereerst vast dat A erkent dat in de drie beschreven gevallen sprake is geweest van een onjuiste weergave van onderzoeksgegevens. Voor zover hij inhoudelijk verweer voert tegen de beschuldigingen, begrijpt de rechtbank dat verweer aldus, dat die fouten hem, naar zijn stelling, niet kunnen worden toegerekend.

De rechtbank oordeelt daarover, puntsgewijs, als volgt:

Ad a.

Naar de stelling van A betrof de tabel waarin de fout voorkwam, een werktabel die nog een voorlopig karakter had, hetgeen ook bleek uit de aanduiding “prelim” boven die tabel. De tabel bevatte de op dat moment beschikbare gegevens van de in totaal bij het experiment betrokken patiënten. Al naar gelang de bloedmonsters binnenkwamen en onderzocht werden, veranderde de tabel, aldus A.

Naar het oordeel van de rechtbank maakt die uitleg niet begrijpelijk waarom in de toelichting bij die beweerdelijk voorlopige tabel wordt gesproken over drie patiënten met mutaties en acht patiënten zonder mutaties, terwijl in werkelijkheid maar gegevens van acht patiënten beschikbaar zijn gekomen. Dit verweer is dus onvoldoende onderbouwd. Bovendien bestrijdt A niet, althans onvoldoende, dat de tabel met toelichting in deze vorm is gevoegd, zij het zonder de aanduiding “prelim”, bij een concepttijdschriftartikel dat als zodanig, dus ten behoeve van publicatie, onder de verschillende co-auteurs was verspreid. Evenmin bestrijdt A de stelling van het AMC – onder meer blijkend uit het rapport van het LOWI - dat B door een analiste op de onjuistheid van de tabel is gewezen, nadat A naar aanleiding van dezelfde mededeling van die analiste aan hem de tabel niet had aangepast.

Gelet op een en ander moet worden geoordeeld dat deze fout volledig aan A kan worden toegerekend.

Ad b.

Naar de stelling van A komt deze fout slechts neer op een onjuiste omschrijving in de legenda bij de desbetreffende figuur, waar gesproken wordt van Htori3 cellen in plaats van CHO cellen. A wijst er daarbij op dat het desbetreffende experiment niet door hem zelf is uitgevoerd, maar ten behoeve van hem door de heer D, die net als hij zelf onder direct toezicht en verantwoordelijkheid van B werkte. Bij het verwerken van de resultaten van het experiment heeft hij samen met de heer D ontdekt dat één laantje miste. Die ontdekking is vervolgens ook besproken met B. Onder hoge tijdsdruk, mede als gevolg van het tussentijdse overlijden van de vader van A, heeft hij later verzuimd de fout in de legenda te corrigeren. Ook B heeft vervolgens bij het doornemen van het conceptproefschrift de fout over het hoofd gezien. Van enig opzet is dan ook geen sprake geweest, zodat niet gesproken kan worden van wetenschappelijk wangedrag, aldus A.

Naar het oordeel van de rechtbank gaat A hiermee voorbij aan de kern van het aan hem gemaakte verwijt. Zoals hij zelf immers stelt en ook is gebleken uit de door hem aan de Ombudsman en later aan het LOWI getoonde originele foto’s van het experiment, heeft het verrichte experiment geen ‘derde laantje’ opgeleverd. Niettemin stelt A dat de figuur op bladzijde 122 van zijn proefschrift, waarin wel een derde laantje voorkomt, door hem is samengesteld uit de oorspronkelijke foto’s van de beschikbare western blots van het experiment. Anders dan door het LOWI uit de mond van A is opgetekend, ontkent hij bij nadere conclusie dat hij dat laantje zelf heeft gefabriceerd. Hij verschaft echter geen begin van een inzicht in hoe de gewraakte figuur dan tot stand kan zijn gekomen en ook in het proefschrift is gehandhaafd in de wetenschap dat er van een derde laan geen sprake was. Daarbij merkt de rechtbank nog op dat een wetenschapper in beginsel zelf volledig verantwoordelijk moet worden geacht voor de waarheidsgetrouwe en integere verslaglegging van zijn onderzoek, ook als dat op onderdelen door anderen is uitgevoerd en het verslag daarvan door anderen is nagekeken. De rechtbank acht het verweer van A derhalve onvoldoende gemotiveerd, zodat ook deze fout aan hem kan worden toegerekend.

Ad c.

Ten aanzien van dit verwijt voert A geen inhoudelijk verweer. Wel verwijst hij naar de mede-verantwoordelijkheid van co-auteur B, aan wie hij het conceptartikel ter correctie en aanvulling had aangeboden. Dat verweer gaat niet op, aangezien het bestaan van een samenwerkingsverband met co-auteurs naar het oordeel van de rechtbank een wetenschapper niet ontheft van zijn (volledige) verantwoordelijkheid voor de waarheidsgetrouwe en zorgvuldige beschrijving van zijn eigen onderzoek.

Overigens heeft het LOWI zich in deze onder meer op het standpunt gesteld dat een reviewartikel een ander karakter heeft dan een oorspronkelijk artikel en daarom niet een even precieze beschrijving van een methodiek hoeft te bevatten als vereist is bij een oorspronkelijk artikel. Dat neemt naar het oordeel van de rechtbank echter niet weg dat ook een reviewartikel geen onjuistheden mag bevatten, zoals daar in het onderhavige manuscript sprake van was. Dat laatste klemt temeer, nu in het manuscript, naar het AMC onweersproken heeft gesteld, werd verwezen naar het oorspronkelijke artikel, dat echter tot op heden niet is gepubliceerd, zodat de lezer ook geen mogelijkheid zou hebben gehad de beweringen in het reviewartikel te controleren.

Ten slotte stelt de rechtbank vast dat A onvoldoende stellig, laat staan gemotiveerd betwist dat het manuscript, op het moment dat het B ter lezing werd voorgelegd, reeds door A aan de editor van het publicerende tijdschrift was verzonden. Dat de fout uiteindelijk vóór publicatie, door ingrijpen van B, is gecorrigeerd, kan naar het oordeel van de rechtbank dan ook niet afdoen aan de kwalificatie daarvan als wetenschappelijk wangedrag. Het risico van een onjuiste voorstelling van zaken bij een breder publiek en daarmee van belemmering van de mogelijkheid tot een juiste waardering, herhaling en uitbreiding/toepassing van het onderzoek in kwestie, was immers al genomen.

Bij gebreke van overig verweer kan die fout ook aan A worden toegerekend.

4.5. Reeds op grond van voorgaande heeft het AMC met recht kunnen concluderen dat A zich herhaaldelijk wetenschappelijk heeft misdragen. Mede gezien het feit dat A noch tegenover de Ombudsman noch tegenover de ad hoc commissie van het AMC op enigerlei wijze zijn verantwoordelijkheid voor deze fouten heeft erkend, konden nieuwe incidenten in de toekomst ook niet worden uitgesloten door het AMC. De door het AMC gevoelde noodzaak om zijn eigen reputatie als centrum van hoogwaardig en integer wetenschappelijk onderzoek – welke reputatie niet is weersproken - te beschermen, rechtvaardigde naar het oordeel van de rechtbank dan ook zijn besluit van 15 oktober 2003 om A de toegang tot de laboratoria te ontzeggen en hem te verbieden publicaties uit te doen gaan over zijn onderzoek waarin de naam van het AMC wordt vermeld.

4.6. Aan dat oordeel kan niet afdoen hetgeen A verder nog aanvoert met betrekking tot de wijze waarop het besluit van het AMC tot stand is gekomen.

Vast staat dat A voorafgaande aan dat besluit, na eerder over de beschuldigingen te zijn geïnformeerd, tot twee maal toe, bij de Ombudsman en de ad hoc commissie, in de gelegenheid is gesteld om zich tegen de geformuleerde klachten te verweren. Daarbij merkt de rechtbank nog op dat die klachten niet zagen op complexe technisch-wetenschappelijke verschillen van inzicht, maar op overtredingen van zeer basale vereisten van waarheidsgetrouwe en integere verslaglegging van onderzoek. Mede tegen die achtergrond is de rechtbank van oordeel dat, wat er ook zij van de procedurele bezwaren van A, deze bezwaren op zichzelf noch de door hem gevorderde verklaring voor recht, inclusief rectificatie, noch de geëiste schadevergoeding kunnen dragen. De vorderingen zullen dan ook integraal worden afgewezen.

4.7. A zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van het AMC worden begroot op:

- vast recht 241,00

- salaris procureur 2.712,00 (6 punten × tarief EUR 452,00)

Totaal EUR 2.953,00

5. De beslissing

De rechtbank

5.1. wijst de vorderingen af,

5.2. veroordeelt A in de proceskosten, aan de zijde van het AMC tot op heden begroot op EUR 2.953,00.

Dit vonnis is gewezen door mr. W. Tonkens - Gerkema, mr. A.P. Schoonbrood - Wessels en mr. S.F. van Merwijk en in het openbaar uitgesproken op 23 januari 2008.?