Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2008:BC3566

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
30-01-2008
Datum publicatie
06-02-2008
Zaaknummer
AWB 08-387 WET
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

De Stichting Greenpeace Nederland heeft de bestuursrechter onder meer verzocht om als voorlopige voorziening bepaalde (bouw)werkzaamheden stil te leggen die Greenpeace in strijd met de Flora- en faunawet acht. De bestuursrechter wijst dit gedeelte van het verzoek af omdat er geen besluit is waartegen bezwaar of beroep kan worden ingesteld. Het verzoek dient te worden behandeld in een civiele kort-gedingprocedure.

Wetsverwijzingen
Flora- en faunawet
Flora- en faunawet 75
Flora- en faunawet 112
Algemene wet bestuursrecht
Algemene wet bestuursrecht 8:81
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JM 2008/38 met annotatie van Boerema
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Amsterdam

Sector Bestuursrecht

voorlopige voorzieningen

UITSPRAAK

in het geding met reg.nr. AWB 08/387 WET

tussen:

de Stichting Greenpeace Nederland, gevestigd te Amsterdam,

verzoekster,

vertegenwoordigd door mr. B.N. Kloostra,

en

de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, zetelend te ’s-Gravenhage,

verweerder,

vertegenwoordigd door mr. G.J.L. Veth.

1. PROCESVERLOOP

De voorzieningenrechter (hierna ook: de rechter) heeft op 29 januari 2008 een verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening ontvangen tegen het niet handhavend optreden tegen werkzaamheden zonder de vereiste ontheffing ingevolge de Flora- en faunawet. Dit verzoek hangt samen met het bezwaarschrift van verzoekster van 29 januari 2008, gericht tegen het uitblijven van een besluit op het verzoek om handhaving van 28 januari 2008.

Het onderzoek is met toepassing van artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) gesloten.

2. OVERWEGINGEN

Ingevolge artikel 8:81 van de Awb dient te worden nagegaan of onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, het treffen van een voorlopige voorziening vereist. Bij de vereiste belan¬genafweging gaat het om een afweging van enerzijds het belang van de verzoeker dat een onverwijlde voorziening wordt getroffen en anderzijds het door de onmiddellijke uitvoering van het besluit te dienen belang.

Voor zover de toetsing meebrengt dat een oordeel wordt gegeven over het geschil in de bodemprocedure, heeft dit oordeel een voorlopig karakter en is dit niet bindend voor de beslissing in de bodemprocedure.

Op grond van artikel 8:83, derde lid, van de Awb kan de rechter, indien hij kennelijk onbevoegd is of het verzoek kennelijk ongegrond of kennelijk gegrond is, de uitspraak doen zonder als bedoeld in het eerste lid van dat artikel.

Bij brief van 28 januari 2008 heeft verzoekster verweerder verzocht om handhavend op te treden tegen de door E.ON Benelux N.V., zonder de daartoe vereiste ontheffing in de zin van de Flora- en faunawet, aangevangen (bouw)werkzaamheden op het perceel aan de Coloradoweg 10 te Rotterdam.

Verzoekster op 29 januari 2008 bezwaar gemaakt tegen het uitblijven van een besluit op voornoemd verzoek tot handhaving. Voorts heeft verzoekster verzocht een voorlopige voorziening te treffen inhoudende een schorsing van de weigering om niet tijdig te beslissen op het verzoek om handhaving. In dit verband heeft verzoekster gewezen op de uitspraak van de voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 14 september 2007 (LJN: BB3856). Daarnaast is verzocht verweerder te gelasten alle werkzaamheden stil te leggen tot zes weken nadat op het bezwaar van verzoekster is beslist, dan wel verweerder te gelasten om binnen één uur na de uitspraak van de rechter alsnog op het verzoek om handhaving te beslissen.

De rechter overweegt als volgt.

Naar voorlopig oordeel van de rechter bestaat er onvoldoende aanleiding om het bezwaar als prematuur ingediend niet-ontvankelijk te achten. Evenmin is er aanleiding om het ontbreken van spoedeisendheid aan te nemen.

De rechter ziet aanleiding om te bepalen dat verweerder vóór vrijdag 1 februari 2008 om 17.00 uur beslist moet hebben op het verzoek tot handhaving zoals ingediend door verzoekster. Uit de door verzoekster ingediende stukken valt niet concreet af te leiden dat zich voordien een irreversibele schade zal realiseren. Met een termijn als gesteld moet verweerder in staat worden geacht op voldoende verantwoorde wijze een besluit te nemen.

Het verzoek om stillegging wordt afgewezen omdat de bestuursrechter onbevoegd is nu er geen daadwerkelijk besluit is waartegen bezwaar dan wel beroep kan worden ingesteld. Voor deze voorziening is de procedure in kort geding aangewezen te achten.

De rechter ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling of een vergoeding van het griffierecht.

Beslist wordt als volgt.

3. BESLISSING

De voorzieningenrechter:

- wijst het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening toe in die zin dat verweerder vóór vrijdag 1 februari 2008 om 17.00 uur beslist moet hebben op het verzoek tot handhaving zoals ingediend door verzoekster;

- wijst het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening voor het overige af.

Deze uitspraak is gedaan op 30 januari 2008 door mr. H.J. Tijselink, voorzieningenrechter, in tegenwoordigheid van mr. V.M. Behrens, griffier,

en bekend gemaakt door verzending aan partijen op de hieronder vermelde datum.

De griffier, De voorzieningenrechter,

Tegen deze uitspraak staan geen rechtsmiddelen open.

Afschrift verzonden op:

DOC: A